Belpop: hoogtepunten uit de geschiedenis van de Belgische popmuziek

Belpop is een reeks van zes documentaires waarin telkens één Belgische groep of artiest centraal staat die zijn stempel heeft gedrukt op de populaire muziek in België en soms ook ver daarbuiten. Het gaat meer bepaald om De Kreuners, Front 242, The Kids, Lou Depryck, Arno en Raymond Van Het Groenewoud. Aan de hand van archiefmateriaal en interviews met de artiesten zelf, groepsleden, producers en andere getuigen wordt de muzikale carrière van de Belpop-iconen onder de loep genomen. Zo brengt Belpop vergeten of verborgen verhalen uit onze nationale muziekgeschiedenis voor het eerst of opnieuw aan het licht en op het scherm. Op dinsdag om 22.05 u. vanaf 18 november op Canvas.
Bovendien zendt Radio 1 op zaterdag 22 november van 12 tot 20 uur de zevende editie uit van 100 op 1: de beste Belgische songs. 100 op 1 is het sluitstuk van de Radio 1 Sessies. Acht uur lang de allerbeste liedjes van bij ons, gepresenteerd door Lieve De Maeyer en Floris Daelemans.
Tot en met zondag 16 november kan de Radio 1-luisteraar op http://www.radio1.be zijn vijf favorieten kiezen uit een longlist met vijfhonderd straffe Belgische songs. De nummers staan niet alleen alfabetisch, maar kunnen ook worden gesorteerd per decennium: jaren 60, 70, 80,… Er is een handige zoekfunctie en wie wil, kan zijn persoonlijke verhaal bij de nummers kwijt. De honderd beste nummers gaan naar de finale op zaterdag 22 november.
Ook dit jaar blijft het spannend tot aan het eind. De definitieve Top-10 wordt namelijk pas tijdens de uitzending zélf bepaald: de tien hoogst genoteerde nummers worden in alfabetische volgorde op de website geplaatst en de luisteraar beslist over de ultieme winnaar.
Tijdens de uitzending zijn er schandalig veel cd’s te winnen: cd’s van de muzikanten op de Radio 1 Sessies en van elke artiest in de 100 op 1-lijst.

“In de jaren 70 werd aan de zangerstaal in volle groei stevige modern klinkende muziek toegevoegd en tekenen zich de resultaten af van de verspreiding van het muziekonderwijs, waar talrijke jongeren een basiskennis van muziek hebben opgedaan. Sedertdien gaat Vlaanderen stevig mee in de internationale rockscene.” Minister Luc Martens gaat in zijn beleidsbrief voor muziek van 10 juli 1996 wel erg ver in zijn gevolgtrekkingen en het leggen van verbanden. In 1978 namen The Kids weliswaar hun eerste elpee op (overigens met als producer Leo “Evviva Espana” Caerts) en die hadden hun naam niet gestolen: zanger Ludo Mariman was weliswaar reeds 21, maar drummer Eddy De Haes was slechts 16 en zijn bassende broer Danny zelfs amper 12! Maar of dit een uitvloeisel van het muziekonderwijs was? Dat is alvast niet wat we in de realiteit hebben kunnen ervaren en wat evenmin tot uiting komt in het boek “Wit-lof from Belgium”.
Alhoewel dit zeker niet bedoeld is als het ultieme naslagwerk over de Belgische pop, toch is het dankzij een uitermate groot streven naar volledigheid, een (helaas soms wat lukrake) index en vooral een indrukwekkende discografie (van de hand van godsdienstleraar Kris Dierckx) een werk geworden dat alvast heel wat kandidaat-auteurs van dergelijke overzichten zal afschrikken.
In de tekst zelf heeft men echter niet naar encyclopedische toestanden gestreefd, maar integendeel heeft men geopteerd voor een zeer speelse aanpak. Mijns inziens soms wat té speels, zo zijn er hoofdstukken waar in élke zin een woordspeling of iets van die strekking voorkomt. De talloze woordspelerige verwijzingen zullen het boek overigens binnen vijf jaar (of nog eerder) onleesbaar maken.
Alhoewel de schrijvers een latere herwerking niet uitsluiten, was het oorspronkelijk toch hun bedoeling om ook nu reeds iets “blijvends” over te houden. Dat is hen dus maar gedeeltelijk gelukt, al blijft het boek stukken beter dan dat welk door Guy De Pré werd uitgebracht n.a.v. de TV-reeks “De Préhistorie”. Guy De Pré aast trouwens zeker op een politieke carrière (1)? Om de twee bladzijden staat zijn foto in het boek van “De Préhistorie”. Bovendien heb ik het maar zeer diagonaal gelezen, maar als alle informatie even correct is als die op p.164, waar men beweert dat “op 15 maart tijdens het wereldkampioenschap wielrennen Monseré om het leven komt” dan is het klaar voor de vuilnisbak.
DE PREHISTORIE: JAZZ IN BELGIE
De jazz werd in België tamelijk vlug geïntroduceerd, nl. reeds rond de eeuwwisseling, ook al was dat dan uitsluitend ragtime. Die muziek werd meestal als intermezzo gespeeld tussen het repertoire van de militaire kapellen door. Het was trouwens in het zog van John Philip Sousa dat de jazz hier ingang vond. Er bestaan uit die tijd nog partituren van Belgen die ragtime componeerden, maar buiten de meest populaire (ene Fremaux) zijn de namen vergeten geraakt. België was een voorloper op het gebied van de jazz. Misschien was dat nog een beetje een erfenis van Adolphe Sax? Na de Eerste Wereldoorlog was in Brussel het eerste volledig zwarte orkest te horen. The Mitchell’s Jazz Kings waren immers het vaste orkest van de Alhambra. De eerste Belgische jazzband ontstond in navolging daarvan in het Bistrouille A.D.O. Het is zelfs zo dat de eerste Europese jazzplaat (1927) voor een deel Belgisch is. Dat wil zeggen: ze werd weliswaar in Londen opgenomen, maar de producent (Félix Faeck) was Belgisch, evenals de uitvoerders (Chas Remue en The New Stompers). De populariteit van de jazz steeg nog meer toen Josephine Baker met haar Revue Nègre het Koninklijk Circus aandeed, waar overigens in 1931 een danswedstrijd à la “They shoot horses” plaatsvond. Een jaar eerder had de openbare omroep N.I.R. een eigen jazzorkest opgericht, geleid door Stan Brenders (een lid van The New Stompers). Op de “boerenbuiten” echter kende men een heel eigen invulling van het begrip “jazzband”…
57 de nachtridders
Tijdens de bezetting viel er ook in België jazz te beluisteren, ondanks het feit dat de nazi’s ze officieel verboden (het woord was wél taboe). Voor sommigen is Stan Brenders, de leider van de populairste big band tijdens de oorlog dan ook een held, terwijl hij voor anderen juist een collaborateur is. Opvallend is dat de muzikanten zich niet beperkten tot het spelen van jazz, maar dat ze ook dansmuziek op het repertoire namen.
