Over dramastudio’s, bezigheidstherapieën en schoolfeestjes

Laatst woonde ik toevallig zowel een schoolfeest (foto) als een kindervoorstelling bij. Welk schoolfeest, dat blijft eender; de voorstelling betrof “Te laat” door Peperkoreke.

“Te laat” is “The day after” gezien door tien kinderen tussen 7 en 13 jaar, waarvan de oudsten de “volwassen” rollen voor zich nemen. Voor de pauze wordt een “dood”-gewone straat geschetst met evenwel minder gewone mensen: er is Jef Kampernoel die gek wordt bij het horen van het woord paddestoel, er is psychiater Martens die hieruit geld slaat, er is Eva Punk die alleen maar interesse heeft voor haar walkman en Marie-Jeanne die nóg meer met zichzelf en haar schoonheid in dees spiegel bezig is, zodanig dat ze zelfs haar dochtertje Tatiana verwaarloost, er is een ijsmuzikante (dat is eens iets anders dan een ijsboerke), er is ook Marcel die verliefd is op Petronella en er is een programmabrochure vol dt-fouten. Maar daarnaast zijn er ook Sam en Sebastiaan die een atoomschuilkelder bouwen. Als dan de kleine Murielle op straat aan het spelen is, valt de bom en is het pauze. Nadien blijkt naast Murielle ook Petronella er nogal erg aan toe te zijn (zij het dat het uiteraard hoegenaamd niet realistisch wordt voorgesteld) en het stuk eindigt met de dood van Murielle.
ONRECHTVAARDIG
Ondanks dit voor een kinderstuk onderwacht trieste slot is de toon over het algemeen opgewekt gehouden door liedjes en door grappen en grollen. Dat alles echter op kinderniveau en zo komen we terug bij ons uitgangspunt. Want inderdaad, net zoals op het schoolfeest wordt er hier af en toe eens gezongen, is er een meisje dat een dansje brengt, wordt er een sketchke opgevoerd. Nochtans verwacht niemand dat ik een “recensie” van dat schoolfeest zou brengen, terwijl de mensen van theater Symptoom onder wiens vleugels Peperkoreke opereert daar juist sterk op aandringen.
Persoonlijk vind ik dat onrechtvaardig voor de kinderen. Zo’n productie kan toch nooit de standaard-normen voor een recensie doorstaan, zeker? Zelfs puur vergelijkend moet ik vaststellen dat er met name op dat schoolfeest beter gedanst en gezongen wordt. Het eigen initiatief dan? Ja, maar hier past een tweeledig antwoord op. Inhoudelijk moeten we vaststellen dat het natuurlijk erg aandoenlijk is dat zo’n jonge kinderen reeds door “de bom” zijn geobsedeerd. Maar in het stuk wordt dat toch soms wel erg slecht “vertaald”. Nemen we nu de “oplossing” om Murielle te genezen: duizend kraanvogels vouwen (wees gerust het zijn gewone vliegerkes zoals die waarmee we in de klas naar de leraar smeten). Een symbool. Uiteraard. Maar men ontkracht dit enigszins door er zelf verstandelijk tegen in te gaan, waarop dan noodgedwongen het antwoord moet volgen: het is toch beter dan niks doen. In plaats van echte weerbaarheid worden hier dus eerder surrogaten zoals bijvoorbeeld bidden aangepraat.
En wat de vorm betreft raken we met die eigen inzet een ander aspect aan. Dergelijk kindertheater is een soort moderne vervanger van de oubollige jeugdbeweging geworden. Daar is natuurlijk niks op tegen, alleen – nogmaals – dat is geen voldoende reden om op een recensie te rekenen. Voor een blad dat aan ernstige theaterkritiek wil doen tenminste (ook al zijn we dan niet “Etcetera”). Neen, laat dit over aan onze (zeer waardevolle) collega’s van de gewestelijke pers die alle medewerkertjes in het lang en het breed kunnen vermelden, zodat de vaders en moeders, de tantes en nonkels, de neven en nichten het blad zullen kopen.
