Twice upon a time

Vandaag is het precies veertig jaar geleden dat ik een brief mocht ontvangen van Louis Paul Boon. Samen met Johan de Belie had ik immers een roman geschreven onder de titel “Twice upon a time” (wellicht ging het al verkeerd bij de titel), waarvoor we tevergeefs een uitgever hebben trachten te vinden. We hebben zelfs getracht de zegen van Louis Paul Boon te bekomen (zie brief hiernaast), maar allemaal zoals gezegd tevergeefs. De enige die de moeite heeft genomen om een uitgebreide kritiek te schrijven is wijlen Leo Geerts.

Nie goe bezig. Om het in het taaltje van de Planckaerts te zeggen: ik ben nie goe bezig. Dat is nu al de tweede dag op rij (na “De Kat”) dat ik iets ga publiceren, dat ik niet heb nagelezen, omdat ik het zo slecht vind. Dat is dus zeker niet “dagelijks iets degelijks”…
Men kan zich terecht afvragen waarom ik het dan überhaupt publiceer. Maar vooraf wil ik nog dit zeggen: als ik die twee teksten, die ik samen met Johan de Belie schreef, desavoueer, dan desavoueer ik dus eigenlijk ook Johan en dat wil ik toch even relativeren. In beide gevallen ging het immers over een project van mezelf, waarbij ik Johan meer nillens dan willens heb betrokken. Ik wil dus nog eens duidelijk stellen dat ik in beide gevallen de volle verantwoordelijkheid op mij neem.
Maar goed, de vraag was: waarom het dan toch publiceren? Goeie vraag, die niet makkelijk te beantwoorden is. Eigenlijk is het zelfs een vraag die voor àlles op deze blog geldt. Of voor een blog tout court. Waarom heeft iemand zo nodig behoefte aan een blog?
Je zou kunnen stellen dat ik in de loop der jaren wel wat kennis heb vergaard en dat ik die wil delen met andere mensen. Maar meestal zijn dat dan middelbare scholieren die te lui zijn zelf iets uit te spitten en dus maar iets klakkeloos van het internet overnemen. Dat kan toch ook niet echt de bedoeling zijn.
Bovendien is het een argument dat al helemaal niet opgaat voor teksten als deze. Waarom dus? Wel, het enige dat ik kan verzinnen is: opdat het niet allemaal umsonst zou zijn. Tevergeefs, nutteloos. Want hoe gaat het eigenlijk? Je wordt geboren. Je loopt hier wat rond. You try to stay out of trouble, wat op zich al een hele opdracht is. Je bent al een halve heilige als je er ook nog in slaagt andere mensen niet in trouble te brengen. En dat is het zo wat, zeker als je slechts over beperkt talent beschikt, zoals ik.
En wat voor een talent dan nog! Wat kunnen schrijven. Wat ben je daar nu mee in een tijdsegment dat ervan uitgaat dat iederéén kan schrijven? Ik heb eerder de indruk dat het een talent is to keep me back. Om uit de kast te halen als het goed uitkomt. Zoals die keer toen ik (tot mijn eigen verbazing) slaagde voor het ingangsexamen voor een opleiding als informaticus bij de VDAB (in 1991 dan nog wel, toen ze de wegen nog niet plaveiden met informatici). Dàn werd er wel een psycholoog bereid gevonden om te zeggen dat dit geen beroep voor mij was: u bent een echte schrijver, mijnheer, u heeft een roeping, zoveel is duidelijk!
Maar als “de echte schrijver” dan op een bepaald moment werkloos wordt, staat de VDAB meteen klaar om hem in het onderwijs te dumpen, ook al is hij (terecht!) gebuisd voor z’n aggregaat. Want zo’n buis betekent dat dan dat je niet mag lesgeven? Nee, dat betekent gewoon dat je minder wordt betaald. Leg mij de logica hiervan maar eens uit!
En dus wil je op een blog je frustraties kwijt. Met teksten die wellicht ook al uit frustratie geboren zijn. Zowel “De Kat” als “Twice” zijn tot stand gekomen tijdens mijn eerste huwelijk, waarbij ik wel altijd keurig binnen de lijntjes heb gekleurd (“rules must be obeyed” zingt Abba en alle autisten zullen het met mij eens zijn), maar waarbij ik me toch niet echt goed voelde. En dus was er “ontspanningslectuur als ontsnappingslectuur”, teach me something. Ach, ik lul me er wel uit…

TWICE UPON A TIME

“Machines were mice and men were lions once upon a time, but now that it’s the opposite, it’s twice upon a time.” (L.Hardin)

Een kasteel. Het wintert. In het kasteel, de bibliotheekruimte. Wanden vol boeken, een open haard. Op een schapenvel voor de haard: Patsy in een lange, witte, doorschijnende japon. In een zetel, half liggend: Danielle. Een openvallende kimono bedekt haar slechts gedeeltelijk.
Danielle: Waar ben je? (Stilte.) Waar ben je?
Patsy: Waar ik ben? (Kijkt om zich heen.) Wat bedoel je?
D.: In het boek natuurlijk.
P.: “Ze liet zich neervallen aan de rand van de poel en schreeuwde alleen maar onophoudend: Greetje, Greetje! De tranen stroomden zomaar van haar wangen op het dode gelaat. Greetje, mijn liefje, huilde ze. Ze zoende de dode mond, de reeds kille borsten, de hals, het drijfnatte wier der haren. Greetje, ontwaak, omhels me, leef, leef! En daarna fluisterde ze snikkend. O, mijn schat, we hadden het zo heerlijk samen in bed. En als je weg waart, weg met de een of andere smeerlap van een man, dan moest ik steeds om jou huilen, dan liep ik huilend de nacht in en liet me pijn doen, pijn om jou, mijn liefje.”
D.: Daar pas! Ik zit je al een half uur te bekijken. Lieve zuster, ik lees twee keer zo vlug als jij. Maar misschien interesseert het boek je.
Stilte.
D.: Waarom geef je geen antwoord? We proberen nu al twee dagen samen dit boek te lezen. En het lukt ons niet. Praat liever met me.
P.: Waarover?
D.: Om het even. Iets wat je interesseert – buiten dat boek dan.
P.: Over de reis die we gaan maken?
D.: De reis?
P.: Ja, naar Engeland, naar Londen!
D.(aarzelend): Oh ja.
P.(nu volop enthousiast): Waar waren we gebleven?
D.: Pfff.
P.(hoort het niet of doet alsof): Oh ja, de dierentuin. Er is toch een dierentuin in Londen?
D.: Voorlopig toch nog.
P.: Zo groot als die van Antwerpen?
D.: Nog groter.
P.: Ik wil de zebra’s van Londen zien. En de apen. Die grote aap die bijna praten kan, die zwarte, waar je mij over vertel­de; hoe heet hij ook weer?
D.(lacht): Je weet het best, Patsy, hij heet net zoals jij.
P.: Ik lijk op hem eh?
D.: Soms als je kwaad bent en je gromt.
Patsy doet de kwade aap na. Slaat op haar borst. Danielle kirt. Dan zijn ze weer stil.
P.: En als ik niet kwaad ben?
D.: Dan ben je net… een aapje in de winter.
P.: Hoe kom je daar nu bij?
D.: In Indië, of in China, ik weet het niet goed meer, vindt men – als de eerste koude aanbreekt – op de meest onmogelijke plaatsen, verdwaalde aapjes. Zij komen uit nieuwsgierigheid, uit schrik of uit misprijzen. Omdat de inwoners geloven dat zelfs de apen een ziel hebben, geven ze geld om de beestjes weer naar de wouden te brengen, waar ze geboren zijn, waar ze het leven gewoon zijn, waar hun vrienden wonen.
P.: Denk eens, als wij weerkeren, zal hij met je willen trou­wen. Dan zullen we twéé apen hebben.
D.: Twee apen?
P.: Welja, natuurlijk; eigenlijk zou ik willen dat jij met mij kon trouwen.
D.: Ik wil gaarne met je trouwen als je terugkomt. Ik zal spinnen, en sarongs en selendangs weven, en batikken, en heel vlijtig zijn al die tijd.
P.: Oh, ik geloof je, Danielle. Maar… Philippe…
D.: Ik zal met jou trouwen, wees daar zeker van.
P.: Als ik terugkom, zal ik roepen in de verte…
D.: Gekke Patsy, we komen toch samen terug?
P.: Dat is waar. Maar Danielle… Oh ja, dit is beter: we huwen bij het djatibos, onder de ketapang waar je mij de melati hebt gegeven.
D.: Ja, da’s fijn. Wanneer vertrekken we?
P.: Morgen om negen uur.
D.: Twintig jaar scheidt ons nog van dat uur! Soms wenste ik dat je een schuwe vogel waart, de arme gevangene van een meisje dat hem spelend even van haar hand laat huppen, maar hem dan met een zijden draad terugtrekt. Zo liefdevol misgun ik jou je vrijheid.
P.: Was ik die vogel maar!
D.: Ik wou het ook. Maar nee, ik knuffelde je zeker dood. Ssst! Daar komt Philippe. We zullen hem van ons reisje vertel­len. Hij is toch zozeer door zijn zaken in beslag genomen, dat hij wel geen bezwaren zal maken. Joehoe… lieveling, Patsy en ik gaan voor enkele dagen naar Londen. Kun je me voor zo lang afstaan?
* * * * *
Londen. Een hotelkamer. Een nachtkastje. Een tafel. Twee stoelen. Een bed. In het bed: Danielle en Patsy.
P.: Wat ben jij vurig. Vannacht ben je mijn vurige minnaar. Vannacht zijn we nobelen en dieren, vogels en hagedissen, slijm en marmer. Vannacht zijn we roemrijk en vernederd, geridderd en verslagen, wondermooi en walgelijk. Zweet is parfum. Hijgen klinkt als een bel. Ik zou dit niet willen ruilen voor een verkrachting door de mooiste zwaan. Dit moet de reden zijn waarom ik bij jou ben gebleven. Dit moet de reden zijn waarom ik de anderen heb achtergelaten, de honder­den die mijn enkel trachtten te grijpen met kreupele handen, wanneer ik mij met jou hierheen spoedde.
D.: Paardestront!
De veren kraken.
P.: Ta-tààà!
D.: De kolos van Rhodos!
P.: Christus van de Andes!
D.: Genees me, genees me!
P.(verleidelijk): Genees jij mij…
Ze stoeien.
Weer rustig.
D.: Vrouw, gij zijt van uw ziekte verlost.
P.: Kom mee met mij, mijn beest, mijn zwaan, mijn vogel, mijn aap. De spiegel, eunuchs, de spiegel!
Stilte.
P.: Wie zal zeggen dat we niet mooi zijn?
D.: Ja.
Stilte.
Kus.
P.: Het leven is ons niet voorbijgegaan.
D.: Ah. Helaas. Zorg. Maan. Liefde.
P.: Indien één van die mensen ginds beneden in Holland Park naar boven zou kijken, iemand met zeer goede ogen, dan zou hij een naakte vrouw zien, vastgehouden door een andere naakte vrouw…
D.: Anne de la Ferté en Galswinthe Russell…
P.: Die man zou onmiddellijk boos worden, niet? En dan weet hij nog niet dat wij…
D.: De zuiverheid. Het water. Het koele beekje. De bron. De zon in het water. Open de gordijnen. Let the sun shine in.
P.: Ze zijn open.
D.: Open de vensters dan.
P.: De ramen open, onze uitzending voor zieken en herstellen­den…
D.: Kom!
* * * * *
Soms denk ik dat beweren dat het leven absurd is, in feite nog veel absurder is. Leg dit boek nog niet dadelijk neer, het is geen werk van de katholieke ‘renouveau’! Mijn geloof ben ik immers al lang verloren, ja, dat wel. Een geloof verliezen gaat immers heel gemakkelijk. Een ander herwinnen is véél moeilijker! Zelfs al is dit nieuwe geloof… een negatie van alle geloof, een geloven aan het niets. Behalve dan aan het bestaan. Want wie zelfs daaraan twijfelt… zegt profes­sor Vermeersch. En hij kan het weten, hij is professor en dus officieel erkend als Denker, mèt een hoofdletter.
Dus ik geloof. Ik geloof dat ik besta. Het is in feite maar een variant op ‘cogito ergo sum’: ‘dixit ergo sum’.
Overigens heb ik nog maar één persoon ontmoet die inderdaad twijfelt aan zijn bestaan. Stanne beweerde immers dat ik, deze schrijfmachine, mijn sigaret… maar bestonden, omdat hij het dacht, het droomde, of hoe je ’t ook noemen wil. Maar anderzijds zouden hij of ik hetzelfde kunnen denken van zijn bestaan. Dus, zo besluit hij, noch jij, noch ik bestaan echt. We zijn slechts deel van een soort collectieve droom (Jung ligt zich in zijn graf te verkneukelen – onvrijwillige woord­spelingen). Maar Stanne is slechts… ja, wat is er in feite van hem geworden? Nu, alleszins geen prof, dus wat mijzelf betreft: ik geloof dat ik besta.
Maar daarom ben ik ook een twijfelaar. Want al lijkt dit leven me doorgaans, laten we zeggen 99% , vrij zinloos, dan blijven toch nog die paar momenten die plotseling je ongeloof op de helling zetten en waar je je – niet zo maar, maar erg inten­sief – deel voelt van een duidelijk vooropgezet plan dat zijn verloop zal kennen, ongeacht de reakties van de individuen die dit verloop juist mogelijk maken, maar het niet bepalen.
Men noemt dit meestal het toeval. En ik heb niets tegen dat woord, alleen dat ik van mening ben dat men het met evenveel recht met een hoofdletter mag bedenken als b.v. God. Was het immers niet Kant die zei dat het toeval het grootste gevaar was voor het geloof? Dus, voortaan noem ik het ‘Toeval’.
Het maakt deel uit van het begrip dat het Toeval zich niet laat voorspellen, men kan er geen wiskundige formule voor uitdenken (ondanks die onzin van waarschijnlijkheidsrekenen en zo!), het is niet onderhevig aan een natuurkundige wet. Anderzijds is dat uiteraard ook een beperking. Het Toeval kan m.a.w. niet optreden als het verwacht wordt. Als een appel loskomt van een tak, zal hij naar beneden vallen, al dan niet op Newtons hoofd. Hier is het Toeval dus van secundair belang (namelijk: waar zit die dekselse Newton op dat moment). Bijgevolg kunnen we wel voorspellen wanneer het Toeval best kan optreden, wat echter nog een wetmatigheid in zich sluit: de ‘noodzakelijke mogelijkheidsvoorwaarde’ is er dan wel, maar wij hebben toch allemaal al meegemaakt dat de ‘verwachte’ onverwachte wending uitblijft. Toch heb ik in het Toeval steeds een loyale bondgenoot gevonden, daarom zoek ik in tijd van nood zoveel mogelijk de ‘noodzakelijkheidsvoorwaarde’ op, m.a.w. ik laat me dan drijven op mijn grillen van ‘hic et nunc’.
Zo heb ik bijvoorbeeld mijn huis eens verlaten om een pakje sigaretten te kopen en belandde uiteindelijk in Zuid-Frankrijk.
Dit is nochtans niets nieuws. Hubert Lampo laat de heer De Wandeleer wel in Atlantis een dergelijk boodschap (het was toen tabak) gaan doen.
U hebt het al geraden: ik ben schrijver. Geen schrijver om den brode en ook geen die steeds met een kogelpen op zak loopt. Nee, de mikrobe bekruipt me zo af toe en dat hangt nauw samen met het opduiken van de, in literaire kringen zo begeerde, Inspiratie. Nochtans kan er tussen het één en het ander wel een diskrepantie liggen. En als ik mezelf dan lang genoeg vergeefs gepijnigd heb, laat ik het over aan het Toe­val. Zoals vandaag.
Ik ben een vrij mens. Ik ben niet gebonden aan verplichte arbeid. Wees gerust, ik werk ook wel, misschien meer dan jij, maar enkel als het me zint. Het is eigenlijk logisch, maar wellicht precies daarom zo zeldzaam. Ik ben overigens niet rijk, maar lijd ook geen honger. Zo zie je maar weer.
Vanmorgen stond ik op en trok liftend naar Gent. Eigenlijk zijn dit al drie feiten die niet noodzakelijk met elkaar verbonden zijn: ik stond op, ging wandelen, plots had ik zin om mijn duim omhoog te steken en toen een kleine Fiat me meenam, bleek deze jongedame onderweg te zijn naar Gent.
Dus ik naar Gent. Het vervolg van de dag was net zo, maar ik hoop dat je het nu stilaan doorhebt. Mijn fragmentaire, momentane levenswijze zal me wel last berokkenen bij het schrijven van dit nogal ingewikkelde verhaal , maar ik doe m’n best. Woord van eer!
In Gent zelfde scenario, maar het Toeval, de Inspiratie bleef uit. Om tien uur zat ik dan ook in een donker, muf café (zoek daar geen bijbedoelingen achter: dat café was gewoon donker en muf en daarom gezellig) naar een pilsje te turen. Ik realiseer me nu trouwens dat ik niet had mogen schrijven ‘vandaag’ maar gisteren, want het is nu reeds ‘four in the morning’ zoals Cohen dat zo langoureus kan zingen.
Ik zit aan de deur die naar het toilet leidt en een jongeman die er nogal gloomy uitziet, loopt tegen mijn tafeltje aan. Hij keilt mijn pint tegen de grond, raapt ze onhandig weer op, verontschuldigt zich en wil me een ander biertje betalen. Daar hij dit met zo’n beteuterd gezicht zegt, weiger ik. Hij staat er echter op, ondanks het feit dat hij het geld duide­lijk nodig heeft (zo’n biertje begint een fortuin te kosten) en er ontspint zich een zinloze diskussie die hij abrupt afbreekt met de vraag:
– Kén ik jou niet?
– Best mogelijk. (Wie zich door het Toeval laat leiden, komt met een indrukwekkend en uiterst gevarieerd aantal mensen in contact.)
– Ben jij niet…? (hij noemde mijn echte naam, d.w.z. deze die op mijn paspoort stond; dat ik een pseudoniem als Johan de Belie heb, moet je ook niet verwonderen, het is eveneens deels aan het Toeval te wijten, deels opzettelijk gebeurd).
Ik antwoord uiteraard bevestigend. Zijn gezicht klaart op, hij steekt zijn hand uit maar bedenkt zich en slaat mij er nogal vrijpostig mee op de rug:
– Ronny De Schepper. Je moet me je toch nog herinneren!
– Natuurlijk! Verduiveld, ik was je helemaal niet vergeten. Ronny! Maar wat ben jij veranderd kerel. Je haar (schou­derlengte)! En een snor! En verdikt!
– (Een beetje zuur) Ja, er zal zo’n twintig kilo bij zijn, denk ik.
Ronny De Schepper, Constant De Neve, Edwin Thoen, en daartus­sen ik, individu.
We schrijven Gent 1969; d’Artagnan en de drie Musketiers, om een populaire en onjuiste vergelijking te gebruiken; want wie was d’Artagnan? En als je nu verwacht dat ik onze geschiede­nis ga schrijven, heb je het mis. Dat moet je beléven. Er is immers niets ongewoons aan. Het ligt binnen ieders bereik en het ‘toverwoord’ is ‘vriendschap’. Nee, we hebben trouwens geen herinneringen meer opgehaald, want al gauw kwam Ronny met een verhaal voor de dag dat al even boeiend als tragisch was. Zijn ‘gloominess’ was hieraan trouwens te wijten. Sinds gisteren was zijn broer Paul verdwenen. Ik herinnerde mij Paul nog een beetje: een onthechte jongeman naar de dertig toe, met wild maar niet overdreven lang haar en een volle baard, mager, lang, een beetje hinkend vanwege het ongeval met de fiets. Een wispelturig, maar toch konstant karakter, d.w.z. het varieerde tussen twee uitersten: dromerig of uitbundig. De weersgesteldheid speelde daarbij een belangrij­ke rol, maar een regenbui kon hem uitbundig maken, terwijl hij evengoed onder een snikhete zon op het strand naar de einder kon staren. Dit was op het strand van Oostende, waar Ronny en ik hem eens een dagje zijn gaan opzoeken tijdens onze vakantie in Westende. Het is opmerkelijk dat dit strand en deze stad nog een belangrijke rol zullen spelen in mijn verhaal. Ik herinner me nu trouwens ook dat Ronny me bij die gelegenheid verteld heeft dat eenzelfde extase, waarbij je ook geen woord uit hem kon krijgen, hem eens te pakken heeft gekregen tij­dens hun vakantie in Hastings. Op één van de ‘hills’ hadden ze een prachtig uitzicht op zee, het leek wel een oceanografi­sche kaart, zo goed kon je de verschillende dieptes onder­scheiden. Pas toen de avond begon te vallen, is hij uit zijn trance ontwaakt. Ronny was reeds tweemaal naar het hotel weergekeerd, zonder dat hij er iets van had gemerkt. Kort­om, hij was een schilder; een tamelijk bekend schilder zelfs. Volgens Ronny nu stond Pauls verdwijnen in verband met een fait divers dat in de zomer van 1971 in de krant verscheen en waar in feite niemand veel aandacht aan besteed had: een jonge Vlaamse toeriste, Patsy Legrand, was omgekomen toen ze voor de kust van Wick (Schotland) tijdens een hevige storm met een roeibootje uit varen was gegaan. Haar lijk, noch wrak­stukken van het bootje werden ooit weergevonden.
En terwijl Ronny vertelde wat hij in de nalatenschap (indien je de luttele bezittingen van iemand die verdwenen is, zo mag noemen) van Paul had gevonden, overtuigde hij mij van het verband tussen deze twee feiten en vooral van de schuld van enkele leden van de haute bourgeoisie in deze zaak. En toen stond het vast dat ik er een boek zou over schrijven, om te proberen ook u te overtuigen en om het recht te laten wedervaren.
Deze plicht, zo lijkt het me, verdringt alle bezwaren van ongeloofwaardigheid, subjectiviteit, onbegrip, apathie…
Het Toeval heeft het zo gewild.
* * * * *
De kerkklokken galmden nog steeds zo luid dat dit als ekskuus kon dienen voor het niet op gang komen van een gesprek. De vader van Patsy, die nooit naar haar had omgekeken omdat zijn dochter niet gewenst was en hij het, na de dood van zijn vrouw in het kraambed, te druk had met vier of vijf maîtresses, was reeds naar huis, evenals de weinige verre verwanten en enkele nieuwsgierige Oostendenaars. Paul keerde te voet naar de woning van Philippe Duchamps, een ruime villa met goed onderhou­den tuin, terug.
Tegen alle regels van de romankunst in, bestookte de zon het in zwart gehulde zestal: tuinier en stalknecht Willy Boey­kens, het echtpaar Van Wallenhove, bediende en meid van huize Duchamps, met hun zoon Daniël, Dirk De Schutter die het bevel voerde (nou ja!) over de Papillon Rouge, en Paul. In de grote luxe-wagen van Philippe hadden zijn verloofde Danielle Boissin, de onafscheidelijke vriendin van Patsy, en Danielles minnaar, Jacques Arnout, plaatsgenomen, hoewel de kerk en villa nauwelijks een paar honderd meter van elkaar verwijderd lagen.
Paul was duidelijk niet in zijn normale doen. Het stijve, zwarte pak hinderde hem in zijn bewegingen, de lak op zijn haar vond hij ontzettend vervelend, en in de kerk werd hij nagewezen omwille van zijn ietwat te frivole witte Zjivago-hemd met fel gekleurd boordje. Maar voor Patsy verdroeg hij dit alles graag. Natuurlijk beschouwde hij het allemaal als onzin: een mis ter harer nagedachtenis en zo, terwijl haar lichaam wel­licht al lang in het zoute water ontbonden was. Toch wachtte hij nu op het wonder. Haar lichaam, waar hij dol op was, betekende voor hem niet het belangrijkste, zeker niet. Toen Patsy nog leefde, leek het vaak dat ze met elkaar konden praten, hoewel zij in Oostende en hij in Temse zat. Op zich was dit natuurlijk niet zo abnormaal. Hij vroeg zich af of dit telepathisch vermogen een uitvloeisel van de materie was, dan wel een louter spiritueel contact, een band tussen twee ver­wante geesten, tussen twee zielen op dezelfde golflengte. In het laatste geval zou ook het contact na de dood mogelijk moeten zijn. Voorlopig voelde hij zich nog steeds even innig met Patsy verbonden, en kon enkel hopen dat een echt contact weer tot stand zou komen, over grenzen van tijd en ruimte heen.
Hij liep zich te ergeren. Ondanks zijn verdriet om Patsy, en al de opgekropte ellende in zijn lichaam, had hij geen traan gelaten. Niet dat hij zich trachtte te beheersen, het lag nu eenmaal in zijn aard zijn gevoelens de vrije loop te laten. Maar misschien was deze keer zijn pijn te groot om ze aan de buitenwereld te kunnen tonen. Toen hij van Philippe via een
telegram, het tragische nieuws vernomen had, overviel hem een hikkerige lachbui, die wel een halfuur duurde. Daarna had hij zich op zijn zolderkamer opgesloten en geschilderd. Tot vandaag. Ook op de uitnodiging van Philippe, deze naar Schot­land te vergezellen, was hij niet ingegaan.
In tegenstelling tot de ‘beheersing’ van Paul, was Danielle tijdens de plechtigheid, in een luid, theatraal geween uitgebarsten en viel zij op een uitstekend getimed moment (het dies irae) in zwijm. Terwijl Philippe toeschoot, Jacques nauwelijks zijn lach kon bedwingen, en de ‘arbeiders met respect en ontzag keken hoe de haute bourgeoisie zijn nummer opvoerde’, had Paul het hoofd afgewend om, weer uitsluitend voor Patsy , geen schan­daal te veroorzaken. Daarmee zouden ze overigens toch weer in hun nopjes geweest zijn. Paul nam plaats op een bank in de tuin en bleef wat voor zich uitstaren.
Willy had zich snel weer in zijn tuiniersplunje gestoken en haalde de tuinslang tevoorschijn. Hij was een leeftijdsgenoot van Paul, eveneens ongehuwd,maar zag er veel robu(u?)ster uit. Daar hij in Temse geboren was, en zijn moeder er nog steeds woonde, had hij dadelijk sympathie opgevat voor Paul, die trouwens net als Patsy, niet zo uit de hoogte deed als de rest van het olijke stel.
– Blij weer mijn gewone spullen te kunnen aantrekken.
Omdat Paul, in zijn dromerijen verzonken, niet reageert, en Willy hem toch wil opbeuren, probeert hij het nog maar eens:
– Dat ben jij ook niet gewoon eh? Dat stijve pak, dat zwart? Haha.
Paul kijkt nu wel even op en glimlacht flauwtjes om Willy voor de moeite te danken, maar verder lijkt hij niet erg kommunika­tief, zodat Willy met duidelijke tegenzin aan het werk gaat. Tenslotte begint Paul, omdat hij zich verplicht voelt of om inderdaad iets meer te vernemen, toch een gesprek.
– Toch zit me iets me dwars, Willy?
– Hoezo?
– Jij was er toch bij, eh, daar in Schotland?
Willy draait de slang dicht en aarzelt:
– Dat weet je toch…
– Waarom ben je zo terughoudend, Willy? Je lijkt iets te
weten, en het me bewust te verzwijgen.
– Ik heb er niets mee te maken.
– Waarmee?
– ….
Paul veert plots recht:
– Verdomme man, besef je dan niet dat het heel belangrijk voor me is! Jacques, Danielle en Patsy maken met een deel van het personeel een plezierreisje naar Schotland. Tijdens een storm gaat Patsy met een nauwelijks zeewaardig bootje in zee en komt om. Men keert terug en iedereen schijnt er meer de pest in te hebben omdat hun reisje mislukt is dan dat ze treuren om de dood van het arme kind. Iedereen mijdt mij, zelfs Philippe, die tenslotte ook niet met het schip meemocht, nu ja zogezegd omdat hij teveel werk had, zelfs hij durft me nauwelijks aan te kijken. Het is toch duidelijk dat achter deze groteske komedie een tragedie schuilt! En de enige die me iets zou kunnen vertellen, verdomt het daarover zijn mond open te doen.
Na een geladen stilte, fluistert Willy, nauwelijks hoorbaar:
– Ik haat ze.
– Wie? Danielle?
– Nee, allemaal. Behalve Patsy natuurlijk.
– Vergeef me Willy, in feite zou ik jou niet bij deze zaak mogen betrekken. Jij hoort niet thuis in hun wereld, en wees er niet bedroefd om: corruptie, schandalen, hypocrisie …
De gouden façade verbergt rotte gebinten. Het zal niet lang meer duren, Willy. Maar inmiddels vreten ze verder mensen­vlees. Zij pikken weliswaar ook naar elkaar, maar slechts als gieren die om een prooi vechten. En die prooi zijn wij: jij Willy, Patsy, ik… gewone mensen die om wie weet welke reden hun pad kruisen en de argeloze slachtoffers van de vampieren worden: nu ja, argeloos, Patsy en ik zijn niet met gesloten ogen in de hel afgedaald. Zij heeft het reeds met haar leven moeten bekopen. Ik zal de volgende zijn; daarom, het is beter dat jij je er maar buiten houdt. Doe je werk en hou je mond, want wie spreekt, spreekt met diezelf­de woorden zijn eigen doodvonnis.
– Nee, ik zal niet meer zwijgen. Ik heb al te lang gezwegen.
Hij laat zijn vastberaden toon echter dadelijk varen en voegt er zacht aan toe:
– Misschien leefde Patsy nog, indien ik vroeger gesproken had.
Daar Paul een zekere verrassing niet kan verbergen, gaat hij aangemoedigd verder:
– Ja, het is mogelijk dat ik het belang van mijn eigen persoontje wel overschat; was het maar zo. Ik kan de gedachte niet van me afzetten dat ook ik schuld heb aan Patsy’s dood.
– Ook ik?
– Had je dan nog niet door dat de anderen haar als het ware tot zelfmoord gedreven hebben?
– Zelfmoord?
– Noem het een ongeluk dan. Zoals ‘zij’ (de minachting was duidelijk te horen) het noemen… Weet je waarom ze mij hebben meegenomen? Want tenslotte ben ik maar een tuinier.
Paul schudt ontkennend het hoofd.
– Danielle heeft me liever in haar omgeving. Het geeft haar een gevoel van veiligheid. Bovendien ben ik haar ook meer verplicht dan het andere personeel. Eén woord van haar en ik sta op straat. Natuurlijk zou ik haar dan kunnen belaste­ren, maar met welk resultaat? Een schandaaltje bij op haar bla­zoen? Ze lijken er wel fier op te zijn. Boven­dien, als het er op aankomt, kan ze altijd ontkennen, en wat is mijn woord tegenover het hare. Maar toch, soms kruipen de woorden naar mijn mond, of denk ik: ik schrijf eens naar een blad. Niet zo’n sensatieblad als K. of Z., daar verschij­nen ze toch elke maand in, nee, naar een alternatief blad dat er niet voor terug­schrikt dergelijke lui in hun hemd te zetten. Maar ik kan het dan toch niet. Schrijven is nu niet bepaald mijn stiel. Maar jou wil ik het wel vertellen, niet…?
– Draai er toch niet omheen, man, vertel op, ik brand van ongeduld en dadelijk komt de één of andere hufter hierheen om een paar holle troostwoorden uit te spreken omdat hij zich daartoe verplicht voelt. Ik vraag me nu trouwens al af waar ze zo lang blijven.
– Het is een lang verhaal…
– Goed, goed, maar het moet toch ergens een begin hebben?
Dat begin lijkt Willy zich nog heel goed te herinneren. Hij kan in ieder geval een gelukzalige glimlach niet verbergen.
– Ja, ik was Belmondo aan het roskammen, je weet wel, het lievelingspaard van Patsy (het lijkt wel of Paul bij het horen van die naam telkens een elektrische schok door zijn lichaam voelt snokken). En toen stond Danielle daar. Ken je haar eigenlijk wel goed?
– Natuurlijk.
– Ik betwijfel het: jij was telkens zo door Patsy in beslag genomen. Ik begrijp trouwens nog steeds niet hoe die twee zo’n goede vriendinnen konden zijn…
Paul wordt zichtbaar ongeduldig door de zijns inziens te lange uitweiding. Willy vervolgt daarom snel:
– Ik zal je iets vertellen over Danielle, mijn meesteres. Meesteres, dat is in het Frans toch maîtresse, is het niet?
Op het sarkastische lachje van Willy reageert Paul met een ongeduldige hoofdknik.
– Dacht je dat Philippe de enige was die haar bezat? Er was natuurlijk Jacques, maar dat weet iedereen. Maar er waren er nog meer, omdat ze geld hadden, of omdat…(hij balt onwillekeurig de vuisten). Nu ja, ze was mooi. Maar het leek alsof Patsy die schoonheid accentueerde, alsof zij er een deel van was, alsof…
– Is het uit! bitste Paul zenuwachtig.
Hij zou het wellicht uitgeschreeuwd hebben indien hij niet net op tijd gemerkt had dat Danielle met Jacques en Philippe die ze opvallend bij de hand hield, in haar kielzog, op hen afgestevend kwamen. Ook Willy had hen bemerkt en ging weer aan het werk.
– Paul chéri, heb je de hele tijd hier gezeten? Wij wachten al geruime tijd binnen op jou. Je hoeft je toch niet met het personeel op te houden.
Zelfs in haar dure rouwkleren was ze sexy met haar lang zwart haar dat zwaar krullend op haar schouders viel, haar lange wimpers en grote ogen nog geaccentueerd door haar, een tikkeltje overdreven, make-up, haar lange, mooie, maar niet magere benen. Ze had een voor een meisje normale gestalte, stevige, tamelijk hoge borsten en brede (maar niet te brede) heupen. Nog voor Paul kan antwoorden, komt Philippe bij hem en zegt onhandig:
– Arme Paul, het moet wel erg voor je zijn; jij was, om zo te zeggen, haar verloofde, niet?
Is Philippe nu dommer of onschuldiger dan de anderen? Of is het doorgestoken kaart? Paul ziet nog juist dat Jacques naar Danielle knipoogt. Jacques weet zich met zijn gespierd lichaam duidelijk superieur ten opzichte van de tengere, bleke Philippe wiens lichtblauwe ogen diep in hun kassen liggen en spichtig de wereld inkijken.
Deze indruk wordt nog in de hand gewerkt door zijn ietwat vooruitgestekende jukbeenderen. Het is of zijn kort blond haar elk ogenblik kan beginnen uit te vallen. Hij draagt steeds een licht blauw pak waarin bij voorkeur enkele zilver­draden verweven zijn; zelfs nu draagt hij donkerblauw, geen zwart. Zijn kleding is dan ook het enige dat hem een enigs­zins jong uiterlijk kan bezorgen. Jacques daarentegen heeft brede schouders, een rond hoofd, zwart golvend haar en bijna zwarte ogen. Een fijne ringbaard rond de dikke, wellustige lippen, verstevigt nog de wantrouwige indruk die men van hem krijgt. Zijn charme wordt voor de dames nog verhoogd door een bruine gelaatstint en het feit dat hij zich voortdurend in viriliteit ontwikkelt door te schermen, te zeilen, te zwemmen, paardrijden en tennis.
– Ik denk dat ik nu maar opstap Philippe.
– Maar Paul, nu al? Ik had er op gerekend dat je bleef eten, dan kon je vanavond mee terug naar Sint-Niklaas (de dure villa is immers maar een ‘buitenverblijfje) nadat ik Danielle naar huis had gebracht.
– Ik ben met mijn deuxchevautje gekomen, Philippe.
– Ha! (opgelucht) Dat is iets anders, ik dacht dat je met een taxi gekomen was, en dan zou het een kleine moeite…
Een taxi, denkt Paul, dat kost me twee schilderijen.
– Dag Paul. Hou moed. Jacques steekt de hand uit.
Danielle valt hem wenend om de hals:
– Paul, Paul, wat gaan wij beginnen nu Patsy er niet meer is.
