Vandaag wordt acteur, regisseur en theaterdirecteur Jos Verbist 65 jaar. In de jaren negentig, toen hij aan het werk was in Arca, ben ik hem eens gaan interviewen (hij was toen pas overgestapt van het NTG). Buiten een meningsverschil over Dirk Tanghe, houd ik er een goede herinnering aan over. Daarom langs deze weg: een gelukkige verjaardag, Jos!

64 jos verbistMits enig opzoekingswerk ben ik erin geslaagd het verleden van Jos Verbist met terugwerkende kracht te reconstrueren tot in het jaar 1980, het jaar dat hij een vaste stek veroverde bij het Nederlands Toneel Gent. Aangezien Jos echter geboren is op 20 juni 1952 (in Lier), kan dit onmogelijk zijn debuut geweest zijn. Wat was er dan aan voorafgegaan?
“Ik heb Studio Herman Teirlinck gevolgd. Daar ben ik afgestudeerd in 1976 en dan ben ik in KVS-Brussel begonnen.”
Heb ik iets gemist in KVS?
“Ik denk het niet. God, het was moeilijk om te beslissen waar ik precies zou beginnen en op dat moment oordeelde ik dat ik daar een aantal jaren praktijk-ervaring zou kunnen opdoen. Toen was het trouwens nog vrij gunstig. Er was een tamelijk goede kern van acteurs en vooral: binnen de drie grote huizen werd er daar het interessantst omgegaan met acteurs. Je kreeg in de KVS nogal kansen als jonge acteur, terwijl in NTG en KNS alles veel vaster zat. Er waren wachtbeurten of je moest al een speciaal vriendje zijn van deze of gene regisseur. Het is een traditie in KVS dat dit daar niet het geval is. Een van de voordelen van Nand Buyl is dat hij jonge mensen een kans wil geven.”
Het grote succes van KVS in de jaren tachtig was “Romeo en Julia” in een regie van Dirk Tanghe. Tanghe is op de eerste plaats toch met gevoelens bezig en dat is juist iets wat ik bij Jos Verbist ook terugvind. Niet enkel tussen de karakters op het toneel, maar ook in de wisselwerking met het publiek. “Het gebroed onder de maan” (van Bourdet, Verbists eerste Arca-productie) vind ik daarvan het supreme voorbeeld: de manier waarop hij de gevoelens van die marginale figuren zo tastbaar maakt dat de toeschouwers zich moeiteloos ermee identificeren…
Jos Verbist: Mmmja, maar gevoelens alleen volstaan niet om een voorstelling te maken. Het hangt ervan af wat een bepaald gevoelen mij vertelt. Bij Dirk vond ik “Romeo en Julia” daarvan het duidelijkste voorbeeld. Het interesseert me niet om dat verhaaltje opgevoerd te zien door een aantal yuppies van vandaag. En dan mogen die gevoelens nog zo juist of zo eerlijk of zo warm mogelijk gespeeld zijn, dan blijft me dat toch allemaal te naief. Dan vind ik dat er andere gevoelens zijn waarover je het kan hebben. Ik heb niet zo’n behoefte om de brave burger nog eens gerust te stellen in zijn zetel. Ik weet wel dat het theater de wereld niet kan veranderen, maar je moet toch over een aantal zaken blijven praten die eigenlijk niet meer aan bod komen, die men verdringt. In “Nachtasiel” leek het me b.v. interessant om de confrontatie aan te gaan tussen de hedendaagse wereld en het stuk van Gorki dat dan toch al honderd jaar oud is. De tofste reacties achteraf vond ik dan ook die van mensen die zich afvroegen: ‘Is dit stuk echt van Gorki? Dat zou ik dan toch eens moeten lezen!’ Dan heb ik mijn doel bereikt. Want dan interesseer je iemand thematisch voor een maatschappelijk fenomeen.”