Ook Etienne Verschueren ontdekte als een echte “swing kid” de jazz en de sax tijdens de oorlog. Op dat moment studeerde hij piano aan het KMC te Gent en hij vloog meteen aan de deur. Na de oorlog werd hij lid van The Belgian Bluebirds, die vooral in Duitsland voor Amerikaanse soldaten optraden. Leider was Micky Bunner en twee andere bekende leden waren bassist Roger Vanhaverbeke en een andere saxofonist Jack Sels, wiens leven in de film “Just friends” wordt geëvoceerd. In 1958 treedt Verschueren toe tot het orkest van Henry Segers van het toenmalige INR, om in 1963 over te stappen naar het zogenaamde variété-orkest van de NIR o.l.v. Fernand Terby. Nog geen jaar later kreeg hij de leiding van het BRT-dansorkest toegewezen, dat hij later als BRT-jazzorkest groot zal maken… tot het uit bezuinigingsoverwegingen wordt opgeheven.
Etienne Verschueren had dat orkest uiteraard geërfd van de legendarische Francis Bay, die ondertussen overleden is, zodat we hem niet meer kunnen vragen of hij zijn artiestennaam soms heeft geïnspireerd op zijn Franstalige collega, Jacques Say. Deze heette eigenlijk Ysaye en was inderdaad een kleinzoon van de fameuze violist Eugène Ysaye. Hij had dus, zoals het hoort, een klassieke opleiding gehad, maar toen hij als violist niet genoeg schitterde om in de voetsporen van zijn grootvader te treden, schakelde hij over op klarinet. Zijn zoon Marc Ysaye is overigens de drummer van de rockgroep Machiavel en, vooral, de directeur van het RTBf-radiostation “Classique 21”. Classique slaat daar echter wel op “popklassiekers”, zoals o.m. mag blijken uit de CD-reeks “Les classiques de système 21”. Ikzelf bezit daarvan vol.5 en daarop staan de niet-ingekorte versies van “Get ready” van Rare Earth, “John Lee Hooker” van Johnny Rivers, “Fried hockey boogie” van Canned Heat en “In-a-gadda-da-vida” van Iron Butterfly.
Ook Benoît Quersin (1927-1992) heeft een “echte” klassieke opleiding gehad. Hij richtte na de oorlog zowaar een jazzorkest op, waarin hij… cello speelde! In 1950 in Parijs werd dat dan, iets “normaler”, bas, waarmee hij o.a. Lionel Hampton, Dizzy Gillespie, Sidney Bechet, Chet Baker en Sarah Vaughan begeleidde (ook op plaat). In 1957 keert hij terug naar België en wordt de baas van de “Blue Note”, de belangrijkste jazzclub van België. Vanaf 1961 wordt hij hoofd van de jazzsectie van de RTB. De laatste twintig jaar woont hij meer in Afrika dan in België, maar hij slaagt er toch nog in Marc Moulin te lanceren in “Cap de nuit”. Hij was ook één van de eerste begeleiders van Toots Thielemans (op piano). Maar bij mijn weten is hij er niet bij als in 1955 Toots Thielemans in New York zijn eerste elpee maakt. Aangezien van alle Belgen Thielemans de Tootste is, werd in 1992 “Bluesette” tot “hymne” van het Brusselse gewest uitgeroepen!
Een andere belangrijke jazzclub was “La rose noire” waar in 1955 b.v. de big band van Jeannot Morales speelde met o.a. de Congolese zanger-gitarist Vicky Down, de violist Eddie Delatte, de saxofonisten Etienne Verschueren en Johnny Dover, de drummer Freddy Rottier, de trompettisten Louis De Haes, Bob Pauwels en Charlie Knegtel en de bassist Jean Warland.
ROCK’N’ROLL ONDER DE KERKTOREN
Tussen 1953 en 1956 was België de grootste afnemer van Amerikaanse jukeboxes (b.v.Würlitzer) voor 78-toerenplaten. En dat in absolute cijfers! Maar alhoewel op 19 oktober 1958 Bill Haley de wereldtentoonstelling afsloot, bleven de hele jaren vijftig door vooral specimens als Jan Verbraeken, La Esterella, Henk De Bruin, Ray Franky en Enny Denita het mooie (?) weer maken. Zelfs een redactie als deze van Song Parade die bestond uit mensen die hun hart hadden verpand aan de Amerikaanse amusementsmuziek en de jazz nam aanvankelijk tegenover rock’n’roll een erg ambivalente houding aan. Deze muziek voerde immers een faam van geweld en straatschenderij met zich mee en waar een figuur als Bill Haley nog moeiteloos geaccepteerd werd, bleef zelfs Elvis Presley geruime tijd taboe. Zo wordt in het novembernummer van 1956 met enthousiasme bericht over de “Rock’n’roll Show” die te Brussel heeft plaatsgegrepen en die georganiseerd werd in de dancing Sint-Sauveur (sic!) door Ciné Revue, Max Factor en Columbia Films – winnaars waren Mevr.Lili Holemans uit Brussel en de heer D.Van den Berghe uit Boom, benieuwd wat er van hen is geworden – maar op een andere plaats schrijft jazz-medewerker Pierre De Bie over Elvis Presley dat hij “ten onrechte” zanger wordt genoemd. In Humoradio gaat Max Helder (Willy Courteaux) nog verder: “Een genre als rock’n’roll dat aanleiding geeft tot uitingen van geestloos, afgestompt barbarisme is uiteraard verachtelijk. Dat de grootste hoop van de lichte muziek alleen maar tot het sentiment spreekt en het intellect verwaarloost: jammer. Maar rock’n’roll gaat verder: het spreekt tot de ingewanden, die bezwaarlijk het nobelste deel van de mens kunnen worden genoemd. Nergens is het woord van Eduard Hanslick zo toepasselijk: dat er muziek bestaat, die men kan horen stinken.” Of zoals Sigiswald Kuijken veel later zal verklaren: “Zieke muziek voor zieke mensen.”