Hij schudt haar van zich af en zegt als het ware beschuldi­gend:
– Wat gaan we nu beginnen? Het leven gaat toch verder. Of niet soms?
En met een verwijtende blik in de richting van Jacques, ver­dwijnt hij. Achter zich hoort hij de gong die blij verkondigt dat het middagmaal klaar is.
* * * * *
Sint-Niklaas, 25 augustus 1971
Beste Paul,
Alweer zijn er ontzettende dingen gebeurd. Het lijkt wel alsof sinds Patsy’s dood ons onschuldig bestaan helemaal achter de rug ligt. Hoe dan ook, de nieuwe verwikkelingen staan in meer of mindere mate in verband met de vorige, zodat ik meen dat jij wel een geïnteresseerde partij zult zijn. Daarom heb ik nog een opdracht voor jou, die je echter vrijblijvend kunt aanvaarden of niet. Maar laat ik je eerst vertellen wat er gebeurd is nadat je gisteren vertrokken waart.
Eerst middagmaalden we in mijn villa, waarover niets te zeggen valt, tenzij dat het me opviel dat Danielle en Jacques niet erg onder de indruk waren van de voorbije rouwdienst. Op dat moment verwonderde mij dit nog van ‘mijn ‘ Danielle, maar nu zie ik dit alles in een ander daglicht. Na het eten nam Jacques haastig afscheid en tot mijn verrassing drong Danielle er dit keer niet op aan dat hij nog wat zou blijven. Dit maakte me weer enigszins gelukkig: onnozele hals die ik was!
Onder de koffie begon Danielle over ons aanstaand huwelijk. Dit kwam niet zomaar uit de lucht te vallen, want je weet dat we daarover al gesproken hadden voor die noodlottige reis. Natuurlijk was dit alles nu zowat in de vergeethoek gedrumd, maar je zult het me allicht niet kwalijk nemen wanneer ik zeg dat het me wel verheugde dat ze hiermee weer voor de dag kwam. Misschien hebben jouw woorden (‘het leven gaat verder’) dit wel enigszins in de hand gewerkt. We maakten konkrete afspraken, die ik je niet moet verklappen want ze bleken toch alle­maal geveinsd te zijn, waarna ze het gesprek heel handig op de ‘Papillon Rouge’ bracht. Ze ‘herinnerde’ me er langs haar neus weg aan dat ik haar het schip ooit als huweli­jks-
geschenk had beloofd. Je weet heel zeker nog wel dat ik dit inderdaad in een dronken bui gezegd had, die avond dat we het yacht ook naar haar gedoopt hebben, toen zij – lichtjes be­schonken – dat strip-tease nummer bracht en zij zich schertsend ‘Papillon Rouge’ noemde, omdat ze voor de gelegenheid helemaal in het rood was: mantel, jurk, panties, bustehouder, broekje, tot zelfs een rode pruik en roodgelakte nagels.
Daar ik in een euforie verkeerde, stemde ik onmiddellijk toe en beloofde zo gauw mogelijk de overige negentien miljoen te betalen aan de aannemer in Temse. Het is misschien wel best dat je nu weet dat ik vijf miljoen als voorschot had betaald en dat de rest zou volgen na de proefvaart.
Ook dit was uiteraard een beetje vergeten geraakt. Daar ze beweerde eveneens naar Temse te moeten (wegens een onbenul­ligheid, maar ik was me natuurlijk van geen kwaad bewust), stelde ze voor dit zaakje samen te gaan afhandelen.
We reden eerst naar mijn huis in Sint-Niklaas, waar mijn moeder voor een uitstekend avondmaal gezorgd had (ik heb haar al meerdere malen gezegd dat ze dit aan het personeel moet overlaten, maar ze houdt nu eenmaal van kokkerellen, beweert ze; volgens mij probeert ze echter eerder de eenzaamheid te verwerken, die plots op haar is komen vallen bij het overlij­den van mijn vader deze winter, door steeds met iets bezig te zijn). Tijdens de maaltijd worden we echter gestoord door die pestbuil van een Jacques, die beweert me overal gezocht te hebben omdat hij mijn raad wil inwinnen omtrent een speculatie met een belangrijk kapitaal, die hij plande op de beurs. Ik weet dat ik hier uit kom als een onbeschrijfelijke nar, maar ik geloof nu eenmaal in de goedheid van de mensen. Of beter:
ik geloofde. Ik praatte dus urenlang door met hem over deze kwestie.
Wanneer ze me maar eventjes alleen te pakken kon krijgen, fluisterde Danielle dat ik van hem moest zien af te raken, omdat we nog naar Temse moesten. Ik stelde haar voor dat mama de logeerkamer in orde zou laten brengen, zodat zij kon blij­ven overnachten om dan alles ’s anderendaags te regelen. Zij herinnerde mij er echter aan dat ze ook nog naar iemand anders moest. Ik schreef dus een check van negentien miljoen, waarmee zij naar Temse reed. Daar ze me gezegd had nadien naar Oos­tende terug te keren, ging ik gerust slapen, toen ook Jacques even voor middernacht vertrokken was. Wanneer ik haar vanmor­gen echter probeerde te bereiken, deelden haar ouders mee dat zij niet naar huis was gekomen. Die mensen waren al even ongerust, omdat ze in de waan verkeerd hadden dat hun dochter bij mij was gebleven en vonden het erg onbeleefd dat ik hen niet verwittigd had.
Nou, je kunt wel denken: ik werd lijkbleek. Ik zei niets over die negentien miljoen, stelde hen gerust en hing op. Daarna, omdat mijn moeder in de kamer kwam, nam ik de hoorn weer op en fingeerde een geanimeerd gesprek met Danielle: ‘ze laat je groeten’, lachte ik tegen mama. Ik liet het bad vol lopen, deed er overvloedig veel schuim in en ging zitten nadenken wat me te doen stond. Mijn eerste gedachte was natuurlijk: naar de politie! Maar bij nader inzien leek me dit om diverse redenen erg onverstandig, de voornaamste zijnde: heeft ze wel een misdaad begaan, want tenslotte had ik haar het schip toch geschonken?
Verder, als de politie het onderzoek in handen neemt, krijgt de pers er ook lucht van en ik wil niet door iedereen als een idioot op straat nagewezen worden. Vrienden heb ik niet – want het is wel duidelijk dat Jacques, indien je dit een ‘vriend’ (!) mocht noemen, een hand heeft in dit complot (wel­licht zijn ze nu onderweg naar Italië) – tenzij naar jou.
Je zult misschien niet al te best begrijpen waarom ik jou hierin wens te betrekken. Het houdt echter verband met het ‘ongeluk’ dat Patsy, die ik toch bijna je verloofde mag noemen, is overkomen.
Is het nog geen misdaad er met een geschenk van negentien miljoen vandoor te gaan, zelfs al kwam je je belofte niet na, ik denk toch dat iemand tot zelfmoord drijven als onvrijwillige dood­slag wordt beschouwd…
Ja, Paul, ga maar even zitten om deze slag te verwerken. Daar ik je niet nog meer leed wilde berokkenen dan het feit op zich­zelf je wel al zal aangedaan hebben, was ik helemaal niet van plan je van mijn vermoedens op de hoogte te brengen. Ik meen echter dat dit je veel meer zal aanzetten om de schuldigen op te sporen en te straffen dan het geld dat ik voor je heb klaarliggen.
Het zit zo: het ‘ongeval’ is voor mij steeds een duistere zaak geweest. Om duidelijker te zijn: ik heb nooit geloof gehecht aan de officiële versie die werd vrijge­geven. Ik kon echter niets méér te weten komen en daarenboven dwongen omstandigheden mij niet verder op de zaak in te gaan. Nu kan, of beter: moet, ik dat uiteraard wel doen. Als ik zei dat ik niet aan een ‘ongeval’ geloof, moet ik daarvoor wel enige verklaring geven. En dan bedoel ik méér dan het op z’n minst merkwaardige feit dat Patsy alleen en in een roeibootje dat daar gemeerd lag voor herstelling in zee zou steken, terwijl iedereen juist ging schuilen voor de naderende storm. Ik vermoed echter dat ze op dat moment een grote last geworden was aan boord. Je herinnert je wel dat ik oorspronkelijk zou meegegaan zijn en dat Jacques enkel op aandringen van Patsy de reis zou meemaken. Je moet je dit wel herinneren omdat dit je erg veel pijn heeft gedaan. Ander­zijds moet ik bekennen dat ikzelf wél in m’n nopjes was met deze gang van zaken. Ik dacht dat de onzin tussen Jacques en Danielle nu voorbij zou zijn. Hoezeer heb ik me vergist! Enkele dagen voor de afvaart moest ik echter dringend op zakenreis, zodat de kaar­ten door elkaar geschud werden. De troeven kwamen nu in handen van het du­bieuze duo. Dit was immers wel een unieke gelegenheid om het er gedurende een week eens goed van te nemen. Met als gevolg natuurlijk dat Patsy een last was geworden. Ik denk dat een en ander blijkt uit de drie brie­ven, die Danielle me toen heeft geschreven en die ik hierbij voeg. Alhoewel negentien miljoen natuurlijk geen peule­schil is, is het mij niet zozeer om het geld te doen. Geld heeft slechts die waarde voor me in zover ik het bezit, en dat ik niet arm ben weet je van de vele giften die ik jou en je kunstenaarsge­noot­schap heb gedaan. Ook nu zal ik je een cheque uitschrij­ven die je in staat zal stellen je onderzoek naar behoren te volbrengen. Ook is het geen blinde wraak die me drijft, maar eerder een soort naïeve zucht naar gerechtig­heid. Daarom wil ik je nogmaals Patsy doen herinneren, voor­aleer ik je deze brief door een bediende laat brengen. Patsy was Danielles boe­zemvriendin, maar deze veegde blijkbaar de straat met haar. Ikzelf mocht het meisje wel, al hield ze er nogal vreemde theorieën op na en dweepte ze met allerlei zaken waar ik niet veel verstand van heb. Maar ze was vrien­delijk en nooit erg hinderlijk. Daarom konden we het best met elkaar vinden. Voor jou leek ze me echter heel wat meer te betekenen en daarom, Paul, laat me niet in de steek en help me het tweetal terug te vinden. Doe je het niet voor mij als zoda­nig, noch voor het geld, doe het dan voor haar!
Een vriendelijke groet (en suc­ces),
je Philippe.
* * * * *
Oostende, 8 augus­tus 1971
Mijn allerliefste Philipje,
Over enkele uren varen we af, daarom wou ik je nu toch graag nog even schrijven. We hebben vannacht al op ons Rood Vlin­dertje geslapen, om ‘erin te komen’ zoals ze zeggen. Het was geweldig. Het belooft dan ook een fijne reis te worden. Jammer dat je niet mee kan, maar misschien kun je volgende week nog naar Wick vliegen en dan verder meevaren naar Dene­marken? Anders zal ik je te zeer missen om de reis tot een volledig succes te maken, want de gedachte dat Jacques de enige man aan boord zal zijn (de bemanning reken ik uiteraard niet mee) geeft me reeds koude rillingen. Gelukkig heb ik Patsy nog, zodat wij hem, als hij lastig wordt, overboord kunnen gooien. Dan kan hij met het schip meezwemmen. Dat is vast een goede training voor hem.
Ik heb met Patsy over onze trouwplannen gesproken. Ze was niet erg enthousiast, maar ze zal wel aan het idee wennen. Ze zal wel moeten, niet lieveling? Overigens laat ze je nog eens danken en doet ze je veel groetjes. Ik verlang naar jou.
Duizend zoentjes van je vlindertje,
Danielle.
* * * * *
Wick, 10 augustus 1971.
Mijn liefste Philipje,
Hoe maak je het? Hier is alles opperbest. We zijn zopas in Wick aangekomen, net zoals we gepland hadden. De overtocht was zalig. Spijtig dat je het niet hebt kunnen meemaken. Het weer is opperbest, ik zie alweer helemaal bruin. Op het eerste gezicht is Wick een beetje saai, maar misschien ontdek­ken we wel verborgen talenten. We vervelen ons alleszins niet en hebben een fraai uitzicht op het pittoreske stadje. Jac­ques gaat trouwens op dit moment het plaatsje verkennen. Dan stop ik maar met deze brief; hij kan hem nog voor me posten. Oh ja, groetjes van Patsy.
Duizend kusjes,
je vlindertje.
* * * * *
Wick, 14 augustus 1971.
Beste Philippe,
We hebben nog niets van jou vernomen! Zelf heb ik je niet meer kunnen schrijven, omdat ik het te druk gehad heb. Wick heeft inderdaad zijn charmes. Je zult er echter geen kennis meer mee maken, want wij reizen nu spoedig af. Ik laat je telegrafisch weten waar we ergens zullen aan land gaan. Als je deze brief ontvangt, heeft het dus helemaal geen zin meer nog naar Wick te komen, we zullen immers reeds op zee zijn. We zijn van plan daar eerder lang op rond te cruisen; ten­slotte dient een yacht niet om ergens vast te liggen, is het niet?
Het staat ook niet vast of Patsy nog meevaart; ze heeft last van haar zenuwen en maakt de ene scène na de andere. Jacques is zelfs al eens… maar dat kan ik je beter later vertellen. Hoe dan ook, eventueel zal ze je laten weten waar en wanneer je haar kunt gaan ophalen. Wel krijgen we misschien een nieuwe passagier, Celia Toothe. Ze is heel lief en kan me helpen mijn Engels wat bij te schaven. Ik neem aan dat het voor jou geen verschil uitmaakt? Je zult haar trouwens ook wel sympathiek vinden. Ze is wel enkele jaren ouder dan ik. Ik ga trouwens nu met haar een museum bezoeken. Tot binnenkort, je Danielle.
* * * * *
Vandaag ontving ik een brief van Philippe met een onthulling die menigeen zou ontzet hebben. Ik heb echter opgehouden me te verba­zen over de gewoonten van dit milieu sinds Philippe in de loop van de maand maart van vorig jaar, een ganse tentoonstel­ling van mij opkocht, enkel omdat de hoofdtint op bijna al mijn schilderijen lichtblauw, zijn lievelingskleur, was.
Ik zou wellicht geweigerd hebben, ware het niet dat deze excentrieke man vergezeld was van twee meisjes, waarvan de ene meer aandacht van de bezoekers kreeg dan mijn werk, en die me dus uitermate irriteerde; maar het ander meer frele,leuke meisje met twee kuiltjes in de wangen, had me dadelijk ge­boeid. Ik achtte het niet uitgesloten dat ik door die verkoop in staat zou gesteld worden nader met haar kennis te maken. Zoals inderdaad zou gebeuren. Spijtig genoeg heeft die idioot ongelijk door me steeds haar verloofde te noemen: ondanks het feit dat Patsy me ongetwijfeld sympathiek vond, is er steeds een muur tussen ons blijven staan. En die muur had een naam: Danielle.
Het is dan inderdaad niet het geld dat er voor mij aan vast­zit, noch de Gerechtigheid, noch die diefstal van negentien mil­joen, die me ertoe aanzetten Philippes voorstel te aanvaarden: ik wil weten wat in Wick gebeurd is en alles wat met het voorval iets te maken heeft.
Natuurlijk herinner ik me alles wat eraan voorafgegaan is nog heel goed. Hoe Philippe pochte met zijn verlovingsgeschenk voor Danielle dat men pas naar Oostende had gebracht, en hoe we dat ’s avonds ‘gevierd’ hebben.
Voor één keer ontbrak Jacques op het appél en daarom was Philippe uitzonderlijk goed geluimd. Al even uitzonderlijk was hij die avond straalbezopen (“lichtjes beschonken”) met het gevolg dat hij Danielle nog aanmoedigde tot die fameuze strip-tease, hoewel Patsy aandrong dat hij het haar zou verbieden.
Bovendien vermoed ik dat hij haar nog nooit naakt had gezien, zodat deze walgelijke vulgariteit tot zijn verbeelding sprak. Ook herinner ik me de dag dat tot de proefvaart besloten werd. Eind juni 1971 was ik met Philippe meegereisd naar Oostende; misschien dacht hij ons te verrassen met een tochtje op de Papillon Rouge, enfin dit blijft toch maar een gissen daar het er nooit van gekomen is. Het oorspronkelijke weerzien was zeer hartelijk, alle combinaties waren o.k.: Philippe-Danielle, Patsy-ikzelf, ik en Danielle (omdat Patsy die dag zeer diploma­tisch optrad) en Philippe en Patsy (onnodig te zeggen dat Philippe normalerwijze Patsy haar ideeën slechts omwille van Daniële verdroeg en vice versa om dezelfde reden). Er werd een autotochtje met vier gepland, maar net voor het vertrek kreeg Philippe een telefoontje. Toen hij enkele minuten later weer kwam, was zijn humeur helemaal de verkeerde weg opgeslagen. Donderwolken samen tussen zijn weinig-behaarde wenkbrauwen. Hij was vooral tegen Danielle brutaal en deze scheen zich hier eigenaardig genoeg aan verwacht te hebben, want zonder de minste verwondering replikeerde ze even bitsig. Alsof dit het sein was, nam Patsy weer zo’n instinctmatig besluit door naar de knalrode sportwagen van Danielle te ren­nen, hem hevig gas gevend door het grind te laten gieren, even te klaksoneren wanneer zij mij voorbij reed; ik begreep dadelijk haar bedoeling en liet me op de achterbank vallen. Alles ging zo vlug dat ze bijna geen vaart moest minderen. Toen we even later over de zeedijk snorden (door het winderige weer, mij en Patsy’s geliefkoosd weer, waren er weinig toeris­ten), kroop ik nogal onorthodoks naar de voorste zetel en legde mijn hand op haar knie terwijl ik haar mijn tong in haar oor liet proeven. Ze droeg een daim-lederen rokje…
Hoe we verder de dag doorbrachten ga ik niet beschrijven om mezelf niet te zeer te kwellen. Het enige wat van belang is voor de feiten waarmee we ons bezig houden, is de aanduiding dat Patsy, hoewel niet onvriendelijk, de ganse namiddag nogal dromerig-afwezig was.
Bij onze terugkeer stond het ganse huis in rep en roer. Het bleek dat Danielle reeds moord en brand had geschreeuwd omdat ze haar wagen miste om haar woede door roekeloos rijden af te reageren; haar paard had men twee maanden geleden moeten afmaken, toen ze het dier zo afgejakkerd had dat het een hindernis die het normaal spelenderwijs nam, niet aankon; die vroegere zenuwkrisis was veroorzaakt door enerzijds het ver­trek van Jacques naar Zuid-Frankrijk, for business reasons, en anderzijds door een zoveelste konflikt met Patsy, zo hevig dat Patsy haar toen had gezegd bij mij te zullen inwonen. Bij onze terugkomst dus, was bij de bedienden zowat de noodtoe­stand afgekondigd, Philippe was vertrokken; Danielle schreeuwde enkele verwijten aan het adres van Patsy, die deze ijskoud over zich liet gaan; mijn persoon was Danielle duidelijk te min om er woorden aan vuil te maken. De achterlichten van de Jaguar waren het laatste wat we die dag van haar zagen. Die nacht logeerde ik bij Patsy…
’s Anderdaags was Danielle nog steeds niet terug. Terwijl Patsy gaan winkelen was (het was nu heel mooi weer en we waren van plan te gaan picknicken) praatte ik een beetje met Daniël, een zestienjarige zwartharige krullekop, zoon van de voornaam­ste bediende in het huis, en een vriendje van mij. Zonder hem eigenlijk uit te horen en zonder dat hij besefte dat ik uit de biecht sprak, vertelde hij wat hij zijn vader tot zijn moeder had horen zeggen, tijdens het avondmaal; het bleek dat Philippe een anoniem telefoontje gekregen had waarin iemand hem waar­schuwde voor Jacques. Dit was gewoon olie op het vuur want Philippe had uiteraard zelf al verdenkingen gekoesterd. Wie aan de telefoon was, is niet zo duidelijk, maar heeft ook minder belang: het kon een zaken van Philippe zijn die hem andere dan financiële beslommeringen wou bezorgen om enkele dagen van een tegenstrever verlost te zijn; maar het was mogelijk ook een vennoot die vreesde dat het uitlekken van een schandaal de firma in opspraak kon brengen. Hoe het zij, Danielle leek helemaal niet verrast; in een niet te stuiten woordenvloed keerde zij dit telefoontje tégen haar bedrogen verloofde; hij hield niet van haar want liefde begon met vertrouwen, hij was zo jaloers als een impotente bidsprikhaan, stuurde privé-detectives achter haar aan enz.
Philippe trachtte dan, tussen haar woordenvloed in, een aantal gevallen op te sommen waar hijzelf gezien had dat er ‘iets was’ tussen Jacques en haar. Opnieuw een overvloed van scheldwoorden en gebruik makend van de ontreddering, weerlegde ze dadelijk met haar radde tong alle argumenten. Ze had zich duidelijk op zo’n aanval voorbereid. Haar voornaamste tegen­argument was wel dat Jacques niet op haar maar op Patsy verliefd was. De ruzie was zo luidruchtig gevoerd dat de Van Wallenhoves alles hadden kunnen horen.
Hoewel die verliefdheid van Jacques op Patsy (en vice versa volgens de beweringen van Danielle, maar zowel het één als het ander werd nog dezelfde dag door Patsy zelf tegengesproken) door iedereen die er ook maar iets van afwist, niet au sérieux zou worden genomen, was Philippe gekalmeerd en zei naar Sint-Niklaas terug te keren om daar rustig te kunnen nadenken. De volgende ochtend zou hij laten weten of het huwelijk al dan niet doorging. Die hele tijd wachten leek Danielle wel een beetje lang, zodat ze hem zo gauw ze kon (toen wij met de Jaguar terugkeerden) achterna gesneld was. Dat was zowat het belangrijkste van wat Daniël me kon vertellen. Toen we die avond van de picknick terugkeerden, arriveerden ook ons geluk­kige paar net. Ietwat bleek, maar voor de rest in alle op­zich­ten bevredigd, zat Philippe naast Danielle. Het was duide­lijk op welke manier de ruzie beslecht was. Hun huwelijk werd offi­cieel aangekondigd en men zou reeds een soort voor-huwe­lijks­reisje maken onder de vorm van een sea-cruise met de Papillon naar Schotland en Skandinavië, Members of the party: Danielle, Philippe, Patsy en… Jacques. Ik was blijkbaar de dupe van het hele geval geworden want, hoewel men mijn afwe­zigheid niet expliciet oplegde, was het door deze opsomming van het pro­gramma in mijn bijzijn, zonder zelfs te vragen of ik ook zin had, duidelijk dat ik ongewenst was door Danielle, de alles­overheersende Antinea in dit mondaine gezelschap. Bovendien werd mijn plaats zeer duidelijk ingenomen door Jacques. Ik bemerkte dat dit verontwaardiging deed rijzen in de ogen van Patsy, maar een gebiedende blik van Danielle deed haar zwijgen. ’s Anderdaags ’s morgens (na de laatste nacht die ik haar met haar mocht doorbrengen) wist Patsy te vertellen dat Danielle Philippe had wijsgemaakt dat zij, Patsy, de aanwezigheid van Jacques gevraagd had zogezegd om mij te vergeten…
* * * * *
Op zoek naar een aanknopingspunt herinnerde ik me plots het gesprek met Willy Boeykens na de begrafenis, gesprek dat door de komst van Danielle onderbroken werd. Daar Willy net zijn jaarlijks verlof in Temse doorbracht bij zijn moeder, vereen­voudigde het mijn taak. Ik trof hem inderdaad thuis, maar besefte dadelijk dat we daar, in het bijzijn van zijn moeder, onmogelijk tot een diepgaand gesprek konden komen. Daarom stelde ik hem voor naar een drukbezocht café te gaan; juist daar waar veel volk samen is, kan men een intiem gesprek voeren, terwijl men op eenzame plaatsen soms gevaar loopt afgeluisterd te worden (politieke les nummer één; de woestijn vormt uiteraard een uitzondering, maar wat zit ik hier te grappen).
Na de gebruikelijke intro, zei ik:
– Dus Danielle heeft met jou de liefde bedreven…
– Liefde! Laat me lachen. We hebben eens goed geneukt, als je dat wil zeggen. Meer dan eens zelfs.
– In de paardestal!
– In de paardestal. Telkens ze uit rijden was gegaan en ik haar paard moest roskammen. Het was als het ware een ­ afsproken teken.
– De reflex van Pavlov!
– Zoiets, antwoordde hij, hoewel hij het niet scheen te be-­ grijpen. Ik was het al zo gewoon dat ik haar een keer ging opzoeken toen ze met Jacques uit rijden was geweest. Het was me totaal ontgaan. En toen lagen ze daar. Op ons plekje.
– Hoe romantisch!
– Zeg luister eens! Ik hield van haar, verdomme, misschien hield ik alleen van haar lichaam, want ik wist wel dat ze me gebruikte, maar ik hield van haar. Op mijn manier. Ik zeg toch ook niets over de wijze waarop Patsy en jij…
Hoewel ik mijn fout zag, werd ik toch kwaad:
– Zwijg over Patsy en vergelijk haar zeker niet met Danielle.
Hij was onder de indruk, maar na een korte stilte en een teug bier, ging hij verder:
– Ik was jaloers. Ik begon kabaal te maken. Enfin, het eindigde met het feit dat ik Jacques in het gezicht slinger­ de dat zij eigenlijk tot de kale sjiek behoorde, en Danielle gaf me een slag in het gezicht.
– Nog goed dat het Jacques niet was!
– Nee, integendeel! Tegen hem zou ik mijn mannetje kunnen staan, maar tegen haar… Nee, dat de grootste belediging van mijn leven. Ik droop af, met de staart tussen de benen.
– Kale sjiek, zei je?
– Ja.
– Wat is dat voor iets?
– Ken je dat niet? Zo noemen ze rijkelui die nog wel rijk doen maar niet rijk meer zijn.
Dit interesseerde me uiteraard. Het plaatste de diefstal van die negentien miljoen, waarover ik Willy niets gezegd had, in een totaal ander licht.
Eerst had ik gedacht dat haar hebzucht geen grenzen kende, maar vond het dan toch onbegrijpelijk waarom ze dit riskeerde in plaats van een huwelijk met Philippe; Jacques kon ze dan toch nog als minnaar houden. Nu werd me echter duidelijk dat het gewoon nooit tot een huwelijk met Philippe had kunnen komen. Deze zou vast en zeker het fortuin van de Boissin-familie eens laten napluizen hebben, want het huwelijk blijft bij zo’n mensen toch altijd een transaktie, ondanks het feit dat hij wel van haar hield.
– Ach, zo zit dat. Danielle zat aan de grond eh!
– Jip. Tot en met.
– Hoe weet jij dat?
– Het moet haar eens ontglipt zijn. Het is onmogelijk dat ze me werkelijk in vertrouwen nam. Het was terwijl wij…
Aan de verandering van toon kon ik al raden wat zou volgen, daarom sneed ik hem de pas af:
– Juist, maar zeg eens, hoe reageerde Jacques?
– (minachtend) Die! Dat is de gemeenste vent die ik ken. Hij zat daar wat te meesmuilen en als hij me nu alleen ont-­ moet, doet hij erg vertrouwelijk, alsof we vrienden zijn! Of twee misdadigers, betrokken in hetzelfde komplot.
Komplot, dat mag je wel zeggen, dacht ik, want volgens mij lijkt het wel erg duidelijk dat er toen voor de eerste maal sprake moet geweest zijn van een eventuele oplichting van Philippe. En de reden is nu ook niet ver meer te zoeken: Jacques zat hoogstwaarschijnlijk zelf bijna aan de grond.
– Je begrijpt natuurlijk dat Danielle me niet meer met Philippe alleen durfde laten. Dus ging ik mee op reis. Met de toe­ stemming van Jacques natuurlijk.
– En? Hoe verliep de overtocht?
– Nou, tijdens de overtocht was het gewoon; dat wil zeggen, Jacques en Danielle zagen we niet zoveel, tenzij om te zonne-­ ba­den. Weet je dat ze soms helemaal naakt lag! De beman­- ning werd haast gek. Een nieuweling, een jongetje van zes­ tien, heb ik zelfs eens met een klinkende oorvijg weer met zijn beide voeten op de aarde, of liever op het schip, moeten brengen. En dan zou je de blik van die teef moeten zien! Een monster!
– En Patsy?
– Die liep er de ene dag nukkig, de andere pruilerig bij.
– Waarom?
-… Omdat jij er niet bij was waarschijnlijk.
Ik wist dat hij loog en voelde me toch gevleid.
– Misschien. Als jij voor de versie van zelfmoord opteert, zouden we dus kunnen zeggen dat de oorzaak reeds aan boord aanwezig was?
– Dat zou ik zo niet durven stellen. Het is immers in Wick zelf dat de poppen aan het dansen gingen.
– Had een zekere Celia Toothe er iets mee te maken?
Hij aarzelde net een sekonde te lang:
– Oh die. Hebben ze je daar ook over gesproken?
Ik knikte instemmend, maar verraadde me niet. Het is erg dat ik zo geheimzinnig moet doen en ik maak me daarover wel scru­pules; de zaak is echter te belangrijk dat ik het risico mag nemen ze daardoor op een sisser te laten uitlopen.
– Ik denk dat dit allemaal fel overdreven is. Zij was slechts één dag aan boord. Terwijl Jacques en Patsy er niet waren. Die waren elk apart de stad ingetrokken, stelde hij me dade-­ lijk gerust. Ik knikte begrijpend.
– Nou, en ik… Ja, het was toevallig hoor. Ik ging naar Danielles kajuit want ze had die Celia ongemerkt aan boord geloodst. Ik ging dus naar haar kajuit om… om wat op te ruimen… en toen… nou ik weet niet goed hoe ik dat moet uitleggen… ze waren allebei naakt, en Danielle lag op bed en Celia, die…
Ik deed hem ophouden. Dit was iets waarvoor ik al gevreesd had. Het is dikwijls zo dat we de waarheid niet onder ogen durven zien. De laatste brief van Patsy had me natuurlijk moeten overtuigen, maar ik had toch altijd gedacht, gehoopt dat Danielle…
– Is er toen iets gebeurd? Nu ja, iets dat eventueel achter­ af belangrijk kan geweest zijn?
– Misschien wel. Toen ze tot bevrediging gekomen waren (hij kuchte even), begon Celia te wenen. Danielle trachtte haar te troosten, werd daarna bits en liet Celia, die zich dan maar aankleedde en nog een beetje zat te treuren, alleen.
Ongeveer een half uur later keerde Danielle weer. Ik vermoed dat ze weer aan de slag gingen.
Hij lachte zenuwachtig.
– Hoe dan ook, het blijft een vermoeden, want op dat moment bemerkte ik Patsy in de verte, die in onze richting kwam aangeslenterd.
– Wanneer was dat?
– Veertien augustus. In de namiddag.
Ik verloor mezelf in mijmeringen en om de een of andere reden was ook Willy in een neerslachtige bui geraakt.
Hij nodigde me uit om te blijven eten. Zijn moeder, die op zestigjarige leeftijd nog op de fabriek werkte, had voor mij een maaltijd bereid. Hoewel ik eerlijk gezegd niet tuk was op dat dineetje (‘een schilder in mijn huis’, enz.!) kon ik toch niet weigeren. Het was overigens zeer lekker en de moeder van Willy was zo’n beminnelijk oude dat ik me dadelijk op mijn gemak voelde. Na het eten haalde Willy een paar flesjes uit de kelder en ik stak mijn voeten tegen de kachel (‘We gaan een verdomd vroege en koude winter tegemoet, Willy’).
* * * * *
Oostende, 3 augustus 1971
Mijn arme lieveling,
Ik ben weer met Danielle in Oostende, want we zullen wel heel binnenkort afvaren. Het spijt me dat je niet mee kunt, maar we weten beiden maar al te goed hoe alles in z’n werk is gegaan. Negen kansen op de tien gaat ook Philippe niet mee wegens een onverwachte dringende zakenreis, wat zoals bijna alle dingen in het leven zowel een positief als een negatief effekt heeft. Enerzijds ben ik dan immers niet meer moreel verplicht als blikafleider voor Jacques te fungeren, maar anderzijds zal Jacques Danielle veel meer opeisen dan Philippe ooit zou doen.
Dat is trouwens nu reeds het geval. Het is gelukkig mooi weer zodat ik lange wandelingen maak als ze weer samen bezig zijn.
De eenzaamheid doet me goed. Als we weg zijn en het je te veel wordt, kun je misschien ook nog eens naar hier komen? Philippes villa zal wel tot jouw beschikking staan en dan kun je fijn door de duinen dwalen. Je hebt het echt nodig er eens uit te zijn. Doe je het?
De Rooie Vlinder is echt een yacht naar Philippes normen, de luxe kan weer niet op. Dat vind ik niet zo prettig, maar je weet dat ik Danielle overal zal volgen, waar ze me maar hebben wil, en bovendien boeit de reis zelf me. In zo’n geval neem ik er de centjes-mentaliteit, de aanwezigheid van Jacques en de afwezigheid van jou maar bij. Maar natuurlijk is deze brief niet bedoeld als verslag van hoe de zee er uitziet.
Ik wou je toch een beetje uitleg geven over mijn bruuske weigering op je huwelijksaanzoek. Ik weet wat het voor je betekende. Je had al zo vaak voorgesteld te gaan samenwonen, en nu dacht je me met de fatsoenlijke band van het huwelijk wel te vermurwen. En ook dat mislukte!
We hebben er nooit over gesproken maar je vermoedde toch wel dat er tussen Danielle en mij meer was dan een jongemeisjes-vriendschap?
Het ellendige is dat Danielle het inderdaad enkel als een soort doorgedreven vriendschap ziet (en ook als een verzetje, ze is dol op sensatie, zoals je wel weet). Ik zie het echter hele­maal anders. Ik ken Danielle al zo lang en mijn genegenheid voor haar is steeds blijven groeien. Ik leerde haar gebreken te aanvaarden – en ze heeft er inderdaad veel. Ik ging van haar houden, langzaam, zonder het zelf te beseffen.
We hadden onze eerste sexuele ervaring op kostschool, zoals zoveel andere meisjes van dertien, veertien jaar. het had dan ook niet veel te betekenen. Toch hebben die spelletjes (want dat waren het tenslotte toen maar) een stempel op me gedrukt. Onder de invloed van Danielle en haar uitgebreide lektuur werden ze steeds geraffineerder, soms zelfs pervers.
Na haar eerste contact met een jongen, vond ze dat we er maar mee moesten ophouden. Om het voor mij een beetje makkelijker te maken, scharrelde ze me er ook één op. Dat kon me echter weinig bevrediging schenken. Ik gaf hem de bons en begon te denken dat er iets met me mis was. Danielle bezorgde me een andere vriend maar ook hij faalde. Ik was het beu en hield er mee op. Met om te gaan met jongens én met me er zorgen over te maken dat het maar niet wilde lukken, bedoel ik. Danielle daarentegen had de ene na de andere, het was een hel.
Na een jaar, heel toevallig, was ik met haar alleen gaan wandelen en, ja hoe kwam het eigenlijk, we deden het nog een keer. Ik kreeg daarna een huilbui en Danielle besefte nu wat het voor mij betekende. We zijn de sexuele relatie blijven onderhouden, hoewel ze soms heel wreed voor me kan zijn.
Je vraagt je nu natuurlijk af, waarom ik dan wel met jou naar bed wilde. Ik weet het zelf niet zo precies. Ik vond je sympathiek, lief, anders. Je drong er niet zo op aan. Het kwam me voor alsof jij het ook slechts een bijeenkomstigheid in onze relatie vond, terwijl de meeste mannen dit nu juist laten primeren. Bovendien was je niet zo ruw en brutaal. Daarom voelde ik me ook zo gerustgesteld bij jou en kon van je aanrakingen genieten. Maar om te huwen? Ik geloof niet dat het met mijn gerichtheid overeenstemt. Ik zou jou én mezelf bedriegen. En ik wil voor alles eerlijk en rein zijn. Ik hoop evenwel dat het geen hinderpaal zal zijn voor onze ­huidige verhouding.