Jos Verbist heeft stage gelopen in het Théâtre de la Salamandre in Tourcoing bij Gildas Bourdet in het begin toen hij bij het NTG was.
Verbist: “Ik weet niet meer precies op welk moment, maar ik had een paar maanden vrij en ik had vroeger reeds een aanvraag ingediend om bij Bourdet stage te mogen lopen. Ik wou weten hoe een theater in optimale omstandigheden wordt gerund. En het Théâtre de la Salamandre was daarvan een uitstekend voorbeeld: de voorstellingen die ik daar had gezien waren allemaal van een dusdanige kwaliteit en ook van een dergelijke homogeniteit tussen de dramaturgie en de vormgeving, dat ik wilde weten hoe men aan dergelijk resultaat kon geraken.”
Kan het in 1982 geweest zijn? Toen zat je immers in twee stukken van Nigel Williams, “Breek ze” en “Klassevijand”, en die “Klassevijand” (“Class enemy”) heb je vorig jaar (t.o.v. het interview uiteraard, maar ik weet niet meer in welk jaar dat was, wellicht in het begin van de jaren negentig) zelf geregisseerd in Tourcoing. Misschien was dat nog in je onderbewuste blijven hangen?
“Nee. Het was vroeger denk ik. Nee, de keuze om Class enemy te doen had heel andere gronden. Die beslissing werd ingegeven door de grote stemmenwinst die Le Pen had gehaald in het Noorden van Frankrijk, een post-industrieel gebied met een gehavend landschap. De arbeidersklasse moet daarvan de rekening nu verteren en dat heeft ook zijn repercussies op de jeugd, zodat ik wel enige vergelijking zag met het wereldje van de jongens uit Class enemy.”
Hoe is Jos Verbist eigenlijk bij het NTG beland?
“Dat had alles te maken met het feit dat men in het NTG met iets heel nieuws begon, namelijk de oprichting van de beleidsgroep, wat voor mij nog altijd de enig mogelijke beheersvorm is: de samenwerking van een aantal mensen die artistiek verantwoordelijk zijn. Als enkeling is dit immers een onmogelijke opdracht. Kijk maar naar het buitenland, daar gebeurt dat ook zo in de toonaangevende schouwburgen. En met Walter Moeremans, Jean-Pierre De Decker, Hugo Van den Berghe enz. beloofde dat wel wat te worden in het NTG. Voor een gevestigde schouwburg was het zeker een stap in de goede richting. Dat was dus een grote uitdaging en dat is ook de reden waarom ik er naartoe ben getrokken.”
Als ik me dan even een sprong voorwaarts in de tijd mag veroorloven: dat is dan wellicht ook de reden waarom je weer bent weggegaan, want je vertrek viel samen met de opheffing van die beleidsgroep…
“Inderdaad. Dat is niet toevallig. De beleidsgroep werd opgeheven en de directie (Jef Demedts) begon plotseling cavalier seul te spelen, ook op artistiek vlak. En dan zijn er nog een paar dingen gebeurd op andere fronten die voor mij de reden waren dat ik daar niet langer wilde blijven. Met de collega’s of het acteurspotentieel heeft het niets te zien. Het heeft alles te maken met het beleid van de schouwburg, waarin je kunt functioneren of niet.”
Jos Verbist regisseert aanvankelijk vaak tesamen met iemand anders. De eerste keer laat hij zich nog als assistent van Gilis noteren, met name in “Door de liefde verrast” van Marivaux, maar in “Bouwmeester Solness” van Ibsen treden ze reeds als een “paar” op. Ik vroeg me af wat eigenlijk zijn inbreng was geweest. Kan hij misschien op z’n eentje niet hard genoeg zijn ten opzichte van de acteurs? Die indruk had ik b.v. bij zijn afscheidstuk in het NTG, “Station Service” van Bourdet, over het algemeen wel een prachtige productie overigens.