Het merkwaardigste is wel dat Courteaux hiervoor op de vingers werd getikt door hoofdredacteur Jef Anthierens. Deze legde zelfs de basis van de rock’n’roll-reputatie van Humo door artikels rond dit muziekgenre niet enkel toe te staan maar – weliswaar onder het pseudoniem Bert Brem – zelf een biografie over Elvis Presley te schrijven. Hij was het ook die besloot om achteraan in het blad hitteksten af te drukken.
In het nummer van 27 maart 1957 verschijnt de uitslag van de “Song Parade Popularity Poll 1956-1957”, die een typisch beeld geeft van de situatie op dat ogenblik. Bij de zangers wordt Nat King Cole gelauwerd, gevolgd door Frank Sinatra en Elvis Presley; bij de vrouwelijke vocalisten wint “Miss Que Sera” Doris Day, met in haar kielzog Caterina Valente en Ella Fitzgerald; als vocale groep beleven The Platters triomfen, hierbij The Four Aces en The Four Lads achter zich latend; bij de “grote orkesten” blijkt Lionel Hampton favoriet number one, gevolgd door… Helmut Zacharias die Count Basie verslaat (!); bij de “kleine formaties” verslaat Bill Haley zijn naaste concurrenten, zijnde de Louis Armstrong All Stars en Freddie Bell and The Bellboys, een groep die destijds aan de zijde van Bill Haley debuteerde in “Rock around the clock” en waarvan sinds jaar en dag niets meer werd vernomen; bij de solisten tenslotte gaat de hoofdtrofee naar de Engelse trompettist Eddie “Zambesi” Calvert, gevolgd door Louis Armstrong en Lionel Hampton. Het weze opgemerkt dat Louis Armstrong twee jaar later, in 1959, zou optreden in de Ancienne Belgique met in het voorprogramma… een zeehondenshow!
Typisch is dat er een aparte klassering wordt voorzien voor “rock’n’rollartisten”, en hier wint Elvis Presley moeiteloos het pleit vóór Bill Haley, Little Richard, Gene Vincent, Fats Domino en The Treniers.
Dezelfde namen vinden wij grosso modo in het nummer 37 van een jaar later terug, maar vocalist nummer één is nu veelzeggend genoeg Pat Boone, gevolgd door Elvis Presley als ongelukkige tweede en Nat King Cole als grote verliezer.
Song Parade was in 1955 gesticht door Mechelaar Jan Torfs, die het vak had geleerd bij het Nederlandse Tuney Tunes, “gebackt” door geldschieter Albert Van Hoogten, de manager van het Ronnex-label (2). Al na een jaar botste Torfs met zijn broodheer en startte hij Juke Box, wat mijn lijfblad zou worden (de gegevens over Song Parade komen van Jan Mestdagh). Al in het eerste nummer (mei ’56) schreef hij een artikeltje (“Voor het notaboekje”, wat zoveel betekende als: dit knoop je maar beter in je oren) over Elvis Presley (én over Carl Perkins, waarbij al vermeld wordt dat deze is uitgeschakeld door een ernstig auto-ongeval), wat volgens Torfs zelf de allereerste vermelding van Elvis in Europa (!) zou zijn. Hoe dan ook, in het tweede nummer rijfde Torfs reeds een publiciteit van Elvis’ platenfirma RCA binnen. Tegelijk maakt de firma ook een beetje publiciteit voor eigen Vlaamse producties. Let op het enorme kwaliteitsverschil! (zie illustratie) Torfs zou overigens de Angelsaksische rockmuziek blijven promoten tot ver in de jaren zeventig, terwijl Song Parade in 1962 zou ophouden te bestaan.
Het was wel eigenaardig dat de houding vanwege Song Parade tegenover blanke rockers als Jerry Lee Lewis moeilijk bleef, maar zwarten als Little Richard en grote voorganger Louis Jordan konden zich in een uitgesproken sympathie verheugen, net als trouwens mr.Buona Sera Louis Prima – vanwege hun jazzy achtergrond? (De platen van Little Richard werden overigens door Ronnex uitgebracht, maar dat is natuurlijk de discussie over de kip en het ei: werden ze nu door Ronnex uitgebracht omdat Van Hoogten er wél van hield, of hield Van Hoogten ervan omdat hij dan langs de kassa mocht passeren? Een interessant gegeven in deze kwestie is dat de B-kant van Little Richard-platen op Ronnex door een andere artiest werd geleverd. Zo staat op de B-kant van “Tutti Frutti” heel toepasselijk “Chop Chop” van The Chimes.)
FREDDY SUNDER
Hoe dan ook, de doorbraak van rock’n’roll in België mag dan redelijk laat zijn gekomen, dan is de verbinding met de jazzwereld des te opvallender. Een de eerste figuren, Freddy Sunder met “Rio Rita”, kwam net als z’n grote voorbeeld Louis Prima immers eerder uit de jazz-richting en werd zelfs als Amerikaan gepromoot. Louis Prima zou trouwens ook later nog z’n invloed doen gelden, o.a. op Marino Falco (Marijn Devalck) met “Hopla met de beentjes, Marie”, Salix Alba (“I can’t resist”) of Two Men Sound (“Feeling better”). In navolging van de toen heersende rage van spaghetti-westerns sprak men in het begin van de jaren zeventig dan van spaghetti-rock.
Voor één keer kon men dus echter toch niet zeggen dat België het buitenland achterna huppelde als het over het ontstaan van rock’n’roll ging. Integendeel zelfs, nog voor “Rock around the clock” of “Jailhouse rock” onze kontreien zouden bereiken, had de Antwerpenaar Freddy Sunder reeds een boogie-versie van de country-klassieker “Kaw Liga” op de markt gebracht (in 1953). En die country-inbreng is nu precies wat rock’n’roll zou onderscheiden van de rhythm’n’blues die reeds vroeger bestond en die voor 90% het ritmische patroon van rock zou bepalen.
Wist Sunder echter veel! En zijn fans wisten nog minder. Zij waren immers in de waan gebracht (nog altijd in de euforie van de afloop van W.O.II) dat het hier een Amerikaans staatsburger betrof. Van zodra echter de ware nationaliteit van Sunder aan het licht kwam, riepen zijn vroegere fans in koor: “Mee iel Antwaarpe, mor nie mee maa!” Gelukkig kon Frits Sunderman aan de slag als studiogitarist (b.v. op “Kili Watch”, “Eenzaam zonder jou” en “Sans toi mamie”) en later zelfs als leider van de BRT-Big Band.