Hou je sterk schat. Ik schrijf je wel als we ergens aanleg­gen,
kusjes,
Patsy.
* * * * *
Nadat ik Patsy op mijn tentoonstelling ontmoet had, was er natuurlijk geen houden meer aan. Van zodra het mooi weer was, ging ik Philippe werken om met Danielle en Patsy een feestje te bouwen. De eerste keer lukte dit me niet, omdat Philippe door­gaans wel erg druk aan het werk was; maar de daaropvolgende week was het zover: om precies te zijn, het werd een weekend.
Van het feestje zelf herinner ik me niet zoveel meer. Het ging er heel gezellig aan toe, zonder botsingen. Zaterdag kreeg ik geen kans me even af te zonderen. Maar na het uitge­breide diner, slaagde ik er zondagnamiddag dan toch in alleen op het strand te gaan wandelen. Het was erg zonnig, maar een snijdende wind hield de meeste badgasten weg. Na een uurtje wandelen, vleide ik me op een beschutte plaats, sloot de ogen en genoot van de zon. Enkele ogenblikken later, voelde ik iemands aanwezigheid naast me; het bleek Patsy te zijn. Het kon vrijwel niet anders of ze moest me gevolgd zijn, maar we repten daar met geen woord over.
Anderzijds deed ze ook niet gespeeld-verrast. Ze begon heel gewoon:
– Ik vind je een eigenaardige jongen…
– Zo?
– Ja… Ben je homofiel?
– Hoe kom je op de idee! Tuurlijk niet!
– Heb je iets tegen die mensen?
– Nee, zeker niet, maar…
– Maar je bent een meisjesgek.
– Niet overdrijven.
Stilte.
– Loop je veel achter de meiden aan?
– Ach, nee; sommige zien eruit dat men eerder met hen naar bad dan naar bed zou gaan. – Dat kan je niet menen.
– Nee dat meen ik niet. Enfin, ik bedoel: dat geldt evenzeer voor sommige kerels natuurlijk. Ik begrijp niet hoe ze dat mooi kunnen vinden. Het is een aanslag op mijn esthetisch gevoel.
– Nu, je bent toch niet alleen op de wereld. Bovendien, zo netjes zie jij er nu ook weer niet uit!
– Ja, maar die verfplekken bijvoorbeeld, dat is niet opzette­ lijk; dat komt door mijn werk. Als ik iets nieuw gekocht heb, tracht ik het in ere te houden; ik ga het niet meteen in de verf of het bleekwater stoppen.
– Alsof ik mijn vader hoor!
– Echt? Nu, dat was vast mijn bedoeling niet, weet je! Ik bedoel maar…
– Dus jij loopt niet achter ze aan. Zij lopen achter jou aan?
– Ach ik mag niet klagen… zeg wat is het hier in feite, een rechtszaal voor seksuele delicten?
Ze lachte mijn opmerking weg.
– Paul, een nogal gewone naam, vin’je niet?
– Ik heb hen niet zelf gekozen hoor.
– Hoe dan je jezelf dan wel willen noemen?
– Wat een vraag, daar heb ik nooit bij stilgestaan. Maar weet je, misschien had ik wel Rodrigo willen heten.
– Rodrigo? Wat is dat voor een onding! Hou het maar liever bij Paul.
– Begrijp me niet verkeerd: die naam heeft voor mij een speciale betekenis.
– Oh! Vertel op. Heeft het iets met die Spaanse komponist te
maken?
– Nee, nee. En eigenlijk ook niet met de heilige Rodrigus, hoewel die na het schijnt ook wel wat in zijn mars had… Nee, het houdt eerder verband met Roderik, de laatste koning van de Wisi-Goten, die in 711 tegen de Arabieren sneuvelden.
– Interesseren zulke tiepen jou?
– Ik wou enkel eens geleerd doen. Het is zo dat de naam Rodrigo in twee stukken uiteen valt: die twee hebben elk hun belang en zijn in feite een beetje antipolen. Over Rod kunnen we zonder meer heenstappen, maar Rigo is een eigen creatie van mij. Ik zie hem, wat uiterlijk betreft, als een soort Lou Reed: tenger, kortharig, helemaal in ’t zwart gekleed. Voor het overige heeft hij echter niks met Lou gemeen, integen­deel, Rigo is een jongen die steeds angstvallig uit de buurt van de andere mens werd gehouden, afgesloten van de buitenwereld. Hij leeft op een zolderkamertje – zoiets als mijn kamer – en wordt opgevoed door zijn Grote Vriend.
– Dus toch homofiel!
– Nee! Als ik gelovig was, zou ik die Grote Vriend dadelijk God noemen; maar nu kan ik enkel zwammen over archetype en zo, net als de verdediging van Lampo toen men aanvoer dat zijn Joachim Stiller wel eens Christus kon zijn.
– Ben jij Rigo?
– Dat moet je zelf maar uitmaken, als je mijn verhaal helemaal gehoord hebt. Wanneer Rigo voor het eerst over de wereld hoort praten, is hij uiteraard erg nieuwsgierig. Het mysterieuze intrigeert hem. Zijn Grote Vriend vertelt hem dat het ideaal van ieder mens in twee woorden te vatten is. Het eerste begrip heeft Rigo gekend, maar hij zal het verliezen wanneer hij in de wereld komt; het tweede zal hij nooit ervaren. Rigo wordt door deze woorden zo geïntegreerd dat hij bereid is het eerste op te geven om het tweede te gaan zoeken in de wereld. Zijn eerste ervaringen zijn natuurlijk grandi­oos. Al gauw stelt hij echter vast dat hij zowat alleen staat met zijn plezier. Een heleboel mensen kunnen er geen deel aan hebben, omdat ze elke dag op fabriek of kantoor moeten werken, de jongeren moeten naar school, de ouderen zijn te zwak om er nog van te kunnen genieten: de rijken, die niet moeten wer­ken, willen steeds rijker worden en halen zich hartziekten en zenuwkrisissen op het lijf. Enkel een groep buitenbeentjes ontsnapt aan deze mallemolen: men zou hen hippies of zo kunnen noemen. Rigo zoekt contact met hen, maar vrij snel blijkt dat deze mensen barsten van egocentrisme en dat echte communicatie onmogelijk is. Dit kan niet het leven zijn dat Rigo zoekt. Daarom sluit hij aan bij een groepering die naar een andere maatschappijordening streeft, waar ieder­een een gelijk deel van het werk verricht, en ook een gelijk deel van oordeel en ple­zier krijgt. Deze mensen blijken echter allen anders gemotiveerd; zij streven welis­waar onge­veer hetzelfde doel na, maar met zo verschillen­de middelen dat de meesten uiteindelijk psy­chisch gestoord raken omdat ze hun idealen zo vaak zien botsen met de reali­teit. Wanneer ze in het nauw gedreven werden (vaak letterlijk) en van zich af moesten bijten tegen het georganiseerde geweld, bestond er nog een zeker samenhorig­heidsgevoel, maar voor de rest waren zij enkel een eilandenar­chipel. Sommigen raken daardoor zo ge­frus­treerd dat zij be­sluiten dat geweld niet enkel als antwoord op geweld goed is, maar dat hun geweld eerst moet komen; zij worden terroristen. Rigo sluit bij hen aan. Zo neemt hij deel aan een bankover­val, waarbij een gijzelaarster wordt meegenomen; dit blijkt enkel gefingeerd, want Irwana is ook een bendelid. Rigo en zij kunnen het al gauw best met elkaar vinden, wat hen in de ogen van de groep diskredi­teert met het verwijt zich onvol­doende voor de Zaak in te zetten. Wat misschien ook wel zo is, want Irwana en Rigo kunnen elkaar niet meer missen.
Ze duiken onder, én voor de maatschappij, (én waarvoor?) en leven op een manier die vrij parallel is aan het bestaan op het zolderkamertje. Op een dag vraagt Irwana echter aan Rigo of hij haar bemint, waarop hij antwoordt: “Wat is dat, ‘beminnen’? Is dat met jou naar bed willen? Is dat een kind van jou verlangen?”, zodat Irwana ontgoocheld wegrent.
Rigo wil terug naar zijn vrienden, maar de bende is uitge-­ moord, en de meer bezadigd-linksen zijn wat meer bezadigd en wat minder links geworden. Zij zijn getrouwd, hebben een baan en kijken naar hem niet meer op. Tenslotte keert hij naar de zolderkamer terug. Zijn Grote Vriend is niet boos, wel be­droefd. Ook hun relatie kan niet meer hersteld worden­ Rigo kan ook hier niet meer gelukkig zijn, en meteen kent hij het eerste woord: GELUK.
Rigo is wanhopig, daar het eerste deel van de voorspelling is uitgekomen, en hij veronderstelt dat het onmogelijk zal zijn aan het tweede deel van de voorspelling te ontsnappen. Andermaal verlaat hij de zolderkamer en gaat aan de zelfkant leven, verdovende middelen.
Hij slaapt met totaal onbekenden, en het is nooit zoals het met Irwana was: een uitdrukking van een pantheïstisch een­ heidsgevoel met de natuur; hij is niet langer, onbezoedeld, on­schuldig.
Langzaam gaat hij fysisch ten onder; zo leert hij de thera-­ peutische waarde van de kunst ervaren. Hij probeert zo onge­veer alles: musiceren, schrijven, schilderen, acteren… maar is nergens succesvol in, niets kan hem echt bevredigen, daar hij enkel het ‘onzegbare’ wil uitdruk­ken.
Toevallig ontmoet hij Irwana weer, die net als hij gevaren is (hebben we niet allen ergens een zolderkamer en een Grote Vriend?), maar zij heeft de weg naar de kunst niet ontdekt. Zij is een wrak geworden, zwaar verslaafd. Rigo neemt haar mee, uit medelijden. Ook deze realiteit is niet meer als voorheen en Rigo ontdekt wat het tweede woord was: LIEFDE.
Liefde waarheen hij wel op weg was, maar die hij inderdaad niet zou bereiken omdat hij zichzelf niet kon verloochenen. Hij ver­laat Irwana en keert terug naar zijn Grote Vriend. Deze zegt hem dat wanneer iemand weet waar alles om draait, wanneer iemand de twee woorden gevonden heeft, hij moet sterven. Hij mag echter wel een laatste wens doen. Maar de laatste wens van Rigo is precies te mogen sterven…
Zo, dat was het verhaal; ben ik nu Rigo?
– Ik dacht van wel, ja.
– Oh.
– Ontgoocheld?
– Misschien. Ben jij dan soms Irwana?
– Lieve hemel, ik hoop van niet!
– Zie je wel! Ach Patsy, Rigo kan niet liefhebben omdat men het hem nooit geleerd heeft. Om lief te hebben moet je over voldoende levenservaring beschikken, moet je je gevoelens kunnen analyseren, moet je vooral iemand hebben voor wie je jezelf helemaal wilt wegcijferen!
– En jij kunt dat allemaal?
– Ik dacht van wel, ja.
– En wie is de godin die dat alles waard is?
– Jij, Patsy…
– Ik?
– Natuurlijk, jij; van zodra ik je die eerste keer zag…
– Enzovoort, enzovoort!
Zenuwachtig maakte ik met mijn naakte voet, tekeningetjes in het zand.
– Bemin je mij dan niet? Kan je dan geen poging doen om mij te beminnen?
Patsy legt haar kleine, bruine hand op mijn onderarm en fluis­terde:
– Wat is dat ‘beminnen’? Is dat met jou naar bed willen? Is dat een kind van jou verlangen?
* * * * *
Vandaag bracht ik een bezoek aan Philippe. Ik ‘wist’ zonder bewijzen, zelfs zonder enige ernstige aanwijziging, dat Philippe meer van de zaak afwist dan hij aan mij kwijt wou. Maar waarom? Ik besloot hem onverwachts op te zoeken en met vragen te bestoken. De kleinste aanduiding kon kostbaar zijn. Een avond leek me voor mijn doel meest geschikt, omdat we dan minst zouden gestoord worden.
Ik was pas bij hem binnen, toen ik vroeg wie Celia Toothe was. Evenmin als Willy kon hij zijn verrassing verbergen, maar bij hem was de reaktie heftiger. Wellicht toch niet om dezelfde oorzaak? Hoewel?
– Ach ja, dat meisje waarover Danielle in één van haar brieven schrijft…
– Inderdaad!
– Die lijkt me niet belangrijk.
– Waarom niet?
Zonder dat ik het eigenlijk besefte (het was een spontane reaktie), had ik hem met deze vraag al het gras van voor de voeten gemaaid. Nu ik dit ’s avonds eens rustig overdenk, is het mij wel duidelijk waarom: dit onderzoek was nog maar pas bezig, alle gegevens waren dus nog belangrijk (eerst compila­tie, daarna eliminatie) en toch, wanneer er plots een vreemde eend in de bijt komt, wordt dit zo maar geklasseerd. Daar moest meer achterschuilen. Philippe ijsbeerde door de kamer:
– Het was stom van mij, ik weet het; ik had het nooit mogen doen.
– Wat had je nooit mogen doen?
– Hij schonk zichzelf, en automatisch ook mij, hoewel ik dat spul nooit drink, een whisky in en nam tegenover mij plaats:
– Die ruzie in Oostende, tussen Danielle en mij, je weet nog
wel, ik heb er ook in mijn brief over gesproken…
– Ja!
– Was naar aanleiding van een telefoontje…
– Dat weet ik, zei ik om sneller to the point te komen, iemand waarschuwde je voor Jacques.
– Ja (verwondering in zijn blik). Maar daar zit het hem juist. Dat telefoongesprek handelde helemaal niet daarover, ik heb dat maar uit mijn mouw geschud. Dat was trouwens niet moeilijk want iedereen kon zien dat er iets tussen hen was. Nee, sinds enige tijd, namelijk sinds er sprake was van een huwelijk, had ik een privé-detective in dienst
genomen, want sorry Paul, maar ik had geen goed oog in die vriend­schap tussen Danielle en Patsy. Ik zal dan ook maar toegeven dat ik in het begin vaak gepoogd heb die twee te scheiden. Tevergeefs, en daarom leerde ik er maar mee te leven. Vooral omdat ik dacht dat Patsy de schuldige was…
Hij liep weer nerveus door de kamer. Ik was vuurrood geworden en dronk mijn whisky in één teug leeg.
– Ik wou echter zekerheid. Misschien verwacht je het niet van iemand uit mijn stand, maar echtelijke trouw, liefde, en zo, dat zijn voor mij geen holle frasen. Ik huurde dus een privé-detective, die vooral moest nagaan of Danielle soms ook het initiatief nam. Dit bleek inderdaad zo te zijn.
Die detecti­ve had daarvoor samengewerkt met een vriend van hem, een fotograaf die een kanjer van een lens bezat. Hijzelf kon bovendien liplezen; met een goede verrekijker werd het een klein kunstje. Hij had een verslag gemaakt, maar toen ik de foto’s gezien had, werd ik kotsmisselijk; het was duide­lijk genoeg. Ik ga echter te vlug. Die dag in Oostende belde hij me gewoon op om te zeggen dat hij inder-­ daad bewijzen had. Dat veroorzaakte de ruzie. Natuurlijk stonden mijn gedachten helemaal niet op die kwestie met
Jac­ques, zodat Danielle me zonder moeite onder tafel praatte, of liever schreeuwde. Bovendien was de manier waarop die ruzie gevoerd werd, onzinnig. Ik gaf me dus zogezegd gewon­- nen en reed naar huis. Danielle is me later achternageko­men en… wel, ik had… Ik heb je al gezegd dat je het van mij mis­schien niet zou verwachten, maar ik was daar in feite tegen.
– Tegen wat?
– Voorhuwelijksbetrekkingen.
Ik kon mijn oren niet geloven en wou vragen: bedoel je dat je haar nog niet geneukt had? , maar hield nog net op tijd mijn mond.
– Maar Danielle… wel, ze heeft er een handje van weg en steeds krijgt ze wat ze hebben wil… Enfin, ik voelde me als herboren (l’amour physique est sans issue, mompelde ik, maar hij hoorde het gelukkig niet). Een paar dagen later, toen ik die man wilde gaan betalen en hij aandrong om de bewijzen van zijn ‘vruchtbare arbeid’ te bekijken… ik herviel in mijn wantrouwen, want ik heb je reeds gezegd hoe ik er tegenover stond. Toen…
Hij stak een sigaret op en bleef zwijgen. Hij leek vergeten te zijn waarom hij me dit alles vertelde. Ik herinnerde hem er even aan:
– Wat heeft Celia Toothe met dit alles te maken?
– Wel… Ik besloot in Schotland een laatste proef op de som te nemen. Een beetje gewijzigde werkwijze. Ian Hersee, een kunstfotograaf die daar niet zo ver vandaan woont, zou een meisje zoeken dat bereid was Danielle te verleiden. Indien ze er op inging, dan…
– Dan?
– Ging het huwelijk niet door!
– En de afloop van de proef? (ik hield me onwetend)
– Onbeslist. Niets. Nihil. Ik kwam te weten dat die Hersee samenwerkte met een journalist van een sensatiekrantje. Op die manier zou de ‘test’ zich altijd tegen mij keren, wat ook de afloop zou zijn. Daarom verborg ik het op het
laat­ste nippertje.
– Hoe kende je die Hersee eigenlijk?
– Ah! Wil je geloven dat ik nog een hele tentoonstelling gekocht heb van die vent! (het leek wel een manie te zijn!) Daar en daar, (hij wees op diverse, inderdaad mooie, foto’s die aan de muur hingen) die zijn van hem.
– En dat van die journalist, hoe kwam je dat te weten?
– (een beetje gegeneerd) Wel, Paul, je weet dat onze firma een enorme hoeveelheid kapitaal bezit.
Ik koop veel kunstvoorwer­pen, dat weet jij best, maar je moet toegeven dat we het grootste deel van deze som best gebruiken om opnieuw winsten op te leveren.
Het geld om het geld, een nieuwe ethica!
– Daarom investeren wij in allerlei bedrijven. Zo hebben we ook aandelen in dat krantje. Toen de hoofdredacteur dat artikel binnenkreeg, heeft hij me dan ook verwittigd.
– Het werd dus niet gepubliceerd?
– En de journalist vloog de laan uit.
– Heb je dat artikel ook gelezen?
– (verbijsterd) Nee, ik heb daar nooit aan gedacht.
– Het zou nochtans interessant kunnen zijn.
– Natuurlijk!
Philippe sloeg zich tegen het voorhoofd en rende naar de
tele­foon.
– Hallo Fons? Philippe hier. Weet je nog dat artikel van onze vriend…. dat een veertiental dagen geleden geschrapt
werd?
Uitstekend. Heb je dat nog? Prachtig. Ik stuur je iemand om het op te halen. Ja, je kan hem 100% vertrouwen. Maar geef het aan geen andere! (tot mij:) Wanneer ga je het
halen?
– Nu.
– Nu dadelijk. Ja, dan laat je die maar even wachten, dit is belangrijk. Hoe hij heet? Paul De Schepper. Ja, de schil­der, ken je hem? Goed, dat bespaart me een beschrij- ­ving. In orde zo. Tot ziens Fons.
– Dan ga ik maar.
– Ja, doe dat. Je brengt het me morgen?
– Laten we zeggen dat ik het je morgen bezorg via een spoed-
be­stelling.
– Waarom?
– Wel Philippe, herinner je je nog dat je me na het ongeval…, uitgenodigd hebt je naar Wick te vergezellen? Toen zag ik daar het nut niet van in, nu is de situatie wel enigszins anders.
– Toegestaan. Hoe ga je, met het schip?
– Ja want ik heb nog nooit gevlo… Nee, toch niet. Ik neem het vliegtuig.
– Goed; neem het mijne dan. Ik zorg ervoor dat alles klaar is tegen morgen om…?
– Tien uur.
* * * * *
De kans op een huwelijk tussen Philippe Duchamps en Danielle Boissin was beneden het nulpunt gedaald.
DANIELE ONTMOET OPNIEUW JACQUES ARNOUT
Na haar “flirt” met een Brits meisje zal zij met haar “oude vlam” doorvaren naar het sex-para­dijs, Denemarken…
Alle opwinding omtrent het toekomstige huwelijk tussen de rijkste man van België en één van de meest bekoorlijke jonge­dames uit de high life, volstond niet om de barsten te verber­gen die wel eens een abortus van dit “Huwelijk van het Jaar” zouden kunnen betekenen. Deze barsten zijn dan de stiekeme sea-cruise van Danielle met Jacques Arnout, de man die een paar jaar geleden haar grote liefde is geweest en zelf niet hele­maal onbekend in het society-wereldje. Deze trip vindt plaats met de Papillon Rouge, waarvan – merk het sarcasme – gefluis­terd wordt dat die precies Philippes huwelijksgeschenk voor Danielle zou zijn. De twee tortelduifjes zijn enkel nog verge­zeld van Danielles intieme vriendin, Patsy Legrand – en de bemanning uiteraard. De tweede barst zou dan het gerucht zijn over een “flirt” van Danielle met een Schots meisje in de huidige aanleghaven, Wick.
(onderschriften foto’s: 1. Danielle nu met Jacques na een godsdienstige plechtigheid in het kerkje Wick; 2. Danielle en Celia Toothe na een partijtje naaktzwemmen; 3. Danielle met Philippe Duchamps: waar is de tijd?)
Alhoewel Danielle Boissin beloofde de vrouw te worden van Philippe Duchamps, en Jacques Arnout in het buitenland het ene liefdesavontuur na het andere beleefde, blijft de grote, hopeloze love-story van enkele jaren geleden even duidelijk en levendig in hun geheugen gegrift, alsof het pas gisteren was gebeurd.
Blijkbaar is dit heimwee sterker aanwezig in Jacques, die helemaal niet zo gelukkig is met zijn nachtelijke escapades, dan bij Danielle, die zo nu en dan zich eens vermeid in een losse scharrel, desnoods met iemand van haar eigen geslacht als het moet.
Jacques Arnout keerde niet zo lang geleden terug uit Italië, waar hij een buitenverblijf heeft en waar ook zijn “werk
ter­rein” ligt. Overdag is dit de leiding waarnemen van de reklamecampagne van een vooraanstaand merk van aperitieven en ’s nachts de Calabrische night-clubs afschuimen. Dit was voor zijn oude geliefde, Danielle Boissin, een gelegenheid om – op kosten van haar verloofde – een buitenissige party te organiseren waarop zijn terugkomst werd gevierd. Zoals we een veertiental dagen geleden schreven, verliet een woedende Philippe reeds om tien uur de fuif, een kwartiertje later gevolgd door Patsy Legrand en haar cavalier voor die avond, de schilder Paul De Schepper.
Ooggetuigenverslagen spreken van wulpse bacchana­len, naakte vrouwen badend in wijn, naakte vrouwen die te voorschijn kwamen uit levensgrote roomtaarten, naakte vrouwen met fruit bedekt, wat dan door de heren moest opgepeuzeld worden zonder hun handen te gebruiken enz.
Kortom, al de ingrediënten van dergelijke feestjes. U weet wellicht nog dat het schandaal rond deze party echter vooral veroorzaakt werd door het mannelijk naakt ballet dat om middernacht optrad en waarbij zich op het einde een al even naakte Jacques voegde. Even is er sprake geweest van een proces maar dit werd al gauw in de doofpot gestopt, zogezegd omdat het allemaal binnenshuis gebeurde en dus geen verstoring van de openbare orde was.
Hoe dan ook, Danielles geest moet door de vertoning dermate geprikkeld geweest zijn dat zij nog geen tien dagen kon wachten vooraleer er met het yacht uit te knijpen. Pas bij de eerste aanlegplaats, Wick, kon men vaststellen dat het niet Philippe, maar Jacques was die aan boord voor de verstrooiing zorgde.
Toen het trio van boord stapte, was het duidelijk dat deze samenloop van omstandigheden te verleidelijk was geweest voor het verliefde tweetal, opdat zij eraan zouden weerstaan. Zij verklaarden “onder de indruk te zijn van het romantische stadje” maar ontweken voor de rest angstvallig onze lens.
Dit is niet te verwonderen want tegelijk met dit nieuws raakte ook nog een ander ‘zijsprongetje’ van mademoiselle Danielle in de bekendheid. Zij leerde in Wick namelijk een jonge vrouw (naar schatting 28 jaar jong), kennen, genaamd Celia Toothe. Tot nu toe is ze lerares geweest, maar ik vraag me af of ze dit beroep nog wel zal kunnen uitoefenen na de feiten die elke puriteinse Schot, die z’n ogen maar even wilde gebruiken, heeft kunnen vaststellen. Overigens is Celia niet van Wick zelf, maar uit – hoe kan het ook anders – de hoofdstad, Glasgow. Zij logeerde in een kleine uitbating aan de rand van het stadje, die met wat goede wil een hotel kan genoemd worden en trouwens eigendom is van haar oom en tante, Mr. en Mrs. O’Connell. Daar haar ouders overleden zijn en zij nog niet gehuwd is, beschouwen deze zich nog steeds als haar voogden, al hebben ze wat dat betreft niet zo heel veel positiefs over haar te vertellen.
Welke verhouding nu precies deze twee bindt, is nog onduidelijk, maar een vakantieganger, die hen samen zag, vertelde:
– Beiden lagen naakt op het prachtige strand…
Deze was blijkbaar reeds zo onder de indruk gekomen van de ‘boezem’vriendinnen dat hij zelfs het rotsachtige, bijna ontoegankelijke ‘strand’ van Wick met het adjectief ‘prachtig’ bedacht. Begrijpelijk dat zij met een maximum aan discretie hun ontmoetingen lieten doorgaan, want zij wisten hoeveel schandaal en praatjes hun gedurfd ‘slippertje’ zou veroorzaken, indien het ruchtbaarheid kreeg.
’s Avonds stapten zij regelmatig samen in een taxi die hen dan naar wellicht minder ‘doodse’ oorden voerde, maar er zijn vooralsnog geen bijzonderheden bekend omtrent de restaurants en nachtclubs die zij mogelijk samen bezochten.
Jacques Arnout van zijn kant liet zich ook niet onbetuigd.
Op een beach party met de jongeren van de streek, zou hij wang-tegen-wang hebben gedanst met een vijftienjarig meisje! Patsy Legrand daarentegen leek wel spoorloos verdwenen, we hebben haar nergens kunnen lokaliseren. Nu ja, het was hier tenslotte ook niet om haar te doen.
* * * * *
Ik had in de herberg van de O’Connells mijn tenten opgeslagen onder het voorwendsel naar Wick te zijn gekomen om te schilderen, alhoewel landschappen nu niet bepaald mijn geliefde onderwerp zijn. In feite bracht ik mijn dagen luierend en kuierend door. Vooral de avonden echter waren bestemd voor gesprekjes die ‘toevallig’ bijna steeds over de ‘Papillon Rouge’ handelden. Men zegt dat er in een café meest wijsheid wordt opgedaan, dat daar de grote problemen worden opgelost. Ik ben een andere mening toegedaan, maar in dit geval hebben de (niet zo filosofische) beschouwingen tussen pot en pint toch veel onthuld. In het begin waren mijn gesprekspartners (en dat waren dan eerst en vooral de O’Connells natuurlijk) echter eerder zwijgzaam, wanneer ik het had over de ‘Papillon Rouge’. Ik won al gauw hun genegenheid door een voor mij abnormaal hoge hoeveelheid gerstenat (term die in Schotland wel erg op z’n plaats is) naar binnen te werken en bovendien nog de belangrijkste bierdrinkende bevolkingsgroep van Wick in de gelegenheid te stellen, gelijke tred te houden met het lessen van mijn grote dorst. Voor mij was het wel eerder een dorst naar informatie, maar zelfs al zou ik de bedoeling gehad hebben het hele stadje te terroriseren dan zouden ze me nog op handen gedragen hebben – dank zij het geld van Philippe.
Een zekere John, die ook tot het drinkgezelschap behoorde, liet zich ontvallen dat het nichtje van de O’Connells wellicht meer zou kunnen vertellen dan zijzelf, maar dat ze verdwenen was dezelfde nacht als dat Belgische meisje. ‘Ook vermist?’ vroeg ik verwonderd, maar Mrs O’Connell stelde me gerust, terwijl ze de ‘verrader’ verachtelijk aankeek: ‘Welnee, ze is er gewoon van onder getrokken, heeft zich niet eens de moeite gegeven te zeggen waarheen. Vorige week hebben we een kaartje gekregen van haar… uit Moscou!’. Dit verscheen zowat de plaatselijke grap te zijn om een reden die ik echter niet kon achterhalen; de drinkebroers hadden evenwel veel plezier, blijkbaar een beetje ten koste van die John, die klappen op z’n rug en knipoogjes te verwerken kreeg, terwijl hijzelf maar groen lachte.
Veel meer dan faits divers waren de gegevens die zij mij leverden niet. De globale conclusie was wel dat al wie met deze vertegenwoordigers van de Belgische haute bourgeoisie in aanraking was gekomen er om de een of andere reden niet zo’n gunstige indruk van had bewaard. Eén voorval leek me wel interessant: op een bepaald ogenblik moeten Jacques en één van de meisjes elkaar ontmoet hebben in de hoofdstraat en daar om zo te zeggen een sadomasochistisch gekleurd liveshowtje opgevoerd hebben. Dat spaart deze zuinige Schotten alweer een dure trip naar Denemarken uit. Mijn informant bleef erg vaag wat de beschrijving van het gelaat van het meisje betreft – hij was blijkbaar te zeer ingenomen door de totaal-aanblik en ik had wel zoveel takt om niet naar de borstomtrek te vragen – zodat ik niet weet of het nu Patsy dan wel Danielle gold. De karige kledij is in beide gevallen dan ook verschillend te interpreteren: Danielle bewust provocerend, Patsy gewoon uit ‘carelessness’.
Wie het ook geweest zij, ze vloog onmiddellijk heftig uit tegen Jacques, die in het gezelschap was van een Schots meisje, dat zich echter dadelijk discreet verwijderde. Waarover de ruzie juist ging, wist niemand me te vertellen, daar ze wellicht in het Frans gevoerd werd, nu niet bepaald de voertaal in Schotland. Het ging er wel hevig aan toe, zodat het meisje Jacques gauw een draai om de oren ga. Daarom denk ik dat het Danielle was , die houdt nogal van dergelijke scènes.
Indien het Patsy mocht geweest zijn, dan moet het wel over iets heel ernstigs gegaan zijn, dat zij zich zo te buiten ging. Het mannetjesdier replikeerde natuurlijk met wijn uit hetzelfde vaatje, maar zelfs nu wist hij zijn krachten niet te doseren, zodat het meisje tegen de vlakte ging. Nog voor hij zich kon verontschuldigen – dat zou hij wel doen, zo’n gentleman is hij wel – was zij reeds wenend de laan uit.
Het Schots meisje, waarvan ik daarnet sprak, heb ik ook ontmoet, echter voor men mij dit verhaal had verteld, zodat het wel eigenaardig is dat zij dit zelf niet heeft aangehaald. Zij heette Lucy Macaulay, was vijftien en was dus wellicht het meisje waarover sprake was in de gewraakte reportage. Ze had Jacques ontmoet bij een zwempartijtje met haar oudere broer. Hij had haar onmiddellijk overdonderd met verliefde woordjes, beloften en dergelijke meer (zoals in de goede oude tijd de zonen van de baron), zodat zij een gewillige prooi werd voor zijn nooit aflatende zucht naar sexueel geëxperimenteer.
Buiten het feit dat hij dan blijkbaar ook in het Engels goed beslagen is, pleit dit weinig voor Jacques, maar dit is in feite niet nieuw voor hem. Voor haar daarentegen was alles nieuw en dat zal dan wel het meest fascinerende aspect van de zaak geweest zijn. Het meisje was nog erg jong en totaal onervaren (haar dorpsgenoten vormden geen uitzondering op de regel dat in vrij primitieve gemeenschappen van het noordelijke halfrond – in tegenstelling tot hun meer primaire collega’s uit het zuidelijke- de sexuele opvoeding uiterst konservatief is en gekenmerkt wordt door een fetisjistische cultivatie (van?) taboes, waardoor nogmaals bewezen wordt dat de rol van het klimaat nog grotendeels onderschat wordt bij het etnische onderzoek), wat Jacques duur te staan kon komen, maar hij betrouwde blijkbaar nog steeds op de goede naam van het geld.
Een andere eigenaardigheid was dat zij de eerste was die me een min of meer uitvoerige beschrijving van Celia gaf (mooi bruingebrand, lang, slank, lange blonde bijna witte haren, fijne gelaatstrekken), omdat haar broer, de plaatselijke Gigi l’Amoroso, verliefd op haar was.
Achteraf bleek dit John te zijn, waarover ik reeds heb gesproken. Daardoor werd het grapje me iets duidelijker, maar nog niet veel.
Belangrijk vond ik wel dat deze Don Juan een afwijzend briefje van haar had ontvangen tijdens de voormiddag van de veertiende, dat blijkbaar eigenhandig in de bus was gestopt. Daar Lucy als een echte puber de plaats waar haar broer zijn liefdesbrieven bewaarde had opgespoord, was ik in de mogelijkheid het even vlug over te schrijven.
Wick, 14 augustus 1971
Beste John,
Het spijt me dat ik je in velerlei opzichten moet teleurstellen. Je had allicht bemerkt dat er iets gaande was. Danielle houdt echt van mij en ikzelf voel voor haar iets dat ik nog niet onder woorden kan brengen, maar alleszins veel intenser dan voor jou. Daar je de reputatie van Danielle net zo goed kent als ik, zal je dat moeilijk kunnen geloven, maar dat maakt voor mij echt niet zoveel uit. Ze heeft me uitgenodigd voor de rest van de reis en ik ben van plan die uitnodiging te aanvaarden. Maak het nu niet moeilijker en doe geen pogingen me weer te zien.
het ga je goed, Celia
Alles bij elkaar was het maar een kale reis geworden, want de persoon waar alles om draaide (Celia) zou ik meer dan waarschijnlijk nooit kunnen lokaliseren. De verhouding van Jacques behoorde ook al tot het alledaagse stramien, zodat de oorzaak van de ruzie met Patsy of Danielle wellicht niet daar te zoeken is. Het kan wel de aanleiding geweest zijn natuurlijk die de ontstane spanningen tot ontlading heeft gebracht. Ik vertrok dus zonder gegevens, zonder schilderijen, met enkel een droeve ervaring. De schim van Patsy had me de hele tocht gevolgd. Ze was aanwezig maar antwoordde niet op mijn vragen. Op eenzame wandelingen was ze tastbaar, ze lachte, ze keek me aan, maar wanneer ik haar naar het waarom van dit alles vroeg, kregen haar ogen een droevige glans. Soms voelde ik haar hoofd op mijn schouder en haar tranen bevochtigden mijn hemd. Erg gelukkig had de reis me niet gemaakt, enkel mijn verbetenheid werd groter. Was mijn verhouding met Patsy nooit onverdeeld gelukkig geweest, nu werd mijn relatie tot haar een obsessie. De halfbeantwoorde vragen groeiden langzaam tot een nachtmerrie en ik vroeg me vergeefs af wie me een antwoord kon bezorgen.
Ik herinnerde me dat Patsy me ooit over haar dagboek verteld had. Ze had het vergeleken met mijn schilderijen: een wijze om je te uiten, om iets van je af te zetten, een gezondmakend schrijven. Eens had ze me een paragraaf voorgelezen. Ik realiseerde me nu weer dat dit dagboek niet in een schrift was opgetekend, maar uit een aanzienlijk aantal losse blaadjes bestond. Het leek me vrij onwaarschijnlijk dat ze die zou meegenomen hebben op reis. Als ze de behoefte had iets op te tekenen nam ze gewoon een ander blad. Indien het dagboek dus op haar kamer was achtergebleven, was het daar wellicht door haar vader na haar ‘dood’ (gevonden?).