FINE FLEUR
Naast die kindertheaters als “alternatieve jeugdbeweging” of “bezigheidstherapie” (de jongerenwerking van Stekelbees schakelt zich hier ook in), hebben we dan nog de zogenaamde “dramastudio’s”. Een andere kwaal. Want hier werkt men wél naar theatrale kwaliteit toe, met echter alle gevolgen vandien. Het Speeltheater (net als Symptoom en Stekelbees gevestigd in Gent) mag dan nog beweren geen selectie door te voeren, ik geloof daar in feite niks van, vooral als men ziet dat het “spelersbestand” vooral bestaat uit de zonen en de dochters van de fine fleur van de Vlaamse theaterwereld. Op dat gebied is men in het Mechels Miniatuur Theater tenminste eerlijker en zegt men er expliciet bij dat er een selectie werd doorgevoerd. Men is dan ook niet bang om ook de familienaam van de spelertjes af te drukken.
Onder leiding van Gie Laenen en André Lefèvre werd er dat jaar heel bewust naar een productie toegewerkt. Die heeft dan de nogal ongelukkige titel van “Het Verhaal” meegekregen, een verhaal (ja, wat anders?) over een olifant van vijf centimeter en een loslopende bloem.
Alhoewel. Een écht verhaal was het toch ook niet. Eerder een post-Brechtiaans spektakel waarin de beeldtaal centraal stond. En op dat gebied overigens niets dan lof voor de jeugdige vertolkers. Een bijna logisch gevolg was echter dat aan de taal veel minder aandacht was besteed. Er waren tal van dialectische wendingen en voortdurend had men het over “muussen” en “vlienders“, maar ja, zelfs sommige nochtans onderlegde actrices hebben daar in Mechelen nog last van…
Ik herinner me ook eens een voorstelling in Antwerpen, waarbij rook voorzien was en dat liep een beetje uit de hand, waardoor ik met mijn kinderen (en vooral met John, die astmapatiënt was) de zaal moest uitvluchten. Maar toch goed gelachen! Welnu, dat groepje dat zich ’t Muzertje noemde, is later uitgegroeid tot de Kakkewieten. Met andere woorden: zowel Pieter, Bert en Tine Embrechts als Robby Cleiren, Dimitri Leue, Tom Lenaerts, Tom Waes en Johan Terryn waren ons daar aan het vergassen!
« Hou je tong in je mond en blijf met je poten van mijn kont »
Het zal wel geen nieuws zijn als ik stel dat het slecht gaat met het vormingstheater. In de naweeën van het nu zo verguisde jaar 1968 mocht het op een zekere populariteit rekenen (Nieuwe Scène, Vuile Mong … ) maar in de tweede helft van de jaren zeventig begon de terugval o.m. te merken aan het feit dat tal van groepjes in hetzelfde idioom bleven werken maar enkel nog een klein kringetje van « bekeerden » bereikten. Zo heb ik Kopspel in die periode nog « Guantanamera » e.d. weten zingen. Dat ze op zoek gegaan zijn naar een andere uitdrukkingsvorm daar kan ik dus zeker inkomen. Of ze die met « Time Out » ook gevonden hebben, dat is echter een ander paar mouwen. In een post-punk-outfit gaat een meisje (Helga) een jongen (Pav) een uur lang te lijf met als enig resultaat dat zijn seksuele driften de kop opsteken en dat was natuurlijk de bedoeling niet (« Hou je tong in je mond en blijf met je poten van mijn kont »). Nadat hij uiteindelijk toch zijn wil heeft kunnen doordrijven (vrijen is verkrachten), slaapt hij opnieuw in terwijl Helga hem met een slaapliedje tracht wakker te houden. (« Een slaaplied is een wonder lied, zolang je het hoort, slaap je niet »). De « Grote Boodschappen » van vroeger zijn hier dus beperkt gebleven tot die ene : wakker worden ! (Overigens is er door het aantal decibels geen kans dat je in slaap valt.) Eigenlijk dus nog steeds de grote verzuchting van vroeger : schop de mensen een geweten. Alleen is het uit de rest van het stuk niet duidelijk, waarom we nu zo nodig wakker moeten worden. Om ons zo agressief tegenover elkaar te gedragen misschien ? (Ronny De Schepper in De Rode Vaan nr.18 van 1985)
STEKELBEES
De kinderen van 68’ers zijn opgegroeid met het werk van de oorspronkelijke Stekelbees-groep. En alhoewel de tijd nu blijkbaar niet meer rijp is voor zo’n soort van ‘vormingstheater voor kinderen’, zullen velen bij het zien van de producties van wat nu ‘Oud Huis Stekelbees’ heet de wenkbrauwen ophalen en zich afvragen wat er in ’s hemelsnaam met het kindertheater aan het gebeuren is. Dat er ondertussen sleet zit op het procédé om te vertrekken vanuit improvisaties, dat zal wel voor iedereen duidelijk zijn. Een herwaardering van het teksttheater is dus zeker geen slechte zaak. Maar kindertheater “voor alle leeftijden”, bestaat dat eigenlijk wel?