Burt BlancaBURT BLANCA
Exit Sunder, welkom Burt Blanca. Ook hier deed men een beetje geheimzinnig over zijn afkomst (het was een Brusselaar met Brugse roots), maar gelukkig niet in die mate dat het publiek afkickte toen men erachter kwam dat dit niet het verloren gewaande tweelingsbroertje van Elvis Presley was. Blanca had zelfs over de zuidergrens een verdiend succes, zeker als men ermee rekening houdt dat hij ooit nog debuteerde in het beruchte baancafé “Virske de Fluitster” in Vilvoorde, waar nu een Decap-orgel speelt.
Dat heeft natuurlijk ook veel te maken met de houding die de goegemeente aannam tegenover het nieuwe rockverschijnsel, zoals Burt Blanca zo’n dertig jaar geleden in De Rode Vaan verklaarde: “Het rockfenomeen werd vooral komisch benaderd. Men vond het eigenaardig dat wij op het podium zo te keer gingen. Een orkest dat moest toch stijf blijven staan, nietwaar?”Burt Blanca huppelde zowat over en weer tussen Engels en Frans (“Tout en fumée”) en werd daardoor eigenlijk geen sant in eigen land, maar kwam wel aan de bak in Frankrijk.
DAN ELLERY
Dan Ellery van zijn kant nam onder zijn eigen naam vocale nummers op voor Philips (“Jealous tiger” is z’n bekendste) en met The Tigers instrumentals voor Newtone (“Tiger attack”). Het merkwaardige is dat daarbij vaak een hoofdrol werd vertolkt door een “naamloze” saxofonist. De composities waren meestal van Dan samen met ene Rocky Miller. Opvallend is wel dat ze veel Amerikaanser klonken (met name de invloed van de “twangy sound” van Duane Eddy op “Long Trail” is opvallend) dan de andere Europese groepen uit die tijd (behalve misschien de Franse, zoals Vince Taylor of Les Chaussettes Noires), die eigenlijk allemaal kopieën waren van The Shadows. Dat is wel jammer voor sologitarist Jeff De Visscher, die dan eerder aan de bak kan komen als begeleider van Jacky Delmone.
Nadien gaat Dan bij RCA spelen, maar buiten “Lumpin’ Lips” zit daar niet veel soeps bij. Hij hervat zich echter met “Bop-a-lena” op Cardinal, een cover van een nummer van Ronnie Self. Jeff De Visscher gaat dan bij Nancy & the Atlantics spelen (“We are happy” en “If you think”), een groep die in de richting van The Honeycombs gaat, maar waarin Nancy Dee reeds wordt vooruitgeschoven wat uiteindelijk zal uitmonden in een solocarrière, die evenwel weinig met rock’n’roll vandoen heeft.
Minder bekend is ene Billy Geens uit Averbode alias Bill Diddley die ondanks zijn naam eerder een Buddy Holly-kopie was die in 1958 debuteerde (Holly zong overigens ook de gelijknamige Bo Diddley-klassieker). Zijn groep, The Daltons, ging in 1963 ter ziele en daarna werd Diddley begeleid door The Hollywood Twisters of zelfs door The Pebbles! Net als Joe Meek kreeg ook Bill Diddley een slag van de molen in 1967, alleen pleegde hij gelukkig geen zelfmoord, maar integendeel: hij zag het Licht al hier op aarde! “Buddy Holly is een heilige. Hij toonde aan de jeugd hoe zich te gedragen. De Rolling Stones en dat soort groepen hebben die houding verbeestachtigd!” Alleluia.
Omdat vele platenwinkels zich nog “een opvoedende taak” voorhielden en nog liever failliet gingen dan die “beestenmuziek” uit het verderfelijke buitenland te importeren en “the real thing” dus moeilijk te krijgen was, huurden Albert Van Hoogten en Jean Van Hooren enkele mensen in om hits te coveren voor een budget-label (Teeny b.v.), plaatjes met twee A-kanten die dan tegen 39fr (i.p.v. de “normale” 66fr) werden verkocht. Ikzelf had zo “Personality”/”Just keep it up” van Bell Records en natuurlijk ook tal van die fameuze Kraft-plaatjes die echter van mindere kwaliteit waren. Al zou ik wel graag weten wie deze plaatjes inspeelden en –zongen: bestaat er in Engeland niet iets dergelijks, waarbij het om de jonge Rod Stewart en Elton John blijkt te gaan?
Dat was ook de tijd dat de muziekuitgeverijen nog altijd meer te zeggen hadden dan de platenmaatschappijen, zodat het kon gebeuren dat iedere maatschappij hààr versie van een bepaalde hit liet opnemen. De hitparades werden dan ook nog altijd op basis van het lied (de muziekuitgeverij dus) en niet van de uitvoerder (de platenfirma) opgemaakt, vandaar dus die “gekke” hitparades van uit die tijd.
PATER VISSER
Voor de Belgische kranten was rock’n’roll in het algemeen en Elvis Presley in het bijzonder natuurlijk de baarlijke duivel (denk aan het stukje in “De Gentenaar”). Alleen Hugo Claus kwam tegen die opvatting in opstand.
In die context is het nu wel tijd om even een misverstand recht te zetten dat nog steeds welig verder tiert. Dat de kerk rock’n’roll niet gunstig gezind is, dat kun je je namelijk wel inbeelden, maar echt hard kan men die stelling niet maken. Er zijn m.a.w. bij mijn weten, in ons land althans, nooit expliciete veroordelingen geweest van rockmuziek vanop de kansel. Tenzij door hier of daar een individu.