Ik vertrok naar Oostende, waar ik vernam dat niemand minder dan Philippe de aantekeningen in zijn bezit had. Patsy’s vader had mij al even graag zien komen als destijds z’n dochter. Overigens was ik alweer een nieuwe overjaarse sexbom in kamerjas en met verwarde haren tegen het lijf gelopen.
Vragen waarom hij aan Philippes verzoek gehoor had gegeven was dan ook overbodig. Hij zal het geld toch wel weer op één nacht opgebrast hebben.
Enkele uren later stond ik tegenover Philippe. Ik nam onwillekeurig nogal een vijandige houding aan, wat Philippe op zichzelf deed terugplooien(gallicisme?). Een houding, die ik nu stilaan begon te kennen en waarvoor ik op m’n hoede was, want dan kon die lome Philippe soms plots heel katachtig uit de hoek komen of als een rat naar je keel springen. Ik was echter vast besloten me niet te laten omver praten en mijn vastberadenheid won het pleit.
– Ik kom uit Oostende, van bij Paty’s vader.
– Oh?
– Haar dagboek.
-…
– Jij hebt het.
– Ja.
– Waarom?
– Ik vermoedde dat er dingen instonden die persoonlijk waren,
wat Danielle betreft, bedoel ik natuurlijk. Daarom was het bij mij veiliger. Maar jij kan het wel hebben. Ik heb het volste vertrouwen in jou… En jij? Je schijnt wel achterdochtig te zijn?
– Heb je het gelezen?
– Natuurlijk, beste kerel, al kan ik niet zeggen dat het vermakelijke lektuur was. Het is allemaal een beetje ‘cochon’, vind ik…
– Vind jij…
– Ja, je zult het wel weer erg bourgeois, erg rechts, erg konservatief of noem maar op van me vinden, maar ik kom daar liever voor uit, jongeman.
Hij had zich van mij afgewend, maar keerde zich nu weer om en keek me heel nadrukkelijk aan.
– Daarom heb ik liever dat je ze na lezing verbrandt. Snap je? Was-ie gek, de dromen van Patsy, haar moeilijkheden, haar hele leven zo maar verbranden? Ik vertrok met een bundeltje papieren die me op dat ogenblik meer dierbaar waren dan wat ook.
* * * * *
(Enkele fragmenten uit Patsy’s dagboek. Het eerste dateert van de kostschool. Patsy is ongeveer veertien jaar.)
Gisteren zo’n echt fijne dag. Het was nochtans de eerste van de retraite, iets waar ik anders zo’n hekel aan heb.
We zitten gezellig op een oud kasteel, het sneeuwt, allemaal erg romantisch. De hele dag de gewone dingen: preken en bidden, en slecht eten natuurlijk. ’s Avonds een dia-voorstelling. Vervelend, zoals steeds. Danielle vroeg me of we het kasteel niet zouden verkennen.
Daar was ik wel voor te vinden. Stilletjes er vandoor. Enkel een non van het klooster zelf heeft ons gezien, als we bij de poort waren. Ze vroeg dan nog of we een beetje aan het wandelen waren! Veel was er niet te zien, maar we wilden toch niet terug naar die saaie boel en Danielle vroeg me of we wat naar haar kamer gingen. Het was zo’n heel klein maar leuk kamertje in een toren. We konden geen licht maken want dan zouden we ons verraden. We keken door het raam naar de sneeuw en toen lei ze haar hoofd op mijn schouder. Dat vond ik heel fijn en ik streelde wat door haar zwarte krullen. Daarop gaf ze me een zoen op m’n wang. Ik werd helemaal warm van binnen en gaf haar ook een kusje. Dan nam ze m’n hals en terwijl ze haar ene hand in m’n bloesje liet glijden, kuste ze me op de mond.
We gingen op het bed zitten en bleven elkaar zoenen en strelen. Langzaam begonnen we elkaar spontaan te ontkleden en toen we niks meer aan hadden, streelden we elkaar heel snel. Het gaf zo’n eigenaardig gevoel als ik nog nooit gekend heb. Ze was zo warm en zacht tegen mijn lichaam aan, en zo erg lief.
Dat bleef zo tot we de anderen naar boven hoorden komen. Ik kleedde me snel aan en ging naar mijn kamer. Maar voor ik wegging had Danielle me nog op de mond gezoend en haar lichaam tegen me aangedrukt; ze zei dat ze van me hield, en ik weet dat ik haar ook heel tof vind.
Ik denk dat we een heel fijne retraite zullen hebben.
(Een jaar later.)
Ik haat Danielle. Ik haat Danielle. Waarom moest ze onze verhouding verbreken? Omdat ze het prettiger vond met een jongen? En wat dan nog? Bovendien kon ze me dan het genoegen doen me met rust te laten. ‘Och, Patsy, het is zo’n toffe knul, André’ Ik haat haar. Ik wou maar dat ik dood was. Ik ga mee en ben de hele tijd jaloers omdat die Peter haar mag zoenen en strelen. Uit wraak ga ik er ook onstuimig op los met André, maar snel blijkt dat ik eigenlijk niet weet hoe het moet en dat ik het niet leuk vind en dat het in feite geen wraak is, want dat Danielle er genoegen in schept. Ze ligt met die Peter aan het andere eind en ik hoor ze lachen en voel hoe ze naar me kijken. Dan roept Danielle iets naar André, dat hij impotent is of zo. Waarop deze zich begint te verdedigen en zegt dat ik het ben die alles om zeep helpt. En Peter zijn vriend verdedigen natuurlijk. Uiteraard moeten mijn borsten en mijn schaamhaar het op de duur weer ontgelden.
Dan hakt Danielle na enig gefluister met Peter de knoop door: ze gaan ruilen. En André die zich natuurlijk in z’n mannelijkheid geraakt weet gaat er meteen heftig tegenaan, zodat Danielle ligt te kreunen van pijnlijk genot en niet meer naar me omkijkt. Ze is zo in extase dat ze z’n rug krabt en hem aanmoedigt met: ‘Nog, Peter, nog’. Lakoniek antwoordt deze: ‘Ik ben nog niet begonnen’ en ‘here I come’, wat hij echter eerder tegen Danielle dan tegen mij zei. De pijn voelde ik ook. Het genot niet. Gelukkig was het snel over en wreef Peter m’n buik droog met z’n zakdoek. Het was echter enkel uit voorzorg en niet uit attentie, want hij was erg gehaast en keerde dadelijk terug naar Danielle. Hij trapte André er af en ging lachend opnieuw aan de slag. Toen ik André met z’n broek om z’n enkels en zo’n stijve paarse lul op mij zag afkomen, werd het me te veel. Ik griste m’n slipje mee en liep huilend weg met m’n rok nog helemaal opgestoken. En Danielle en die anderen lachen natuurlijk. Ik ben zo beschaamd. Ik wou dat er iets gebeurde, dat ik haar nooit meer moest zien. Waarom komt ze nu niet naar mijn kamer? Ze moet toch al terug zijn? Waarom heb je het toch gedaan, Danielle, lieveling…
((Een jaar of twee nadien.))
Weer eens ruzie thuis. Klassieke onderwerpen: kleren, te laat wegblijven, geen goed gezelschap. Net of het interesseert hem! Ik heb voor de zoveelste keer gezegd dat ik wegging. En dat zou hij wellicht gemakkelijker vinden. Maar ik doe het nog wel eens. Het hangt me toch flink de keel uit. Indien Danielle zou meewillen, woonde ik al alleen, maar ze kan de luxe nu eenmaal niet missen. Niet dat ik het haar kwalijk neem, maar het spijt me soms toch wel.
((april 1971.))
Een formidabele dag. De eerste keer dat ik me echt amuseerde in gezelschap van Philippe. Danielle had me beloofd dat ik meekon naar een tentoonstelling van een vriend van Philippe. Ik keek er eigenlijk maar sip tegen aan, want ik dacht dat het weer zo’n rijkeluiszoontje zou zijn, maar om Danielle te plezieren ging ik toch mee. De schilderijen vielen echter best mee (gingen van nonfiguratief à la Miro en Kandinsky tot visionaire werkjes zoals de magisch-realisten).
Wie echter nog veel meer in mijn smaak viel was de schilder zelf. Hij was helemaal niet rijk en had dan ook een totaal andere mentaliteit dan de overige, zakelijke vriendjes van Philippe. Hij vond mij klaarblijkelijk ook wel aardig, maar zat me toch niet de hele tijd te beloeren om te zien of er iets te pikken viel. Ik denk dat ik echt vriendjes zal worden met Paul. Het is een toffe knul. En alhoewel Danielle hem duidelijk irriteerde, wist hij toch z’n goed humeur te bewaren. Ik ben gelukkig.
(mei 1971.)
Ik weet niet wat ik aan Danielle heb; en misschien nog minder wat ik aan mezelf heb. Ik had een fijne avond en nacht met Paul.
Maar als ik wakker word (telkens is het zo) voel ik me onbehaaglijk, onvoldaan, schuldig tegenover Danielle én Paul. Ze weet natuurlijk wel alles wat er tussen ons plaatsvindt, maar zegt er nooit veel over. Soms kan ze echter heel heftig uitvallen, zoals vanmorgen. Ze valt met Philippe totaal onverwacht binnen, bekijkt Paul alsof hij me verkracht heeft en beveelt me gewoon mee te komen. En dan krijgt ik de grootste platitudes te aanhoren over de moraal van een kunstenaar en hun hele levenswijze. Dat vertelt zij me dan allemaal! En ik slaag er nooit in iets terug te zeggen. Ik laat het maar over me gaan, verontschuldig me,
begin te wenen; dan troost ze me weer en…
Ik begrijp haar niet. Waarom me zo onder druk zetten? Me op die wijze domineren? Ik moet van me af kunnen spreken, maar ik ben verlamd als ze bij me is. Waar moet dit heen? Wat voel ik voor Paul? Moederlijke gevoelens. Ik vraag hem alleen warmte, geen genot want dat heeft hij me nog nooit kunnen geven. Ik ben jaloers op Philippe. Ik wil alleen zijn met Danielle, helemaal alleen, voor eeuwig.
* * * * *
Daar de rest van het dagboek grotendeels in dezelfde geest te situeren is, kunnen we ons voorstellen dat het lezen van dit dagboek een grote invloed op Paul (moet?) gehad hebben. Er staan immers een heleboel details in die een licht werpen op het vrij onuitstaanbaar karakter van Danielle en anderzijds vrij vleiend zijn voor hemzelf. Verder is zoiets in handen hebben natuurlijk razend interessant omdat men dan een andere visie krijgt op bepaalde gebeurtenissen. Ter illustratie publiceren we nu een dagboekfragment van Paul, dat voor zover we dat kunnen nagaan op hetzelfde feit slaat als dat waarover Patsy het heeft in het laatste fragment. Jammer genoeg hebben we geen enkele brief of zo van Danielle waarin ook deze dit voorval behandelt vanuit haar optiek (ook van Philippe hebben we niets in die zin, alhoewel we hem daarover wel zouden kunnen gaan polsen, natuurlijk, maar we dachten dat het overduidelijk was dat die ook niets interessants te vertellen had).
Paul was wellicht goed op de hoogte van de relatie tussen de beide meisjes: hij wist wat de anderen slechts konden vermoeden. Maar hij wist blijkbaar nog méér: hij doorgrondde de demonische invloed die Danielle op Patsy kon uitoefenen en inderdaad ook soms aanwendde.
De nu volgende aantekeningen van Paul dateren van een zondag in mei en bovenaan vonden we een uitspraak van Jimi Hendrix: ‘If you excuse me, I must be in my way’.
Dit was een gewoonte van Paul, een soort literair procédé, hij moet immers gedacht hebben dat zijn dagboek bij eventuele beroemdheid na zijn dood zou gepubliceerd worden. Daarom lette hij ook nogal op de stijl en paste het woordgebruik en -keuze soms wat aan. Die verborgen hoop doet ons inziens geen afbreuk aan zijn bescheidenheid, het is een algemeen-menselijk feit dat men ‘onsterfelijkheid’ nastreeft. Sommigen scheppen zich daarom een god kompleet met hemel en hellevuur, anderen geloven in metempsychose, reïncarnatie of hoe je’t ook noemen wil en slepen er zelfs leven op andere planeten bij, weer anderen maken gewoon kinderen en dan blijft er nog de Shakespeariaanse groep, waartoe dus ook Paul behoort, die ‘eternity through poetry’ of door een andere kunst (desnoods wielrennen of over de Grand Canyon springen) wensen.
Paul had ‘in het dagelijks leven’ eerder een minderwaardigheidscomplex en misschien wou hij dit gevoel van minderwaarde juist afreageren in die droom van erkenning?
Deze morgen, na een fantastische nacht, toch weer ruzie met Patsy. Ik ga er nog aan kapot! Hoe is het verduiveld toch steeds weer mogelijk dat…
Onze ruzies worden stilaan bijna theatraal. Nu was het decor dus mijn zolderkamer, ordeloos, rommelig, benepen. We lagen in bed, dicht tegen elkaar aangedrukt want het was lente en dat betekent in dit gezegende land nog steeds eerder een uitloper van de winter dan een aankondiging van de zomer. Toen onze lichaamswarmte niet meer voldoende bleek, kroop ik rillend uit bed, stapte behoedzaam (een paletmes in de planken van je voeten krijgen is ook niet alles) over een aantal zaken die ik gisteravond op de grond had laten slingeren en hurkte voor het elektrische straalkacheltje.
Ik beeldde me in dat Patsy nu vanuit bed naar mijn naakte rug en bipsen zat te kijken en de gedachte alleen al maakte mij weer zo geil als een bronstige kater. Maar toen ik eens omkeek, stelde ik vast dat ze een beetje verveeld naar de zoldering lag te staren en lusteloos een sigaret rookte. Het was dus toch weer zover. Ik vloekte – eerder daarom dan omdat het kacheltje het niet deed.
Ze wendde haar hoofd naar mij.
– Niks aan te doen, gromde ik.
– Wat jammer, ik heb het zo koud, antwoordde ze langgerekt.
– Kom er dan uit en trek je kleren aan, replikeerde ik kortaf, alhoewel ‘snauwen’ een beetje gechargeerd zou zijn. Ik was nog steeds kregelig omdat ze zo’n domper op mijn roes had gezet. Ondertussen kleedde ik me zelf aan.
– Neen, zei ze na een tijd, als een koppig kind.
– Mij goed.
Een gespannen stilte.
– Ruim dan eerst je prutsen op.
– Welke prutsen? vroeg ik nadrukkelijk – ik wist uiteraard wel wat ze bedoelde.
– Die op de grond natuurlijk!
Ik viseerde elk voorwerp eens traag en zei, misschien een beetje naïef:
– Dat zijn geen prutsen. Dat zijn mijn zintuigen, mijn handen, mijn hart.
– gelukkig zeg je niet: mijn verstand, want dat zou men bij j jou ver mogen zoeken.
Ze was nog steeds boos, maar werd toch weer een beetje speels. Ik besloot hierop dadelijk in te pikken, misschien zou de storm nog overwaaien. Ik wierp mij op het bed, de vering deed haar naakt bovenlijf wippen in mijn armen en ik overlaadde haar met zoenen.
– Gaan we naar Parijs? vroeg ik entoesiast. Mijn geestdrift was weer groter dan mijn geldbeugel. Indien ze zou toestemmen, zou ze zelf de reis moeten betalen.
– Hou op, dronkelap, gniffelde ze, want terwijl ik me had aangekleed, had ik ongeveer een halve fles rode wijn naar binnen gewerkt.
– You want some? bood ik aan, terwijl ik opsprong en mijn hoofd door het dakvenstertje boorde (nadat ik het had geopend, natuurlijk).
– Mmmmm, knorde ze, maar ik wist niet of ze nu ‘ja’ of ‘nee’ bedoelde.
Toen ik het venster weer sloot, dook ze net haar jeans (in?) en ik zag haar melkwit achterwerk als twee halve perziken erin verdwijnen. Ik kon dit wonder der natuur nog een paar sekonden vrijwaren van het vergaan in de anonimiteit door bliksemsnel met mijn hand tussen haar benen te graaien en haar zo tegen te houden. Ik duwde mijn natte krullebol ertegenaan en ze gilde, van de verrassing? van de kou? van genot?
– Hoe kom jij zo nat? lachte ze.
– Het regent.
– Il pleut sur la ville, comme il pleut(pleure!) dans mon coeur, zei ze ernstig voor zich uit. Wie weet wat dit zinnetje dat Rimbaud en Verlaine zo nauw verbond voor haar betekende? Ik kwam ook nogal onder de indruk en begon zacht:
– Weet je wat?…
– Nee. En ik wil het ook niet weten vooraleer ik mijn warmste pull aan heb.
Het was niet zeker dat dit antwoord enkel maar speels bedoeld was. Ze worstelde zich los en dook (in?) een ruwe, donkerbruine trui met hoge rolkraag, die haar veel te groot was (het leek wel een minijurk), daar het in feite één van mij was, ik had hem haar echter gegeven omdat ze er zo op gesteld was. Terwijl ze zichzelf in mijn gebroken spiegel bekeek, zei ze:
– Nou en?
– Hou je van mij?
– Ik hou van jou. Ik hou van jou als mijn man, als mijn schilder, als mijn minnaar, als mijn geliefde…
– En ook als van een aap? De grote zwarte aap uit de dierentuin van Londen?
– Jij bent een speelkameraad.
– En het kleine aapje? Het aapje in de winter?
– Ik vind het leuk om met je te vrijen.
– En het schuwe vogeltje?
– Jij bent de jongen waar ik naast zat op school, mijn broertje, die ik kusjes geef. Wij spelen. Doktertje, Sneeuwwitje en jij bent de zeven dwergen samen.
Op dat moment vielen Danielle en Philippe totaal onverwacht binnen. Wij waren zo door de ontroering van het ogenblik geabsorbeerd geweest dat wij hen niet eens gehoord hadden op de trap.
– Zozo. Sneeuwwitje en de zeven dwergen. Het is me wat moois, zei Danielle hatelijk en Patsy wendde ogenblikkelijk haar ogen af en ging op haar buik op het bed liggen.
– Je zou je wel kunnen aandienen als…
– Ach wat, Paul, vroeger heb je daarover toch nooit geen drukte gemaakt.
– Zwijg stil, onnozele hals, beet Danielle, heb je dan niet gehoord dat hij in het enkelvoud sprak?
– En wat zou dat? murmelde Philippe nog dwaasweg, maar zijn stem werd in de hoek gedrukt door die Danielle, die traag artikuleerde:
– Ik kom Patsy halen. Waar en wanneer ik dat wil.
– En zijzelf? vloog ik uit. Mag zijzelf daar ook niet over beslissen?
– Kom Patsy, was het antwoord.
– Gaan we reeds? We zijn hier pas? Philippe ergerde me misschien nog meer dan het autoritaire optreden van Danielle (door z’n stupiede opmerkingen).
– We gaan.
-…Ja, Danielle, nog even m’n jas zoeken.
– Ga jij alvast voorop, zei Danielle tegen Philippe terwijl ze mij triomferend aankeek. Wanneer ze zich ervan vergewist had dat hij goed en wel op de trap was, antwoordde ze Patsy:
– Ja, schat, ik heb wel eventjes de tijd.
– Maar ik niet! schreeuwde ik en nam haar vast bij de schouders. Ze keek mij spottend recht in de ogen:
– Oh ja, toch wel, zei ze poeslief. Mijn hand ging in de hoogte, maar viel weer slap neer.
– Dag Paul, zei Patsy toonloos, toen ze in haar blauwe plastic regenmanteltje reeds op de trap stond.
Dan verdween haar hoofd uit de deuropening.
Ik stond verbouwereerd met mijn mond half open, zodat die slet van een Danielle nog de kans zag haar wulpse tong tussen mijn kiezen te boren en daarna snel naar buiten te lopen.
Mijn schildersmes plantte zich trillend in de deur die ze fluks achter zich had toegetrokken. Maar ‘elle était hors du temps, hors de toute raison elle-même. Comme la situation.’ Sagan.
* * * * *
In dezelfde lade waarin we het dagboek van Patsy hadden gevonden, lag ook een brief uit Wick, die we hier volledig overnemen. We hebben hem echter wel vertaald.
Wick, 10 september 1971
Geachte heer De Schepper,
Ik hoop dat u het mij niet kwalijk neemt dat ik u iets verzwegen heb, toen u mij deze week in Wick om inlichtingen vroeg betreffende uw landgenoten die hier vorige maand geweest waren. Een onverwachte ontmoeting in een bar is nu eenmaal niet ideaal om er geen stommiteiten uit te flappen. Toen u echter weer vertrokken waart, heb ik lang en ernstig nagedacht en ik ben tot de conclusie gekomen dat u de waarheid mag, nee: moet weten, omdat Patsy in tegenstelling tot de anderen wél een heel lief meisje was, zoals ik uit ons gesprek heb begrepen.
Alhoewel u het meeste reeds weet, zal ik toch alles nog eens overlopen, opdat niets onklaar zou schijnen. Toen het helrode yacht op tien augustus in de late namiddag de haven van Wick binnenvaarde, zat ik op een meerpaal dromerig voor me uit te staren. Plotseling schrok ik op toen een jeugdige stem mij in gebroken Engels toeriep. Op de voorsteven van een prachtig schip zag ik een jongen van ongeveer zestien à zeventien jaar staan in ontbloot bovenlijf, gebronsd, gespierd, met halflang blond haar en een leuke donkerblauwe muts er bovenop. Voor het eerst – ik speelde immers toen nog vooral met poppen en dergelijke – kreeg ik een gevoelen, dat ik niet dadelijk kon thuisbrengen. Gefascineerd bleef ik naar hem kijken en reageerde pas langzaam op het feit dat hij een touw in mijn richting wierp. Mijn vader is zelf een zeeman en daarom ken ik wel iets van knopen af, maar een boot meren gaat nu niet precies vanzelf. Van zodra het yacht dan ook dicht genoeg genaderd was, sprong de jongen van boord en nam lachend de kabel uit mijn handen. terwijl hij hem vastsjorde, zei hij iets vriendelijks in een taal die ik niet begreep, maar net een Noordengels dialekt was (sommige Vlaamse dialekten hebben inderdaad dezelfde intonatie als bijvoorbeeld het dialekt van Nottingham, J.d.B./R.D.S.). Ik vroeg hem van waar hij kwam. ‘Van Vlaanderen’, zei hij. Dat wist ik niet liggen. Glimlachend zei hij dan dat sommige mensen dat ook wel eens België noemen. ‘Pappie is daar tijdens de oorlog geweest,’ waagde ik. ‘Oh ja? Hoe heet jij dan wel? vroeg hij net alsof het mogelijk was dat zijn vader de mijne had ontmoet.
‘Macaulay’, sprak ik weer. ‘Je voornaam, dom gansje’, kneep hij in mij in de wang, ‘Ik ben Hans’, wees hij op zijn borst. ‘Lucy’, fluisterde ik, maar ondertussen brulde iemand vanop het schip dat hij als de weerlicht weer aan het werk moest gaan. ‘O.K., Derek (wellicht heeft het meisje deze haar bekende naam gehoord voor de haar onbekende, Dirk, J.d.B./R.D.S.)’, riep hij en hij knipoogde even naar mij.
De morgen van de volgende dag zag ik hem reeds weer. Het was natuurlijk geen toeval, want ik was opzettelijk in de nabijheid van het schip gaan baden.
Ik heb mij onlangs een nieuwe bikini gekocht en mijn vriendinnetjes zeggen dat hij me beeldig staat. Mijn ouders zijn altijd heel boos als ik hem aantrek, zodat ik misschien wel mag zeggen dat ik er aantrekkelijk uitzag. Toen Hans me zag, wuifde hij even en dook dan vanop het yacht het water in; hij had immers niets anders dan een tot korte broek verknipte jeans aan. Hij kwam naast me zwemmen en zei dat hij de godganse dag vrijaf had gekregen. We brachten deze dan ook samen door. Het is echter zo dat Jacques me voor het eerst moet gezien hebben. Op twaalf augustus kwam die oude fleemzak dan ook bij mij met een ‘bericht’ van Hans, dat erop neerkwam dat hij – zonder ernstige reden – niet kon komen. Die gemene gluiperd wilde laten doorschemeren dat Hans me zomaar had laten vallen. In feite was hij het geweest die de arme jongen een hele dag zwaar werk had opgesolferd. Dat wist ik toen echter nog niet en daarom ging ik zonder argwaan op Jacques’ voorstellen in. Ook moet ik tot mijn schaamte bekennen dat ik wel de afloop ervan kon raden, maar dat het avontuur, louter als avontuur, als drang naar het onbekende, mij aantrok. Hans had mijn lichaam immers ongemoeid gelaten.
Toen het voorbij was, weende ik. Eerder uit machteloze woede op mijzelf, omdat ik me zo had laten gaan, en op Hans, omdat hij het initiatief niet had genomen, dan uit spijt en pijn. Ik klampte me dan ook nog meer vast aan die Jacques en aanvaardde gretig zijn afspraakje voor ’s anderendaags. Ondanks het feit dat ik nu biologisch reeds een vrouw was geworden, bleef ik eigenlijk nog een kind – niet veel later zou ik leren dat de overgang eerder van psychische aard is – en ik liet me dan ook met Jacques meer opvallen dan nodig. Het gevolg daarvan is enerzijds dat ik nu haast geen leven meer heb in deze kleinzielige gemeenschap – de ene helft, de vrouwelijke, denkt dat ik een hoer ben en roddelt en schimpt op mij, terwijl de andere helft, de mannelijke, het zelfde denkt en daardoor nog veel lastiger is daar ze mij allerlei gemene voorstellen durft doen en me er bovendien van beticht wanneer hun vrouw er bij is – een ander was echter dat Jacques zijn belangstelling voor mij reeds vlug begon te verliezen. Bijgevolg was de relatie tussen ons al erg gespannen toen wij de laatste dag één van de meisjes ontmoetten. Na uw gedetailleerde beschrijving ben ik er nu voor bijna honderd procent zeker van dat het Patsy was. Ze begon meteen heftig ui te varen tegen Jacques, die me beduidde verder te gaan. Dat deed ik, maar wat verder, uit hun gezichtsveld (maar binnen hoorbereik) bleef ik weer staan. De ruzie (ging?)langs beide zijden steeds meer crescendo, zodat ik veronderstelde dat het niet zozeer meer om mij ging. Het meisje begon op een bepaald moment heel hard te wenen en toen Jacques dan nog bleef doorsnauwen gaf ze hem een slag in het gezicht. Ze kreeg er echter prompt één terug, die zo hard aankwam dat ze op de grond viel. Daarna liep ze huilend weg, waarna ik ze nooit meer gezien heb. Jacques zocht niet naar mij, maar omdat ik niet houd van situaties die niet mooi afgerond zijn, liep ik hem zelf achterna.
Zoals ik had verwacht, werd ik op mijn beurt ook eens goed uitgescholden, waarna ik hem ook het volle pond gaf. Ondertussen waren er al wat nieuwsgierigen op straat, die Jacques vijandig bekeken, zodat hij bij mij niet op dezelfde manier tot ontlading kwam. Toen dan een paar toeschouwers mijn broer hadden verwittigd, had deze speciaal voor deze gelegenheid zijn werk even in de steek gelaten en kreeg ik van hem dan toch nog een pak ransel. ‘Ik zou je in feite naakt door het dorp moeten jagen,’ blafte hij, maar toen hierop een bengel riep: ‘Doe het’, kreeg deze prompt een oorvijg, waarop het groepje belangstellenden in lachen uitbarstte en voor mij het onweer overdreef. Ik ging toen maar ergens op m’n eentje een beetje zitten grienen.
Had hij van de ruzie gehoord, ik weet het niet, maar ’s avonds liep ik Hans tegen het lijf, ondanks het feit dat ik hem anders nooit meer had ontmoet, al ontweek ik de omgeving van de boot niet. Ik deed alsof ik hem zwijgend wilde voorbijlopen, maar zou gestorven zijn, indien hij me niet had aangesproken. Dit deed hij gelukkig wel. Hij vertelde me dat hij door Jacques verhinderd was te komen, maar dat ik steeds in zijn gedachten was geweest. We keken elkaar diep in de ogen en ik wist dat hij de waarheid sprak. Toen vertelde ik hem alles, hoe een vod ik was geweest. Hans werd razend kwaad en uitte doodsbedreigingen aan het adres van Jacques. Na een vluchtige zoen verdween hij en toen ik ’s morgens opstond, was het yacht reeds uit de haven verdwenen.
Reeds vlug hoorde ik die dag van het ongeval. Er werd in Wick immers heel wat over gesproken. Zo ondermeer dat het bootje toch nog wel vrij stevig was. Het lag daar immers omdat de roeispanen stuk waren, zodat het meteen ook nog een raadsel was hoe de sloep ooit tot in volle zee was geraakt. Bovendien was de storm waar iedereen zo de mond van vol heeft niet zo heel erg. Komt daarbij nog dat mijn vader het vrijwel onmogelijk acht dat met het tij van dat ogenblik en de vrij krachtige wind noch het lichaam van uw vriendin, noch de restanten van het bootje zijn aangespoeld. Daarom wou ik u dit alles nog even meedelen, in de hoop dat u die schoft (in het Engels stond er ‘Skunk’, J.d.B./R.D.S.) van een Jacques spoedig zult kunnen ontmaskeren.
Lucy Macaulay
P.S. Kunt u mij soms niet het adres van Hans bezorgen, ik heb de kans niet gehad het hem ooit te vragen.
* * * * *
Door die brief lijkt het me nu wel duidelijk dat Patsy diezelfde avond in zee is gestoken, en als ik Pauls detectiverol had kunnen overnemen, was ik vast en zeker naar
Wick teruggekeerd om na te gaan of iemand haar na de ruzie met Jacques nog gezien had. Voor zover we weten is dit niet gebeurd. Dat ik deze kritiek op Pauls werkwijze uitte, betekent dat wij, Ronny en ik, ons op onze speurdersgaven mogen beroemen; immers, de documenten die de basis vormen van dit boek zijn erg onsystematisch en onvolledig (het dagboek van Paul, fragmenten uit het dagboek van Patsy, een aantal brieven, kranteknipsels, e.d.). Bovendien hield Paul zelf zijn dagboek niet nauwkeurig bij; dit houdt misschien verband met zijn plannen tot het uitgeven ervan: hij maakte wellicht eerst aantekeningen ‘in het klad’ en schreef die slechts over als ze literair gezien interessant overkwamen. Zo kunnen we enkel door een toevallig bezoek aan zijn broer op 13 september, vermoeden dat Pauls aandacht meest ging naar de passage waar Lucy schrijft dat het yacht de ochtend na het ongeluk reeds verdwenen was. Maar laten we Ronny zelf even aan het woord over wat Paul hem die dag vertelde.
* * * * *
Ik kan me de 13de nog goed herinneren. Niet omdat het mooi weer was, het was trouwens erg winderig, niet omdat ik toen mijn tweede examen zittijd doorworstelde, maar omdat een bezoek van Paul eerder zeldzaam was. Sedert de dood van onze ouders was hij weliswaar zo’n beetje als mijn voogd aangesteld, doch hij oefende deze taak op een uiterst diskrete wijze uit. Ik wist op dat moment nog niet zo heel veel af van de zaak van de Papillon Rouge (ik geloof zelfs dat Willy Boeykens die ik later heb leren kennen, me er meer over ingelicht heeft dan Paul zelf): zo merkte ik dus niets verdachts of eigenaardigs aan Pauls stemming. Misschien was dat er ook niet, misschien deed hij wel gewoon tegenover mij omdat hij zijn problemen voor mij verborgen wou houden. Als hij dat deed, zal hij er wel een goede reden voor gehad hebben, al was het maar om mij in het teken van mijn naderende examens, geen verdere beslommeringen in het hoofd te stoppen.
Hij vertelde me dat hij naar Gent was gekomen om een elpee te kopen die helemaal ‘gevuld’ was met sfeergeluiden van de zee: de golfslag, meeuwengekrijs, het huilen van de wind e.d. Echt iets voor hem! En al even typisch was dat men hem in de platenzaak in zijn gezicht uitlachte, omdat men aan het bestaan van dergelijke plaat niet geloofde. Vooraf had hij echter Philippe ontmoet die in een café aan de Korenmarkt een glaasje wijn zat te degusteren. Alhoewel het een nogal sjiek etablissement was (de prijzen liegen er niet om) stapte Paul er resoluut op af; hij wou namelijk te weten komen waarom de P.R. zo snel afgevaren was.
Ik kan me wel voorstellen welke indruk Paul met zijn bespatte jeans, zijn versleten trui en zijn shockerend-naakte tenen op de andere verbruikers maakte. Hij groette hem dan ook overdreven vriendelijk. Een kelner wou hem eerst al de toegang beletten, maar een teken van Philippe deed de kapstok onmiddellijk als een knipmes buigen, en hij kwam dadelijk met een glas rode wijn aandraven.
Philippes nieuwsgierigheid was blijkbaar nog groter dan die van Paul, want hij lanceerde de eerste vraag. Toen Paul moest bekennen dat hij met zijn onderzoek vrijwel nergens stond (het was overigens wel zijn laatste zorg waar Jacques en Danielle konden zitten) maakte Philippe een flauw grapje over geld verkwisten enzo. Daarna kwam Paul aan de beurt:
– Weet jij soms waarom de Papillon Rouge de ochtend na de storm (hij besloot zich aan de officiële versie te houden) zo snel afgevaren is?
– Afgevaren?!? Zij zijn helemaal niet afgevaren, hoe kom je daar nu bij?
– Oh… zo maar; men heeft me dat verteld in Wick.
– Ah, ik snap al wat je bedoelt: omdat het yacht ook wat averij had opgelopen, is men het gaan laten herstellen in een dok, wat verderop, maar ze zijn nooit uit Wick weggeweest, hoor!
– Averij dus? In Wick vertelde men mij nochtans dat het helemaal niet zo’n hevige storm was!
– Niet zo’n hevige storm? (het leek wel of hij alles zou herhalen) Danielle verzekerde me dat…
– Ja?
– Ooh, Danielle kon me natuurlijk om het even wat ‘verzekeren’!
De verhouding tussen die twee, zei Paul me, is mij nog steeds niet duidelijk: hun huwelijk zou een business-agreement worden, maar toch lijkt Philippe er eerder onder te lijden dat Danielle waarschijnlijk met die spierbundel vertrokken is, dan onder het feit dat zijn negentien miljoen samen mèt hen foetsie zijn. Misschien zou hij haar alles wel vergeven indien ze bij hem terugkwam. Toen wist ik natuurlijk nog niets af van de dubieuze relatie tussen Danielle en Patsy (dubieus, waarom dubieus? mijn konventionele opvoeding speelt me weer parten);
nu kan ik me echter best voorstellen dat Paul erbij gedacht heeft: vooral nu Patsy toch dood is; waarmee hij dan meteen voor zichzelf zou toegegeven hebben dat Philippes voornaamste rivaal niet Jacques maar Patsy was.
– Toch denk ik niet dat je hier iets achter moet zoeken, Paul. Je weet dat men gewoon dacht dat Patsy bij Celia was blijven overnachten om dat men pas het ergste is beginnen vrezen toen de kustwacht de verdwijning van de sloep vaststelde.
Indien Paul niet zo’n schok te verwerken had gekregen, had hij misschien kunnen konkluderen dat het in feite bij die ‘vrees’ gebleven is en dat een rouwdienst voor Patsy wel erg voorbarig was. Als hij die Celia ooit op het spoor kon komen, zou hij natuurlijk meer zekerheid krijgen. Maar wil hij dat wel?
– De nacht bij Celia doorgebracht??? (ditmaal was het zijn beurt om de zin uit verbazing te herhalen) Verdomme Philippe – ik maakte me echt kwaad Ronny, en je weet dat dit slechts zelden gebeurt – eerst wimpel je die Celia af als onbelangrijk en nu blijkt zij de sleutelfiguur van het drama te zijn! Waarom doe je dat Philippe? Waarom help je me niet met een onderzoek, waarvoor je me zelf opdracht gegeven hebt?