Kristel De Weerdt: “Je moet wel toegeven dat onder acht jaar kinderen opeens wel erg jong worden. Je moet dan andere accenten gaan leggen en zo. Om echter nog verdere onderverdelingen te maken, dat is inderdaad een probleem. En het ergste is dat de organisatoren dat vràgen, hé. Ik ga dan voort op wat de makers zelf ervan vinden.”
Stef Ampe: “Globaal gezien moet ik inderdaad toegeven dat we vroeger misschien eerder de groep van tien tot twaalf aanspraken, terwijl dit nu aan het zakken is. En ik denk dat dit een gevolg is van de manier van werken bij de producties.”
Kristel De Weerdt: “Oh, maar dat is ook bij de receptieve werking te merken, hoor. We zijn nu gestopt met de kindernamiddagen, maar mochten wij elke zondag een productie voor kleuters brengen, dan zat die elke keer vol. En dat was eigenlijk toch niet de bedoeling. Om voor die leeftijd te werken, bedoel ik.”
– Misschien worden zij daar door de ouders “gedumpt”…? Er is nu overigens een heel nieuwe generatie tieners die – in tegenstelling zoals dat b.v. “in mijn tijd” het geval was – met een uitgebreid aanbod van kwalitatief kindertheater is opgegroeid, heeft dit een weerslag op de belangstelling voor het theater voor volwassenen?
Stef Ampe:
“Het is alleszins een feit dat die kinderen op de leeftijd dat zij absoluut niet meer met ‘kindertheater’ willen worden geassocieerd, afgehaakt hebben, later de draad weer opnemen.”
“Hoe meer je speelt, hoe meer je moet bijleggen”
Stef Ampe: “Zoals alle professionele reizende theaters werken ook wij met uitkoopsommen. Dat wil dus zeggen dat elke organisator een bepaald bedrag betaalt voor de voorstelling die we brengen. Voor een kindertheater zijn deze bedragen echter ontzettend laag. Dat heeft natuurlijk te maken met het feit dat zo’n organisator dat bedrag moet kunnen recupereren en aan kinderen kun je nu eenmaal geen 200fr vragen als toegangsgeld. Ter vergelijking: onze uitkoopsommen schommelen tussen 25 en 30.000fr, terwijl reizende theaters voor volwassenen op z’n minst 60.000fr per voorstelling vragen. Nochtans is de kostenstructuur dezelfde. We vinden niet dat een acteur de helft van zijn loon moet inleveren omdat het ‘voor kindertheater’ is. En evenmin kunnen wij in de winkel waar we b.v. verf gaan kopen om een decor te schilderen, zeggen: ‘Kan dat niet tegen de helft van de prijs, want het is voor een kindertheater?’ Dat brengt dus een structureel probleem met zich mee, waarbij de opbrengsten nooit groot genoeg kunnen zijn om de onkosten te dekken. Bijgevolg, als je per voorstellng reeds zoveel moet bijleggen, betekent dat inderdaad dat hoe meer je speelt, hoe meer je moet bijleggen.”
– Dit is bijna woordelijk hetzelfde als wat Robert Van Yper me heeft verteld. Maar kan een organisator dan geen beroep doen op een subsidie van het Bestuur voor Jeugdvorming, zodanig dat voor hem het risico minder groot wordt en jullie dus je prijs kunnen opdrijven?