Maar daar stonden dan andere individuen tegenover, zoals Pater Visser van de abdij van Affligem die in het muziektijdschrift “Juke Box” verkondigt (in 1957!): “Als wij in de bladen schrijven, of op vergaderingen zeggen, dat Rock’n’Roll een zottekensspel is, dan halen die jonge gasten achter onze rug hun schouders op en lachen ze je uit. Dat negatieve in onze woorden of geschriften aanvaardt onze huidige jeugd niet meer. Zij vraagt enkel begrip voor hun leven en een hoger optillen van dat leven. Wij veroordelen te veel en wij verzorgen te weinig. Wie veroordeelt moet ook iets kunnen opbouwen. Het oude zegt de nieuwe jeugd weinig of niets meer. Er is aan deze jeugd niet veel gegeven of gezegd (in een taal, die hen aansprak) en daarom is zij haar eigen weg gegaan. Of beter gezegd niet haar eigen weg, want jeugd gaat geen eigen wegen, maar van de voorbeelden die hen aanspraken. Mij persoonlijk zegt Elvis Presley heel weinig; maar ik vind wel dat die jongeman, zowel in stem als in voordracht, de sfeer van de huidige jeugd weergeeft. Dat gebrokene, dat hese in zijn stem, het geraffineerde in zijn voordracht… En als men daarbij zijn figuur voor ogen heeft, dan kan men zich enigszins indenken, dat onze huidige jeugd zich daarin weervindt.”
Wijze woorden, zeker als men deze houding vergelijkt, b.v. met die van de Communistische Partij die in die koude oorlogsjaren op die manier de kans aan zich voorbij liet gaan om de jeugd voor zich te winnen. In een licentiaatsverhandeling haalt Marniks Puype deze negatieve houding tegenover rock’n’roll zelfs aan als één van de redenen waarom de oplage van “De Rode Vaan” uiteindelijk zo klein werd dat men van een dagblad naar een weekblad moest overschakelen. Toen ik n.a.v. “20 jaar Sgt.Pepper’s” er “De Rode Vaan” van 1967 op navlooide, bleek dat het uitbrengen van deze monumentale elpee de redactie totaal ontgaan was. De commentaar van toenmalig redacteur Vic Van Saarloos was ontnuchterend: “Och, wij hadden daar hoegenaamd geen belangstelling voor. Maar dat was in feite al een vooruitgang, want in de jaren vijftig hebben we werkelijk nog vurige pamfletten geschreven tegen Elvis Presley en zo.”
SCHUDDEN VOOR GEBRUIK
Het duurde tot in 1960 vooraleer de Vlaamse radio dankzij de ironische basstem en de spitse commentaren van de toen pas 18-jarige Guy Mortier een volwaardig “teenagerprogramma”, zoals dit toen werd genoemd, ging uitzenden, met name “Schudden voor gebruik”. En al meteen werden humor, rock en jeugdcultuur aan elkaar gekoppeld.
Guy Mortier: “Je zou je kunnen afvragen of er in de jaren vijftig überhaupt wel radio gemaakt werd hier in Vlaanderen. Ik moest trouwens altijd mijn tent meebrengen want er was zelfs nog geen gebouw. Rock’n’roll is hier dan ook pas verschrikkelijk laat doorgedrongen en werd toen ik begon trouwens nog steeds buitengewoon argwanend bekeken. Er waren zeer weinig platen in de discotheek en in die tijd kwamen er weinig platen uit, zodat ik heel vaak met de bus naar Eindhoven ben getrokken om daar dan toch een paar singeltjes te kopen die ik op Radio Luxemburg had gehoord. Elpees waren nog een grotere zeldzaamheid maar die waren eigenlijk toch niet veel waard, dat was gewoon een hitsingle met een hoop rotzooi errond. Soms mocht ik dan toch eens op kosten van de BRT een plaatje kopen, maar als ik dan later opnieuw geld vroeg, dan zeiden ze: jamaar, je hebt de keerzijde nog niet gedraaid! Ik moet in de ogen van die ouwe heren dan wel een dure vogel geweest zijn, want mijn systeem bestond er juist in geen enkele plaat twee keer te spelen, tenzij ze erg goed was en dan nog met een paar weken ertussen!
Humoristische bindteksten waren voor mij essentieel. Godfried Bomans was mijn grote voorbeeld en is dat eigenlijk altijd gebleven, zoals je uit de humor in Humo zou moeten kunnen afleiden. Want humor moét. Mensen moeten nu en dan eens kunnen lachen. Op de weide van Jazz Bilzen of Torhout/Werchter voorkomt dat b.v. agressie, vooral als het zeikt of als het wachten te lang duurt. Humor strijkt dan de plooien glad.
Maar terug naar de muziek: gelukkig heb ik niet op de BRT moeten wachten om kennis te maken met de populaire muziek. Ik was zelfs reeds vóór de rock’n’roll bezig met The Four Aces, The Andrews Sisters, Tennessee Ernie Ford, Frankie Laine. Rockconcerten waren er helemààl niet. Het fameuze optreden van Bill Haley op de Wereldtentoonstelling staat helemaal buiten de muzikale evolutie in België. Trouwens, dat bewijst ook dat ze er niet veel van snapten, want wat is Bill Haley in godsnaam? Een datum en een plaat die veel verkocht heeft, maar muzikaal helemaal ernààst.
Ikzelf draaide in mijn programma’s toen systematisch elke uitzending een nummer van Fats Domino. Ik was dan ook zeer enthousiast toen ik hem jaren later eens persoonlijk kon ontmoeten voor een interview. Dat was echter een grote tegenvaller. Hij was zo goed als onverstaanbaar omdat hij zijn tanden niet in had en zijn nummer ‘Let the four winds blow’ vatte hij nogal letterlijk op. Die bladzijde is dus omgedraaid. Nu heb ik in mijn auto een cassette met aan de ene kant de Sun-sessies van Elvis Presley en aan de andere kant Bruce Springsteen. Dat vat het mooi samen, vind ik.”
DE VEDETTE MET DERTIG CENTIMETER
Lutgart Simoens, de moeder aller omroepsters, was toen ook al actief: “Ik ben in ’53 bij de BRT gekomen, maar een eigen programma had ik toch pas op het einde van de jaren vijftig en Toppers voor Tieners liep eigenlijk ook maar vanaf 1960. Toch heb ik die evolutie vrij goed kunnen volgen, want wij hadden toen bij Omroep Antwerpen Reinier Van der Velde als enige producer muziek en dat was een klassiek georiënteerd musicus-componist en daarom was hij blij dat iemand van zijn omroepers zich wilde bezighouden met de lichte muziek.
