110 jaar geleden: de oerpremière van “Madama Butterfly”

Vandaag is het op de kop af 110 jaar geleden dat in de Scala van Milaan “Madama Butterfly” in première ging, het zoveelste meesterwerk van Giacomo Puccini.

Rond de eeuwwisseling was Japan erg populair hier in Europa, met name de Engelse musical “The geisha” kende een groot succes in Italië. Puccini van zijn kant was op dat moment in Londen voor een opvoering van “Tosca” en hij nam de gelegenheid te baat om een voorstelling bij te wonen van het toneelstuk “Madam Butterfly” van de Amerikaan David Belasco (1853-1931), iemand die samen met de legendarische acteur Charles Kean (1811-1868) de grondslagen legde voor het Amerikaanse toneel. Hij regisseerde niet minder dan 374 stukken en schreef de klassieker “The theatre through its stage door” (1919).
Belasco baseerde zijn stuk op een verhaal uit 1897 van de Amerikaanse Japanoloog John Luther Long dat op zijn beurt terugging enerzijds op een waar verhaal dat zijn zus uit Nagasaki hem vertelde en anderzijds op de autobiografische roman “Madame Chrysanthème” van Pierre Loti uit 1887. In 1892 schreef Messager een opera rechtstreeks gebaseerd op deze roman. Puccini was toen bij hem op bezoek en dàt lijkt de eerste aanleiding te zijn geweest voor “Butterfly”, of laten we zeggen dat hij bij het bijwonen van het stuk van Belasco misschien terugdacht aan wat Messager met hetzelfde thema had uitgericht.
Pierre Loti, of eigenlijk Louis Marie Julien Viaud (1850-1923), was een zeeman. Zijn pseudoniem is overigens afkomstig van één van de dienaressen van de jonge koningin Pomaré op Tahiti (loti is de naam van een plaatselijke bloem). Met dit kindvrouwtje, Rarahu, dat Loti ontmoet op een manier die te vergelijken valt met Odysseus en Nausikaä (maar dan omgekeerd), wordt hij in een inheems huwelijk verbonden, maar na een tijd keert hij terug naar Frankrijk. Rarahu blijft op hem wachten, maar als hij dan eindelijk toch terugkeert, is ze van ontbering gestorven. Loti vindt enkel nog een graf met als opschrift: “Ici repose Rarahu, épouse de Loti”. Dit verhaal vertoont dus een sterke overeenkomst met Butterfly, buiten de locatie, die nù wel tot de verbeelding spreekt (zeker na films als “Tabu” of “Mutiny of the Bounty”), maar toen hoegenaamd niet. En hoe dan ook, het verhaal was een illustratie was van het fameuze vers van Kipling: “East is east and west is west and never the twain shall meet”.
Omdat men tevens ook de economische opbloei in de Verenigde Staten bewonderde, kwam ook Puccini op de idee om beide fascinaties te koppelen in een liefdeshistorie. Hij gaf zijn librettisten Giuseppe Giacosa en Luigi Illica de opdracht zich over de tekst van Belasco te buigen.
Eigenlijk is deze opera een illustratie van de Amerikaanse oppervlakkigheid tegenover de stricte morele code van de Japanners. Rond 1900 zoekt Luitenant Pinkerton van de Amerikaanse kruiser Lincoln een Japans meisje om de tijd gezellig door te brengen. Om de uiterlijke schijn te redden is hij zelfs bereid met haar te huwen op Japanse wijze. Daarvoor schakelt hij de koppelaar Goro in die hem de geisha Cio Cio San bezorgt, door Pinkerton Butterfly genoemd (terwijl hijzelf door Frans Van den Broeck terecht een “Flutter-by” wordt genoemd). Sharpless tracht Pinkerton hiervan nog te weerhouden omdat hij zich als Amerikaans consul wel realiseert dat het jonge meisje (*) dit huwelijk wel als echt zal beschouwen.
Als zijn schip weer afvaart, is Pinkerton Butterfly al lang vergeten. Zij blijft echter op hem wachten met haar trouwe dienstmeid Suzuki, zeker omdat zij na zijn vertrek een zoontje ter wereld brengt. Toch duurt het drie jaar vooraleer de Lincoln nog eens Nagasaki aandoet. Ondertussen heeft Goro voor haar een oudere Japanse echtgenoot, Yamadori, gevonden, maar zij weigert omdat zij blijft geloven in Pinkerton. Als deze uiteindelijk opdaagt, blijkt hij echter een Amerikaanse vrouw te hebben (Kate). Als hij hoort dat hij een zoon heeft bij Butterfly wil hij dit kind met zich meenemen naar Amerika. Butterfly, op die manier van al haar illusies beroofd, pleegt ritueel zelfmoord met het zwaard van haar vader. In de laatste scène schijnt Puccini nog te suggereren dat Pinkerton tot inkeer is gekomen, maar zijn schrijnende kreet “Butterfly!” komt te laat.