Kristel De Weerdt:
“Het Bestuur voor Jeugdvorming subsidieert enkel jeugdbewegingen. Vroeger waren er inderdaad meer voorstellingen voor het georganiseerde jeugdwerk, maar dat is nu toch voor het grootste deel verschoven naar de Culturele Centra.”
Stef Ampe: “Onrechtstreeks zou een organisator daar dan toch nog voor in aanmerking kunnen komen, namelijk door de samenwerking met een jeugdbeweging in te roepen, maar zelfs al zou hij daarin slagen, dan zal dat ons nog niet in staat stellen onze uitkoopsom te verhogen. Ons antwoord op dit probleem is dan ook dat wij producties niet meer gedurende een heel seizoen aanbieden, maar enkel gedurende een bepaalde periode, b.v. twee of drie maand, waarbinnen we streven naar een maximale bezetting. Dat betekent b.v. veertig voorstellingen op twee maand. Op die manier streven we naar 100% rendement, maar de Raad van Advies heeft het moeilijk met dit beleid. Omdat ze daar nog altijd veel te kwantitatief te werk gaan: je bent pas goed als je 200 of 250 voorstellingen speelt, snap je? Deze politiek heeft natuurlijk zijn weerslag op hernemingen. Vaak vragen organisatoren om succesvolle producties nogmaals te hernemen, maar wij weigeren dat. Ons uitgangspunt is dat binnen de ze situatie de subsidies moeten dienen om nieuwe producties te maken.”
Kristel De Weerdt: “Een ander belangrijk verschil voor mij is dat vroeger theater gemaakt werd in functie van het publiek. Kinderen zaten met stress op school, dus werd daarover een productie gemaakt. In de loop der jaren is de artiest belangrijker geworden. Hij maakt producties vanuit een eigen noodzaak. Een regisseur, een schrijver, een dramaturg is geboeid door een idee en maakt een productie. Het groeit van binnenuit en niet vanuit uiterlijke omstandigheden. Ik vind dat een heel goede evolutie.”
– Maar mondt die uiteindelijk niet uit in excessen als “The hunting of the snark” (van Paul Pourveur naar Lewis Carroll) of “Grondbeginselen” (naar Martin Walser)?
Stef Ampe:
“Ik vind dat wel grappig. Naar die ‘Hunting of the snark’ wordt steeds opnieuw verwezen, als een mijlpaal a.h.w. De tijd voor en de tijd nà ‘The snark’. En je kunt daar positief of negatief tegenover staan, maar wij hebben het altijd als positief ervaren.”
SNAKKEN NAAR EEN PLOT
Ook “na the snark” vinden we in de programmaverklaring van O.H.S. nog terug: “Klank bevoordelen tegenover betekenis, associatie tegenover het verhaal.” En dat terwijl kinderen toch maar steeds blijven vragen om een echt verhaal, een plot, liefst met wat spanning ingebouwd… Met deze kritiek bevind ik me blijkbaar in hetzelfde schuitje als de leraars die in het evaluatierapport van de Beursschouwburg de mantel worden uitgeveegd: “Leerkrachten hebben het moeilijk met het feit dat dit (kinder)toneel henzelf en hun leerlingen wil doen nadenken, doen twijfelen, hen met vragen naar huis stuurt omtrent henzelf, de werkelijkheid, de maatschappij enz.” Aldus Patrick Jordens die met het rapport werd belast. Deze oprisping, waarbij men als “reactionair” wordt bestempeld, valt natuurlijk moeilijk te slikken, maar zonder nu in “socialistisch realisme” te vervallen, moet ik alleszins stellen dat de “vragen over de maatschappij” in de meeste van dergelijke stukken ver te zoeken is. Existentiële vragen wel, dat geef ik toe. De vraag: “Wat doe ik hier eigenlijk?” dringt zich meer dan eens op… De opmerking dat kinderen dat wél snappen in tegenstelling tot volwassenen komt overigens van… andere volwassenen! Namelijk: de regisseur, de programmator enz. Waar halen zij met andere woorden het lef vandaan om in de plaats van de kinderen te treden? Omdat ze er vaak mee werken, akkoord. Maar doen leraars dat niet soms? Worden alle leraars hier over één kam geschoren als zijnde ongeïnteresseerde ambtenaren die alleen maar maandelijks hun loon op zak steken en van veel vakantie genieten?