Op het einde van de jaren vijftig waren nogal wat close harmony-groepen populair bij het grote publiek zoals The Mills Brothers en The Brothers Four. Niet te verwonderen dus dat men, als rond die tijd hier ook de rock’n’roll begon door te sijpelen, men daarop schold als zijnde wild, duivels, onkuis en wat weet ik allemaal. Maar ik vond dat muziek die recht uit de buik kwam en alles wat instinctief is dat spreekt mij aan, in tegenstelling tot b.v. de popmuziek van nu die ik te cerebraal vind. Chuck Berry, Carl Perkins, Little Richard en natuurlijk Elvis Presley, dat is de meest frisse muziek die er bestaat. Je voelt dat dit ergens uit het oerinstinct van de mens komt. Als ik dat in één plaat zou willen samenvatten, dan zou dat ‘That’s alright mama’ van Elvis Presley kunnen zijn. Ik ben immers niet zo’n sentimentele Trees zoals men van mij denkt – het was Jos Baudewijn die mijn programma’s samenstelde en niet ikzelf – ik kies dan ook altijd voor ‘de rappe’. Of het zou echte zwarte blues moeten zijn.
Live-optredens waren er echter pas sinds de Toppers voor Tieners-tijd. Toen hadden we jaarlijks een grote show in de dierentuin en aangezien de BRT geen toegangsgeld mocht aanvaarden, ging de opbrengst integraal naar het fonds voor roofdieren: ook erg wild dus. Uiteraard waren het toen reeds vooral groepen uit de jaren zestig die optraden, maar bij de aanvang hebben we toch nog Roy Orbison, Paul Anka, Cliff Richard, Fats Domino, Freddy Quinn, Conny Froboess, Peter Krauss enz. gehad. We lieten de tieners daar zelf het decor voor ontwerpen en verder hielden we ook nog debatten met hen, enfin een beetje ‘Vinger in de pap’ avant la lettre. En dat had veel succes, we legden daar zelfs speciale treinen voor in. Op dat vlak was het dan weer ‘Tien om te zien’ avant la lettre.
Daarnaast hadden we ook nog een rubriek ‘De vedette met dertig cm’. Ik moet er nog mee lachen als ik eraan denk, maar dat was eigenlijk de elpee van de week. Voorts was er ‘Geef ieder een kans’, dat was een soort ‘Ontdek de ster’ in het park van Schoten, waarmee we o.a. The Pebbles en Ann Christy hebben gelanceerd.”
DE VLAAMSE ROCK: ZE ZULLEN HEM NIET TEMMEN, WANT HIJ IS NOOIT WILD GEWEEST
Opmerkelijk is dat reeds van bij het begin er ook Vlaamse rock wordt gemaakt: zelfs Will Tura, dé grote naam van het zogenaamde Lichte Lied in Vlaanderen, waagde zich oorspronkelijk aan The Everly Brothers, ofwel met een vertaling (“Bye Bye Love”) of een soort “op de wijze van” (“Sproetje”, geschreven door… Jan Theys!).
Will Tura, of beter gezegd Arthur Blanckaert, want toen had hij nog geen artiestennaam, was gedebuteerd op een “crochetwedstrijd” van Radio Kortrijk in 1955 met de toepasselijke naam “Weg met de zorgen”. Hij eindigde er tweede na de zestienjarige Bob Verhelst, die als prijs (net zoals veel later in “Idool”) een plaatje mocht opnemen, met name zijn interpretatie van “De Jodelende Fluiter” van Bobbejaan Schoepen. Bob Verhelst ging later studeren aan het Gentse Conservatorium, waar hij als Bobby Setter een rockgroepje samenstelde. In 1963 zag hij zich echter genoodzaakt de samenstelling van zijn groep helemaal om te gooien, want hij kreeg via een agentschap in Monaco de kans om een tournee te doen in Afrika, o.a. in Dakar en Abidjan en zijn conservatoriumvrienden kozen uiteindelijk toch maar voor een veilig bestaan in de klassieke richting.
Bobby Setter zou later vooral naam maken als begeleider van Fats Domino op zijn Europese tournees en door het intrappen van de deur van rockjournalist Jacky Huys, toen die een artikel geschreven had over zijn dochter (“dochter van Bobby en een Ierse”). Waarop Bobby zich onsterfelijk maakte door te repliceren: “Mijn vrouw is geen Ierse!!!”
Bobby Setter speelt ook op de originele “De Vogeltjesdans” zoals die werd uitgebracht door Louis Van Rijmenant. Aangezien het hier eigenlijk het nummer “Chip Chip” betreft van een Zwitsers accordeonist die zijn rechten had afgestaan, kreeg Setter de keuze om 1.500 fr. te incasseren als studiomuzikant ofwel mee te tekenen als componist. Hij koos voor het eerste, waardoor hij zo’n 33 miljoen door zijn neus geboord zag, als men het gebruikelijke tarief van 1 fr. per verkocht exemplaar hanteert…
BOB ROCKY
Maar er was ook “echte” Nederlandstalige rock met “Cecilia Rock” van The Jokers en “Protest Rock” van The Seabirds. En er was Bob Rocky (°1940), de voormalige Heistse succeszanger die eigenlijk Robert Vervloet heet, met zijn succesnummer “Amper 16” uit 1961. Bob heeft het liedje geschreven voor een fan die toen 14 was. Hij was er toen 22. “Maar in 1961 kon dat nog niet. Daarenboven zou het niet goed geweest zijn voor mijn zangcarrière”, zegt Bob in een interview op de Nederlandse radio in 2007. Hij maakte van 14 in het liedje 16 jaar. “Je bent amper nog maar 16… maar het kan heus niet gaan… Laat ons nog een tijdje wachten… Ik doe je nu verdriet en leed, maar het kan anders niet…”, zo liep de tekst. Interviewer Mark Stakenburg had het meisje waarover het liedje ging, Jeanine De Vadder, die later naar Nederland verhuisde, graag te pakken gekregen. “Een echt scenario voor een film,” vond de presentator. Maar ondanks de oproep meldde Jeannine zich niet.
Het door Bob geschreven nummer was de B-zijde van zijn grote succesnummer “’t Is over”, dat geschreven was door de Nederlandse zanger-componist Johnny Blenco. Het nummer moest een soort Vlaamse tegenhanger worden tegen het enorme succes van Peter en zijn Rockets’ “Kom van dat dak af”. Bob moest het van de platenfirma in een soort verengelst Nederlands zingen. En vermits er aan een singeltje ook een B-zijde moest zijn werd “Amper 16” opgenomen. Het was een goed nummer, instrumentaal sterk. Van de singel zouden een 10.000 exemplaren in Vlaanderen verkocht worden.
