Vandaag is het precies vijftien jaar geleden dat Jan Theys is overleden. In de jaren zeventig, toen ik deelnam aan de filmquiz “Retroscoop”, is hij nog bij ons thuis in Ledeberg geweest, samen met een fotograaf om onderstaande “calicot” samen te stellen. Een “calicot” is zo’n enorm doek aan de gevel van bioscopen vroeger en van alle kandidaten werd er zo één gemaakt. Die mochten we nadien ook mee naar huis nemen, maar niemand deed dat natuurlijk omdat die zo reusachtig groot waren. Maar goed, Jan Theys kwam mij enkele vraagjes stellen over mijn beroep, hobby’s enz., waarbij de fotograaf dan telkens een passende foto maakte. Die foto’s dienden dan later als basis voor de schilder om onderstaand doek te maken…

00 retroscoopHoe men het ook draait of keert, Jan Theys heeft in de nog jonge Vlaamse mediageschiedenis een belangrijke rol gespeeld, zoals ook Jan Mestdagh onderkende in De Rode Vaan.
JODELENDE FLUITER
“Weet u wat, lezer-luisteraar, we komen het volgende overeen: ik schrijf de verhalen zoals ik ze zou vertellen, u leest ze alsof u zat te luisteren, en luisterend terug droomt, in uw tijd van toen”. Dit schreef Jan Theys in zijn woord vooraf tot zijn herinneringen aan de tijd van “Liedjes van toen”. Zo’n tekst slaat elke recensent eigenlijk de wapens uit de hand, en dit des te meer wanneer aan het eind van dit pretentieloze boekje blijkt dat de schrijver zijn programma heeft uitgevoerd. Dit werkje hééft ons inderdaad even “doen terugdenken aan de liedjes van toen, aan de tijd van toen, die in onze herinnering zo veel eenvoudiger was, zoveel gezelliger”.
Bobbejaan Schoepen, Jan Verbraeken, Jean Walter, Henk De Bruin, Ray Franky, Will Ferdy, La Esterella, Jo Leemans… Jan Theys heeft ze allemaal van nabij gekend en meegemaakt en het ontbreekt hem niet aan verhalen, anecdotes en situaties allerhande, die hij bovendien ook met de nodige vlotheid op het papier weet te gooien. De aantrekkelijkheid van zijn boekje wordt nog verhoogd door tal van foto’s die niet weinigen een schok van herkenning en heimwee zullen bezorgen, des te meer daar ze gepresenteerd worden in een lay-out die duidelijk geïnspireerd is op die van de muziekbladen uit de jaren vijftig en de vroege jaren zestig.
En last but not least zijn daar natuurlijk ook de teksten van de hits van toen, liedjes die elke rechtgeaarde fan ook nu nog uit volle borst kan meezingen: ‘k Zie zo gere mijn duivekot, De lichtjes van de Schelde, Ziede gij me gere, de Jodelende fluiter, Wondermooi, Heideroosje, Voor een kusje van jou, en nog zovele meer.
Zo te zien heeft Jan Theys zich dus heel behoorlijk van zijn opdracht gekweten, maar een en ander verhindert niet dat zijn boekje ons op vele terreinen toch op onze honger laat. Wie hier zo goed als constant aan het woord is, is inderdaad de presentator, de showman, die ons zo goed als geen kans laat om kennis te maken met de “mens” die achter de schermen toch telkens zijn rechten herneemt. Hetzelfde geldt ook voor de vedetten die door deze geroutineerde presentator ten tonele worden gevoerd. Ook hier krijgen wij alleen de publieke verschijning te zien, terwijl de wezens van vlees en bloed onbereikbaar blijven. Een uitzondering op deze algemene trend vormen alleen de enkele bladzijden achterin het boek, waarin Jan Theys beschrijft hoe hij zich op een prille zondagochtend met de wagen naar Ronse begeeft, waar een live-uitzending van “De Tijd van Toen” op het programma staat. Men begrijpe ons goed, wat wij van mémoires zoals deze verwachten is geen roddelkroniek, maar voor wie kan terugblikken op een carrière als deze van Jan Theys moet een zeer menselijke benadering toch mogelijk zijn zonder in sensatieroddels te vervallen.
LIEDJESFABRIEK
“Omdat ik naast de glitter en de glamour van het vak ook de keerzijde van de medaille wou kennen, ben ik een tijdlang ondergedoken in een heuse ‘liedjesfabriek'”, schrijft Jan Theys, maar ook van wat hij dààr heeft opgestoken, laat hij ons in het ongewisse. En nu weten wij ook hier wel dat men vanwege iemand in zijn positie geen hemelschokkende onthullingen mag verwachten, maar enigszins dieper mocht op het zakelijk aspect van de Vlaamse droomfabriek(jes) toch worden ingegaan. Welke verkoopcijfers haalde een toenmalige Vlaamse hit? Hoe zag het contract van zo’n zanger met zijn platenfirma er uit? Welk een verschuiving valt er te merken (op het vlak van de contracten, het repertoire, het publiek, de promotie…) tussen wat wij maar zullen noemen de zangers van de “eerste” generatie en deze van de “tweede” (Jimmy Frey, Marva, Liliane St.-Pierre en andere)? Welke is de wisselwerking tussen de evolutie van de electronische media (van 78-toerenplaat tot videoclip) op het door hen verspreide artistieke product? Het zijn stuk voor stuk kwesties die de auteur toch even had kunnen aanraken.