– Bedaar Paul bedaar. Ik heb je toch al verteld over die stomme afspraak met die fotograaf…
– Nou én, die ging toch niet door!
– Voor mij niet, maar voor hen blijkbaar wel – je herinnert je dat ingezonden stuk…
– Maar dat heb je pas voor kort gelezen!!! Je kunt in die tussentijd toch niet met Danielle of Jacques gesproken hebben!
– Nogmaals Paul, bewaar je kalmte, men kijkt naar ons…
– Verdomme is dat alles wat je interesseert ja?
– Nee Paul, maar in je opvliegendheid vergeet je wél dat ik met Willy Boeykens, Dirk De Schutter of iemand van het personeel had kunnen praten.
-… Juist. Sorry Philippe.
– Maar dat heb ik niet gedaan.
– ??????
– Danielle heeft het me verteld, in Wick nog.
– Weer Danielle!
– Zij wist natuurlijk niet wie Celia precies was.
– Oh nee? (mijn toon had me bijna verraden)
– Tuurlijk niet, wat dacht je?
– En waarom zou Patsy dan zogezegd bij haar blijven slapen zijn?
– Gewoon, een vriendin…
Philippe zal dit niet, op een neutrale toon gezegd hebben, maar wat Paul me in die tijd over Celia verteld had, was zo summier en oppervlakkig dat ik mij nog steeds van geen kwaad bewust was. Volgens mij, en ik heb hem dat dan ook gezegd, moest hij gewoon trachten Celia op te snorren omdat zij, om zo te zeggen, kroongetuige was, niet omdat zij eventueel zelf een rol had kunnen spelen in deze onverkwikkelijke zaak.
Ik raadde Paul dan aan tenminste voor één avond dit alles te vergeten en samen eens naar een paar interessante cafés te trekken. Hij leek helemaal niet in stemming meer, na zijn verhaal, maar met het smoesje dat ik ook wel een beetje ontspanning kon gebruiken, slaagde ik er toch in hem met me mee te tronen. Zo waren we die nacht in de Gringo’s weer eens twee children in time en vertelde in Twiggy’s Janis Joplin over Bobby McGee en Rod Stewart over Maggie May, zodat we weer een reason to believe hadden en een vinnige politieke discussie…
* * * * *
Na een nachtje uit met mijn broertje, lag ik deze morgen maar amper in bed, toen m’n telefoon (de enige ‘luxe’ die ik me veroorloofd heb, omdat ik er zoveel gebruik van maak)
rinkelde:
– Ik ben iemand die het momenteel nog niet slecht met u voorheeft.
Ik raad u aan uit de buurt van Philippe Duchamps te blijven. Er hangt hem iets naars boven het hoofd en als je bij de hond slaapt kan je van zijn vlooien erven.
– Hallo?
Opgehangen.
Alhoewel ik een hoofd als lood had, sprong ik dadelijk in mijn wagentje om Philippe te waarschuwen.
Ik vond z’n woning zo goed als gebarrikadeerd. Hij opende zelf slechts na herhaaldelijk bellen (wellicht had hij mij van ergens gadegeslagen).
Zijn moeder had hij gedwongen op vakantie te gaan naar Oostende en de bedienden hadden haar vergezeld. Dat alles omdat hij zelf een dergelijk telefoontje had gehad. Ikzelf liet me niet zo vlug intimideren, ik krijg er immers jaarlijks zo tientallen: van de B.O.B., van diverse verontruste ouders, van jaloerse collega’s… Daarom vond ik z’n nervositeit verschrikkelijk irritant en probeerde dan ook zo haastig mogelijk weer weg te komen en opnieuw in m’n bed te duiken.
Dit lukte me echter niet zo direct omdat Philippe doodsbang was en, daar hij niemand in vertrouwen wenste te nemen, met mij mee wilde. Ik kon hem dit maar uit het hoofd praten door erop te wijzen dat hij bij mij evenveel gevaar liep, daar ik ook geviseerd werd – zo niet méér, want dan waren de twee bedreigde personen op dezelfde plaats. Wél zochten we eerst nog naar de mogelijke identiteit van de stem aan de telefoon.
Philippe hield het bij Jacques. De stemvervorming die voor dit doel noodzakelijk was, leek mij evenwel te ver gezocht, zodat ik eerder tipte op een gehuurde beroepsmisdadiger.
En die kan in z’n beroepsijver natuurlijk wel gevaarlijk zijn, voegde ik er onheilspellend aan toe, want de karikatuur van de doodsbange Philippe vond ik zo leuk dat ik er niet zo maar goed te praten pret in had hem de stuipen op het lijf te jagen.
In bed kon ik echter de slaap niet meer vatten, zodat ik me een tas zwarte geurige hete Tanzania koffie inschonk en in de krant begon te bladeren. Hierin heb ik ook belangstelling voor de kleine artikeltjes de ‘gebroken armen, harten en benen’, omdat ik van mening ben dat je hier de echte, levende (bij wijze van spreken dan) mens ontmoet.
Valt mijn oog op een fait divers uit Gent: ene Jacques Arnout had een vrij zwaar ongeval gehad en lag nu buiten levensgevaar in het Universitair Ziekenhuis. Dat was natuurlijk een meevaller: waarom onze jonge vriend geen blijk van medeleven betuigen? Bloemetjes en zo, en meteen even informeren naar de achtergronden van de gebeurtenissen in Wick, en naar de miljoentjes, en Danielle. Philippe zou hierin natuurlijk ook wel geïnteresseerd zijn, maar het leek me niet opportuun hem in z’n huidige gemoedstoestand te confronteren met de man die wellicht een hele doornenkroon was in zijn oog.
* * * * *
Het U.Z. is een gebouw dat me ontzag en angst inboezemt. het lijkt een heilige tempel der wetenschap, maar binnenin wordt het dan plots zoiets als een slachterij. Niet dat je bloed te zien krijgt, daarvoor is het echt helemaal te net, maar je ruikt met je geest als het ware de ziekte, ellende, verrotting, dood. Het was dan ook helemaal niet prettig voor mij daar binnen te dringen. Na heel wat zoeken en vragen wees een lieve verpleegster mij dan toch de suite van de heer Arnout.
Jacques lag rustig op bed een sigaret te roken. Hij bekeek me aanvankelijk stomverbaasd, maar groette me evenwel rustig met:
‘Ha, mijnheer de detective.’
Ik besloot op hetzelfde niveau te antwoorden en replikeerde dan ook koel: ‘Ik was ook wel zonder een telefoontje gekomen.’ Hij scheen me echter niet te begrijpen en keek een beetje stupied. Het bracht mij erg in verlegenheid, want de zaak was blijkbaar ingewikkelder dan ik in het begin voor mogelijk had gehouden. ‘Oh ja,’ zei hij uiteindelijk droogjes en bleef me aanstaren. Om dan maar iets te zeggen, informeerde ik naar zijn gezondheid. Daar antwoordde hij niet eens op, maar zei heel kalm, heel gelaten, maar toch als een donderslag bij heldere hemel: ‘Ik weet niets van die negentien miljoen.’
‘Dat wil ik best geloven,’ weervoer ik, ‘maar dan had je er ook beter over gezwegen want buiten ikzelf en Philippe natuurlijk weet niemand er iets van af.’ Hij beet op zo’n lip.
‘Maar goed, ‘ging ik verder, ‘ik moet bekennen dat die negentien miljoen me kunnen gestolen worden – wat ze dan ook zijn. Wat mij interesseert is jullie verblijf in Wick, meer bepaald de gebeurtenissen die verband houden met Patsy.’
‘Jaja, die Patsy, ‘meesmuilde hij, ‘Patsy en Danielle, een fijn koppeltje; ik snap nog steeds niet waarom ze niet met elkaar zijn weggetrokken, het was toch zo’n ontroerende liefde tussen die twee. Maar ja, Danielle kon ook wel eens iets anders gebruiken; Patsy zelf was trouwens ook niet steeds ijskoud in de armen van een man, maar dat weet jij natuurlijk ook.’
Ik antwoordde dat ik niet was gekomen om naar zijn vreemde insinuaties te luisteren, waarvan ik geen bal geloofde en bovendien was ik er vast van overtuigd dat ook hij wel wist dat ik er niet zou intrappen. Hij leek gewoon een bandje af te draaien wat hem wellicht door Danielle opgelegd was.
– Nee. Je wil uiteraard wat meer vernemen over Patsy’s ongeluk.
– Het was geen ongeluk.
– Oh nee? Dat is het eerste wat ik daarvan hoor. En wat was het dan wel? Moord? Een nachtelijke aanranding? Sorry, eigenlijk zou ik er niet mee mogen spotten, maar je stelt je aan, jongeling, hopeloos.
– Mijn theorie is zelfmoord. En jij hebt er de hand in.
– Ik? (alhoewel hij nooit enige belangstelling heeft gekoesterd voor Patsy, leek hij door mijn uitval toch uiterst gekwetst.)
– Ja, jij. Of heb jij tijdens de namiddag voor haar ‘verdwijning’ soms geen ruzie met haar gehad?
– Nu breekt mijn klomp! Dat klein ruzietje? Ja maar, mijn beste kerel, jij bent gevaarlijk gek, hé? Haha, je zou eens moeten weten waarover die ruzie ging… Ach vriend, laat het uit. dat heeft niets met haar zelfmoord te maken, als het dan nog zelfmoord was.
– Toch zou ik inderdaad willen weten wat Patsy zo boos maakte dat ze je te lijf ging en waarom jij haar afranselde.
– Afranselde? Kom nou, ze had me bloednerveus gemaakt en ik gaf haar zonder dat ik het zelf besefte of wilde een muilpeer, die dan bovendien nog harder aankwam, dan ik had verwacht. Ik wilde alles nog herstellen, maar kreeg de kans niet. Weg was ze. En ik heb haar nooit meer weergezien…
– Waarover ging het?
Hij begon nerveus aan z’n deken te plukken.
– Wel, ik was aan het wandelen met een meisje… Hoe heette ze nou ook weer?
– Lucy Macaulay, zei ik verwijtend.
– Ja, juist, ik herinner het me weer. Enfin, Patsy kwam eraan en begon te schelden dat het haar niks kon schelen dat Danielle met Philippe zou trouwen, maar dat ik hem nu bedroog met haar, alleen voor het geld en het plezier, dat kon ze niet toelaten. En dat ik nu Danielle zelf nog bedroog met zo’n meisje, een kind eigenlijk nog. Enzovoort, enzovoort, kortom dat het uit moest zijn met al die intriges, want dat ze er niet meer tegenkon. Waarop ik replikeerde dat het gewoon haar egoïsme was, dat al die avontuurtjes niets te betekenen hadden in verhouding tot haar grote eeuwige liefde voor Danielle. Slotsom: ik kreeg een klap, sloeg automatisch terug en de rest weet je al.
– Je hebt haar niet meer weergezien.
– Juist.
– Maar jij? Hoe heb jij verder die veertiende augustus doorgebracht?
– Ja, dat meisje zond ik naar huis en dan heb ik een taxi genomen naar. Enfin, waarheen hoef je niet te weten. Het doet hier niets ter zake. Laat op de avond keerde ik terug en ging met een grafzerk-humeur onmiddellijk naar mijn kajuit. Danielle was klaarblijkelijk bij Patsy, wiens kamer juist naast de mijne lag, want ik hoorde haar schreeuwen en schelden. Patsy was hysterisch aan het huilen, een gewoon klassieke vrouwentwist, kom. Na een tijd werd het stil of ben ik in slaap gevallen, dat weet ik niet zo goed meer.
– En ’s anderendaags ’s morgens, toen Patsy’s verdwijning vastgesteld werd?
– Haast onmiddellijk kwamen inwoners ons polsen of we geen averij hadden opgelopen. Al gauw kwam het gesprek zo op de verdwenen sloep en de connectie was gemaakt.
– En Danielle?
– Je weet hoe vrouwen zijn, ze sprak geen woord meer, zag bleek, voelde zich misselijk en zo meer. Ze wilde zelfs niet meer met me naar bed.
– Je zegt dat je Patsy hebt horen huilen…
– Ja.
– Wanneer was Patsy dan vertrokken in die roeiboot?
– Ha, dat zal wel nog diezelfde avond geweest zijn.
– Terwijl het stormde?
– Daarvoor natuurlijk, alhoewel je het misschien wel had
kunnen vermoeden.
– Niks van. Uit de inlichtingen die ik heb ingewonnen blijkt dat de storm niet lang na zonsondergang is opgestoken. Jij beweert laat op de avond pas gearriveerd te zijn…
– Ja, luister eens hier, hé, ik was strontbezopen, je kunt van mij niet verlangen dat ik alles zo goed onthouden heb. Trouwens, ik hoef je ook in het geheel niet te helpen, als ik er geen zin voor heb.
– Toch wel. Ik kan je altijd in beschuldiging laten stellen voor medeplichtigheid bij een verduistering van zo maar eventjes negentien miljoen…
– Al goed, al goed. Maar ik heb een ongeval gehad en moet rusten. Vooral geen opwinding heeft de dokter gezegd, trouwens (hij keek op z’n horloge en drukte op de bel…)
– Zuster, wil u deze heer eens de uitgang wijzen.
– Bedankt voor je bezoekje en tot ziens, Paul, en doe mijn groeten aan Philippe.
De verpleegster deed me uitgeleide, maar toen ik buitenkwam, zag ik de wagen van Philippe de parking oprijden. Ik hield me gedekt tot ik wist wat Philippe naar hier voerde. Hij ging alleszins naar de afdeling waar Jacques lag…
Toen ik thuis kwam, vond ik een briefje in de bus, waarin men me om een afspraak verzocht. Het was van het allergrootste belang voor Philippe en voor mezelf…
* * * * *
(Het was de politie die me kwam berichten van het ongeval van mijn broer. Men had Paul ergens in een achterbuurt aangetroffen. Hij had een fameuze slag op achterhoofd gekregen en in z’n jaszak stak een briefje dat hem naar die ongure buurt gelokt had. Te oordelen naar de manier waarop hij was toegetakeld, kon je wel veronderstellen dat de aanvaller in zijn bedoeling was tekortgeschoten. Zowat veertien dagen bleef Paul tussen leven en dood zweven, in een half-komateuze toestand.)
Een ijzeren bed, witte wanden, een rode nachtlamp, lampjes om de verpleegsters te waarschuwen, alles mooi voorzien, clean, clean, clean.
Ik dacht dat ik zou walgen nu, maar het is onmogelijk deze zuiverheid, die zichzelf aanklaagt, te bevuilen. Nerveus ging ik in de ligstoel achteroverliggen. Ik dacht en kon niet denken. Waaraan zou ik trouwens denken? Buiten regende het. Ik zat alleen, alleen, alleen. Was Patsy er nog maar, zij kon zo’n moedeloze bui wel opvangen. En dan niet op die stupiede manier van ‘gaat het niet? wat gaat er niet? je bent toch niet alleen? je hebt zoveel mensen die om jou bezorgd zijn?…’
Straks moest ik toch nog kotsen!
Patsy. En ja, langzaam kwam hij weer, de droom. Ik wist dat er iets belangrijks gebeurd was ergens in die veertien dagen. Een droom, dat was het, een droom. We waren op zee. Patsy lag naast me in bed. We hadden geen sex bedreven, we lagen gewoon naast elkaar, naakt, te luisteren naar elkaars ademhaling. Wat is beter als kommunikatie dan zwijgend naast elkaar te liggen, hand in hand, hoofd op schouder, en te weten dat er iemand is en dat jij er ook voor iemand bent. Eeuwig.
Af en toe keken we elkaar aan, zoenden even en zonken dan diepgelukkig weer in de kussens. Het duurde uren, dagen, weken, een jaar. Roerloos liggen staren naar het geluk dat zich eindelijk aan je openbaart.
De sensatie van het geluk en de liefde kan je nooit vervelen. Elke seconde is een hernieuwd beleven. Onuitputtelijk. Dan kwam Danielle binnen. Ze was ook naakt maar had een wrat onder de linkerborst. Ze bleef ons van boven het bed bekijken en glimlachte mysterieus. Ze gleed in bed naast Patsy. Weer bleven we uren staren, maar het was niet meer als voorheen. Toen klom Danielle over Patsy heen naar mij toe, maar bleef op haar liggen, terwijl ze mij begon te strelen. Met trage, lange halen begon ze me af te trekken, terwijl Patsy haar over het hele lichaam zoende. Bij mijn ongewild orgasme sprong ik hysterisch-huilend recht en riep dat ik Patsy wou, niemand tenzij Patsy. De tranen stroomden me over het gelaat. De meisjes keken op, maar niet naar mij. Een jonge vrouw was de kamer binnengekomen, het gezicht verborgen door lange zilveren haren. Zij strekte haar handen uit en Patsy en Danielle legden er hun rechterhand in. Dan gingen ze alle drie de kamer uit en ik was weer alleen. Ik kon niets doen, ik stond als bevroren.
De volgende die in de kamer kwam was mijn broer, hij had fijne, lichtblauwe bloemen bij. ‘Ik was helemaal niet van plan bloemen voor je te kopen, maar toen ik hen in het uitstalraam zag staan, wist ik gewoon dat ik ze voor je mee moest nemen. Maar wat scheelt er, beste kerel, je ziet er niet zo schitterend uit. Hier, een flinke borrel zal je goed doen.’
Ook Philippe is me eens even komen opzoeken, maar ik deed alsof ik sliep. Door mijn wimpers zag ik dat hij me bekeek alsof ik voor hem al dood was. Hijzelf was ook erg veranderd. Nog bleker en meer afgetrokken dan anders. Hij had eveneens bloemen bij, die wellicht wel heel duur waren, maar me toch eerder aan een dodenruiker deden denken. Toen hij er zich van vergewist had dat ik wel degelijk sliep (door me een paar porren te geven en met z’n hand voor m’n ogen te wuiven), zette hij zich naast het bed en schreef op een naamkaartje een paar woorden. Dat stak hij in de bloemen. Dan stond hij op en keek lang naar mij met een trieste glimlach op z’n mond.
Hij was nog maar net buiten of ik keilde de bloemen in het vuilnismandje en las het kaartje. Hij verontschuldigde zich ervoor dat hij mij deze moeilijkheden op de hals had gehaald, beloofde de ziekenhuiskosten te betalen met op de koop toe nog een extra beloning op voorwaarde echter dat ik van alle verder onderzoek afzag. De idioot. Ik had de grens reeds overschreden, wat zou me dan nu nog kunnen tegenhouden? Toch zeker hij niet. Ik scheurde het kaartje en sloot de ogen. het gaf me een zalig gevoel, alsof er een drukkende last van mijn borst was genomen.
* * * * *
Een zuster kwam daarnet binnen. Door het te lange schrijven was er als het ware een nevel voor mijn ogen. Ze kwam me bekend voor. Zo kwam dus een bekende zuster mij uit de mist tegemoet. Ze zei dat ik hier nu wel gauw buiten zou mogen. Ze gaf me een spuitje. Ze loste op in de mist.Dank je zuster, zussie, zusje, mag ik nu gauw weer…
* * * * *
Kleuren, kleuren, kleuren. Kristallen. Prisma’s. Parallellepipeda. Pa-ral-lel-le-pi-pe-da. Cirkels. Wheels on fire als de wijnvlek van gisteren op het bontkracht-witte bed. Kleenex. De beste. De zuiverste. Pure, purity, zuivere maagd. Dag zuster Maria. Dag lieve zuster, ik verdrink in je glimlach. Smile when your heart is aching. Dag Patsy.
* * * * *
PATSY. Ik wist het. Ik was er zeker van. Het was Patsy. Niemand kan zeggen dat het niet waar is. Patsy lééft en ze is verpleegster. En ik ben het die dit schrijf, het heeft dus niets te maken met Daisnes Trap van steen en wolken. Patsy lééft en ze is verpleegster. Dit mag ik niet vergeten. Ik moet trachten dit voor eeuwig te onthouden. Patsy en verpleegster…
Harteloze Ronny, hoe kan je beweren dat het niet Patsy is die net buitenging!
(“Er is niemand buitengegaan Paul. Alleen wij zijn binnengekomen. Sonia en ik. Kijk, Paul, dit is Sonia. We gaan trouwen. Paul?”)
Kom terug Patsy en zet ze aan de deur. Mét hun pot bloemen. Enkel wij Patsy, alleen wij, met ons tweeën. Hier Patsy, in dit verdomd-nette ziekenhuisbed. Wij zullen het niet bevuilen, nee, integendeel, wij zullen het zuiveren. Zuiveren van…
(“Paul verdomme hou op!”)
Ben ik gek? Waarom weent hij nu? En wie zit naast hem? Dag lieveling, ken jij Patsy?
(“Kom Sonia.”)
Maar blijf toch verdomme! Hoor je me niet schreeuwen!
BLIJF!!!!!!
* * * * *
De eenzaamheid. De uren tussenin. Soms komt Patsy en geeft me weer een dosis. Dank je lieveling. Spijtig dat ik niet kan spreken. Ik kan enkel naar je staren, maar dan leg je je hand op mijn ogen en sluit ze. En dan begint het weer: kleuren, kleuren, kleuren. Kristallen, prisma’s, par-ral-lel-le-pi-pe-da, cirkels, biggetjes, naakte roze biggetjes zoals in Nero. En Walt Disney. Dag Patsy, dag biggetje.
Purple haze is in my brain. Langzaam trekt de mist in de kamer echter op, zodat haar bevallige kontouren als het ware uit distilleren. Kontwiegend komt ze op me toe, zoals ik het nu reeds gewoon ben, met een glas in de hand en haar gevulde blouse nogal expliciet open. Van haar minirok, die vooraan dichtknoopt, prijken de twee onderste knopen eenzaamop haar linkerdij en de gaten op haar rechter, wanneer ze bij mijn bed neerknielt en zegt:
– Geen injectie vandaag, lieverd, geen injectie, enkel eendrankje…
Dan gaat de deur open en een woedende Patsy staat in de opening. Er volgt een lijf aan lijf gevecht dat elke beschrijving tart; meteen waren de bindingen tussen oorlog en sex me veel duidelijker dan Freud, Peerbolte of eender wie dat ooit onder woorden zou kunnen brengen. Ik ben nog steeds niet in staat te bewegen, maar indien ik wel zou kunnen…Het lijkt erg wreed: Patsy en die volslagen vreemde. Een voor de hand liggende keuze. Maar ZIJ houdt mij in leven!Waar is trouwens de injectie?Wat zei ze ook weer?Vandaag geen injectie!Verdomd nog aan toe, dat kan niet, dat mag niet, dat zou moord zijn. Wacht ik kom uit bed en ga ze zoeken, ze zal gevallen zijn en dadelijk wordt ze nog stukgetrapt…ik. .
* * * * *
Ik sla mijn ogen op en Patsy zit naast mij en houdt mijn hand vast.
– Waar is…?
– Ergens. Ik kon haar niet beletten te vluchten… ik ginghaar ook niet achterna… jij bent nu tenminste veilig…
– Patsy? Ach lieve Patsy, hoe kom jij hier eigenlijk schat?
– Ik ga je kaarten leggen.
Ik begrijp dat ik nog steeds niet kan praten. Het duizelt me in het hoofd. Ik heb het erg lastig om gedachten, dromen en realiteit van elkaar te onderscheiden. Mijn eerste vraag heeft ze wellicht in mijn ogen gelezen. Langzaam begint ze een tarotkaartspel op het bed uit te spreiden.
Het rad van het fortuin komt in het midden te liggen. Patsy glimlacht want ze weet nu dat ik onder goed gesternte geboren ben. De overige kaarten verdeelt ze in zeven groepjes van drie:
– Je hebt de magie aan je zijde, Paul, de zwarte magie, gesymboliseerd door de duivel. Het geeft je schoonheid,wijsheid en vruchtbaarheid want de keizerin en de geliefden liggen aan de zijn zijnde. Vrees geen verhongering,vijanden, je grootste vijand ben je zelf. De gematigheid ende kluizenaar liggen in het negatieve: hoed je voorlichtzinnigheid en immoraliteit, ze omringen de Toren… ziekte… aftakeling… vernietiging…
De Keizer, de Rechtvaardigheid en de Gehangene vormen een trio.
Dat betekent dat zelfoverschatting en utopisme leiden tot despotisme en brutaliteit. de Dood vormt echter eenuitkomst. Nochtans twijfel je en ben je onwetend want de Dwaas en een negatieve Ster omringen ze.
Er wacht je echter gelatenheid, wijsheid en geluk nabepaalde beproevingen en ervaringen. Maar steun vooral opjezelf, nee, steun enkel op jezelf. Eigen initiatief enverbeeldingskracht vervangen de trouweloosheid van vrienden. Ze neemt de kaarten weer samen, kust me op het voorhoofd en wil gaan.
– Enjij?
– Niet nodig. Ik heb ze voor mezelf reeds tientallen keren gelegden steeds komt de Ster in het midden. Tot weerzien. Weldra.
De Ster. Symbool voor onsterfelijkheid.
* * * * *
Die nacht heb ik een droom. Patsy staat voor me. Naakt.
In haar pupillen zie ik echter het hoofd van Danielle in zij-aanzicht. In het linkeroog kijkt ze naar rechts, in het rechter naar links. Het lijkt wel alsof ze zich spiegelt. Rond het hoofd van Patsy verschijnen allerlei merkwaardige symbolen: een doorstoken lam, een vlinder met één vleugel, een bebloed vredesteken, een vogel zonder hoofd, een kruisbeeld en een swatiska die door een hart verbonden zijn. Haar lichaam is afgrijselijk paars en uit haar navel groeit een rudimentaire penis. Zij biedt mij graankorrels aan.
“Wij zijn uit het Oosten gekomen om je goud, wierook en mirre aan te bieden”, zegt ze en de twee Danielles in haar ogen kijken me aan en beginnen akelig te lachen. Ik wil de korrels aanvaarden of wegwerpen of weet ik veel: ik wil iets doen, maar als ik een beweging maak, verdwijnt de verschijning en merk ik dat mijn kamer in een melkwit schijnsel gehuld is. Ik zie een vallende ster. A sometimes fading image…
* * * * *
Deze nota’s van Paul had hij een week later in de psychiatrische instelling te K. neergepend. Men had hem een overdosis morfine gegeven.
* * * * *
Naar men mij achteraf zei, zou ik ongeveer een week zonder begrip van tijd en plaats gevegeteerd hebben. Ikzelf had aan deze periode slechts een boel vage indrukken overgehouden. Zo onder andere van wezens, waarvan ik vermoedde dat het verpleegsters waren omdat ze me te eten brachten, injecties toedienden en gemaakt vriendelijk waren. Verder verscheen vrij vaak een jongeman die me vrijwel niet bekeek. Blijkbaar sliep hij in dezelfde kamer. Soms bracht hij een luidruchtig gezelschap mee, dat prompt door één van de ‘verpleegsters’ uit de kamer verwijderd werd. De rest was stilte, het wentelen van licht en duisternis, gejoel ver weg en door het raam een zware boom.
Deze laatste was in feite mijn enige echte gezel. Toen eindelijk de week van verdoving voor bij was, trad ik binnen in een wereld waar alles op z’n hoofd leek te staan. De psycho-therapeutische afdelingvan een, nu ja, laten we toch maar gekkenhuis noemen. Ik werd voorgesteld aan mijn kamergenoot, een student chemie, die z’n dagen vooral doorbracht in stripverhalen en nooit at tenzij chocolade en koekjes. Je kon geen ernstig gesprek met hem beginnen. Het enige waar hij überhaupt over sprak waren zijn dagdromen, doorspekt met sexuele weder(wetens?)waardigheden.
De hele afdeling bestond uit vier verpleegsters, een psychiater en vierentwintig patiënten, waarvan twintig vrouwen. Een normaal mens zou nooit op de idee komen een ziekenhuis zo in te richten. Of misschien toch wel, indien z’n naam Ingmar Bergman was – en dan is het nog de vraag of die ‘normaal’ is. We waren in drie groepen onderverdeeld, die elk op hun beurt een aantal therapieën mochten ondergaan.
Dit amusement varieerde van turnen, over volksdans, naar schilderen en een namiddag waarop iedereen zijn problemen vertelde aan iedereen. Dit laatste was het meest tragikomische: meestal werd er druk gezwegen, maar soms kwamen alle opgekropte haat- en liefdegevoelens van de patiënten onderling of tegenover de psychiater en het verplegend personeel aan de oppervlakte. De ene helft bleek dan echter homosexueel te zijn, terwijl de andere het bij groepsex hield. Maar, daar de instelling dit alles niet gedoogde, moest men zijn gevoelens op de vrije woensdagnamiddag uiten. Dan kon iedereen vrij beschikken, mits hij zijn kaart inleverde en met tenminste één partner het ziekenhuis verliet. De hotelletjes in de buurt kenden die namiddagen dan ook een nooit geziene bloei.
Tot een snugger iemand op de idee kwam haar kaart in te leveren alsof zij ervandoor was en zich dan met haar partner op haar eigen kamer terug te trekken. Dat bleek goedkoper.
Mijn eerste avondmaal in groep bleek symptomatisch te zullen worden. Daar diensten zoals poetsen, afwassen, tafels dekken door de logés zelf werden gedaan, waren twee patiënten ook ditmaal bezig met borden, tassen en lepels min of meer ordentelijk op de tafels te schikken. Geleidelijk dreven zij hun tempo op, waardoor reeds menig kopje tegen de grond ging.
Daarna gingen zij zonder merkbare overgang de kopjes naar elkaar gooien, eerst speels, even later echt woedend. Het was een ruïne. Niemand maakte zich echter druk en toen het tweetal weer gekalmeerd was, werd de boel opgeruimd en een ander servies uit de kast gehaald. Men had zich blijkbaar voorzien.
Wellicht door dit aanstekelijk voorbeeld aangemoedigd, begon een meisje (ze kon niet ouder zijn dan zestien) één voor één alle bloempotten in de gang van de vensterbank te sleuren. Zij kreeg dan wel een vermaning. Ik informeerde bescheiden naar het verschil tussen bloempotten en een servies en kreeg te horen dat het reeds de tiende maal was deze jongedame dit asociaal spel speelde, en dat je niet eeuwig die planten in andere potten kon zetten, daar stierven ze van.
Voor ik daar binnenkwam, voelde ik me vrij goed, dacht ik (hoewel zij beweerden dat iedereen in zich de kiem van krankzinnigheid draagt), maar na enkele dagen was ik ervan overtuigd het meest asociale, gekke wezen te zijn dat er ooit op deze grond heeft gelopen. Ik werd zelfs agressief. Desondanks trachtte ik me zoveel mogelijk op de achtergrond te houden. Ik amuseerde me een beetje in de kreatieve therapie, hielp afwassen en luisterde zeer veel naar muziek, want dat hadden ze daar allemaal gemeen: lawaai (melodieus of niet) moest er zijn, wellicht omdat stilte steeds geassocieerd werd met de gedwongen afzondering, waarin ik dus eerst ook was ondergebracht. En dan kreeg je zo van die gekke gedachten, zodat je zelfs begon te verlangen naar de tranquillizers waarmee ze je volstoppen.
Zelfs nu kregen we dagelijks nog een aanzienlijk aantal kalmerende middelen toegediend, en dat was wel het meest vervelende. Ik leefde voortdurend in een roes waaruit je niet kon loskomen. Vooral de nachten waren één nachtmerrie. Ik kon, ondanks de vrij hoge dosis slaapmiddelen, de slaap nooit onmiddellijk vatten, zodat ik half stoned nog enkele uren door de gangen dwaalde, tot schrik van de verpleegster die op deze afdeling slechts een korte ronde moest maken. Dikwijls ging ik in het salon zitten tot ik eindelijk, kapot van vermoeidheid naar bed strompelde of in een zetel indutte. Vaak schrok ik dan wakker en het duurde soms minuten voor ik mij in die omgeving die flauw en spookachtig belicht werd door de oranje-rode lampen van de autosnelweg, kon oriënteren.
Het zal de vierde of vijfde nacht geweest zijn, die ik zo in het ziekenhuis doorbracht na mijn week van totale verdwazing, en ik zat te luisteren naar de Peer Gynt-suite, toen ik in de gang voetstappen hoorde. Het gebeurde wel vaker dat ik gezelschap werd gehouden door één van de andere patiënten, met om het even welke bedoelingen. Een hand rustte zacht op mijn schouder. Ik keek omhoog en voelde de blik van Patsy op me rusten. De ontroering benevelde me volkomen. Ze kwam naast me zitten en vertelde een verhaal, dat ik me nu onmogelijk kan herinneren. Ik weet enkel nog dat ik het reeds eerder gelezen had. Gerustgesteld door haar aanwezigheid en drijvend op de klank van haar stem, dommelde ik zacht in. Pas de volgende avond ontwaakte ik. De psychiater zat naast mijn bed en probeerde van me te weten te komen waarom ik zelfmoord had trachten te plegen.
Vermits ik nu toch goed uitgerust was, ging het nog de hele nacht zo door.
Pas toen de dageraad aanbrak, begon het licht ook in zijn duisternis te schijnen. Hij zag dat zijn pogingen geen aarde aan de dijk brachten en schreef dit nota bene toe aan mijn koppigheid terwijl ik me eerlijk niets kon herinneren: soms leek het mij zelfs alsof die ‘zelfmoordpoging’ een verzinsel van hém was om mij daar langer te kunnen houden of zo’n
25.000 fr. per maand is tenslotte ook niet te versmaden. Voor hij naar bed ging, liet hij me nog ‘terloops’ verstaan dat buiten hemzelf niemand hier iets van afwist, dus ook de politie niet. Als ik inderdaad gepoogd had mezelf van kant te maken, was dit toch wel attentievol van hem, meende ik. Pas later vernam ik dat hij dergelijke gebeurtenissen binnen de kliniek niemand daar ooit weet van had. Dat plaatste zijn tegemoetkomende vriendelijkheid natuurlijk dadelijk in een totaal ander licht, het begon de geur van chantage te krijgen.
De chemie-student sliep nog, het was immers pas zes uur; de centrale verwarming stond af, zodat het heerlijk kil was op de kamer en in mijn boom tsjilpten een paar mussen. Het riep een heerlijke herinnering bij me op. Zo’n tien jaar geleden. Examenperiode eerste jaar, akademie voor schilderkunst. Ik had de nacht bij een vriend doorgebracht. We hadden het erg nodig voor het vak waarover we de volgende ochtend examen moesten afleggen, eens flink te blokken. We hadden ons nog nooit aan stimulerende middelen gewaagd en besloten daarom elk slechts een halve captagon te nemen en er dan over te waken dat geen van beide tekenen van vermoeidheid vertoonde. ik was reeds in mijn ‘examenpak’ (want zo hoorde het in die tijd) naar mijn vriend getrokken zodat ik die nacht in zijn ouderwetse pyjama rondliep. De verschillende intense gevoelens, de wederzijdse vriendschap en genegenheid, de opwinding van het eerste contact met het verbodene, de eigenaardige werking van het produkt zelf, de spanning voor het komende examen, de rush tegen de tijd en de gedwongen waakzaamheid, maakten die nacht tot iets bevreemdends. Doch het aanbreken van de dag was meer dan dat, het was iets magisch van een vreemde, ongekende en zeldzaam ervaren schoonheid. Hoewel ik de kursus niet méér dan gelezen had, twijfelde ik er niet aan of dit zou een prachtexamen worden. Achttien op twintig. Maar mijn vriend gezakt en het einde van een vriendschap…
Ik bleef een uur lang door het raam naar de boom staren en raakte langzaam vervuld van een immense droefheid (of was het tederheid). Ik fluisterde voor mezelf uit: Starry starry night… naar ‘Vincent’ van Don McLean. En ik dacht dat het spijtig was dat je Vincent niet kon vervangen door Paul, omdat er een lettergreep te weinig in mijn naam zit. Want was ik dan die Vincent niet? How you suffered for your sanity. En ik weende. En ik lachte omdat ik me toch zo ongelukkig voelde.