Jos Verbist: “Dat kan misschien wel zijn, maar dat is eigenlijk een methode. Ik kan ook hard zijn, maar meestal heeft dit niet zoveel zin in dit beroep. Soms moet je dat zijn, akkoord, maar soms ben je het ook op het verkeerde moment en dan berokken je veel meer schade dan de keren dat je het op het goede moment bent. Ik vind dus dat acteurs hun vrijheid moeten hebben. De beste ervaringen zijn dan ook als acteurs je verrassen als regisseur. Dat zijn de mooiste momenten tijdens het repetitieproces. En dan doen ze vaak dingen die je nooit zelf had kunnen bedenken. Dat zijn werkelijk de prachtigste momenten van het theatermaken. En als ze dat dan ook nog eens voor het publiek kunnen doen, dan is het echt een droom. En aangezien je daar als regisseur altijd op hoopt, heb ik van nature inderdaad wel de neiging om heel lang af te wachten. Het is wel spijtig dat de acteurs – op het Conservatorium van Antwerpen na – niet in die zin worden opgeleid.”
Daarna volgde Gildas Bourdets “Crachats de la lune” (Gebroed onder de maan), deze keer in samenwerking met Jappe Claes. “Waarom doe je zo weinig producties op je eentje?” vroeg ik aan Jos Verbist…
“Oh, ik denk toch dat ik er meer alleen heb geregisseerd dan in samenwerking. Maar van in het begin was er die affiniteit met Herman, dat is waar, omdat we in dezelfde lijn werken. Toch heb ik niet de indruk dat ik mij ondergeschikt maak aan zijn idee. Ik KIJK misschien wel langer naar wat iemand probeert. Maar dat is in een samenwerking altijd het geval. En dat is een voordeel, al werkt het natuurlijk niet met eender wie, dat is evident. Maar terwijl de een zich bezighoudt met de acteurs kan de ander blijven toekijken om te zien of de bedoeling er wel goed uitkomt en eventueel corrigerend op te treden als het niet blijkt te werken. Dat soort controle heb je niet als je alleen werkt. Je hebt dan natuurlijk een assistent, maar hier in Vlaanderen is dat nog altijd beperkt tot koffie aandragen en andere nutteloze zaken. En misschien zijn daar wel kandidaten voor, maar dat zijn dan niet de meest interessante mensen.”
Wisselen die posities dan of is mijn veronderstelling juist dat jij eerder de “acteursregisseur” bent en dat Gilis eerder het geheel in de gaten houdt?
“Ik weet het niet. Dat zou kunnen. Ik heb daar nog niet zo bij stilgestaan. Maar hoe dan ook, theater maak je samen. Het is een onzinnig idee om te denken dat de ‘grote goeroe’ het eens allemaal zal flikken.”
Dezelfde sfeer als in “Het gebroed” of “Nachtasiel” vind je ook terug in de TV-films van Jean-Pierre De Decker, overigens de eerste regisseur bij wie je assistentie hebt gedaan (“Noch vis noch vlees” van Kroetz). Ik denk dan: zou Jos Verbist niks in die aard willen doen?
“Soms denk ik wel eens aan televisiewerk, ja. Bourdet heeft me b.v. voorgesteld om eens iets voor televisie te doen. Hij heeft een TV-spel geschreven en hij heeft mij gevraagd of ik het in het Nederlands wilde brengen. Maar ik ken het medium nog niet voldoende. En als acteur heb ik er trieste ervaringen mee. Het is niet mijn bedoeling om nog maar eens op de BRT te gaan inhakken, maar televisiewerk geeft meestal weinig voldoening, omdat het allemaal zo snel moet gaan. Het interesseert me dan ook niet zo erg om in een of ander feuilleton terecht te komen.”