Giacomo Puccini wordt de laatste tijd tot het impressionisme gerekend, daar waar hij vroeger als het boegbeeld van het verisme gold! En “Madama Butterfly” is misschien de meest “impressionistische” opera van Puccini. Met klankschildering wil hij de Japanse sfeer oproepen, die hij zich had eigen gemaakt via originele Japanse muziek. Hij had daarvoor een beroep gedaan op de vrouw van de Japanse ambassadeur, maar die had hem wel belazerd, zodat hij voor de religieuze ceremonie een variatie maakte op een loflied op de kweek van aubergines en augurken!
Nochtans had Puccini voor het schrijven alle tijd, want door een auto-ongeluk kon hij acht maanden niet werken. Het Italiaanse premièrepubliek, volop in de sfeer van het naturalistische verisme, zag dit op 17 februari 1904 niet zitten en de opera werd een flop. Puccini had oorspronkelijk twee bedrijven voorzien: één met en één zonder Pinkerton (tenzij dan helemaal op het eind). Maar het publiek pikte dit tweede bedrijf niet: te lang en te weinig actie, vond men. Daarom schrapte Puccini de scène met de dronken oom, breidde de tenorpartij uit met de aria “Addio Fiorito” (waarmee hij tegelijk Pinkerton wat sympathieker maakte door hem berouw te laten tonen) en hij laste een extra pauze in vlak voor de terugkomst van Pinkerton zodat men een drieluik krijgt: met, zonder en opnieuw met Pinkerton.
Deze versie kende op 28 mei wél succes, maar bijna alle moderne operahuizen brengen nu opnieuw de “authentieke” versie van “Madama Butterfly”, waarbij het zoemkoor de nacht voor de komst van Pinkerton suggereert. De petite histoire wil ook nog dat de aanwezigheid van het kind op het einde de gemoederen beroerde van het publiek omdat het de zangeres van de titelrol, Rosina Storchio, kwalijk nam dat zij niet naar haar eigen onwettig kind omkeek.
De eerste keer dat ik “Butterfly” op de scène zag, was bij de Opera voor Vlaanderen in 1981. Ik vond het meteen een mooi werkstuk, al kwam het niet helemaal tot zijn recht in de versie zoals ze door Jos Serluppens op de planken werd gezet. Daarvoor waren de hoofdrollen te slecht bedeeld. Solange Collard als Butterfly en Nico Boer als Pinkerton hadden hoegenaamd niet (meer?) de vocale capaciteiten die dit moeilijke werk (vooral in het eerste bedrijf) vereisten. Hun volume was zelfs zo zwak dat het orkest, dat nochtans goed in de hand werd gehouden door dirigent Frans Cuypers, hen toch nog overspeelde. Het feit dat Frans van Eetvelt als Sharpless zich goed van zijn rol kweet en dat de kleinere rollen uitstekend werden verdedigd kon de algemene negatieve indruk niet wegnemen. De regie was sober, maar wat té sober. En mijn conclusie in De Rode Vaan luidde als volgt: “Het ziet ernaar uit dat niet alleen deze « Madame Butterfly » maar de Opera voor Vlaanderen in z’n geheel lood in de vleugels heeft.”