* * * * *
Een onooglijk klein meisje met veel sproeten en korte vlechten had in de groepstherapie reeds duidelijk belangstelling voor mij gehad. Daar ik er in die tijd nogal afwezig bijliep, zou het mij niet opgevallen zijn, ware het niet dat ik onvrijwillig bij een heftig incident rond haar persoon betrokken werd. Ze was veertien of vijftien en droeg steeds (voor zover ik dat woord mag gebruiken gezien mijn povere interesse voor alles wat we omringde) korte plooirokjes, die haar kind-zijn eerder beklemtoonden dan wegnamen, omdat ze reeds goedgevormde benen had en dus best ook een sexy indruk had kunnen maken: dit werd nog geaccentueerd door haar even onafscheidelijke sportkousen en halve, jongensachtige laarzen. Ze had amper borsten, die zij niet, in tegenstelling tot haar leeftijdsgenootjes, groter trachtte te doen schijnen door allerlei kunstgrepen (watte en zo); ze droeg integendeel dikwijls een dikke, spannende trui en geen beha, zodat ze haar borstjes helemaal wegspande. Nu, terwijl ik haar zo zit te beschrijven, realiseer ik me dat ze wel heel veel gelijkenis moet vertoond hebben met de jonge Patsy, haar gezicht dat eerder gewoon was en ontsierd werd door een mond waarin de tanden zowat lukraak opschoten, buiten beschouwing gelaten.
Maar ik denk niet dat ik mij daar toen reeds van bewust was.
Op één van de praatnamiddagen werd ze lastig gevallen door een veertig à vijfenveertigjarige robuuste vrouw, niet dik maar met een uitgesproken geprononceerde boezem, een groot hoofd, dubbele kin, overvloedig krulhaar tot in de nek en een breed achterwerk in een katoenen broek. Voor dergelijke groepstherapieën werd ons immers steeds gevraagd ons gemakkelijk te kleden. Zo droegen de meesten turnpantoffels, een slodderpull en een zeer sluitende broek van een trainingspak. Mijn drie mannelijke kollega’s liepen dan ook steeds met een duidelijk zichtbare erectie. Ikzelf was te dromerig om opgewonden te raken door die ontegensprekelijk sexueel-geladen atmosfeer; hoe hypocriet men hier ook was, ongewild benaderde men dicht de sextherpaie of naakttherapie zoals die in meer vooruitstrevende landen wordt toegepast; met dit verschil dat, door het feit dat de ‘etikette’ verbood de spanningen op natuurlijke wijze tot ontlading te laten komen, er steeds een explosieve druk aanwezig was, die zich vaak uitte in wilde vechtpartijen. Die vrouw nu, droeg onder haar lichte, losse, zware pull met diepe insnijding geen bustehouder, zodat haar grote tepels zich scherp aftekenden. Kitty daarentegen (zo noemde ze zichzelf steeds, haar echte naam zal ik uit discretie niet bekend maken) hield zich nooit aan de afspraak en verscheen steevast in haar plooirokje.
Het lokaal waarin dergelijke namiddagen plaats hadden, kan men vergelijken met een turnzaal, wat het oorspronkelijk ook was: parketvloer, rekken tegen de muur, touwen aan het plafond, her en der andere toestellen (bok, balk, ladder,…) omdat we verondersteld werden onze energie daarop kwijt te raken. Op het hoogtepunt van die bewuste namiddag, waren de meeste patiënten reeds volop aan het ruziën of symbolisch aan het vrijen wat vaak op hetzelfde neerkwam.
Slechts enkelen hielden zich afzijdig (onlogisch genoeg waren het juist dezen die door het verplegend personeel als ‘ernstige gevallen’ geëtiketteerd werden). Zo hing ik als een gekruisigde Kristus aan één van de rekken, terwijl in mijn nabijheid (dat zal dan wel niet toevallig geweest zijn, maar dat wist ik nog niet) Kitty aan een touw bengelde. Ik kan niet te best schatten, maar denk toch dat het zo’n zes à zeven meter boven de begane grond was. Ze had het zich gemakkelijk gemaakt door het touw om haar rechtervoet te winden en er zo met haar linker op te steunen. Terwijl ik mijn blik apathisch rond liet dwalen, kreeg ik de vrouw in de gaten. Ze lag op de grond naar boven te staren in de richting van Kitty. Achteraf, namelijk nadat ik met Kitty naar dat hotel gegaan was, kan ik me wel een beeld vormen van wat ze moet gezien hebben. Kitty droeg toen immers een gewoon wit broekje in interlock, dat onderaan een beetje zwart zag door zich op de meest onmogelijke plaatsen neer te zetten, en dat met een rood lintje afgebiesd was. Ik kan mij haar(wie?dit past niet bij de witte broekjes) ondergoed voorstellen (zo van die zijden doorkijkdingetjes of iets dergelijks).
Langzaam begon de oudere vrouw over de parketvloer naar het touw te schuiven, schudde onderweg eerst een leeftijdsgenote en daarna de oudste van mijn mannelijke medepatiënten van zich af, en ging zich dan aan de voet van het touw nestelen, in beat kontemplatie. Kitty van haar kant was zich van niets bewust en staarde door het grote raam; vanuit haar positie zal ze wel een benijdenswaardig panorama gehad hebben. Na enkele minuten of zo probeerde de vrouw langs het touw naar Kitty naar boven te klauteren, wat haar niet lukte. Toen begon ze als gek (nou ja…) aan het touw waaraan Kitty hing, te sleuren. Deze was zich nog van niets bewust. Je moet steeds voor ogen houden dat al deze mensen ziek zijn en dat een aantal reakties, of het uitblijven van reakties, voor een groot deel aan hun toestand te wijten zijn. Het touw begon echter gevaarlijke bewegingen te maken en ik verwachtte dat het meisje elk moment naar beneden zou vallen. Daarom begon ik te roepen, sprong van het rek en greep de vrouw vast.
Ik slaagde er echter niet in haar het touw afhandig te maken omdat ze trachtte me te bijten. Mijn geroep had Kitty echter uit haar mijmeringen doen ontwaken en ze begon geweldig te gillen. Dat ontbrak er nog aan: eenaanval van hysterie. Ze klemde zich vast en weigerde naar beneden te komen. Later zou ze me vertellen dat ze precies ‘gestoord’ was geworden door mishandelingen en verwaarlozing door haar moeder en het leek me vrij evident dat ze die vrouw met haar moeder identificeerde. Ondertussen waren een paar verpleegsters en de psychiater ter hulp gesneld. De vrouw kreeg op haar beurt een aanval, werd meteen ingespoten en weggebracht. De vierde mannelijke patiënt, dus niet de oudste noch de jongste, een vrij sportief type, bood aan Kitty te gaan bevrijden. De psychiater stemde toe, maar deman had zich nog maar pas opgehesen toen het meisje weer begon te gillen en dreigde zich naar beneden te storten. de poging werd gestaakt en de psychiater trachtte haar rede bij te brengen: ze kon daar niet eeuwig blijven hangen, ze moest toch eten en dergelijke.
De man had blijkbaar beter een ander beroep gekozen want ook hier haalde zijn gepraat niks uit.
Ikzelf was weer aan het terugglijden in mijn apathie, toen ik tot mijn verbazing hoorde dat het meisje, na een laatste aandringen van de psychiater, erin toestemde naar beneden te komen indien ik haar kwam halen.
Een aantal patiënten begonnen mij kinderachtig te plagen en ook de psychiater keek mij vreemd-beschuldigend aan. Mijn eigen gelaatsuitdrukking zal echter nog meest lachwekkend geweest zijn, vrees ik, zo’n face van een innocent bystander. Na enige aarzeling kroop ik onder algemene belangstelling naar boven. Ik sprak een paar bemoedigende woorden tot haar, terwijl ze me met gelukkig-betraande ogen aankeek. Weer op de grond wou een verpleegster haar onmiddellijk aan een naald in de bips duwen, waartegen ze zich gillend verzette. Ik trachtte de verpleegster van haar voornemen af te brengen en onmiddellijk werd het meisje weer stil en bekeek me opnieuw met die grote, bewonderende ogen. Ik voelde me erg onwennig, te meer daar de verpleegsters zich door mijn tussenkomst grondig in haar beroepseer beledigd voelde. Ik zag dat men mij langzaam als een enfant terrible begon te beschouwen. Van dat moment af waren Kitty en ik onafscheidelijk, dat wil zeggen: zij holde steeds achter me aan. Waarmee ik dan ook weer niet bedoel dat ik haar ontweek of als een last beschouwde. Tenslotte begon ik weer de nood tot kommunikatie aan te voelen en het dient gezegd dat zij prettig kon vertellen. Ze had een ongewoon grote fantasie, hoewel het woordje ‘ongewoon’ in dit milieu eigenlijk niet op zijn plaats is. Wat haar dagdromen wel van de andere onderscheidde, was hun realistische aard. “What could have been” zou James Barrie zeggen. Ze had ook merkwaardige dromen. Zo vertelde ze me tijdens een zonnige ochtendwandeling in de tuin, dat ze ongeveer een jaar geleden een droom had gehad, waarin ze met een bootje eenzaam op zee voer. Het was mooi weer; de zee was erg kalm, ze voelde zich volmaakt gelukkig. Na verloop van tijd stak er echter een storm op en haar bootje dreigde te vergaan. Op dat ogenblik passeert een andere, maar stevige boot, waarin een meisje zit dat haar uitnodigt over te stappen. Ze heeft dit nog maar net gedaan of haar bootje wordt tegen de wand van het grote schip stuk geslagen. Als de storm weer gaat liggen, stelt het meisje zich voor als Galswinthe Russell.
– Aangenaam, zeg ik, ik ben Anne de la Ferté. Gek hé Paul, ik herinner me die namen heel goed en nochtans weet ik niet watze kunnen betekenen. Voor zover ik weet heb ik ze elders nooit gehoord.
– Het spijt me Kitty, ik kan je niet helpen. Ook voor mijzijn ze totaal vreemd. Maar vertel verder.
– Wel, ik dank voor haar voor mijn redding, maar zij antwoordtdat ze geen dank hoeft daar het reeds vooraf gepland was en ik een zending te vervullen heb.
– En wat was die zending?
– Er was iemand die van haar hield. Het was echter onmogelijkdat ze met die persoon ooit tot een harmonieuze liefdesverhouding zou komen.
– ‘Die persoon’?Was het dan een jongen of een meisje,Kitty? (om de één of andere reden kreeg ik het benauwd).
– Ik heb daar nooit over nagedacht. Ik was er steeds van overtuigd dat het een jongen betrof, maar nu weet je het zegt: niets bewijst dat het zo is.
– En verder?
– Ja, hoe ging het ook weer verder?Och ja, wel, ik moest die boodschap aan de persoon in kwestie bezorgen. Ik antwoordde: dat wil ik wel, maar hoe zal ik hem herkennen(of haar als je wil)?Waarop zij antwoordde:je zult heel zeker weten dat hij (of zij) het is, hoe dan ook. En daaromvertel ik dit alles aan jou Paul, ik het gevoel dat ditvoor jou bestemdis. Maar ja, als het is zoals je zegt, dat het voor een meisje kan zijn, dan…
– Nee, Kitty, ik weet heel zeker dat je je niet vergist.
– Hoezo, ken je dan een Galswinthe?(er klonk enige spijt inhaar stem)
– Nee, ik heb je toch reeds gezegd dat ik die naam nog nooitgehoord heb.
– Och, juist, zei ze , en begon opgelucht over iets heelanders te praten.
Die namiddag hadden we vrij en Kitty had me de vorige dag al duidelijk laten doorschemeren dat ze met mij naar een hotelletje wou. Er waren natuurlijk immense bezwaren, haar leeftijd, de verdenkingen van het verplegend personeel…, maar daar stond mijn karaktervastheid op dat gebied tegenover (ik weersta te gemakkelijk aan verleidingen dat ik het tot een deugd zou uitroepen, het is misschien eerder een gebrek), het feit dat ze zo ontzettend lief voor me was (het enige lichtpunt dat half jaar) en ik dus iets terug mocht doen voor haar en… mijn verlangen om Jacques nog eens aan de tand te voelen. Dat laatste was echter niet in één namiddag te klaren en daarom besloot ik er tenminste voor enkele dagen tussen uit te knijpen.
* * * * *
Toen ik die middag mijn kaart inleverde, liet ik opzettelijk een condoom uit mijn portefeuille glippen. Breedglimlachend raapte ik hem op en gaf hem aan de verpleegsters “omdat ik dit toch niet nodig zal hebben”. Het had effekt, haar argwanende blik verdween en maakte plaats voor een uitdrukking van gekrenkte trots. Op de grindwegel die ons naar de bushalte leidde, vroeg Kitty wat ik later had laten vallen. Ik zei het haar en moest ook nog uitleggen waar het toe diende. Dit stelde me uiteraard rustiger en ik had haar wel willen zoenen van geluk; maar dat zou wellicht onze uitstap in het gedrang gebracht hebben!
Op de trap van het hotel ontmoetten we nog twee meisjes van onze afdeling en in de kamer naast de onze zou ik even later met een bang hart (want als hij geklist werd, waren wij er natuurlijk ook aan) de stem van de chemie-student herkennen terwijl hij hysterisch roepend op een meisje ervan langs gaf. Ik durfde toen niet in te grijpen, wat wel erg laf was, maar ter verontschuldiging en(kan?) ik mijn toestand inroepen die, vooral door de overdreven medicatie, verre van ‘normaal’ was. Gelukkig konden we daarna uit het vrij luide gesprek opmaken dat het helemaal niet zo veel te beduiden had, dat het luide roepen het gebrek aan echt sadisme(!!!) moest verbergen en dat het meisje (uiteraard ook een patiënte) het helemaal best leuk gevonden had.
Het was een erg klein, zielig kamertje, zonder ook maar de minste versiering, met enkel een bed, een tafel, een stoel en een wastafel waarop een gebruikt washandje en handdoek lagen. Tot op een meter hoogte was de muur in het grijs geschilderd, verder tot het plafond in het lichtgroen, de lage zoldering zelf in het lichtgrijs; was misschien ooit wit geweest?
Het was zonder meer duidelijk wat de bestemming van die kamer was en de prijs was dan ook enkel met het doel in overeenstemming, niet met de? (service?)die men je daartoe gaf. Kitty was erg stil en nestelde zich schuw op het bed, terwijl ik de kamer inspecteerde. Op mijn denigrerende opmerkingen kreeg ik geen antwoord. Ik merkte dat ze zat te greinen. Ik ging naast haar op het bed zitten en legde sussend mijn arm op haar schouder. Toen ik haar troostend op de wang zoende, lachte ze me even door haar tranen toe, maar barstte onmiddellijk in een hevige, echter niet hysterische, huilbui los. Dat had ik van haar nog nooit meegemaakt en ik kon zelf wel wenen van machteloosheid bij het verdriet van dit kleine, hulpeloze meisje. Hortend kwam het er enige tijd nadien uit: hoe ze als kind op een wegeltje in de duinen (ze woont aan zee) eens gekonfronteerd werd met een exhibitionist en hoe ze door haar moeder afgeranseld werd toen ze het vertelde. Verder hoe ze daardoor tegelijk sexueel geobsedeerd werd, maar ook ontzettend bang was voor mannen. Nu werd het me duidelijk waarom ik op haar kamer getroffen werd door zoveel fallussymbolen. Ze had in haar eenzelvig wereldje duidelijk een falluscultus ontwikkeld, een strenge en tedere, een gestraffende en vergevende god. Ik voelde me erg verlegen maar dan op een speciale manier zoals de Engelsen dat zo goed kunnen weergeven in het woordje ‘embarrassed’.
Ik wist met mezelf geen raad, zelf ben ik normaal wel tegen zulke situaties opgewassen, maar nu kon ik op voorhand weten hoe zij op bepaalde zaken zou reageren. Ik zag echt geen uitkomst, voelde me steeds meer de dieperik inzakken omdat ik vreesde dat dit zo de hele namiddag zou doorgaan; bovendien zou ik dan ook de moed niet hebben haar achter te laten en Jacques te gaan opzoeken. Alsof ze besefte dat ze beter zelf de touwtjes in handen kon nemen, vroeg ze me na een tijdje om me te ontkleden. Wat ik dan ook deed. Ze knielde naast me en nam voorzichtig mijn penis en teelballen in haar handen. Ze vertelde dat dit de eerste maal was, die exhibitionist buiten beschouwing gelaten, dat ze een naakt zag. Ze liefkoosde mijn orgaan zo teder dat ik willens nillens en hevige erectie kreeg. Om haar aandacht een beetje af te leiden, vroeg ik of ze haar vader nooit naakt gezien had, in bad of zo. Afwezig antwoordde ze dat ze haar vader nooit gekend had, omdat hij er nog voor haar geboorte, bij haar moeder vandoor was gegaan.
Ondertussen begon ze mijn penis te kussen en nam hem in haar mond. Daar beroerde ze hem zo met haar tong dat mijn reeds lang opgespaarde zaad met een geweldige kracht in haar keel spoot. Even schrok ze, maar dan ontving ze mijn zaad als een hostie van een nieuw verbond. Een beetje hield ze in haar mond, waarna ze mij beduidde haar te kussen. Zo had ik zelf ook een deel aan het offer.
Daarna trok ze haar kleren uit, vleide haar hoofd tegen mijn schouder en zo sliepen we samen uit, tot we tegen zessen (om zes uur moesten we weer buiten zijn) ontwaakten door het geroep van de chemie-student die blijkbaar een nieuw spelletje gevonden had. We bekeken elkaar eerst een beetje onwennig. Ontroerd door de bevalligheid en frele schoonheid van haar jong lichaam, met piepkleine borstjes, zacht krullend schaamhaar, haalde ik tegen mijn voornemen in toch een condoom uit mijn jas (ik had ze gekocht enkel met het reeds beschreven doel, doch in die apotheek hadden ze enkel pakjes van vijf) en drong in haar binnen.
– Je t’aime, Anne de la Ferté, zei ik zacht.
– Je t’aime, Jacques de Saint-Selve, antwoordde ze.
Toen we weer aangekleed waren, vertelde ik haar mijn voornemen. Ze wou me eerst vergezellen, maar dat vond ik te gevaarlijk. Dan zei ze, een beetje aarzelend, dat ze eigenlijk ook liever niet naar de instelling terugkeerde. Opnieuw voelde ik me erg benard: ik gunde haar haar vrijheid natuurlijk van harte, maar ze was duidelijk nog niet genezen (alsof dat ooit kon met eender wie van ons) en, was daar in die inrichting weinig hoop, ze was er toch veilig voor de buitenwereld die veel gekker en gevaarlijker is dan die onmuurde. Ik trachtte haar met dat argument te overreden, maar zoals het een meisje van haar leeftijd past, besteedde ze weinig aandacht aan mijn opmerkingen. Ik besloot met de nogal voor hand liggende woorden dat ze vrij was te doen en te laten wat ze wou. Ze nam ontroerd afscheid van me waarbij ze me in het oor fluisterde van een boel kompleksen verlost te zijn. Met tranen in de ogen, zag ik haar, na een poos besluitloos draaien, de richting van de kliniek weer inslaan.
Ik zou haar wellicht nooit weerzien…
* * * * *
Tegen mijn verwachtingen in, geraakte ik nog diezelfde avond in Gent. Aan het Sint-Pietersstation nam ik een bus naar het Akademisch Ziekenhuis, maar daar wisten ze me te vertellen dat de heer Jacques Arnout al lang weer thuis was. Jacques woonde in Antwerpen en daarom bracht ik eerst de nacht door op het kot van Ronny, die natuurlijk verbaasd was me op vrije voeten te treffen. Ik was wel verplicht een smoes te bedenken, want anders zou hij me ’s anderendaags nooit laten vertrekken, vooral nietalleen. Tegen de middag stond ik op. Er viel een mistige regen en er hing,? door het plotse onderbreken van de medicatie, met lood aan mijn armen en benen. Op de tafel lag een briefje: ‘Ben naar de les. Nadien aan thesis werken. Kom pas vanavond thuis. Trek je plan! Groetjes. Je broertje. ‘
Ik slofte naar zijn stereo en toverde een plaat van Pink Floyd op de draaitafel. ‘Allan’s Psychedelic Breakfast’, dromerige muziek terwijl iemand een English breakfast klaarmaakt.
Ik deed hetzelfde en trachtte maat te houden met de muziek, maar het ging te vlug en ik keilde een ei de grond op. Toen alles weer netjes was, was de plaat automatisch reeds van vooraf aan herbegonnen: if I were a?, I’d be gone.
Het is spek is te? in de pan: if I were a good man, I’d talk with you more often than I do, en ik dacht uiteraard aan Patsy. Ik ben nog niet gezuiverd, nog niet?, mijmerde ik, terwijl ik peper en zout toevoegde. If I go insane, please don’t put your wires in my brain. Verdomme, poten verbrand. Ook een idee om deze plaat net nu op te zetten.
Na een uitgebreid ontbijt (‘brunch’ zeggen de Engelsen) schreef ik op mijn beurt een briefje voor Ron: ‘Heb inderdaad mijn plan getrokken en ’t heeft gesmaakt. Ga nu mijn eigen wagentje weer inpikken (Ron gebruikte die terwijl ik in de inrichting zat) en rijd naar Antwerpen, naar Jacques Arnout.
Dus, sorry voor dat leugentje, Ron. Groeten aan Sonia. Paul.
Ik liet de afwas voor hem achter (ik hoorde hem al vloeken bij zijn thuiskomst) en vertrok.
Ik suisde geruisloos voorbij de wenende bomen langs de baan naar Antwerpen. Alsof het afgesproken was, stond ze net buiten Gent te liften. Verkleumd wipte ze in mijn lelijk eendje, dat plots een heel mooie zwaan werd: if I were a swan, I’d be gone. Ik merkte nu pas dat haar haren langer waren en terug hun natuurlijk-donkere kleur hadden in tegenstelling tot vroeger. Toch bleef bleven ze even stug en afgebeten. Ze had weinig haar. De regen deed het vlassige haar tegen haar hoofd kleven en de eindjes staken puntig over de kraag van haar rode plastic regenmanteltje. De regendruppels accentueerden de sproeten op haar gezicht. Toch droeg ze open gewerkte sandalen, waarin haar naakte voeten verkleumd samentrokken. Ze had eenvoudige kraaltjes – je weet wel, zoals kinderen die aan elkaar rijgen – rond haar pols en wellicht ook aan haar hals, maar die kon ik niet zien. In de buurt van Berchem vroeg ze om haar te laten uitstappen. “Tot morgen, of tot op een andere dag”, zei ik.
Jacques woonde natuurlijk op een prachtig appartement. Ik moest herhaaldelijk bellen vooraleer ik in de parlofoon
hoorde: Ja?
– Paul De Schepper.
Even pauze (geruis), dan: Kom maar naar boven.
In de lift begon ik reeds enig argwaan te koesteren: de ontvangst leek me te gul. Ik stapte uit en ging naar nummer 28. De deur stond op een kier. Dat is echter normaal voor dergelijke appartementen, waarvan de bewoner te lui en te onbeschoft is om je aan de deur te verwelkomen. Ik ga binnen, zachtjes roepend: Jacques?Ik doorloop de voorkamer, ga een kijkje nemen op het terras, klop op de badkamer: geen antwoord. Vervolgens de slaapkamer: wanneer ik geen antwoord krijg, duw ik de deur een weinig open. Daar ligt hij. Alsof hij slaapt. Ik sluit de deur en ga langzaam naar de bar. Neem een flinke teug uit de whiskyfles. Dan weer terug naar de slaapkamer. Ik neem een stoel en blijf het witte gelaat van Jacques bekijken. Als ik even later weer op mijn horloge kijk, blijkt het vijf uur later te zijn. Het begint zelfs al te schemeren. Ik wil opstaan om het licht aan te steken en de gordijnen dicht te schuiven, als ik plots een hevige pijn in mijn lenden voel (waarschijnlijk vanwege het zittend slapen, denk ik), maar ook weer in mijn hoofd. Enkele minuten lang kan ik niets anders doen dan naar het luide gezoem in mijn kop luisteren. Als het stilaan vermindert, bemerk ik de bedwelmende geur in de kamer. Dan wordt het me duidelijk. Ik zoek papier en schrijf dit alles op, want ik wéét dat ze weer zullen pogen het uit mijn geheugen te wissen. Het is nu middernacht en ik ben klaar. Ik sta op en sluit de gebroken ogen van Jacques. Dan leg ik mijn pen neer en wacht…
* * * * *
Hier eindigen de nota’s van Paul de Schepper, waarvan (van wie? Paul of de rest van de nota’s)niemand sindsdien een spoor heeft gevonden, zoals de politie, de psychiater en zijn broer Ron ze ’s anderendaags aantroffen op de tafel van Jacques Arnout. Een half jaar later wordt Paul bij verstek veroordeeld tot levenslange internering in een psychiatrische inrichting wegens moord op Jacques Arnout. Er wordt geen motief gevonden (Philippe heeft zich op de één of andere manier buiten het proces weten te houden, en daar Ron zo vlug mogelijk alle papieren van Paul in veiligheid bracht, rijzen er ook daar vermoedens in de richting van Danielle), maar dat versterkt natuurlijk de indruk dat Paul een gevaarlijk krankzinnige is die zelfs zijn oude vriend koelbloedig om het leven brengt. De moord geschiedde door het toedienen van een sterk gif, gemengd in koffie. Onnodig te zeggen dat men enkel Pauls vingerafdrukken in het appartement vond. Als reden voor het niet verstrekken van de documenten aan de gerechtelijke diensten geeft Ron op “dat ze het toch niet zullen begrijpen”, en dat hij liever zelf meer klaarheid in deze zaak zal trachten te brengen, onbevoor(oor?)deeld als hij is wat zijn broers zogenaamde krankzinnigheid betreft.
We hebben nu reeds alles gepubliceerd behalve een gedicht en vier brieven omdat Ronny deze pas onlangs ontdekt heeft.
Hij brengt ze me morgen en dan kunnen we meteen beraadslagen wat ons verder te doen staat.
* * * * *
Voor Patsy
duistere gang van verlangen
verscholen tussen ’t struikgewas
van het leven
aan je wand mijn dromen hangen
herinneringen aan hoe mooi het was
maar niet is gebleven
* * * * *
Oostende, 23 oktober 1970
Liefste Patsy,
Gisteren heb ik je brief van 20 oktober ontvangen en ik kom tot de vaststelling dat je je een beetje ongelukkig voelt. Mijn arme, lieve Patsy!Je moet niet zo pessimistisch en triest zijn! Het leven kan mooi zijn, als je dat zelf wil!
Waarom zou ik me jou niet meer herinneren? Zelfs zonder foto zie ik je nog voor me. Je bent klein, tenger, en hebt lichtbruine, stugge haren. Hoe zou ik kunnen vergeten hoe we elkaar gekend hebben op school en vooral die buitengewoon geslaagde retraite. Zelfs nadien, voelde ik nog steeds iets voor jou dat ik onmogelijk onder woorden kan brengen, want zoals je wel weet, schrijven we het mooiste enkel voor onszelf en dan wel in het beademde glas van onze gedachten.
Daarom verwonderen je woorden me wel enigszins. Wat bedoel je met ‘dat ik moet weten dat je gevoelens voor mij van die aard zijn dat je ze moeilijk per brief kan uitdrukken…’
Verontschuldig mijn openhartigheid, maar betekent dit dat je me wil terugzien, gewoon omdat je me aardig vindt, of omdat je denkt dat je van me houdt?
Als je me wil ontmoeten, graag; je leek me immers heel tof, sympathiek, en je bent – en dat trekt me heel erg aan bij meisjes als jij – heel zacht. Dat is een eigenschap die een vrouw weet te waarderen.
Wat de tweede mogelijkheid betreft…Ik ben ‘vrij’, wat betekent dat ik gehuwd noch verloofd ben. Ik heb reeds de gelegenheid gehad te huwen, maar drie maal heb ik op het laatste ogenblik de verloving verbroken: ik hou nogal van mijn vrijheid.
Trouwens, wanneer een jongen zegt dat hij van me houdt, moet je je even in zijn plaats stellen. Hij ontmoet een meisje (mij), hij ontdekt dat ze zacht en lief is (te lief soms, en daarna heb ik daarover dan spijt,…), hij schrijft haar, ze antwoordt en dan gaat hij geloven dat hij van haar houdt. Maar hij vergist zich!Dat weet hij niet, maar ik wel!Sinds het begin van de vakantie ben ik uitgegaan met vijf verschillende jongens die allen beweerden me te beminnen. Dacht je dat het waar was?Natuurlijk niet!Ze denken dat, maar ik niet en telkens na twee, drie weken ging ik met een ander!Momenteel ga ik twee weken uit met dezelfde en we zien elkaar nu woensdag en zaterdag.
Het is iemand van Sint-Niklaas, Philippe. Ik weet niet precies wat hij doet, maar hij is wel erg rijk. Overigens ben ik meer geïnteresseerd in zijn vriend Paul, een schilder, tweeëntwintig, zwart krullend haar, groene ogen, een meter vijfenzeventig en knap!Ik ken hem sinds drie weken. Hij is altijd goed gehumeurd, met alles tevreden, gul en attentievol. Terwijl Philippe voortdurend zegt dat ik lief ben en dat hij meisjes die zo zacht zijn als ik prefereert, heeft Paul me nog nooit trachten te bewijzen dat hij van me houdt; dat stelt me gerust. Maar ik maak me toch geen illusies, deze verliefdheid gaat wel weer over én iemand die zo rijk is als Philippe aan je zijde hebben is nooit weg natuurlijk…
Je ziet dat ik ook mijn probleempjes heb; de slotsom is dat ik niet weet van wie ik hou, en zelfs niet of ik echt van iemand hou! Ik vraag me af waarom ik jou dit alles toevertrouw. Ik weet niet wat me overkomt. Ik denk dat ik je echt vertrouw en dat ik in staat ben je veel genegenheid te schenken.
Het zou al te dwaas zijn dat we elkaar niet meer zouden schrijven. We zijn toch geen kinderen meer (spijtig genoeg, hoor ik je denken). En maak je asjeblieft geen zorgen, ik ben helemaal niet kwaad op jou.
Dus Patsy, gaan we ermee door…? Wie weet, als je uit dat gesticht in Zwisterland terugkeert, zien we elkaar weer?
Heel oprecht, duizend
zoentjes van
je Danielle
P.S.Ik hoop ook dat het paradijs waarover je spreekt, bestaat, maar ik twijfel er toch aan…
* * * * *
Oostende, 17 mei 1971
Beste Patsy,
Ik begrijp je niet zo best!Waarom zou het gebeurde een breuk moeten betekenen?Ik weet dat onze relatie je pijn berokkende en juist daarom zou je zelf moeten inzien dat dit niet kon duren. We moeten in bepaalde opzichten onze eigen weg gaan. Ik ben nu eenmaal anders ingesteld dan jij. En ik geloof dat we ons allebei (ja, jij ook) moeten richten naar een meer normaal gedragspatroon. De vraag of ik nu echt van Philippe zou houden is irrelevant: ik ben van plan hem te huwen en dan zou onze verhouding ontegensprekelijk onhoudbaar worden.
Je moet juist in verband hiermee me niet voor de voeten gooien ‘dat ik het voor het geld doe’. Philippe legt ook veel beslag op mij en ik moet voor hem wel degelijk een aantal verzetjes missen. Het is al evenzeer verkeerd me te verwijten dat ik bij jou wat genot zocht: ik heb ook wel meer voor jou gevoeld, maar we worden allebei ouder en kunnen niet in dat fantasiewereldje blijven leven, vind je ook niet!
Je denkt dat we niet gewoon vriendinnen kunnen blijven?Ik meen nu juist van wel. Je moet trachten het allemaal een beetje realistischer te zien. Je voorstel is toch totaal onmogelijk: er samen vandoor gaan!Hoe zouden we dat financieel moeten oplossen?Je wou toch niet gaan werken, zeker?
Ook voor mij is het allemaal nog nieuw en ik ben er niet zeker van dat ik mijn welomlijnd plan tot in de puntjes kan navolgen. Ik voor mijn part wil het althans heel ernstig proberen en ik verlang, eis van jou dat jij dit ook doet. Maar dan niet met die Paul!Die is nog veel ‘abnormaler’ dan jij!Met zijn ideeën zou hij beter bij Amada gaan dan er ons mee lastig te vallen!
En wat ons betreft: ik ben ervan overtuigd dat het de beste oplossing is gewoon vrienden te zijn. En eventueel later, als het nieuwe er af is…
Je vriendin,
Danielle
* * * * *
Oostende, 25 mei 1971
Liefste Patsy,
We horen al geruime tijd niet meer van jou, daarom heb ik maar besloten je zelf eens te schrijven. Kwel je geest maar niet met je af te vragen hoe ik erachter gekomen ben dat je bij Paul logeert, want hier maakt iedereen er al een tijdje grapjes over.
Arme Patsy, je kunt toch niet weglopen van jezelf? Je bemint mij en mij alleen, en dat weet je. En als je dan toch iemand meer zou beminnen dan mij dan zou het vast en zeker geen jongen of man zijn… en dat je weet je ook! Nu, waarom dan die komedie? Waarom die grillen? Wegens Pauls aard? Laat me dan niet lachen, meisje, want Paul mag nog zo vrouwelijk lijken wat z’n gevoelsuitingen en zo betreft, hij blijft – om het cru uit te drukken – een man tussen zijn benen. Weet je, ik heb onlangs iets gelezen over iemand, die in z’n adolescentie ontdekt dat hij een naad heeft op z’n scrotum. Hij is dus blijkbaar heel jeugdig, misschien zelfs bij zijn geboorte, geopereerd aan de testes. Nu maakt hij zichzelf wijs dat hij een tweeslachtig geval was en dat men van hem een jongen ‘gemaakt’ heeft, hij kon net zo goed een meisje zijn. ‘Jojo was a man who thought he was a woman.’ Dit strookt met zijn verlangen een meisje te zijn en daarom gaat hij zich nu ook volledig als meisje gedragen, zonder zich nochtans als een travestie aan te stoten, want daaraan heeft hij de pest. Hij is trouwens zogezegd lesbisch en dan nog wel van jouw type (zijn de ‘echte’ zo niet allemaal, schatje tegenover mij en andere bisexuelen, die zo iets heerlijk vrouwelijks om ons blijven hebben?) zodat hij zich goed voelt in z’n unisex uniform van jeans-plus-pull of hemd.
Erger voor hem is dat de ‘anderen’ hem bijgevolg niet abnormaal vinden natuurlijk, daar hij ogenschijnlijk hetero is. Alles bij elkaar, zou het me niet verwonderen indien dit van toepassing zou kunnen zijn op ‘jouw’ Paul. Bekijk zijn zak maar eens nauwkeurig, liefje, wanneer hij je weer aan het naaien is. Dat zal natuurlijk wel een beetje moeilijk zijn, maar dan heb je nog andere mogelijkheden… soixante-neuf, bijvoorbeeld. Ach duifje, ik moet even halt houden, want ik krijg bijna een beroerte wanneer ik aan jou denk, terwijl jij… Maar nee, het is te gek.
Ik hoop nu maar dat ik je door dit te schrijven niet boos heb gemaakt. Ik vind Paul immers wel sympathiek, maar je moet toch weten dat wij bij elkaar horen ,meisje, en dat er niemand tussen ons mag komen te staan. Voorlopig laat ik je nog een beetje betijen, maar als het niet vanzelf overgaat, kom ik je persoonlijk halen. Tot ziens dus.
Hartstochtelijke omhelzingen
je Danielle
Noot: die brieven van Patsy zaten wellicht in haar dagboek, alhoewel het voor ons een raadsel is waarom ze dan ookniet samen bewaard werden. De graad van intimiteit wasvoor zover wij dit kunnen vaststellen toch dezelfde?
* * * * *
Oostende, 27 juli 1971
Liefste Paul,
Vreemde gedachten en ideeën bekruipen me de laatste dagen. Ik geloof niet dat het me gegeven is gelukkig te worden, tenminste niet in wat ik als het hier-en-nu ervaar (je weet immers dat ik er vast in geloof dat we in andere tijden en eventueel op andere plaatsen weer hier op aarde verschijnen, net zoals we elders in het heelal reeds geleefd hebben, leven en zullen leven).