Daarna volgde op 17/12/88 “Seasons Greetings” (Prettige Feesten) van Alan Ayckbourn. De BBC is nog altijd het grote voorbeeld, maar toch vond ik deze versie stukken beter dan de televisiebewerking van Michael Simpson, ook al zegt Jos Verbist: “Het is moeilijk te vergelijken. Niet alleen is het een verschillend medium, de visie was ook totaal anders. Bepaalde figuren b.v. vond ik in de televisieversie soms beter geslaagd. Het is altijd moeilijk om het werk van iemand anders te beoordelen. Ik kijk altijd naar wat hij geprobeerd heeft te doen en dan ga ik na waarom mij dat aanspreekt of niet. Vooral als je hetzelfde stuk brengt natuurlijk. Maar ik wil er voor alle duidelijkheid aan toevoegen dat ik de TV-film maar gezien heb toen onze eigen productie al aan het lopen was. Ik vond het wel een verdienste van Simpson dat hij heeft geprobeerd dat stuk op een dramatische manier te brengen. Het was niet echt gelukt, akkoord, maar Ayckbourn is dan ook een razend gevaarlijke auteur. Zijn schriftuur is heel dwingend. Het is heel moeilijk om daaraan te ontsnappen. Als je dat wil psychologiseren dan valt b.v. soms het ritme of de structuur in duigen. En als je het te snel wil doen, dan dreigt het een goedkope komedie te worden. Vergeet niet dat hij voor zijn eigen theater schrijft, zodat de factor succes altijd een rol speelt. Is niet van hem de uitspraak: ‘Mijn stukken die succes hadden heb ik voor het geld geschreven. De stukken die minder goed liepen ontstonden uit een diepe en onbewuste noodzaak om de wereld te verbeteren’?”
Daarna volgde van Javier Tomeo “Geliefd monster” in een decor van Marc De Vos & Lieve Vermeire met Vic en Walter Moeremans (7/12/1989), waarna ook Jos Verbist met slaande deuren is opgestapt om nota bene in het Théâtre de la Salamandre in Tourcoing te gaan werken. Maar eerst had hij voor “Geliefd monster” dus nog spitsroeden moeten lopen.
“Toch heb je daar blijkbaar niet erg onder geleden,” zeg ik met een knipoog naar Dirk Tanghe: “Je hebt er alvast geen zenuwinzinking aan overgehouden, als ik een ietwat oneerbiedige vergelijking mag gebruiken…”
Jos Verbist: “Ach, je lijdt er altijd wel een beetje onder, hoor. Maar ook hier geldt dat theater een samenspel blijft van een aantal factoren en van verschillende mensen. En de ene keer lukt dat en de andere keer niet. En het is moeilijk te zeggen waarom. Als ik daar het geheim zou van hebben, dan was ik nu steenrijk.”
GELIEFD MONSTER (oorspronkelijke titel : “Amado monstruo”) is van oorsprong een korte roman geschreven door de Spaanse gelegenheidsauteur JAVIER TOMEO die eigenlijk zijn brood verdient als criminoloog. In 1988 bewerkten Jacques NICHET en Jean-Jacques PREAU voor het Parijse Théátre des Treize Vents de roman tot een toneelstuk voor twee mannelijke acteurs. Het werd een reuze-succes. Jos VERBIST vertaalde het stuk voor ARCA en regisseerde het met vader en zoon Vic en Walter MOEREMANS.
Een ogenschijnlijk rustig en ordinair gesprek, een ondervraging van een vermeend boefje door een ambtenaar, maakt vlug plaats voor een uitdagend kat-en-muisspel waarbij de façade van fatsoen ononderbroken afbrokkelt. De rollen worden omgekeerd, ondervrager wordt ondervraagd, de keurige ambtenaar blijkt een mysterieus dubbelleven te leiden en in de herinneringen van beide mannen duiken opdringerige moederfiguren op die hun beider karakters duidelijke gekneed en misvormd hebben. Geen plaats echter voor zware psycho-analyse, maar vooral een kras steekspel van woorden, allusies en situaties die geen ruimte meer laten voor etiquette en fatsoen, wel integendeel : de wanschapenheid overmeestert beiden. De gedrochten, de monsters, de ‘geliefde monsters’ zijn geboren…
Enfin, dat was dus de bedoeling maar volgens Karel Van Keymeulen in De Gentenaar mondde het uit in “tam tweemanstheater”. Blijkbaar ging ik daar zelf mee akkoord, want zelf heb ik geen recensie geschreven (geen afnemer), maar dat ik deze recensie heb bijgehouden, beduidt dat ze min of meer met mijn eigen visie overeenkwam.