Blijkbaar had het Vlaamsere “Amper 16” in Nederland meer succes. Al stond het nooit in de hitparades. In het muziektijdschrift “Muziek Parade” van februari 1961 stond een foto van Bob Rocky met verwijzing naar zijn “hit” Amper 16, die “bewees even raak te kunnen rocken als de Amerikaanse voorbeelden”.
Nooit één woord van gehoord dat ‘Amper 16’ een succes was in Nederland,” zegt Bob. “Wel weet ik van Leon Lambrechts, de ondertussen overleden Heistse platenbaas van Monopole, die honderden platen uitbracht, dat er vroeger wel eens geminimaliseerde verkoopscijfers kwamen uit Nederland. Lambrechts hield het best voor mogelijk dat van ‘Amper 16’ 10.000 platen zouden verkocht zijn“.
Bob Rocky heeft dertien platen opgenomen. Pareltjes daaruit zijn “’t Is over”, “Amper zestien”, “Johanna”, “Waarheen”, “Mijn gelukster”, “Liefdekoorts” en “Zomerblauw”. Maar daarnaast wordt ook “Ribbedebie” geregeld gespeeld tijdens radio-uitzendingen met rockmuziek van toen. Zijn nummer “Wat een weer” werd een tijdlang gebruikt bij de tv-weersuitzendingen van Armand Pien. Vandaag is Bob Rocky nog geregeld actief met zijn discobar op feesten.
Meteen ontbrandt ook de discussie over het gebruik van het Nederlands dat internationaal succes sowieso uitsluit. In diezelfde periode kunnen The Cousins immers wél world-wide scoren met het in een brabbeltaaltje gezongen scoutsliedje “Kili Watch”, wat als het van Jan Hanlo was geweest als poëzie zou worden bestempeld. Gust Derese (bas), André en Guido Vande Meerschout (gitaar en zang) en Adrien Ransy (drums) waren als La Jeune Equipe gestart als balgroepje op de surboums van de jeunesse dorée. De naamsverandering kwam er toen ze werden gevraagd om op te treden in de gelijknamige dancing aan de Brusselse Grote Markt.
The Seabirds (oorspronkelijk een akoestische groep met de Aalsterse zanger Benny De Wilde en de Oostendse gitarist Sylvain Vanholme als Everly Brothers-kopie) waren eigenlijk nog een derivaat van de fameuze Kraft-singeltjes. Deze plaatjes hadden immers zo’n succes dat er met een heuse platenfirma (Helia) kon worden gestart. Naast The Seabirds debuteerden daar ook Danny Fisher & the Spoetniks bijvoorbeeld (3). Kraft-eigenaar Albert De Backer had van platen persen echter geen… kaas gegeten en door business-flaters ging het bedrijfje in 1963 reeds de fles op.
THE JOKERS
Zoals gezegd waren The Jokers ook begonnen met in het Nederlands te zingen, eerst (nog vóór ze platen begonnen op te nemen) was dit met als zanger Tim Visterin (die later een hit zou scoren met “De vogel”, in een productie van Jean Blaute en met de latere weerman Frank De Boosere in het kinderkoortje), nadien werd dat André van de Broeck. Die kende het het volksliedje “Ik Zag Cecilia Komen” uit zijn studententijd en hij stelde voor om het te bewerken tot rocknummer. Tijdens optredens werd er geschaafd aan de arrangementen en het genoot steeds veel bijval van het aanwezige publiek in de “Kursal” op Sint Anneke van de ouders van ritmegitarist Jos “Jerry” Clauwers (4).
Muzikant en componist L. Maréchall, zat begin 1960 eens in de zaal en hoorde de groep bezig met hun Cecilia Rock. Het moet indruk op hem gemaakt hebben, want in zijn functie als talent-scout voor Philips werd door hem diezelfde avond nog een platencontract met The Jokers afgesloten. De opnamen vonden plaats in een tot studio omgebouwd theater te Brussel. “Cecilia Rock” werd na enkele mislukte takes in één keer op de band gezet. Voor de b-kant werd het nummer “Zet Die TV Af!” opgenomen. Deze song was geïnspireerd door het grote succes van “Kom Van Dat Dak Af” van Peter Koelewijn en zijn Rockets.
De Philips-single kwam in het voorjaar van 1960 in de platenwinkels en werd een daverend succes. De rockende versie van ‘Cecilia’ had blijkbaar nog steeds iets herkenbaars en aanstekelijks voor velen. Er gingen maar liefst 100.000 exemplaren van over de toonbank en het nummer stond maandenlang hoog in de Vlaamse hitparade genoteerd. Helaas voor The Jokers bestond het fenomeen “Gouden Plaat” toen nog niet.
De succesformule leek gevonden en voor hun opvolger werd in 1961 door de platenbazen van Philips besloten dat ze het aloude Hongaarse volkswijsje “Die Julishka Von Budapest” moesten opnemen, bewerkt door F. Raymond en G. Schwenn tot “Julishka”. Op de achterkant kwam “The Jokers’ Rock” een swingend eigen rocknummer. Als componisten kwamen de heren Willems en Cates op het label, die op die manier de Sabam-franken daarvoor konden opstrijken.
In 1962 was het weer een echt oud Vlaams liedje “Zeg Kwezelken Kunde Gij Dansen”, dat door de jongens van een modern rockjasje werd voorzien. Het verscheen als “Kwezelke” op de plaat met wederom een eigen nummer “Congo Rock”. Dit laatste nummer was enigszins afgekeken van The Cousins.
De laatste singles van The Jokers bereikten altijd nog zeer redelijke aantallen van pakweg van zo’n 30.000 tot 40.000 stuks, dit vanwege hun zeer grote populariteit in het Antwerpse. Hun fanclub telde in 1961 zo’n 600 leden, aldus een berichtje in een teenagerblad uit dat jaar en was gevestigd aan de Olmenlaan, Antwerpen-Strand (Linkeroever).
Medio 1962 verlieten zowel sologitarist François “Franky” de Boeck als zanger André van de Broeck de band. De zestienjarige Ronny Sigo kwam dan als sologitarist en zanger bij The Jokers. Sigo was gedebuteerd bij The Bonanzas, die bij mijn weten slechts één single hebben uitgebracht en dat was dan, nogal voor de hand liggend, het thema van het gelijknamige televisiefeuilleton. Dat was in 1961. Datzelfde jaar bracht Freddy Sunder trouwens ook zijn versie op de markt, samen met The Fender Boys.