Ook mijn verhouding met jou wil maar niet vlotten, vooral wanneer je er meer in wil zoeken dan er in feit maar te vinden is. Soms heb ik wel een fijne tijd bij jou, vooral omdat je me niet opwindt, ik je steeds – in welke omstandigheid ook – koel kan benaderen. Ik realiseer me wel dat mijn afstandse houding je ook beïnvloedt, zodat ook jij niet tot een orgasme kunt komen. En dat vind ik in ons geval juist zo fijn, want een orgasme zou iets onherroepelijks zijn als een ruzie tussen twee echte goede vrienden. Anderzijds besef ik natuurlijk wel dat dit voor jou heel erg is, zelf al ben je niet zo op prestatiedrang ingesteld als je geslachtgenoten. Daarom kan er ook nooit iets zuiverders komen tussen ons: ik sta totaal anders tegenover liefde en sexualiteit en de natuur heeft je daartoe, wat mijn gerichtheid betreft, niet het gewenste geslacht meegegeven.
Bovendien, en het spijt me dat ik je met deze woorden kwets, zou ik toch evenveel van Danielle houden als jij van mij. Maar natuurlijk heb je ook wel gemerkt dat er tussen mij en Danielle veel veranderd is sedert mijn langdurig verblijf in Zwitserland. Het is eerder een obsessie geworden. Van mijn kant dan. En daarom – en beschouw dit nu asjeblieft niet als een soort mythisch of ketters gegeven – leeft in mij de idee dat ik slechts in de moord op Danielle en de zelfmoord, of eventueel het één voor het ander want net als Edgar Allan Poe geloof ik dat de wil de fysische dood kan overstijgen, mijn opperste geluksbeleving kan vinden. Dat ene moment, dit soort katharsis, moet een sublimering van de liefdesverhouding bevatten, een top van kommunikatie. Ik denk niet dat ik ooit tot de daad zelf zou kunnen komen, maar de mogelijkheid te overwegen, te weten dat me nog steeds dat middel ter beschikking staat, maakt me al rustig. En toch, ik heb angst, want wat zou er gebeuren als we ergens alleen zijn en ik mezelf onvoldoende onder kontrole zou hebben?Maar nee, wat kan me de zekerheid verschaffen dat we niet in een grote eenzaamheid terecht komen, in een eeuwige duisternis, een ruimte waar we nooit meer met elkaar in contact kunnen komen.
Je ziet wat al vreemde, buitenissige gedachten in me rondspoken. Ik ben blij dat ik je zo vrij-uit kan schrijven en dat ik dan weet dat je me begrijpt. Ik hoop je spoedig weer te zien, en wens je in elk geval al het geluk dat je voor jezelf dromen kan (en dit is heus niet cynisch bedoeld), zoentjes, Patsy.
* * * * *
De inhoud van de brieven maakte ons niet veel wijzer. We konden wel een beetje dieper in de personen doordringen, maar feiten kwamen er niet uit te voorschijn. Vooral het gedaas over moord en zelfmoord uit de pen van een wanhopig-verliefde moet niet au sérieux genomen worden, vinden wij. We besloten integendeel onze aandacht te verplaatsen naar K. , niet in het minst om wille van die intrigerende ‘zelfmoordpoging’.
We vroegen ons af of Kitty inderdaad naar K. was weergekeerd. Zo ja, boften we natuurlijk, maar zelfs indien men haar niet meer had gezien, dan was het nog een zeer interessant aanknopingspunt om op onrechtstreekse wijze meer te weten te komen over Paul (het leek ons immers niet opportuun meteen te zeggen dat wij in een familiale en vriendschappelijke relatie stonden tot iemand, die ‘de goede naam van de instelling in het gedrang had gebracht’, want z’n signalement was reeds overal verspreid door de massamedia).
Kitty scheen niet zo’n ‘sujet sacré’ te zijn, want toen bleek dat zij inderdaad dezelfde avond nog teruggekeerd was, werden wij onmiddellijk bij haar toegelaten, zelfs al hadden wij de inlichtingen omtrent haar slechts kunnen verkrijgen op grond van een persoonsbeschrijving, want zoals je je wel herinnert, is Kitty een schuilnaam , enkel gebruikt in haar omgang met Paul.
Wel was zij inmiddels van afdeling verhuisd – ze zat nu bij de zieken die verondersteld worden levenslang in de kliniek te moeten blijven. We vroegen de verpleegster die ons ernaar begeleidde om de reden. Alweer bleek geheimhouding niet noodzakelijk: ze was nogal zwaar gestraft naar aanleiding van haar aandeel in de ontsnapping van een zekere Paul De Schepper, een dubieus personage waarvan we misschien wel al gehoord hadden, en sindsdien had ze alle contact met haar omgeving verbroken. Ze is door verschillende psychiaters onderzocht en allen kwamen tot dezelfde konklusie…’Maken jullie je dus maar geen illusies omtrent wat je van haar wil vernemen’.
Haar schuilnaam bleek echter als een wachtwoord om toegelaten te worden tot haar hart te fungeren. Daar hij enkel bekend was aan Paul, kon het niet anders of wij moesten op onze beurt in een intieme relatie tot hem staan. Ze begon te wenen. Ron stond er een beetje verwezen bij te kijken (hij weet nooit hoe in dergelijke situaties te reageren), daarom nam ik het initiatief.
Ik vroeg haar haar eigen relaas over haar contacten met Paul. Na een uitgebreid antwoord (een opgespaarde woordenvloed) wisten we hoe goed, lief, minzaam,… Paul wel was, maar de kern van de zaak bleef onaangeroerd. Mensen met een neurose hebben dat wel meer: iemand die ze vertrouwde en die lief voor haar was, betekende voor Kitty letterlijk alles. Maar dat hielp ons niet veel verder. We gaven dan ook alle hoop reeds op, toen ze terloops zei twee weken na Pauls verdwijning nog een brief van hem te hebben ontvangen.
We smeekten haar die te mogen lezen, maar die aandrang bleek niet nodig te zijn, want ongegeneerd ging ze onder haar rokje en haalde tussen broekje en venusheuvel een brief te voorschijn, die ze als een relikwie behandelde. De plaats leek ons daartoe wel een zeer suggestief schrijn, maar rekening houdend met het feit dat men in zo’n instelling vrij regelmatig alles onderzoekt, kasten leeghaalt, briefwisseling nakijkt en zo was het eigenlijk een logische veiligheids-
maatregel. We namen de brief mee, met het oog op een fotokopie, en beloofden Kitty hem de volgende dag weer te bezorgen. Dat Ron een broer was van Paul vond ze een voldoende reden om ons zonder meer volkomen te vertrouwen.
Uiteraard stond er een naam en vals adres op de omslag, maar vreemder was dat hij volgens de poststempel uit Oostakker was verzonden. De brief zelf bevatte datum- noch plaatsaanduiding.
Liefste Kitty de la Ferté,
Zoals beloofd schrijf ik je. Ik moet je echter al van meet af aan teleurstellen door je erop te wijzen dat dit meteen voorlopig de laatste brief is die je van mij zal krijgen,
daar het voor mij veel te gevaarlijk is – ik ken de geplogendheden in K. Jammer genoeg kan ik je ook geen adres laten, zodat deze brief noodgedwongen onbeantwoord zal blijven, hoezeer me dit ook spijt. Wat men je ook zou trachten wijs te maken, wees maar niet bezorgd om mij, ik maak het uitstekend, al moet ik natuurlijk toegeven dat ik naar buiten uit wel in nesten zit. Men beschuldigt mij namelijk van moord. Na ons afscheid heb ik immers eerst de nacht doorgebracht bij mijn broer in Gent en daarna ben ik naar Antwerpen gereden om iemand op te zoeken die in verband stond met mijn internering. Dan is alles wat in nevels gehuld in mijn geest, maar toen de nevels optrokken, bleek die persoon dood te zijn. Het lag voor de hand dat men mij van moord zou beschuldigen en ik ben er dan maar van door gegaan. Ik hoef je allicht niet te zeggen dat ik onschuldig ben, maar je zal mij wel bijtreden wanneer ik erop wijs dat alle bewijzen tegen mij zijn. Wat daarna gebeurde is nog fantastischer. Je herinnert je nog die droom van je? Ik loog niet toen ik zei geen Galswinthe te kennen, maar ik meende toen reeds de betekenis van de droom, of het visioen zo je wil, te kunnen begrijpen. Er bestaat voor mij inderdaad een Galswinthe, hoewel ze heel anders heet. Welnu, die Galswinthe Rusell, die jou als boodschapper gebruikte, en waarvan ik dacht dat ze dood was, leeft. Dat ik haar mocht ontmoeten, zouden anderen aan het toeval wijten, maar een toeval was het zeker niet. Overigens is zij het ook, die me je terugkeer naar K. bevestigde. Zo ben ik nu gelukkig, hoewel ik je misschien vanuit een andere wereld schrijf, dan die waarin jij nu leeft en waarin we elkaar ontmoetten.
Ik ben hier ook veilig en hervind langzaam de rust die me al een hele tijd onbekend was. Ik hoop dat ook jij ooit zo’n fijne periode mag kennen. Indien het mogelijk zou zijn je op een of andere wijze te bereiken, zal ik dat zeker doen; blijf daar echter niet op hopen. Mijn innigste groeten, kleine Anne, je Jacques de Saint-Selve.
* * * * *
De volgende dag brachten we Kitty, als beloofd, de brief weer. Ze had echter net een injektie gehad, zodat ze ons nog amper herkende. Nadat we haar geholpen hadden met het wegbergen van de brief, namen we afscheid van haar, maar ze was reeds ingeslapen.
We besloten dan maar even ons licht op te steken op Pauls vroegere afdeling. Daar het woensdagnamiddag was, troffen we in het salon slechts drie vrouwen aan, twee in druk gesprek, de derde achter een krant gedoken. Zij was het nochtans die opstond en vroeg of ze ons van dienst kon zijn. Door Pauls relaas verwittigd, deinsden we al een beetje terug, maar ze stelde zich voor als de verpleegster van dienst. Onze vergissing was begrijpelijk, want in deze afdeling draagt het verplegend personeel niet de klassieke witte kledij als statussymbool en zelfs niet het leuke witte kapje dat menig jong verpleegstertje zo sexy staat – ‘afdalen tot het niveau van de patiënt’ heet dat dan. Ze droeg wel een speldje waarop stond ‘Hélène Rollin’ maar wie weet, misschien liep iedereen hier wel met z’n naam als handelswaar op de borst geëtaleerd. We waagden het dan toch maar over Paul zelf te beginnen (we waren hoe dan ook in geen geval van plan hier ooit nog – uit vrije wil- terug te keren). Ze beantwoordde echter minzaam onze vragen. Misschien was dat omdat zij pas één week voor hem op de afdeling was gekomen en zich daarom nog niet vereenzelvigde met de inrichting zelf. Zij was ook wel overtuigd van Pauls schuld maar deed toch haar best om het een beetje af te zwakken. Bovendien, in tegenstelling met wat Paul schreef (dat hij – Kitty buiten beschouwing gelaten – met niemand veel contact had) beweerde zij op vrije intieme voet met hem te hebben gestaan. Ze hadden zeer lange gesprekken gevoerd over schilderkunst, psychologie, muziek… maar verder kon ze in feite weinig interessants over Paul vertellen.
Toen we over de vermeende zelfmoordpoging begonnen, was ze eerst een beetje weigerig om iets los te laten. Ze reageerde echter heftig, wanneer we onzevermoedens uitspraken, die in de richting gingen van vergiftiging of toedienen van drugs. Ze had de nacht van degebeurtenis dienst gehad. Toen ze Paul, in coma, aantrof in het salon, had ze dadelijk een dokter verwittigd. Samen brachten ze Paul naar bed en de psychiater bleef bij hem waken. Het had haar verwonderd dat men de volgende dag gewag maakte van een zelfmoordpoging door overdosering, terwijl ze toch geen maagspoeling had moeten toedienen. Zijzelf had meer geopteerd voor een shocktoestand met psychische of fysische oorzaak. Maar daar was het dan ook bij gebleven. Op dat ogenblik klonk een vreselijk tumult uit één der kamers. Hélène zei ons dat ze ogenblikkelijk weg moest, wat vrij evident leek, en riep ons haar huisadres nog na met zo’n nadruk op ‘meer confidentiële verklaringen’ dat we er gewoonweg heen moesten.
In feite zag ik er wel wat tegenop want, hoe graag ik het mysterie rond mij arme broer ook wou oplossen, deze zaak begon mij verschrikkelijk in de kleren te zitten. Ze leek moeilijker op te lossen den je een paling bij zijn staart kon vangen. Er restte ons niets dan op het enige ‘lichtpunt’ af te gaan. Johan zou dan ook met Hélène een meer precieze afspraak (maken?) en me verwittigen.
Zo reden we op een waterzonnige zondag in Johans N. S. U. tje (Pauls auto was al even onvindbaar als hijzelf) in de richting van Brussel, Schaarbeek om precies te zijn. Eigenlijk had dit voor ons een waarschuwing moeten zijn. Door de wet van de communnicerende vaten, moesten we immers weten dat waar de officiële ‘ordehandhavers’ het meest ‘drastisch’ optreden, ook het officieuze gangsterisme hoogtij zou vieren.
Onderweg dacht ik er reeds aan hoe ik doe Hélène Rollin zou beschrijven. Daar ik me niet wil vermeien in ellenlange zinnen over haar felblond, krullend, opgestoken haar of haar lange wimpers of meer van dergelijke atrributen, kwam ik uiteindelijk tot de slotsom dat ik kon volstaan met de boutade: “Je zou wel gek moeten zijn om er mee te vrijen, maar je moet er niet mee vrijen om er gek op te zijn”. Het was dan ook deze laatste troef die ze had uitgespeeld en waarop Johan dadelijk ‘pas’ had geantwoord; zelf zou ik eerder ‘miserie’ gaan…
De Grote Blonde met de Zwarte Schoenen kwam zelf opendoen (wie anders eigenlijk?). Toen ze in de hal van de tamelijk luxueuze villa stonden te drentelen (verdienen verpleegsters dan zoveel?), sloot ze de deur zo zorgvuldig en zo opvallend dat het ons moeilijk kon ontgaan. Johan verklaarde me later dat hij veronderstelde dat ze er een speciaal ‘feestje’ van wou maken; ikzelf begon echter argwaan te koesteren, een argwaan die Hélène dadelijk wegnam, of dat althans poogde, door te zeggen dat ze de laatste tijd doodsbedreigingen had ontvangen. Johan maakte onmiddellijk de link met de mysterieuze oproepen die Philippe en Paul hadden gekregen, met dit verschil dan dat het bij Paul niet bij woorden was gebleven. Hij informeerde dan ook wanneer die bedreigingen begonnen waren. Zoals we konden verwachten, bleek dit te zijn vanaf het ogenblik dat Paul haar een aantal zaken verteld had die met de dood van Patsy in verband stonden. We betraden een kamer waarvan de blinden gesloten waren voor een zon die nauwelijks te bespeuren was. Tot onze verwondering zat in het halfduister een man. Ik zou onmiddellijk gezworen hebben dat het Paul was, maar iets weerhield me ervan te denken dat het inderdaad zo was. Hoe dan ook, de man keek niet op toen wij binnenkwamen. Johan had tersluiks veelbetekenend naar mij gekeken en zeker nu we naderbij waren gekomen, kon er niet de minste twijfel bestaan: dit was inderdaad Paul, tenminste fysisch.
Daarna ging het allemaal heel vlug. In de deuropening was een bonk van een vent komen staan, die ik nog nooit gezien had en die blijkbaar ook niet veel zin had nader kennis te maken; hij hield immers een kanjer van een revolver dreigend voor zich uit. Hélène kreeg opdracht ons te fouilleren en toen bleek dat wij ongewapend waren, moesten wij op de sofa, naast Paul plaatsnemen.
Ik deed een poging om zijn?(stilzwijgen?) te doorbreken, die niet het minste resultaat bij hen opleverde, maar wel tot gevolg had dat ik een onzachte klap om mijn achterhoofd moest inkasseren zodat (het?)me zwart voor de ogen werd en ik nog geruime tijd nadien met barstende hoofdpijn rondliep.
Nadat onze handen op de rug gebonden waren (Hélène was vast deskundige op het gebied van snelverband) en we een blinddoek voor de ogen hadden, werden we weggebracht. We liepen een respektabel aantal minuten, maar nooit lang rechtdoor en vaak trap op en trap af, zodat ik begon te vermoeden dat men ons gewoon een aantal keren door het huis liet lopen om ons te misleiden. Tenslotte werd ik naar een hard bed geleid, en Johan naar een ander.
* * * * *
Ik had me gedurende al die tijd opvallend rustig gehouden, eerst en vooral omdat ik een beetje verbouwereerd was (ik had me dit namiddagje helemaal anders voorgesteld) en ten tweede omdat het zonderlinge gedrag van Paul, de ‘koele’ houding van de vreemdeling en de ruwe behandeling die Ron mocht ondergaan, me ervan overtuigden dat we hier met professionals te maken hadden. De list van het vele op- en neergaan was echter zo amateuristisch dat zelfs Ron met zijn schele hoofdpijn hen doorzien had. Eens aangekomen in wat later een kamertje zonder venster bleek te zijn, hielden wij ons geruime tijd rustig. Dan begon ik zachtjes om Ron te roepen. Deze antwoordde niet, zodat ik veronderstelde dat hij door de slag of in slaap, of in bezwijming was gevallen. Ik probeerde me los te wringen, wat heel makkelijk ging, zo makkelijk dat het wellicht juist de bedoeling was dat we onze handen konden vrijmaken. Mijn vermoeden werd bevestigd toen ik daarna mijn blinddoek afnam, want ook Paul zat in onze ‘cel’, echter ongeboeid. Nochtans, ook ik slaagde er niet in contact met hem te bewerkstelligen. Hij leek in een vreemde soort trance. Ik was echter van mening dat dat niet voortdurend het geval kon zijn, vermits hij toch een brief had geschreven naar Kitty, en die bovendien nog had gepost ook. Dit laatste betekende dus dat hij of een zekere mate van vrijheid genoot of dat iemand hier in huis hem gunstig gezind was. Dat stemde me hoopvol. Maar anderzijds was Paul wel erg zwijgzaam in deze alles behalve rooskleurige toestand, zodat ik voor mezelf besloot dat hij steeds in een soort no man’s land leefde, een grensgebied tussen zijn ‘reële’, fysische leven en één dat hem door hypnose, drugs of wat dan ook opgedrongen was. Terwijl ik Ron voorzichtig bevrijdde, maakte ik bij mezelf de bedenking dat het onder die omstandigheden wel goed mogelijk was dat Paul Jacques vermoordde. Ik panikeerde even; tenslotte zou hij in dat geval net zo goed instrukties kunnen volgen die erop gericht waren zijn broer en mijzelf te elimineren. Hij zat er echter zo rustig en kalm bij dat ik de angstwekkende gedachte van mij afschudde. Ik probeerde alles in zo’n gunstig mogelijk daglicht te zien en hield mezelf (en later ook Ron, wanneer ik hem dit bij zijn ontwaken vertelde) voor dat Pauls ondefinieerbare toestand er eerder scheen op te wijzen dat die ‘machten’ hem niet helemaal onder kontrole hadden. Daar ik zelf toch enige ervaring heb op dat gebied, besloot ik er mijn werk van te maken hem zoveel mogelijk aan die invloed te onttrekken.
Het ontwaken van Ron was natuurlijk erg pijnlijk. Zijn broer zat daar nog steeds voor zich uit te staren op een stoel voor een klein tafeltje waarboven een gebroken spiegeltje hing, wat samen met een pispot en de bedden, het volledige interieur van het kamertje uitmaakte (die pispot werd regelmatig door Hélène geledigd, terwijl de onbekende bonk ons met zijn speelgoed in bedwang hield, zodat zelfs hier bewezen werd dat verpleegsters als belangrijkste taak hebben: pispotten uitdragen).
Het eerste waarvoor men echter de deur opende was niet voor het zojuist beschreven ritueel, maar voor het brengen van een sober avondmaal. Tot onze verrassing nam ook Paul een schotel aan. Terwijl hij zat te eten en we uiteraard weer alleen waren, trachtten we om beurten hem aan het praten te krijgen. Eerst zonder het minste resultaat, dan schenen er toch enkele prikkels zijn hersenen te bereiken, want hij hield soms op te kauwen en scheen aandachtig te luisteren, als iemand die krampachtig poogt zich te koncentreren. Tenslotte bleef hij naar Ron staren. We spraken niet meer, maar wachtten angstig af wat zou gebeuren.
– Ronny? Jij hier?
Een kort knikje was voldoende om hem uitbundig te laten opvliegen en ons beiden hartstochtelijk te omhelzen. Na de vreugde van het weerzien, deden we ons relaas. We wilden eerst zelf heel precies zijn, zodat hij zich langzamerhand de zaak weer zou herinneren. Hij liet ons dan ook praten, op deze merkwaardige uitzondering na: toen we het hadden over de brief naar Kitty, zei hij na de bewuste namiddag niets meer van haar te hebben gehoord omdat hij tot zijn schaamte moest bekennen dat hij niet eens meer aan haar gedacht had. Als verontschuldiging voegde hij eraan toe de laatste tijd weer vaak over Patsy te hebben zitten dromen (eigenlijk zei hij “sinds ik ze weergezien heb”, maar dat zullen we maar op rekening van zijn toestand schrijven). Dan kwamen we bij het delikate punt:
– Paul, heb jij… euh, Jacques.. vermoord?
Paul wreef even verveeld in de handen:
– Nee. Maar Philippe…
– Maar Philippe. Philippe leeft toch nog!
– Philippe is dood. Ik heb hem vermoord.
Alhoewel her erg onwaarschijnlijk leek, lieten we hem toch aan het woord, want hij scheen weer in zo’n soort trance te zijn:
– Ik vond Philippe in een halfduistere kamer, waar hier en daar iets fosforizeerde (licht?). Kortom, een obducerende atmosfeer. Het bleek dat hij (in stofjas) zijn dactyliotheek aan het nakijken was en naar waarde aan het schatten.
Naast enkele kostbare stenen, bleek deze ook te bestaan uit?.
“Zelf gevangenen?”, spotte ik.
Even schrok hij, maar antwoordde dan bedaard: “Nee, jongens, dit is historie”.
“Dit is dood”, replikeerde ik koel, terwijl ik zijn hand die een fossiel vasthield, in de mijne nam. Ze voelde koud aan.
“Je bent vervelend”, zei hij, terwijl hij schuin van onder zijn wenkbrauwen naar omhoog keek (hij is nogal klein van gestalte). Aan de muur ging een schilderij van een schip. Met? baren en al. En zeilen. De Papillon Rouge. Hij zag dat ik er ook naar keek. “Degelijk schip. Lijkt wel gemaakt uit het hout van de?”. “Ja, het zal wel nooit vergaan”, zei ik.
Hij keek nog eens lang naar het schilderij, dan even naar mij, alsof hij mij met zijn blik wou aansporen hetzelfde te doen – en ik dééd het – en dan opnieuw minutenlang naar de muur. Het leek wel of ik na al die tijd de golfslag tegen de romp kon horen, de boeg horen kraken en de scheepsjongens bevelen naar elkaar schreeuwen.
“Ik vind je wel sympathiek”, zei hij plots met iets dat op een glimlach leek, “echt”.
Ik haalde even de schouders op. Onbewust. Het maakte hem blijkbaar eindeloos verdrietig.
“Jongen, indien je het toch maar begreep. Indien je het maar begréep!”
Met betraande ogen keek hij naar mij op. Ik kreeg het benauwd. “Ik zou je zo graag helpen”, fluisterde ik, “maar het moet”.
En dan weerklonk het schot.
Ik kan niet het niet uitleggen. IK was het, maar toch was ik het ook weer niet. Ik wou het niet doen, maar deed het toch en WIST het.
Een fraktie van een sekonde later werd ik plots hysterisch bang. Ik dook onder de tafel met de fossielen, met mijn hoofd in zijn handen. Ik lag daar nog te sidderen wanneer het gekreun van Philippe tot me doordrong. Ik schoof naar hem toe, richtte hem op. Hij sprak erg moeilijk. “Eindelijk”, mompelde hij. En “Dank je, eigenlijk heb je me toch nog geholpen”. Hij vroeg me niet waarom ik het gedaan had, maar plots begon hij te lachen, schor, droog, akelig. Hoe zoet zou zijn wenen op dit moment geklonken hebben!
“Wij zijn als ratten op de kermis”, zei hij hortend, “het kooitje wordt opgelicht, we lopen een beetje rond, nu eens aangetrokken door een worteltje dan weer door een andere versnapering en tenslotte kiezen wij een bepaald holletje. Maar elk hokje is hetzelfde. Een hand neemt je er weer uit en plaatst je opnieuw onder het kooitje. En je wacht tot het kooitje weer wordt opgelicht… je wacht als een pijndronken? op de arend… Sisyphus spuwt in zijn handen en begint weer van vooraf aan… Ik kom terug, jongen, niet meer als Philippe, verdorie, niet meer als Philippe, gelukkig niet. Misschien als Danielle. Ja! Als Danielle…” mompelde hij verrukt, en verloor dan het bewustzijn.
Ik vergewiste mij ervan dat hij nog niet dood was enlegde hem weer op de grond; toen ik mijn hand die zijn hoofd ondersteunde, terugtrok, zat het(ze?) volledig onder (het?)bloed; ten volle ervoer ik de walging waarover? het zo graag heeft. Ik stopte mijn pull onder zijn hoofd en wou opstaan om een dokter en de politie te verwittigen. Hij trok mij echter bij mijn mouw: “Laat me rustig sterven. Laat hen asjeblieft wegblijven met hun bloedtransfusies, hun haken en messen. Ik heb geen pijn. Ik ben net een fles rode wijn die gekanteld is en zachtjes leeggulpt (dacht hij ook aan Elvira Madigan?)
Ik moest nu mijn oor bijna op zijn mond leggen om nog iets te verstaan. De volzinnen zijn dan ook een noodgedwongen aanvulling door mij, van wat louter flarden waren. “Maak je maar geen verwijten Paul. We zijn beide slechts pionnen op een schaakbord. Bovendien was ik gewaarschuwd. Maar ik hield teveel van Danielle. Ik wist wel dat ze me bedroog met Jacques Arnout, om er maar één te noemen, maar die is dan ook zijn straf niet ontlopen. Ik wist dat ze bisexueel was. Maar doet het ertoe? Ik hield van haar en van haar grillen. En zij hield van mij. ZIJ HIELD VAN MIJ, hoor je!
Philippe: het is gebeurd.
Danielle: goed. Ik breng je thuis.
Philippe: hij wist het, hij wist wat ik kwam doen.
Danielle: dat was de bedoeling. Het offer was anders zinloos.
Philippe: zijn ogen toen hij die koffie dronk… en een verwijt, ook wanneer hij stierf.
Danielle: zei hij niets meer?
Philippe: enkel die blik, begrip en medelijden…
Danielle: mmmm!
Philippe: alsof hij zeggen wou: we verschillen niet zoveel, we zijn allebei slachtoffers van het moederdier, van de moederhoer… jij houdt niet van mij, Danielle?
Danielle: nee, en ik heb nooit van je gehouden.

Ze hield van mij, ze was niet enkel op mijn geld uit,
ook al…
Zijn zin eindigde in gerochel. Hij was nu zo opgewonden dat ik dacht dat hij elk ogenblik kon sterven. Ik trachtte hem te kalmeren door het zweet van zijn voorhoofd te betten.
“Wie heeft je gewaarschuwd, Philippe?
“Ik ken haar niet. Ze heeft jou ook willen vermoorden, en ze zal het opnieuw proberen. Daarom verwittigde ze mij: een spelletje, wie zou het winnen. En de winnaar zou dan toch verliezer zijn. Daarom, ik had de moed niet en ik hou wel van jou jongen; let op, ze zal je willen vermoorden. “Dat zal ze niet Philippe, want ik ben reeds dood. Ze heeft me inderdaad vermoord.”
“Ja, dat heeft ze…”, berustte hij, maar dan werd hij plots weererg onrustig.
“Zeg nooit, NOOIT, hoor je dat ik het dit allemaal gezegd heb. Zeg dat ik ogenblikkelijk dood was. Vraag de wetsdokter of hij het zo in de krant wil laten verschijnen. Beloof je het me? Hij greep me hierbij met zo’n aandrang vast dat mijn hemd scheurde.
“Ik beloof het je”.
“Drinken!”
“Ik ga gauw even water halen…”
Toen ik terugkwam:
“Wat was dat over Jacques, Philippe?”
“Oh die! Ik had een afspraak met hem geregeld, op haar ‘verzoek’. Het was allemaal zo verward. Toen ik binnenstapte kotste hij bijna. Ik overigens ook. We spraken over de meest onbenullige zaken. Hij verwachtte allicht dat ik over die negentien miljoen zou beginnen en ik… Toen hij even naar het toilet was, haalde ik het doosje uit mijn zak; ik had het er niet zo ingestopt, maar wist dat het er was. Het poeder loste dadelijk op. Terwijl hij zijn kopje leegdronk, keek hij me vreemd aan, alsof hij wist… Enkele sekonden later begonnen de krampen en heb ik hem op bed geholpen. Hij werd weer rustig en… toen kwam jij. Beneden stond Danielle me op te wachten met de auto…”
Onwillekeurig balde ik de vuisten. Steeds weer hetzelfde liedje: Heilige Danielle bid voor ons. Dat rotwijf was in feite de oorzaak van al het leed. Ik zweer ter plaatse de dure eed haar ware natuur wel te openbaren op het geschikte moment.
Het bloeden had omzeggens opgehouden. Hij hapte naar lucht als een vis op het droge. Stervend mompelde hij nog:
“Toch,… ik het toch… haar naam… Hélène… Hélène Rollin…”
Toen Paul uitgesproken was, ging hij op Rons bed liggen en viel in een diepe, comateuze slaap. We zagen dat zijn hemd op de rugzijde gescheurd was…
* * * * *
Lieve Patsy,
Echt, ik denk dat je gelijk hebt, daar we elkaar niet meer zullen weerzien, kunnen we even goed maatjes blijven. Het zou al te stom zijn als we van vrienden enkel de beste herinneringen zouden behouden. Ik ben bereid alles te vergeten. Je ziet, ondanks alles heb ik altijd van je gehouden en aanvaard ik je zoals je bent, wat je ook van mij mag denken. Een foto kan ik je echt niet toesturen. Het spijt me ontzettend, maar ik bezit er gewoon geen. Ik hou veel van foto’s en verzamel die van vrienden dan ook; maar van mezelf heb ik er geen enkele. Het klinkt misschien gek maar het is nu eenmaal zo. Net als de primitieve volkeren denk ik, dat het iets met bijgeloof te maken heeft of zo… Aan spiegels heb ik trouwens evenzeer een hekel. Op mijn appartement vind je er geen enkele (ik laat mij door een vriendin opmaken) en een kamer waarin zich een grote spiegel bevindt die als het ware het interieur domineert, weiger ik obstinaat te betreden.
Wat je van me denkt! Ik weet het heel goed… Toch stel ik er prijs op je te zeggen hoezeer je je vergist, want je kent me heel slecht en bijgevolg oordeel je verkeerd. Ik vermoed trouwens dat je weigert me beter te leren kennen. Wat ik je nu al een hele tijd tracht duidelijk te maken: voor mij ben je enkel een vriendin, niet méér maar ook niet minder – de vriendschap die ik twee, drie jaar geleden voor je koesterde, die nog steeds dezelfde is gebleven, geloof me vrij. Maar ik moet zeggen dat je een beetje een eigenaardig karakter hebt. De reden?…Misschien ken je ze wel… ik overigens ook en reeds sedert lang. Niet dat het me veel uitmaakt, of dat ik dit zou willen veranderen of zo, nee, helemaal niet, het laat me siberisch koud. Misschien zullen we elkaar beter begrijpen als we elkaar toevallig nog eens ontmoeten. ALS. Dan is het niet meer nodig te doen alsof. Dan helen de wonden, die kwetsende woorden veroorzaakt hebben, vanzelf.
Ziezo, ik voel me opeens veel meer opgelucht en ik hoop dat we elkaar nu beter zullen verstaan en dat je me eindelijk als een oprechte vriendin zult aanvaarden.
Kusjes,
Hélène Rollin
P.S. Het is niet nodig deze brief te antwoorden. Ik heb trouwens geen adres. Je antwoord zal me via een andere weg bereiken… als je gevoelens oprecht en intens zijn (geloof jij ook in telepathie, lieveling?….)
* * * * *
Deze brief zat in mijn broers achterzak en gezien zijn toestand denk ik niet dat iemand het ons ten kwade zal duiden dat we hem gelezen hebben. Patsy moet dus blijkbaar ontelbaar veel vriendinnen gehad hebben, wat volgens mijn broer niet te verwonderen was omdat ze zo’n innemend karakter had. En wat de ‘aard’ van die vriendschappen betreft… honni soit qui mal y pense! Ik zou er enkel op willen wijzen dat in die bijna middeleeuwse kostschool (langdurige afzondering, geen enkel mannetjesdier in de buurt, verschrikkelijke eenzaamheid die nog geaccentueerd werd door het dekor: koud, vervreemdend, tijdloos) het één moeilijk van het andere te scheiden is.
Ik zat met Johan nog wat over deze brief na te praten, toen het licht plots werd uitgedraaid. De volstrekte duisternis beangstigde me zozeer dat ik net als in Zevekote een droom had: ik zat alleen in ditzelfde kamertje (het enige verschil was dat de spiegel verdwenen was) en las een boek over tarot. Plots stond Philippe voor me en stak de hand uit. Als een verzoenend gebaar. C’était une piège pour Cendrillon, zei hij, droevig, glimlachend. Hij verdween toen het licht plots weer hel aanflikkerde. Hélène bracht het ontbijt. Wat volgens mij slechts enkele sekonden gevergd had, had in feite een ganse nacht geduurd.
Paul was ook ontwaakt en staarde me vreemd aan. Ook wanneer Hélène hem aan sprak, keek hij niet om.
Ze zei: Philippe is dood.
Dan sloot ze de deur opnieuw en wij gebruikten ons ontbijt in stilte. Tenslotte verbrak ik deze met het verhaal van mijn droom. Ik wou vooral weten wat die woorden van Philippe konden betekenen. Johan zei dat het misschien wel iets te maken had met een film die hij gezien had.
– En misschien heeft Philippe die ook gezien.
– Maar ik heb het toch gedroomd, of niet soms? En ik heb nog nooit van een dergelijke film gehoord.
– Ja, Ron jong, maar toch is het mogelijk. Als Philippe hem maargezien heeft, en dan nog…
– Waarover gaat die film eigenlijk (Paul zei eindelijk ookweer eens wat)
– Nou, in retrospectie moet ik wel toegeven dat het hoofdpersonnage me aan Patsy doet denken, lichamelijk wel te verstaan: de knappe Dany Carrell (in feite Suzanne Chazelles du Chaxel) die de dubbelrol speelt van Michèle en Dominique. Maar geestelijk! Het wrede spelletje van elkaar willen vermoorden, de onduidelijke lesbische verhouding met als katalysator de gezelschapsdame Jeanne, in wiens armen ze beiden gaan uithuilen en nog wat meer…
Paul schuifelde onrustig over het bed:
– Ook ik heb vannacht een rare droom gehad: ik liep door ellendig verlichte gangen, er kwam geen einde aan. Plots stond ik voor Patsy, ze was naakt. Ik wou haar grijpen maar ze ging lopen. Ik erachteraan. Het duurde net uren. Toen stonden we plots in een soort arena. Patsy bleef wachten. Ik zoende haar, drukte haar tegen me aan. Ik voelde de warmte van haar naakt lichaam door mijn kleren. Net toen ik een orgasme had, verscheen Philippe. Hij lachte cynisch. Patsy rukte zich los en liep op hem toe. Hij nam een pistool en schoot zich door het hoofd.