Op 17 maart 1990 was er dan “Emilia Galotti” van Gotthold Ephraim Lessing. Van Marc Cnops had ik in Arca al mooiere aankledingen gezien, net als spectaculairder regies van Gilis en Verbist. Deze laatste opmerking is natuurlijk een tweesnijdend zwaard: in de bombastische tekst zitten voldoende bloederige elementen om er een Dehertiaans spektakel van te maken en in dat geval opteer ik toch voor de licht ironische aanpak die de voorstelling droeg. Of beter: het zijn de spelers die deze aanpak aankunnen die de voorstelling droegen. En dat waren dan op de eerste plaats Gilda De Bal als de versmade minnares en Bert André als de konkelfoezende kamenier. Vooral het heerlijke spel van deze twee nodigde uit tot een “lekker theateravondje”, al hebben we de indruk dat dit nu niet bepaald de bedoeling van de beide regisseurs was…
Maar nu zijn we al een hele tijd bezig over Verbist-de-regisseur, terwijl ik eigenlijk nog niet helemaal klaar was met Verbist-de-acteur. Als ik mijn eigen recensies erop nasla dan stel ik vast dat ik je vaak onder de uitblinkers vernoem. Nochtans ben je daar nu mee opgehouden, tenzij dan in films als “Hellegat”, “Het Gezin Van Paemel” of “De Witte”… Omdat het een heel ander medium is?
“Uiteraard. Het is een heel andere manier van werken, die me misschien nog beter ligt dan theater spelen. Ik doe het alleszins heel graag. Ik vind zelfs dat ik het nog te weinig heb gedaan.”
Als regisseur heb je al een ferme voet tussen de deur in Frankrijk. Kan je er dan ook niet aan de bak komen als filmacteur?
“Oe! Frankrijk is op filmgebied werkelijk verdorven door de agenten. Zelfs als student moet je reeds van de ene auditie naar de andere lopen om in zo’n agentschap te geraken. Of anders moet je veel geld betalen om in dat circuit binnen te dringen. En daarbij, in het Frans spelen is nog iets anders dan in het Frans regisseren natuurlijk. Maar voor de rest… Het is een keuze, hé. Enfin, toch in mijn geval. Dat kan bij iedereen anders liggen, maar van zodra ik besloot zelf te gaan regisseren, hield dit in dat ik niet meer zou acteren op scène. Als regisseur probeer je immers een algemene kijk te behouden op het geheel en er ook nuchterder tegenover te staan. En als je dan vanuit een acteursopvatting vertrekt, dan is het nogal verleidelijk om je te gaan identificeren met bepaalde personages en dingen op te lossen zoals je dat als acteur zou doen, maar die misschien niet zo werken binnen de totaliteit. Daar komt ook nog bij dat er momenteel niet veel regisseurs zijn die me aantrekken om er mee te werken. Je mag dat niet als arrogantie beschouwen, het is gewoon zo. Herman (Gilis, de andere huisregisseur van Arca) is wellicht nog een van de weinigen die me aan het spelen zou krijgen, denk ik. Of het zou een alternatief project moeten zijn.”
Dat werd dan uiteindelijk “Iphigenia op Tauris” van Goethe in een vertaling en regie van Ger Thijs bij Maatschappij Discordia. In het kale scènebeeld van de Deense kunstenaar Per Kirkeby treedt Verbist naakt op.