Oda Van Neygen was de enige die destijds bij de Beursschouwburg programmeerde “van kleuters tot achttienjarigen”. Nochtans nam zij het wel op voor schoolvoorstellingen. Meer zelfs, ze is ronduit optimistisch gestemd. Optimistisch wat de jongeren betreft dan wel, want van de leraars heeft ze een minder hoge pet op. Zo had ze uit losse contacten na de schoolvoorstellingen het vermoeden opgedaan dat “onderwijsmensen de artistieke gezonde vernieuwing van de laatste jaren maar moeizaam kunnen bijbenen.” Daarom verzocht ze Patrick Jordens een evaluatie te maken van de begeleidingsprojecten.
Oda: “Je hoort soms, zowel bij leerkrachten als bij leerlingen, dat er een behoefte bestaat aan ‘klassiek theater’, aan voorstellingen van grote toneelteksten in een historische vormgeving, opgevoerd ‘zoals toen’. Ik ben ervan overtuigd dat dit soort theater, indien het nog zou bestaan, adolescenten op een verkeerd spoor zou zetten, en enkel leidt naar slechte smaak en afkeer voor theater als actuele kunstvorm. Theater, ook waar het gebruik maakt van (zeer) oude teksten, bestaat enkel als levende opvoering, theater eist steeds opnieuw een onderzoek naar de bronnen van de oude tekst, én naar onze nieuwe gevoeligheden, in deze tijd. Een voorstelling moet haar overtuigingskracht putten uit de confrontatie van het verleden met het heden. Je kan niet terugreizen in de tijd, dan verliest de tekst zijn waarde. Wij kiezen dus voor nieuw theater, dat inspeelt op de wereld van nu, waarin jonge volwassenen leven.”
Ook Stef Ampe van Oud Huis Stekelbees situeert het kritieke moment op de leeftijd tussen twaalf en zestien jaar.
Stef Ampe: “Ik vind dat we moeten durven toegeven dat niemand het publiek van die leeftijd bereikt. Dat is braakliggend terrein. Al is de concurrentie natuurlijk erg groot. Je moet daar optornen tegen Indiana Jones en konsoorten.”
In diezelfde context is Ampe een fervent tegenstander van schoolvoorstellingen: “Het verplichte bezoek aan een schouwburg zou eigenlijk niet mogen bestaan, want dat kan een averechts effect hebben. We zouden tot een theatercultuur moeten kunnen komen, waarin dit niet meer nodig is. Al besef ik wel dat ik nu een beetje aan het dagdromen ben natuurlijk.” Toch is Ampe nog optimist: hij is b.v. van oordeel dat kinderen die hebben afgehaakt op de leeftijd dat zij absoluut niet meer met ‘kindertheater’ willen worden geassocieerd, later de draad weer opnemen.
Kristel De Weerdt: “In die optiek heb ik het altijd belangrijk gevonden dat onze voorstellingen plaatshadden in het Nieuwpoorttheater en niet in een speciaal zaaltje waar alleen maar kindertheater werd gespeeld. Als ze achttien jaar zijn, vindt dat publiek dan ook heel gauw de weg terug naar dat theater om daar naar voorstellingen ‘voor volwassenen’ te gaan kijken.”
Stef Ampe: “Vandaar ook dat wij meer belang hechten aan vrije voorstellingen dan aan schoolvoorstellingen. Het verplichte bezoek aan een schouwburg zou eigenlijk niet mogen bestaan, want dat kan een averechts effect hebben. We zouden tot een theatercultuur moeten kunnen komen, waarin dit niet meer nodig is. Al besef ik wel dat ik nu een beetje aan het dagdromen ben natuurlijk.”