Het bleken profetische woorden te zijn, want enkele jaren later werd de Opera voor Vlaanderen opgedoekt en vervangen door de Vlaamse Opera. Intendant Marc Clemeur gaf aan de toen nog vrij onbekende regisseur Robert Carsen de opdracht om een Puccini-cyclus uit te bouwen en deze deed dat met verve. De voortreffelijke Puccini-cyclus die Clémeur heeft opgezet, begon inderdaad in januari 1991 met “Manon Lescaut”. In het weekblad “Panorama” verklaarde Gerard Mortier destijds: “Giacomo Puccini is voor mij het summum van slechte burgermanskunst uit de negentiende eeuw. Wat kunnen mensen op het einde van de twintigste eeuw nog opsteken van een opera als Madama Butterfly? Die hele handel moet de vuilnisbak in!” Aan deze uitspraak hebben we het te danken dat Marc Clémeur met zijn geruchtmakende Puccini-cyclus is gestart. “Vanaf dat ik hier kwam heb ik dingen willen doen die in de Munt niet gebeuren. Zo koos ik voor Puccini, Mortier haat Puccini en het is mijn stokpaardje.” Zoals àlle Puccini-opera’s werd “Manon Lescaut” gebracht in een enscenering van de jonge Canadees Robert Carsen. Alhoewel hij eigenlijk een acteursopleiding heeft gekregen (aan de Bristol Old Vic Theatre School) is hij toen hij amper twintig was reeds als assistent-operaregisseur aan de slag gegaan tussen 1980 en 1985 aan de Glyndebourne Festival Opera. Toen hij in 1986 als assistent van Giancarlo Menotti in Genève “La Bohème” kwam instuderen, werd hij door directeur Hugues Gall (vanaf 1995 directeur van de Bastille tot de komst van Gerard Mortier) opgemerkt en mocht hij in 1988 zijn eerste eigen regie doen. Het was meteen raak: “Mefistofele” mocht hij nadien met Samuel Ramey overdoen in San Francisco, Houston en Chicago. De productie werd ook opgenomen voor televisie en zo werd hij ontdekt door Marc Clémeur, die hem naar Antwerpen haalde, maar niet exclusief: in 1989 regisseerde Carsen “Lucia di Lammermoor” in Zürich, “La Finta Giardiniera” in Frankfurt en Lausanne, “A night at the Chinese opera” van Judith Weir in Santa Fe, “Le Nozze” in Long Beach. In 1990 volgde “Lady Windermere’s fan” voor de Bristol Old Vic, een Franse “Salomé” (met Karen Huffstodt, die later in de Vlaamse Opera zijn Tosca zou worden) voor de opera van Lyon, “Ariadne auf Naxos” voor Santa Fe (hier ontmoette hij Miriam Gauci, die de titelrol in “Manon Lescaut” zou zingen) en “I Capuletti ed i Montecchi” voor Genève.
Robert Carsen en dirigent Silvio Varviso grepen, geheel consequent met hun herontdekkingspolitiek van Puccini, terug naar de eerste versie, die veel meer anti-Amerikaans heet te zijn. Nu, buiten het gebruik van het woord “smoelen” voor de Japanse inwoners (en men kan zich afvragen of dit geen vrijheid van de vertaler was, die overigens moet leren dat een bevel geen -t heeft in het Nederlands!), viel dat wel mee. Maar toch was het een goede ingreep, want het gaf Carsen de kans tijdens het lange intermezzo dat het tweede en derde bedrijf oorspronkelijk aan elkaar smeedde, een droomscène in te bouwen, waarin Cio-Cio-San de terugkomst van Pinkerton idealiseert. Een zeer sterk contrast met wat volgt! In de laatste scène schijnt Puccini nog te suggereren dat Pinkerton tot inkeer is gekomen, maar zijn schrijnende kreet “Butterfly!” komt te laat. Bij Carsen krijgt hij echter geen kans op berouw: net voor haar zelfmoord heeft Cio-Cio-San haar blonde zoontje een Japans masker opgezet en een Japanse vlag (overigens die van nà de Tweede Wereldoorlog, maar kom) in zijn handen geduwd. Als hij dan ook nog de dolk opraapt en die in de richting van zijn vader houdt, is het duidelijk welke toekomst Pinkerton tegemoet gaat.
Bij “Turandot” liet Carsen de “Chinoiserieën” achterwege, maar dat was perfect doenbaar omdat het hier een algemeen thema betrof, waarbij het niet echt terzake deed dat het zich in China afspeelde. Bij “Butterfly” is de tegenstelling tussen de beide culturen echter essentieel. Regie-assistent Joris Bultynck wees er dan ook bij voorbaat al op dat er wel degelijk kimono’s e.d. zouden te zien zijn. “Maar in tegenstelling tot andere regisseurs hanteert Carsen dit niet als couleur locale, maar wel om aan te geven dat die integere Japanse wereld wordt verstoord door het westerse imperialisme. De cultuurschok als het ware.”
Een ander steeds weerkerend probleem is Butterfly’s jeugdige leeftijd. Marc Clémeur heeft ooit eens gezegd: “Het is heel belangrijk voor de geloofwaardigheid om jeugd op de scène te zien. Mijn criteria zijn eerst en vooral dat ze er goed uitzien, dat is belangrijk. Uiteraard moeten ze ook een fantastische stem hebben. En als ik ze op een auditie goed heb bevonden, ga ik naar een van hun optredens om ze als acteur op de scène te zien.” Bij zo’n veeleisende rol verwachten we uiteraard geen tiener op de scène, maar “een ouwe tante” zal het zeker niet zijn, verzekerde Joris Bultynck. “Ook hier onderscheidt de Vlaamse Opera zich van meer oubollige instellingen, waar enkel de directeur en de dirigent de casting doen. Bij ons hebben ook de regisseurs inspraak en wordt er dus ook naar andere factoren dan louter zangtalent gekeken.” Was het misschien daarom dat Cynthia Lawrence in extremis werd vervangen door Cheryl Barker?