Zijn banden met Noord-Frankrijk is hij ook trouw gebleven. Zo regisseerde hij bij het Atelier Lyrique in Tourcoing “Bastien & Bastienne” (Mozart), “Let’s make an opera” (Britten) en “The rape of Lucretia” (Britten).
In 1996 regisseerde hij bij Antigone “Roberto Zucco” van Bernard-Marie Koltès, wat meteen de rechtstreekse aanleiding was om Franck Van Erven op te volgen. Deze had zelf reeds aangekondigd als artistiek leider te willen terugtreden, ten voordele van Jos Verbist, maar toen zijn administratieve bevoegdheid toch iets te beperkt bleek, trad hij reeds in november af, zodat Verbist vervroegd aan zijn ambtsperiode begon.
Eind 1996 regisseerde hij bij de KVS nog “Het recht op fatsoen”, een vervolg op de “Ongekuiste versies” van Anne Vegter, voor Sien Eggers en Sofie Decleir, maar sinds 1997 is hij dus voornamelijk, zo niet uitsluitend, artistiek en zakelijk leider van Theater Antigone.
Ondertussen is hij sporadisch (veel te weinig in vergelijking met sommige andere acteurs) ook nog op televisie te zien, zoals op de foto in “Van vlees en bloed” uit 2009 (rechts, naast de Joepie). In 2014 was hij één van de weinige bekende namen die toch een poging deed om het onding “Brabançonne” van Vincent Bal overeind te houden.

Referenties
Roger Arteel, Gesjoemel aan de Lieve, Knack 27/6/1990 (*)
Ronny De Schepper, “Theater zal de wereld misschien niet veranderen, maar toch…”, De Rode Vaan nr.29 van 20/7/1990
Karel Van Keymeulen, Geliefd Monster is tam tweemanstheater, De Gentenaar 11/12/1989

(*) Ik was vergeten dat daar destijds (op 1/8/1990) drie lezersbrieven over zijn verschenen in Knack. Het artikel van Roger heb ik helaas ondertussen weggegooid, maar die drie brieven wil ik hier toch weergeven, aangezien lezersbrieven van die typische zaken zijn die in de loop der jaren vergeten geraken. En bovendien zijn ze telkens geschreven door mensen die ikzelf heb gekend…

Theater Arca (1)
Voor zijn artikel over Arca in Knack nr. 26 heeft uw theatermedewerker Roger Arteel weinig moeite moeten doen om de hem toegemeten drie kolommen vol te schrijven. Voor wie sensatie zoekt, is het een goedkoop procédé om een misnoegd medewerker wat te laten roddelen wanneer die zelf, laattijdig en op een ongeschikt ogenblik, het gezelschap in de steek laat. Als dergelijke praat zonder enige toetsing aan de realiteit wordt gepubliceerd, dan is dat geen ernstig journalistiek werk.
Het is onmogelijk om achteraf vage insinuaties, halve waarheden en hele leugens, uitvoerig te weerleggen. Klaarblijkelijk heeft Jos Verbist hierop gespeculeerd om zijn “actie beschadiging” te voeren, hierbij niet gehinderd door dossierkennis of enig respect, laat staan waardering, voor de grote inzet van anderen, directie, acteurs, technisch en administratief personeel, die zijn theaterwerk mede hebben gerealiseerd. Arca is geen huis vol VZW’s, maar is het huis van één VZW, geleid door een raad van bestuur die van zeer dichtbij en met grote openheid tegenover alle medewerkers de diverse activiteiten op de voet volgt. Verbist weet dat, maar heeft het open gesprek niet willen of durven voeren. Door het gesprek te weigeren waarop hij “vol goede bedoelingen” had aangedrongen, heeft hij duidelijk aangetoond dat het vertrouwen van Arca tegenover hem slechts eenzijdig was, dat zijn betrokkenheid met de mensen van Arca slechts schijn was.