Toch klaagt Patrick Jordens: “De meeste leerlingen blijken weinig weet te hebben van het feit dat de meeste hedendaagse regisseurs een eigenzinnige theatertaal spreken die niet onmiddellijk wezenlijk verband houdt met de audiovisuele media (al zijn er natuurlijk wel enkele ‘oppervlakkige’ gelijkenissen). De studenten koesteren een verwachtingspatroon dat onderbouwd is vanuit T.V. (maar ook vanuit de literatuur): ze zoeken naar een duidelijke intrige, een climax in spanning en actie, een eventuele ontknoping, stevig opgebouwde personages en een herkenbare interactie, snelle dialogen, scène-wisselingen enz. Het ontbreekt hen aan inzicht in een aantal basiskenmerken van het hedendaagse theater, maar eens dit verworven is er nog lang geen garantie dat ze die code ook weten te appreciëren. Ik vrees dat de nivellering van televisie op dat vlak gewoon onverbiddelijk is. Een leerkracht sprak in dat verband over een zeer beangstigende ‘VTM-isering’.” (In het geval van jongeren vraag ikzelf me af of men niet eerder van MTV-isering moet spreken, RDS)
“Het huidige theater onderzoekt de complexiteit en de negativiteit van onze tijd,” schrijft Jordens nog, “maar de meeste jongeren zoeken in toneel misschien gewoon ongecompliceerde ontspanning, aangenaam, leuk, vrijblijvend. De leerlingen blijken ook nogal wat moeite te hebben met de onderkoelde stijl van acteren in sommige producties. Het gaat hier volgens mij ook om meer dan enkel een kwestie van vertrouwdheid. Misschien hebben sommige jongeren nood aan identificatiefiguren, aan personages die hen uitnodigen tot inleving en sympathie.”
– Dat volwassenen die opgegroeid zijn, ofwel helemaal zonder contact met het medium, of anders met heel traditioneel kindertheater, raar staan kijken bij het hedendaagse theater, verwondert mij geen zier. Voor hen is de beeldtaal van VTM inderdààd veel verstaanbaarder. Kinderen krijgen nu echter te maken met producties van Oud Huis Stekelbees b.v., waarmee ik het niet altijd eens ben, maar die ongetwijfeld grensverleggend zijn wat theaterervaring betreft…
Oda:
“Maar dat is allemaal nog niet lang genoeg bezig. En er zijn ook nog altijd veel te weinig goede kindertheaters. Ik denk dat er in Vlaanderen en Nederland tesamen maximum tien goede groepen zijn. De rest blijft nog altijd te betuttelend bezig. Let op: het kind moet steeds geboeid blijven. Vandaar dat ik ook werk met een kinderjury. Ik wil op de eerste plaats communiceren met mijn publiek. Ook de keuze van de stukken is belangrijk. Ik ben ervan overtuigd dat je gelijk welk thema aan gelijk welke leeftijd kan voorschotelen, maar het heeft wel te maken met de manier waarop.”
Maar wat te doen? Zowel Hamlet als Lenin hebben zich dit reeds herhaaldelijk afgevraagd…
Oda Van Neygen:
“Aangezien er geen specifieke stukken zijn voor jongeren vanaf veertien, neem ik voorstellingen uit de volwassen theaterwereld, waar ik dan wel enorm veel begeleiding rond doe. Er zijn nogal wat groepen die geen schoolvoorstellingen willen geven omdat ze daar slechte ervaringen mee hebben gehad. Ik heb nochtans groepen als Carrousel of STAN overhaald om schoolvoorstellingen te geven, maar daarbij geef ik hun wel de garantie dat de leerlingen zeer goed voorbereid zijn en geïnteresseerd komen kijken. Ik ben dan ook nogal streng tegenover de leerkrachten. Ik waarschuw hen op voorhand dat als ze bij ons komen, dat er dan van hen wordt verwacht dat ze daar heel veel aandacht aan besteden. Ik doe ook niet te veel schoolvoorstellingen, ik werk liever intens met een aantal scholen. Dat gebeurt dan aan de hand van een video van het Vlaams Theater Instituut, waardoor jongeren vertrouwd worden gemaakt met theater, wat anders voor hen toch nog vaak een bevreemdende ervaring is. Dat is tenslotte toch ook voor de meeste volwassenen het geval.”

Referentie

Ronny De Schepper, Over dramastudio’s, bezigheidstherapieën en schoolfeestjes, De Rode Vaan nr.29 van 1984

Ronny De Schepper, Jongeren en theater: “Ik ga alleen maar als ik een lief heb”, Graffiti oktober 1991

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.