Maar ja, lezen wij daar niet dat Jan Theys met lood in de schoenen aan dit boek is begonnen?
Jan Theys: Inderdaad, in het begin zag ik er erg tegenop. Ik ben immers geen schrijver. Toen echter de eerste bladzijden af waren, kreeg ik onmiddellijk een telefoontje van de uitgever met de mededeling: “Als je nu stopt, schiet ik je omver”. Dan heb ik me daar met alle kracht achter gezet, maar het is toch een zware dobber geworden, omdat de kopij tijdig moest binnen zijn. Een beetje slavenwerk dus, zij het dat het boek eigenlijk al geschreven wàs, ik heb met andere woorden niets moeten uitvinden.
– Toch verklaart dat misschien een beetje de kritiek die we zoëven hebben geformuleerd: als er geen dead-line had op gestaan, zou je dan niet in staat geweest zijn om een groter, systematischer werk bij elkaar te schrijven? Iemand als Jan Theys die moet toch nog méér weten, daar kwam z’n kritiek een beetje op neer.
J.T.: Ja, ik heb me moeten beperken tot een kleine 200 bladzijden, waarvan 25 bladzijden in beslag genomen worden door liedjesteksten, want die wilden we er zeker bij hebben. Maar eens dat ik aan het schrijven was, had ik ineens veel te veel materiaal, omdat ik schrijf zoals ik spreek en ik kan niet zwijgen, zoals je weet. Anderzijds was het uitgangspunt een “verhaal” met als rode draad mijn eigen carrière en mijn ervaringen met al die artiesten. Vandaar ook dat ik niet “stout” ben, want dat ligt niet in mijn aard. Er zijn natuurlijk verhalen die binnenskamers in de showwereld de ronde doen die wat pikanter zijn, maar dat is mijn rol niet. Maar dat alles terzijde, droom ook ik van een soort “encyclopedie” van de Vlaamse showwereld, maar dat is natuurlijk vlugger gezegd dan gedaan.
– Op roddels zijn we inderdaad niet uit, maar “stout” bent u toch wél geweest, nietwaar. Al was het maar in één zinnetje, van Bill Haley blijft niet veel meer over. Wilde u daarmee ook de hele rock’n’roll onder tafel vegen?J.T.: Ik heb niets tegen rock’n’roll! Neeneenee! Het betreft hier het typische geval van Bill Haley, de muzikant, de orkestleider, het zwijn, zal ik maar zeggen. Integendeel, ik hou van rock’n’roll en ik draai hem dan ook geregeld in mijn programma, dat hoort bij de tijd van toen. Net zoals The Beatles. Zij waren in de sixties werkelijk het van het. Ook voor mijzelf. Ik vond eerder intuïtief dat dit muziek was die de tijden zou trotseren en dat blijkt dus inderdaad het geval geweest te zijn. In zoverre zelfs dat ik ze nu reeds af en toe in “De Tijd van Toen” programmeer. Dat gaat dan wel eerder om nummers zoals “Yesterday” of “Michelle”, maar toch…
– Wat mij opvalt, Jan, dat is dat die teksten vroeger globaal toch uitstegen boven het niveau van wat men nu smartlappen pleegt te noemen. Toch zweren diezelfde mensen die vroeger van La Esterella of Jean Walter hielden, nu bij Vader Abraham of de Zangeres zonder Naam. Eigenlijk begrijp ik dat niet goed. Maar misschien richten onze zogenaamde kleinkunstenaars zich tot een veel te beperkt publiek, met name hun eigen generatie?
J.T.: Heel duidelijk heb ik daar ook geen zicht op, maar in de tijd van Max van Praag, Bob Scholte en noem maar op, was de tekst een essentieel onderdeel van het geheel en dus werd daar op gewerkt door mensen die daar een handje van weg hadden.
– Mogen we in dat licht nog ooit dat “Grote Songbook” van u verwachten?J.T.: Ik hoop dat ik daar ooit nog de tijd voor heb, maar dat is iets dat zeker tien jaar in beslag neemt. Als je immers wil teruggaan tot pakweg 1900, dan is dat een speurwerk dat je onmogelijk alleen aankunt. Ook zou er dan een team moeten worden gecreëerd, waarbij de ene zich toelegt op de café-chantants, de andere op het begin van de schlager, dan nog een andere op die donkere periode van ’40, waarna alles weer van Holland moest komen, enzovoort. Het is een zware dobber. Ik hoop dat het er nog ooit eens van komt, maar dat kan ik niet alleen.

Referentie
Jan Mestdagh, Jan Theys presenteert “Liedjes van toen”, De Rode Vaan nr.33 van 1984
Ronny De Schepper, Jan Theys aan het lijntje, De Rode Vaan nr.42 van 1984

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s