De raad van bestuur van Arca verwerpt met klem de loze aantijgingen tegenover directie en bestuurders. Zij kunnen slechts ingegeven zijn door het onvermogen om eigen tekortkomingen te verwerken. Jos Verbist had op een meer integere manier kunnen solliciteren bij andere gezelschappen, tenzij hij hen wou waarschuwen.
P.De Broe, namens de raad van bestuur van Arca.
Theater Arca (2)
De tijd in Arca staat blijkbaar stil, als ik Jos Verbist in Knack nr. 26 mag geloven. Zo kan men het gemakkelijk nog veertig jaar langer trekken. De beloftes van ’87, waar Jos Verbist het over heeft (de reorganisatie, repetitielokalen, productieleiders, geen voorstellingen programmeren in de week van de première, technici laten werken voor de persoonlijke voorstellingen van Jo Decaluwe, als ze eigenlijk in Arca zouden moeten aanwezig zijn, enzovoort), waren helaas dezelfde als tien jaar geleden en misschien ook weer dezelfde als jaren ervoor.
L’histoire se répète ? Of is de geschiedenis van Area (die in opdracht van Jo Decaluwe op tijd en stond herschreven wordt) een lange déjà vu ?
Toch verwittigen de uitgerangeerden meestal de nieuwkomers, maar ongeloof, dringende behoefte aan werk en de listen van Jo Decaluwe, die hun carte blanche voorspiegelt, maakt dat ze er toch aan beginnen, meestal met een grote dosis overmoed, zo van “mij lukt het wel”.
Ontgoocheld dat de volgende generatie niet heeft kunnen realiseren in Arca, waar ik destijds ook niet in geslaagd ben, namelijk het opdoeken van de kruidenierswinkel van Jo Decaluwe, roep ik de theatermakers op uit Arca en gezelschappen met dezelfde mentaliteit weg te blijven, en inderdaad samen met Jos Verbist en anderen te eisen dat het geld
gaat naar wie integer met theater bezig is.
G. Van Langendonck, Kessel-Lo
Theater Arca (3)
In Knack nr. 26 wordt in het artikel over Arca ondermeer gesteld : „En VZW Roeland is een vermomming van Arca, maar is terzelfdertijd een cultureel centrum van de Volksunie, dat compleet vegeteert op personeel van Arca”. Tijdens het werkjaar 1989 werden er in het Vlaams Kultureel Centrum Roeland 27 producties gebracht (170 voorstellingen) waarvan 5 Arca-producties (66 voorstellingen). Daarnaast werd de beschikbare ruimte door verschillende scholen en gezelschappen gebruikt als repetitieruimte. De verhoudingen liggen voor 1990 niet anders.
Ook zonder de producties van Arca is het VKC dus een functie binnen de stad Gent. Overigens heeft identificatie van het VKC met Arca meer nadelen dan voordelen en brengt zij Arca al evenmin enig voordeel. Bij vermomming is derhalve niemand gebaat.
Door de eigenaar van het pand, de SV Elckerlyk, werd aan het VKC een moratorium opgelegd voor politieke vergaderingen of manifestaties van die aard. Sinds de oprichting van het VKC werd daar zeer strikt aan gehouden, zodat de zaal nu door een ruim publiek kan aangesproken worden.
Dat het VKC compleet zou vegeteren op het personeel van Arca, kan al evenmin de toets met de realiteit weerstaan. In elk geval kan deze bewering enkel betrekking hebben op personeel van Arca en niet op vrijwillige medewerkers van het VKC, en die zijn er ook.
Voor het overige kan het zogenaamd “compleet vegeteren” dan nog enkel betrekking hebben op technische prestaties geleverd door het Arca-personeel in het raam van eigen Arca-producties. Daarover bestaan er tussen betrokken partijen afspraken, die ook stipt worden nageleefd. Dit is een normale gang van zaken.
De wijze waarop Jos Verbist het VKC in zijn campagne tegen Arca wil betrekken, getuigt dan ook niet van onwetendheid maar wel van kwade trouw.
X. Troch, voorzitter VKC

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s