De rol van Pinkerton was voor Frederic Kalt, de Amerikaanse tenor, die destijds op de valreep de rol van Calaf in “Turandot” moest overnemen van de zieke Stefano Algieri. Anne Collins is een oudere Suzuki (nergens staat geschreven dat Suzuki een leeftijdsgenote moet zijn van Butterfly, maar ik zag dat toch steeds zo, ze zou in mijn regie zelfs lesbisch zijn), Ruth Peel een Kate Pinkerton die op water kan wandelen (zie verder), Jorma Hynninen een uitstekende Sharpless, Chris De Moor een bulderende Bonzo, Piet Vansichen een chargerende Yakuside en Eric Raes verving Francis Egerton als Goro.
Dit bracht Mark Meersman naar de voorstelling, die niks van de symboliek van Carsen bleek te snappen. En dat terwijl hij het er volgens mij nu eens te dik opsmeerde. De opening met de boeg van de “Abraham Lincoln” die als een reusachtige penis het huis van Cio-Cio-San binnendringt is natuurlijk prachtig, maar op die manier moet je wel een heel bedrijf lang tegen een reusachtig zwart vlak zitten aankijken. Bovendien is ook de rest van het alweer schuin oplopende plateau moeilijk te bespelen omdat het wellicht de talrijke eilandjes moet voorstellen die Japan uitmaken. Of Japan zelf dat verbrijzeld wordt door de Amerikaanse invasie. In het tweede deel speelt men immers expliciet op de landkaart van Japan. Daar het land echter erg smal is, verhindert dit een vlotte beweging van de acteurs (alleen Kate Pinkerton kan zoals gezegd op het water wandelen, Christus achterna). De kleur is rood, of eerder roze, waardoor vooral in het eerste bedrijf die typisch Japanse waterbloemen worden opgeroepen, maar samen met de witte achtergrond en het blauwe water krijgen we natuurlijk ook de Amerikaanse vlag, die overigens ook in de kimono van Cio-Cio-San zit: zoals gezegd, allemaal een beetje té nadrukkelijk (zoals b.v. ook haar bekering tot het katholieke geloof).
Het was de bedoeling dat de hele Puccini-cyclus ook door de BRTN werd gecapteerd, maar voor “La Bohème” is men daar wegens problemen met de toneelbelichting niet in geslaagd. Voor “Madama Butterfly” zou het echter wel opnieuw gebeuren. Het betrof hier geen gewone captaties, maar een montage van de beste opnamen gespreid over verschillende dagen. Een duurder, maar artistiek meer verantwoord procédé.
Tussen deze twee voorstellingen door, maakte ik ook nog een opvoering door de Opéra de Wallonie mee, maar die was in hetzelfde bedje ziek als de Opera voor Vlaanderen.

Referentie
Ronny De Schepper, Butterfly met lood in de vleugels, De Rode Vaan nr.51 van 1981
Ronny De Schepper, Een Japanse vlinder in een Amerikaans net, Steps magazine december 1994
Ronny De Schepper, Puccini verleid door Butterfly, Het Laatste Nieuws 10 december 1994
Ronny De Schepper, Japanse vlinder laat zich vangen in Amerikaans net, Het Laatste Nieuws 17 december 1994

99 madame chrysantheme(*) Bij Puccini is Butterfly amper vijftien jaar oud. Dat is des te merkwaardiger omdat in “Madame Chrysanthème” Pierre Loti oorspronkelijk een “Madame Jasmine” krijgt aangeboden die tussen de 13 en de 15 jaar oud is. Verontwaardigd wijst hij haar van de hand. Onder haar vriendinnen die voor het “huwelijk” zijn komen opdagen toont zijn vriend Yves (later zou hij het boek schrijven “Mon frère Yves”) hem echter ook het meisje dat nog dezelfde dag als “Madame Chrysanthème” met hem “in het huwelijk zou treden”. Chrysanthème is achttien jaar oud. Van liefde is er echter niet veel sprake: “Mon Dieu, cette petite Chrysanthème, je ne la déteste pas, en somme. — D’ailleurs, quand il n’y a, de part et d’autre, ni dégoût physique ni haine, l’habitude finit par créer une espèce de lien malgré tout… (…) Quel dommage que cette petite Chrysanthème ne puisse pas toujours dormir: elle est très décorative, présentée de cette manière, – et puis, au moins, elle ne m’ennuie pas. (…) A aucun moment je ne me suis imposé la contrainte d’avoir l’air un peu épris d’elle; mais nos rapports deviennent froids de plus en plus, surtout quand nous sommes seuls.” (p.94-104) Zijn vriend Yves wordt echter wél verliefd op haar.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s