Op dat ogenblik veranderde Patsy helemaal, het was Patsy niet meer. Ze lachte heel schel en fluisterde: ‘Sukkel! ik ben Patsy niet: je holde achter de verkeerde aan.’ Ik zag Johan diep nadenken. Hij had in zijn leven wel al wat met dromen te maken gehad en hechtte er alleszins veel belang aan.
– Jij hebt Philippe vermoord, zei hij plots.
– Natuurlijk heb ik dat, gaf Paul somber toe.
– Dus ben je bezoedeld. Je moet weer gezuiverd worden vooraleer je weer met Patsy kunt communiceren.
Ik vond het allemaal wat vergezocht, maar Pauls gelaat klaarde op.
– Natuurlijk! Dat is het. Dààrom komt ze me niet meeropzoeken. Maar hoe word ik gezuiverd?
Volgens mij had de komedie nu lang genoeg geduurd, maar Johan ging entoesiast verder:
– Herinner je je nog de dwangidee van Patsy? Dat ze enkelgelukkig zou zijn door zelfmoord en moord op Danielle?
– Ja, maar gelijktijdig… weifelde mijn broer.
– En wie zegt dat het niet gelijktijdig kan!
– Patsy is al dood…
Zo ongeveer moest het er in K. aan toegaan, dacht ik.
– Herinner je Paul: ‘er is geen tijd tenzij de eeuwigheid’!!!
Paul knikte als bezeten en wou opstaan en weggaan, maar Johan versperde hem de weg en keek hem recht in de ogen:
– En welke kwade geest huist in jou, Paul?
Stilte.
– Wie heeft macht over jouw geest, Paul?
Johan stelde zijn vragen met steeds meer aandrang, maar Paul bleef stokstijf staan en staarde wezenloos voor zich uit.
– Is het Hélène Rollin?
Paul bewoog langzaam (moeizaam) het hoofd van links naar rechts te draaien.
– Is het de bewaker?
Paul – eigenaardig genoeg – lachte droog.
– Wie is die mysterieuze bewaker, Paul? Kwam ik er tussen, maar Johan beduidde me dat ik me er buiten moest houden. Hij herhaalde echter mijn vraag.
– Het is een?
– Een wat? Ik werd prompt op het bed geduwd door een driftige Johan.
– Een?, herhaalde Paul, nu blijkbaar weer wat meer ontspannen. Tot grote ergernis begon hij er, wellicht vanwege mijn opmerking, over uit te weiden:
– Hij is een gewoon een knecht. Nou ja, gewoon… Hij is deman van de telefoontjes natuurlijk en als het er op aan komt, zal hij dat pistool dat hij hanteert misschien ook wel gebruiken, maar eigenlijk is hij geen kwaaie vent. Hij wordt gewoon misbruikt. Net als ik en Philippe er binnenkort misschien ook jullie wel. (Hij begon voorwaar te lachen!) Zo hadden ze om hen te pesten…
– Ze? vloog Johan op, maar Paul ignoreerde hem.
-…ons eens samen op de badkamer opgesloten. De arme kerel betastte mijn teelballen alsof het de kroonjuwelen betrof.
Hij begon nu hysterisch te lachen en Johan gaf hem een kaakslag:
– Wie zijn ‘ze’, Paul?
Mijn broer hield op met lachen en zweeg als een graf.
Johan herhaalde de vraag een paar maal, maar zonder resultaat. Dan zei hij zelf maar: Hélène en Danielle, hein?
Het hoofd van Paul ging langzaam op en neer.
Op dat ogenblik vloog de deur open en Danielle stond in de deuropening, met het pistool in de hand. Hélène en de? stonden achter haar.
* * * * *
– Goed gewerkt ventje, je bent knap. Maar niet knap genoeg om het tegen mij te kunnen opnemen. Je begrijpt dat ik nu natuurlijk niet langer risico’s kan nemen. Alhoewel het mijn plannen in de war stuurt, kan ik jullie niet langer in leven laten. Maar kom, nu we dan toch zo ver staan, mogen jullie het vervolg wel kennen, zoals het had moeten zijn, tenminste.
Die sukkel van een Philippe had in feite toch gelijk: ik deed het niet alleen om het geld, ik deed het zelfs niet om hetgeld tout court; ik deed het uit liefde. Of uit haat, of jaloezie, wat doet het ertoe? Het komt toch allemaal ophetzelfde neer. Maar geen liefde voor hem, nee… niet voor hem.
Ze gaf het wapen terug aan de? en gebood ons op één van de bedden te gaan zitten. Paul bleef echter nog steeds als versteend rechtstaan. Zelf ging ze zonder op hem acht te slaan, op het andere bed, rechttegenover ons zitten. Hélène nam naast haar plaats en lei haar arm om haar heen.
Haar stem verzachtte en haar blik richtte zich op de grond:
– Ik zag Patsy voor het eerst aan op het strand, een zondag in mei. We waren pas dertien jaar, maar Patsy was toen al wat ze nu nog is, enfin was….
Ikzelf was al meer ‘volwassen’ dan de andere meisjes, wat eigenlijk niet meer wil zeggen dan dat ik reeds borsten en schaamhaar had. We hadden met een aantal meisjes net een wedstrijd gehouden in om het eerst een duin te beklimmen, en ik stond nog uit te hijgen toen ik haar zag. Onmiddellijk vond ik haar een droom van een meisje, hoewel ze voor anderen een wellicht onopvallend joch was. Ze had jongensachtig, kort geknipt haar dat toen nog kastanjebruin was, later zou ze het laten bleken. En ze droeg een jeans – wat in die tijd, en voor haar leeftijd, wel erg ongewoon was – die juist onder de knie afgeknipt was. Ook dit kledingstuk is steeds kenmerkend gebleven voor haar, hoewel ze ze later niet meer afknipte, omdat ze dat te ‘bourgeois’ vond.
Ze droeg een losse trui met rolkraag, een paar plastic kraaltjes en sandalen. Inderdaad, de onschuld zelf, zoals hij daar (ze knikte naar Paul) haar ooit geschilderd heeft. Ik holde naar beneden terwijl de overige kinderen me nognariepen dat de wedstrijd verder ging, een andere kant uit.
– “Dag”, zei ik.
– “Dag”, antwoordde ze gewoon, maar in haar ogen blonk ietsheel vreemds.
Daarna liepen we samen zwijgend over het strand. Dan begon ze te vertellen, over haar vriendjes, over school, echter niets over haar familie.
Ik amuseerde me geweldig, gewoon door naar haar te luisteren, terwijl ze over mensen vertelde die ik helemaal niet kende. Toen ze uitgepraat was, vroeg ze me wat over mezelf te vertellen. Ik had tot dan toe echter zo’n saai leven gehad en zo weinig vriendinnetjes dat ik niets anders wist te zeggen dan waar ik volgend schooljaar zou heengaan.
Ze bleef verrast staan en gaf me een klapzoen. “Dan zien we elkaar weer”, juicht ze, “want daar ga ik ook heen!” Ze maakte een paar danspasjes in het zand, waarbij ze haar pull over haar hoofd trok en ermee in de lucht zwaaide. Zij had uiteraard geen borsten, ze heeft immers nooit grote gehad. Ze ademde haar longen vol en keek naar de zee.
“Kom mee”, gilde ze, terwijl ze haar sandalen uittrapte en haar broek over haar bipsen liet glijden. Ze was naakt. Ik kon mij dit uiteraard niet veroorloven zonder door de schaarse wandelaars nagewezen te worden, zodat ik haar enigszins jaloers gadesloeg terwijl ze hijgend in het water plonsde. Daarna wreef ze zich met haar trui droog. Toen we afscheid namen, zei ze gewoon: “We zien elkaar weer.” Die avond weende ik, vervuld van een onbestemd, eindeloos heimwee. Het stond in de sterren geschreven hoe dit alles zou aflopen…
We zagen elkaar weer, en kenden ondermeer een prachtige retraite. Maar in het internaat zat nog een ander meisje.
– Ik!
– Ja, jij Hélène. En Patsy werd op haar verliefd. Ondanks haar eveneens Frans klinkende naam, was Hélène niet van zo’n hoge komaf als ik en dat speelde tegen mij… En misschien was je ook wel mooier, Hélène… (deze kuste haar troostend het voorhoofd). Toen moest jij echter nog niets van dergelijke spelletjes weten en je wees Patsy nogal cru af. Zo cru dat de liefde even vlug over was als ze was ontstaan. Patsy keerde zich weer naar mij en ikdenk dat ze mij even vurig beminde als voorheen. Toch stond er iets tussen ons. Bovendien is hoogmoed wellicht mijn grootste gebrek en ik begon mijn gekrenkte trots dan ook te wreken door met jongens te lopen. Daar die knapen nog erg jong en onervaren waren, werd het niet zo’n succes. Ik gafechter niet op en dwong haar ook met jongens naar bed tegaan. Het arme kind deed al wat ik vroeg…
Ik moet wel toegeven dat ik aan sommige coïtussen echt genoegen beleefde in tegenstelling tot Patsy, zodat ik bisexueel gebleven ben, vooral wanneer het erg viriele mannen betrof, zoals Jacques of Willy.
Ook het geld begon mij meer en meer te obsederen en dat dreef me dan in de armen van zo’n stuk onbenul als Philippe. Deze begon me echter op de duur klem te zetten met een huwelijk? Nu wou ik wel zijn geld, maar ik wist ook dat hij mijn privé-leven liet napluizen: ik kon vermoeden dat eenhuwelijk met hem een einde zou betekenen van mijn verhouding met zowel Patsy als Jacques. Om deze laatste gaf ik eigenlijk geen zier, hij staat hier maar als pars prototo, als symbool voor alle echte?, alle niet-Philippen. (de? stond zenuwachtig van het ene op het ander been tewippen). Bovendien had je dan nog Paul hier die zo’nzonderlinge invloed op Patsy begon te krijgen. Ik besloot dat een soort vuurproef over mijn toekomst zou beslissen.
– De tocht met de Papillon Rouge, zei ik.
– De tocht met de Papillon Rouge… Het werd één grote ramp of een aaneenschakeling van min of meer grote rampen.
Zo was Patsy niet aan te spreken. De reden zullen we wel nooit weten, maar ik meen dat ze de afwezigheid van Paul en vooral de wijze waarop hij van haar verwijderd werd, zo aanvoelde dat ze zich begon af te vragen of ze hem nu echt beminde. Hoe dan ook, ze zat zich meestal te bezatten inhaar kajuit, waardoor ze dan weer zelf ziek werd, enzovoort. Ze haalde allerlei rare herinneringen boven. Zoals onze reis naar Londen na de middelbare school, die ik plots afbrak op verzoek van Philippe.
——–
Patsy: Waarom keerde je toen naar Philippe terug? Antwoord. waarom zit jij hier met mooie kleren aan je kont en ik half bezopen?
Danielle: Ik heb op je gewacht…
Patsy: Pfff!
Danielle: Soms midden in de nacht schrok ik wakker. Het angstzweet parelde op mijn voorhoofd. Ik droomde dat ik helemaal naakt midden een woestijn was achtergelaten, overdag brandend van liefde voor jou en ’s nachts een hol gravend in het zand, als een hagedis om de koude eenzaamheid te vergeten.Patsy: Ik begrijp het niet.
Danielle: Ik al evenmin.
Patsy: Weet je Danielle, ik drink om te vergeten, maar hetbaat niet, integendeel. Het lijkt net of iemand in mijelke slok zegt: dit is een teugje voor Danielle, ditvoor Paul, dit voor Philippe, dit voor Jacques; en als het stemmetje zegt: deze slok is voor Patsy zelf,moet ik kotsen, kotsen….
* * * * *
Philippe zelf was ook niet meegegaan en dat was dan ook al een tegenslag in feite, want ook hij was meer dan een pion op het schaakbord, hij was de bisschop (de loper), Jacques de toren, het fallussymbool ook bij uitstek, ik de koningin die alle richtingen uit kan, en Patsy de koning, na de pion het meest zwakke stuk van het spel, maar wel het voornaamste.
Philippe had echter nog een andere verrassing in petto, in de vorm van het Paard met de blonde manen, Celia Toothe. Gewoon een meisje van ginds, dat echter toevallig als twee druppels water op Hélène leek. Door Philippes opzet kwam ik met haar in contact voor Patsy haar had ontmoet. Jacques speelde ik door een gelukkig toeval (in zijn geval is zoiets overigens geen toeval maar natuurwet) kwijt aan een jong ding en Patsy was nog steeds erg knorrig en maakte dan ook meestal eenzame wandelingen.
Nou, eerst vrijde ik Celia op. Gewoon uit bezitsdrang, uit hoogmoed, uit revanche. Maar al gauw bleek dat wij veel meer voor elkaar konden betekenen. De dag voor we naar Denemarken zouden afvaren besloot ze met ons mee te gaan. Ik zou trachten Patsy hier te laten, Philippe – die natuurlijk ook kon fluiten – zou haar wel later terughalen. Wat Jacques betreft, ik waagde het niet hem met haar alleen te laten.
Celia had nu wel Patsy’s plaats ingenomen, maar dat betekende nog niet dat ik Patsy ging haten. Nog niet….
Ik was nog aan het overdenken wat ik met hem (Jacques?)zou beginnen, als die levensgrote penis zelf voor de ontknoping zorgde. Patsy was hem op één van haar wandelingen met het meisje tegengekomen, had hem uitgescholden voor rotte vis omdat hij mij bedroog, “dat hij dan beter haar en mij met rust zou laten, en met zo’n onschuldig wicht dan nog wel; typisch mannelijk en van de gemeenste soort, enzovoort…”. Jacques reageerde echter verrassend met klappen en gemene opmerkingen over Patsy’s lesbianisme, waar aan hij zich tot dan nooit gestoord had, en zei ook iets over Paul die impotent zou zijn en dies meer.
Zo kwam het dat zij onverwacht, huilend in mijn kabine belandde, terwijl Celia en ik net op het punt stonden onze klimaks te bereiken. Dat maakte haar eerst nog wilder, maar toen Celia haar gezicht naar haar toe wendde, werden ze plots beide lijkwit. Patsy stamelde: Hélène, jij hier? of zoiets en Celia kuste haar warempel alsof ze Patsy al jaren kende, terwijl ze mij voorgelogen had dat ze voor mij enkel met jongens naar bed was geweest. Ik probeerde er nog overheen te lachen, legde het misverstand uit, hielp Patsy zich te ontkleden en trachtte zo goed en zo kwaad het ging met zijn drietjes te vrijen. Ik voelde echter dat ik alweer verloren had. Ik was duidelijk het vijfde wiel aan de wagen, de hond in het kegelspel. Celia en Patsy spraken door hun ogen enkel met elkaar, zelfs al wandelde soms uit puur medelijden één van hun handen over mijn lichaam. Mijn plan stond vast op het moment dat Celia’s hand langs mijn linkerbeen omhoog klom, terwijl die van Patsy langs mijn borsten omlaag daalde om elkaar te vinden, verstrengeld in mijn schaamhaar.
Bij zonsondergang zond ik Celia met een smoesje de stad in, terwijl ik met Patsy over het strand kuierde. Ik had mijn haar voor de gelegenheid opgestoken met een tien centimeterlange scherpe pin in de vorm van een ragfijne penis met twee minuskule teelballetjes. Ik wou nog eenmaal met haar vrijen, maar ze weigerde. Dan kwamen we aan een bootje en staken er een eindje mee in zee. We zeiden niets maar lieten onze voeten in het water hangen. Normaal zou men verwachten dat ik zei het ‘koele water’, maar het was die dag zo heet geweest dat het water nog erg lekker was, men verwachtte trouwens storm. Plots zei Patsy: ik ga baden.
Ze deed haar hemd, dat ze gewoon boven de navel geknoopt had, open en maakte haar short los. De rits haperde even, maar daar dook ze reeds het water in. Ze liet zich langzaam drijven en duwde soms speels de boot in de richting van het strand. Toen hij vastliep, sprong ik eruit en keek toe hoe ze uit het water kwam: met dikke druppels parelend op het bruine vel van haar kleine maar rechtopstaande borstjes met grote, wijnrode tepels, haar karig behaarde venusheuvel en korte beentjes, haar roze achterwerk als een perzik.
Ik strekte me uit op het zand en maakte mijn minijurk los. Ze ging echter gewoon naast me liggen, keek een tijdje naar de dreigende lucht en zei toen:
– Herinner je je nog, toen ik de eerste keer bij jou bleeflogeren. De eerste keer dat we geen schrik moesten hebben ontdekt te worden. Het was vakantie, juli. Je meisjeskamer, met poppen, enkele foto’s van tieneridolen. Toen waren we nog ongecompliceerd gelukkig. Veertien of vijftien jaar, een kinderliefde die de kinderschoenen al ontgroeid was.
* * * * *
Danielle: Ben je wakker?
Patsy: Ja lieveling.
Stilte
Patsy: Dit is de hemel.
Danielle: Een altijd blauwe hemel.
Patsy: Enkel jij en ik.
Danielle; En de liefde.
Patsy: Hou je echt van mij?
Danielle: Hoe kan je zoiets vragen. (stilte) Wil je de ramenopenen?
Patsy: Ik heb niks aan.
Danielle: Niemand kan je zien.
Patsy: Jij wel.
Danielle: Ik hou er van je naakt te zien rondlopen, je bent zorozig.
Patsy: Jij bent veel mooier, meer ontwikkeld, bruiner van huid.
Danielle: Het is zomer, je zal vlug bruiner zijn dan ik overigens, ik hou van je zoals je bent, en je bentlief.
Patsy: Zullen we altijd bij elkaar blijven.
Danielle: Altijd. Geef me een zoen.
Patsy: Streel me, asjeblieft, streel me….
* * * * *
We bleven elk met eigen herinneringen naast elkaar liggen. Toen zei Patsy weer:
– De hele zomer luisterden we naar Summer in the city, en wedraaiden alle platen van Christophe.
Weer zwegen we een poosje. Toen zei ze zachtjes voor zich uit enkele regels uit een liedje van Christophe: Je construis des marionnettes, chez nous, à chaque instant c’est jour de fête, grâce au petit clown qui nous fait rire… elles vous diront que je suis leur ami…
Ze draaide haar hoofd langzaam naar mij, ik voelde dat ze bekeek.
Ik zei: Het wordt fris.
Haar hand speelde met het zand, ze keek weer naar de lucht en zei: “Danielle, ik hou niet meer van jou.”
Dan nam ik mijn speld en plofte ze tot de teelballen onder haar linkerborst.
* * * * *
PATSY!!!! gilde Paul en greep naar het hoofd van Hélène. Men vuurde, maar het leek hem niet hem te deren, hoewel het schot vrijwel zeker raak was.
Een ogenblik later had Ronny hem en ik Hélène overmeesterd en lag Danielle achterover op het bed, met donkerrode vlekken op haar lichtblauwe jurk. Een tien centimeter lange, scherpe speld in de vorm van een ragfijne penis stak tot aan de minuskule teelballetjes in haar borst. Paul lag op de grond te snikken.
Met een reeds verzwakkende stem ging Danielle toch verder:
– je bent niet zo goed als ik, Paul. Patsy was op slag dood…
Paul begon opnieuw uitzinnig te gillen en wou haar weer te lijf gaan, maar ik weerhield hem en verzocht Danielle verder te vertellen, wat ze met de dood voor ogen, maar al te graag deed. Natuurlijk vorderde ze nu traag en hortend, wat ik in de tekst niet heb weergeven:
– Ik heb niet geweend. Ik had toen ook nog geen spijt. Ik legde haar lichaam in de sloep en gooide er haar kleren ende speld bij. Dan duwde ik de sloep af en waste mijn handen. Ik bleef nog wat op het strand wandelen tot ik gekalmeerd was; de storm deed de rest…
De katastrofe begon echter pas, weer aan boord. Celia was terug en vroeg onmiddellijk naar Patsy, ze maakte zichzorgen wegens het slechte weer. We waren alleen en ik kon niks anders doen dan haar de waarheid vertellen. Ze werdwaanzinnig, zodat door haar geroep ook Jacques wist wat ergebeurd was en ook Willy heb ik me daarna nooit meer metdezelfde ogen zien bekijken, hoewel ik niet weet in hoeverre hij op de hoogte was. Celia verliet het schip en ik heb nooit meer iets van haar gehoord. Nu kwam Jacques’ ware aard boven. Ik wist dat hij reeds enkele jaren door zijn fortuin zat en daarom zoveel mogelijk in het buitenland vertoefde, waar hij dan ook overal immense schulden had; hij had ooksteeds gepoogd iets van de koek (Philippe) mee te eten. Nu chanteerde hij mij in een roekeloze onderneming om Philippe negentien miljoen afhandig te maken. Ik speculeerde erop dat de hansworst zo van mij hield dat hij de politie niet zouwaarschuwen. En hij kreeg gelijk bovendien. Philippe schakelde wel één persoon in, Paul, maar die was gemakkelijk te intimideren of uit de weg te ruimen, dachten we, en bovendien zou dat me nog een persoonlijke voldoening schenken.
Tijdens onze vlucht ontmoette ik echter Hélène. Ditmaal was het wél koek en ei, al heeft Patsy toch steeds een beetje tussen ons gestaan… (Hélène weende en ik liet haar los, zodat ze de stervende Danielle over het haar kon strelen).
Ik wilde nu Jacques wel degelijk kwijt. Hij eiste steedsmeer geld daar ik in ieder geval een grotere straf riskeerdedan hij. Hélène had tijdens haar studies en werkonrechtstreeks met het occultisme te maken gehad, en zij had zich daarin verdiept.
Zo was ze erin geslaagd zich meester te maken van het brein van een patiënt die de voordelen van het mannelijk geslacht had wat de kracht betrof, zonder de nadelen op sexueel gebied
met zich te sleuren.
Toen ik mijn krachten echter ook eens probeerde, bleek ik een veel grotere aanleg te bezitten. We kienden dan ook een kettingmoord uit waarbij de beschuldigde telkens het volgende slachtoffer zou worden. Ik probeerde het eerst op Philippe. Dat was uiteraard niet moeilijk. Als een meester-gifmenger diende hij zijn aartsvijand het door Hélène bereide poedertje toe. Toevallig kwam Paul ter plaatse. Ik kreeg medelijden met de arme Philippe die toen alles voor me over had en ook Hélène had een zekere sympathie voor hem opgevat. Zei je niet: men bijt de hand niet die je voedt, lieveling?
Daarom besloot ik Philippe zijn zinnen weer te geven. Hij lokte Paul handig binnen en verdween zonder zelf sporen na te laten. Paul werd natuurlijk verdacht. Ook hij verdween echter toen de politie arriveerde en, al geef ik toe dat ik me toen nog niet zo best kon concentreren, toch is het mij een raadsel hoe hij zich zo lang kon verborgen houden.
Hoe dan ook, vorige week ontdekte ik hem in Oostakker en bracht hem ditmaal voorgoed in mijn macht. Ik liet Philippe ombrengen, omdat de grond me nu toch te heet onder de voeten begon te worden. Bovendien liet Hélène jullie mooi in mijn armen lopen zodat ik reeds voorzag dat Ronny zijn broer zou vermoorden, waarna hij op zijn beurt door zijn vriend zou uit de weg geruimd worden. Misschien was dit het eindpunt en zou jij (ze richtte zich tot mij) van alles beschuldigd worden, maar troost je, je zal dan wel gek geworden zijn, of anders liet ik je nog ombrengen door de?. Nu laat ik jullie allen vrij… Ik voel me toch door een andere, goede macht overwonnen.
Ze keek nog even naar Hélène, stamelde “Patsy” en zweeg voor eeuwig. Zo stierf iemand die net als Aycha voor haar schoonheid en macht haar ziel aan de Boze had verkocht. We hadden haar misschien nog kunnen redden indien we het bloeden hadden gestelpt, maar niemand had eraan gedacht, of misschien had niemand zin te trachten haar in leven te houden….
* * * * *
De politie scheen het allemaal niet zo best te begrijpen, maar was toch uitermate tevreden met de vangst.
Paul zou zo spoedig mogelijk ‘in eer hersteld worden’. Na het proces belandde Hélène voor vijf jaar in de gevangenis, maar door aftrek van voorarrest en goed gedrag en zo zal dat wel niet zo lang uitvallen.
X. ging terug van waar hij vandaan kwam. Naar K. In de afdeling van Kitty. Net als zij voor levenslang. We gaan hen soms bezoeken. Dus nemen we fruit en bloemen mee.
Paul begon langzamerhand weer een ‘normaal’ leven te leiden. Na verloop van tijd herinnerde hij zich vaag zijn verblijf te Oostakker en de brief aan Kitty. Maar hij bleef beweren dat Patsy daar woonde…
Ron en ik deden dan ook alle moeite om te weten te komen waar Paul precies gelogeerd had. Ons contact werd nu wel minder intens: Ron in Gent, Paul weer in Temse, en ikzelf van her naar der. Tot ik een briefje kreeg van Ron dat hij eindelijk vrij grote zekerheid had over de Oostakkerse verblijfplaats van Paul tijdens diens ‘verdwijning’: een klein boerderijtje dat blijkbaar zichzelf en zijn bewoners makrobiotisch en biologisch in stand hield. Echt sympathiek. Ik ging hem dan ook zo snel mogelijk met mijn wagentje oppikken. Paul verwittigden we niet, enerzijds uit angst weer voor een shock, anderzijds om hem daarna des te prettiger te verrassen; het zou enigszins anders uitdraaien.
* * * * *
Indien we niet beter wisten, zouden we inderdaad gedacht hebben dat Hélène Rollin op vrije voeten was. Het betrof echter wel degelijk Celia, zoals men duidelijk kon horen aan haar Schotse tongval. Na de begroeting ging het gesprek trouwens verder in het Engels.
– Nee, niets zeggen, jij moet dan het broertje van Paul maarwezen, waarover hij zoveel verteld heeft!
Ondanks het intrigante van de plotse verschijning, heeft ook het komische hier zijn plaats (waar niet?) want Ron trok even een zure snuit; hij was nu al meerderjarig, gehuwd, vader-in-wording en kweekte zowaar een gewas onder zijn neus, maar toch werd hij door kennissen van zijn broer steeds met ‘broertje’ aangesproken alsof hij de teddybeer pas ontgroeid was. Ik (het?)gaf je wel een idee welk portret Paul telkens van hem ophing.
– Kennen jullie elkaar dan? vroeg Ron eindelijk.
– Natuurlijk kennen wij elkaar darling, ik heb hem vorig jaar toch bezocht in het ziekenhuis.
Paul had Patsy bij zijn bed gezien! Ron en ik wisselden vlug een blik.
– Ik dacht dat jij in Rusland zat, of zo?
– Nou, nee hoor, ik rotzooide zowat de hele wereld rond. Ik moet die lui in Schotland eens een kaart van ginds opgestuurd hebben en daarrond hangen ze nu de wildste verhalen op. Nee, vorig jaar was ik toevallig in België en een vriendin las me het artikel voor uit de krant…
– Een ‘vriendin’? Het ontsnapte mij. Vooral de toon had haar blijkbaar getroffen.
– Ja, een vriendin, een lief meisje dat zo vriendelijk was mij onderdak te verschaffen, of dacht je dat zoiets niet meer bestond?
– Nou, sorry hoor, het lag helemaal niet in mijn bedoeling je te kwetsen.
– Och, het geeft ook niks, zand erover. Ja, waar zat ik ook weer met mijn story? Och ja, de krant. Het was een nogal uitgebreid artikel, waaruit ik kon opmaken dat het hier ging over dé Paul als het ware, daarmee bedoel ik de jongenwaarover zoveel sprake was aan boord van de Papillon Rouge.
– En is dit nu het huis van je vriendin?
– Ja, of liever, wàs, want ze heeft zichzelf in nestengeholpen en was verplicht het huis te verkopen. (wat we hoorden deed onze oren tuiten natuurlijk). Iemand heeft het dan gekocht en mij geschonken. En die iemand zit hiernaast op jullie te wachten.
* * * * *
Ik had me net rustig geïnstalleerd toen Ron totaal overstuur binnen kwam gedonderd. De ideale rustverstoorder. Hij vroeg me iets dat ik helemaal niet begreep (eigenlijk zou men Ravi Shankar niet zo hard mogen laten spelen) en wachtte trouwens niet op een antwoord, want hij was totaal overdonderd door het Japanse interieur van Patsy’s kamertje helemaal achteraan in het boerderijtje van Hélène Rollin. Patsy nestelde zich terug in de kussens. Daarbij verschoof haar zwarte, met grote donkerrode bloemen bestikte kimono eventjes, zodat haar melkwitte dijen zichtbaar werden. Zij bedekte ze weer zedig en sloeg kuis de ogen neer, terwijl ze wat lindebloemsemthee uitschonk die op het lage tafeltje stond te dampen. Ron en Johan deden automatisch hun schoenen uit en gingen evenals ik in kleermakerszit rond het tafeltje zitten. We passed the pipe around; Ron was een draft resister. Patsy begon fanatiek met de muziek mee te neuriën, die op het moment een obsederend ritme bereikte. De muren vielen weg en ik voelde me opstijgen naar het land der meta-organismen, naar het land van Catherine en Heatcliff, noch steen, noch wolken. Ik danste met Patsy en in onze bewegingen sleepten we de Tsjechische Romeo en Julia van Jiri Weiss mee, en tekenfilmfiguurtjes van Walt Disney uit Fantasia. Maar hoe ik ook zocht, Ron was nergens te bespeuren. Of toch: ginds, heel ver beneden, dat kleine stipje naast de lijken van Philippe, Danielle en Celia. Met Jan De Wilde sardonisch op zijn gitaar kloppend en grijnslachend met zijn kapotte kiezen en zijn stinkende adem. En dit terwijl wij slechts een muziek horen die een mengsel is van dwepende raga’s en statige walsen; Jan opent en sluit zijn mond als automatisch, er komt geen geluid uit. En Anthonis de Roovere danst de horlepijp op de kisten van de doden die geflankeerd worden door Magere Hein met een zeis en door Jeroen Bosch. En plots verschijn Johan, klopt hem bemoedigend op de schouder en zegt dat het allemaal maar magisch-realisme is.
En Sonia met een dikke buik. Zij wijst er naar en dan richt Ron weer het hoofd op en op dat moment ben ik weer alleen met Patsy en de sprookjesfiguren, die rond ons een kring hebben gevormd en brullen: “Once I was a stone, many years ago.”
In de keuken hou ik Celia tegen.
– Besef je wel wat je uitgehaald hebt?
– Hij wilde bij Patsy zijn, antwoordt ze dromerig-dubbelzinnig.
– Patsy is DOOD!!! schreeuw ik boven de muziek uit.
Onverwacht is het Johan die heel heftig reageert: ‘Nee, nee! Patsy leeft voor wie dat wil. Celia is Patsy? Why not? What’s in a name?’
– A rose by any other name would smell as sweet, vult Paul zangerig aan in de woonkamer, waar nu de Valentyne Suite door de boxen davert.
– Ik ben Patsy, Ronny…
– Voor mijn broer, ja…
– Ik bén Patsy, insisteert ze op eigenaardige toon.
– En ik ben een hond, gooi me een been toe, zeg ik klagelijk.
– Ja, Snoopy, lacht Johan en samen met Paul blaft hij om het hardst, terwijl ook Celia-Patsy duidelijk er gelukkig is en met kirrende geluidjes door de kamer huppelt.
– Stoned, zucht ik met Freek De Jonge, zo stoned als Stefanus.
Later op de namiddag werden ze toch weer wat kalmer. Ik stelde nog een paar vragen zoals hoe Paul aan het geld gekomen was om dit boerderijtje te kopen. Het bleek dat Philippe hem een belangrijke erfenis had nagelaten. Maar voor het overige kon ik uit geen van het drietal veel zinnigs krijgen, behalve toen ik iets zei over Anne de la Ferté en Galswinthe Russell.
– Ha, da’s waar ook, ik heb ondertussen de oplossing hiervoor gevonden. Bij mijn studie over het magisch-realisme…
Als ik het godverdomme niet gedacht had! Hij kreeg bijna een asbak naar z’n hoofd. Ik gooide dan maar met een zachter projektiel, een kussen, dat was by all means veiliger. Paul en Celia gierden het uit en wilden meteen een verwoed gevecht beginnen, maar Johan werd, god betere het, ernstig:
– Nee, echt Ron, het wàs een openbaring; en voor jou wellichtook, Paul. Heel summier gaat het als volgt: Anne was verloofd met Jacques de Saint-Selve, doch Galswinthe trouwt met hem. Wanneer hij sterft gaat Galswinthe in Landes wonen. Toevallig naast Anne.
Ze worden vriendinnen, en Galswinthe trekt in bij Anne, op het domein La Crouts. Anne brandt Galswinthe zowat op in hun lesbische verhouding. Die relatie is er één van haat-liefde, met als katalysator de overleden man van hun dromen.
– Nou, ik zie er wel iets in, maar toch niet veel…
– Ja, je krijgt het niet op een presenteerblaadje natuurlijk, maar ik dacht toch… die lesbische verhouding, liefde voordezelfde figuur, de dood…
– Toch niet liefde voor dezelfde man, hoop ik, lachte Paul, overigens is dit nu allemaal niet belangrijk meer.
– Ja, het is gelukkig voorbij, zucht ik.
– Nee, het is niet voorbij, replikeert m’n broer, het is altijd geweest en het zal altijd zo zijn.

Dan werd het tijd dat ik opstapte en na enige aarzeling ging ook Johan mee.
——
Ron vertrok en Patsy kwam bij me zitten. Het voordeel van een matras op de vloer is onder andere dat je dan met een zoen een zetel in een oogwenk tot een bed kunt omtoveren. Wat Patsy dan ook deed….
Toen ik wakker werd, lag ik alleen, maar de thee geurde me tegemoet.
Me flink rekkend strompelde ik de kamer binnen en nam een ochtendzoen van Celia en Patsy in ontvangst. Ze zagen er allebei verrukkelijk uit in hun nachthemdje. In het passeren liefkoosden ze elkaar en Patsy soms mij. Celia was laat op de avond gearriveerd en Patsy had me niet meer willen wekken. Ze waren beide in de andere kamer gaan slapen.
Ergens klonk kindergeschrei.
– Salina is wakker, zei Patsy.
– Ben jij dan getrouwd? vroeg ik aan Celia.
– Tuurlijk niet!
Patsy verdween en keerde weer met iets dat hevig tekeer ging in een dekentje. Dat was dan Salina.
– Nou, een knap kind is dat, zeg, gefeliciteerd.
– En ’t is een meisje! lacht Patsy en begon te zingen van ‘Will the circle be unbroken’.
– Dochter, zie daar je vader; vader, zie daar je dochter, zei Celia plechtig en ik voelde me ontzettend moe.
– En hoe zit dat hier met dat smeuïge ontbijt?
– Coming! klonk het tweestemmig.
Het was lekker.
* * * * *
… Wat misschien wel een epiloog zou kunnen zijn …
Gisteren was het een prachtige dag en ik dan ook van plan wat te gaan tekenen op het strand. Ik stelde me op tussen twee duinen om uit de wind te zitten. Als de inspiratie uitblijft, sla ik zonder al te veel interesse een jongen en een meisje gade op het strand. Het hemd van het meisje staat ver open, ze draagt blue jeans en kickers. De jongen is iets ouder, zijn kleren zijn met verf besmeurd; hij hinkt een weinig. Ze zijn erg uitgelaten. Plots kleden zij zich uit, zodat ik reeds als een insekt mijn voelhorens uitsteek, en rennen in zee. Van zodra het water hun zo hoog reikt dat ze niet meer kunnen hollen, geven ze elkaar de hand en waden verder. Ik kan mijn ogen niet geloven, ik acht dit niet voor mogelijk: zij gaan gewoon verder, zij verdrinken niet… de zee neemt hen tot zich…
… et la musique peu à peu se tait gelée.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.