Met Sigo als zanger werd “Manneke Twist” als laatste single voor Philips opgenomen. In de studio werd de groep bijgestaan door een saxofonist. Het andere nummer “Patokaan” is een oud Indonesisch volksliedje “Si Patokaan” (Menado, Celebes) en werd door de groep ook in het Maleis gezongen, al net zo onverstaanbaar als de hawaiian-achtige taal van The Cousins. In 1963 begonnen The Jokers aan hun opmars als een instrumentale groep van wereldformaat. Zij zouden nog lang in het – vooral Spaanse en Japanse – nightclub-circuit meedraaien (Piet Muys).
WAASLAND
In de jaren zestig was in het Waasland nog een groepje actief, The Jumpers, bestaande uit Roland Rolus (sologitaar), André Peersman (zang, slaggitaar), Rudi Pincé (bas), Mark De Coen (sax) en Robert Rolus (drums). Rudi Pincé vinden we later terug bij Shampoo en nog veel later als zaakvoerder van dancing Cherrymoon in Lokeren. Marc De Coen (°1948) werd later manager van o.a. Garry Hagger en Günther Neefs. Met Liliane St.Pierre stonden The Jumpers ook in voor de bijbelmusical “Glory Halleluja”. In de jaren negentig maakte Roland Rolus een comeback met The Romantics. Rolus studeerde gitaar (net als Freddy Sunder, Ronny Sigo en zovele anderen) bij de legendarische Marcel Bossu (1918-1996).
Typisch voor het Waasland is wel dat de twee beste groepen die het heeft voortgebracht, Theo and the Beat Boys en Papadock’s BRC, het nooit tot een plaatopname hebben kunnen brengen. Theo en zijn makkers oefenen nu een beroep uit dat niks meer met de muziekbusiness te maken heeft, de mannen van Papadock’s daarentegen zijn nog lange tijd actief gebleven. De oorspronkelijke leider, gitarist Luc Vermeulen, die de groep verliet toen deze onder impuls van drummer Erik De Volder van boogie-woogie overschakelde op parodierock-in-het-Vlaams, zit nu in een jazzgroepje zonder al te veel ambities.
07 de gebroeders vercruysseDe gitaristen-gebroeders Vercruyssen (foto) en bassist Jean-Pierre Goossens, die ingehuurd werden om nadien de backing van De Volder en pianist Lukas De Bruycker te verzorgen, gingen naar The Bluebirds Big Band. Zowel De Volder als De Bruycker zijn ondertussen volledig het pad van het theater ingeslagen.
Werner Arys (23-12-1957/26-10-2005) was naast een verzamelaar van instrumentale surf- en rockmuziek ook een connaisseur van de Belgische rock’n’roll. Naast het verzamelen van audio- en beeldmateriaal spoorde hij oude muzikanten op en legde contacten met platenmaatschappijen. In feite was hij al vanaf 1982 bezig om een boek hierover samen te stellen. Helaas heeft Werner zijn werk, wegens zijn overlijden eind 2005 nooit kunnen afmaken.
Dankzij materiaal uit zijn omvangrijk archief werden door Rarity-Records in de periode 1993 -1996 unieke CD’s uitgebracht van The Jokers, The Picknicks, Ricky Morvan, Clark Richard, Burt Blanca en 2 verzamel-CD’s met voornamelijk instrumentaal werk onder de noemer “Collector Items from Belgium”. Ook stelde hij een instrumentale verzamelaar samen voor BMG/Ariola met als titel “Twist and Frit, Belgian Guitar Groups of the Sixties”.
INTERNATIONAAL SUCCES
In het begin van de jaren zestig scoort België zowaar een nummer één hit in de Verenigde Staten met “Dominique” van Soeur Sourire (gebaseerd op een thema uit de eerste beweging van het klarinetconcerto van Mozart), maar het is pas midden de jaren zestig dat België echt Europees gaat spelen. Niet alleen met Anderlecht op het voetbalveld maar ook op de hitparades, met mensen als Ferre Grignard, Jess & James, The Pebbles, The Wallace Collection en The New Inspiration, die o.a. Dave Berry begeleidden toen die ons land aandeed (toch is de componist met de naam “Berry” die de meeste van hun hits heeft geschreven niet Dave en zeker niet Chuck, maar het is wel een pseudoniem voor zanger Danny Sinclair, die eigenlijk Bracke heette).
Jess & James waren eigenlijk de Portugese broertjes Antonio en Fernando Lameirinhas, die in België opgegroeid waren, een tijdlang in Engeland verbleven en daar o.a. een tijdlang in de backing-groep van Screamin’ Lord Sutch zaten. Dat was dus echter niet meer het geval toen ik Lord Sutch in 1971 in Hastings aan het werk zag, want reeds in ’67 waren ze opnieuw naar hun tweede vaderland verhuisd en zetten daar de J.J.Band op. Met “Move” scoorden ze een bijzonder grote hit.
Naar het model van Jess & James ontstonden in ons land nog wel wat soulgroepjes, waarvan de Antwerpse Davy Jr. & The Guess Who en de Boomse Five from Dave beslist de besten waren.
Je moet maar ongeluk hebben ! En het zag er nochtans allemaal zo mooi uit : als broekvent had de Sint-Niklase zanger Luke Cozzins (zeg maar Luk Cosyns) nog samen met Lou Deprijck (zie ook hierboven) in een beatgroepje gezeten met de originele naam Têtes de bois. En wat gebeurde ? Luke bleef Luke, maar Lou werd Lou ! En toch ! Op zekere dag (laten we zeggen : in de MacDonald’s of zo) loopt Lou Luke opnieuw tegen het lijf en, zijn vestpanden onder tranen bedelvend, vraagt hij hem : ,,Awel, oe ies’t ?,, (maar dan in ’t Frans). En Luke vertelt Lou dat hij nu met een totaal nieuwe band bezig is, allemaal debutanten. “Zozo,” zegt Lou, aan z’n snor pulkend, “en hoe heten die wonderknaapjes?” Om een beetje indruk te maken, haalt Luke een chewing-gum uit zijn zak en kauwend van hier naar ginder braakt hij eruit : Andrew Haze (zeg maar Andre D’Haese), Derek Tjau Jr (Dirk Potjau), Lucas Duringo (Luk Duerinckx) en Ive Charly Beck (Yves Beck). “O.K.” zegt Lou, “met zo’n namen kan niks verkeerd gaan. De casino’s van Montecarlo openen reeds hun deuren. In afwachting zie ik de deuren van Roland Kluger op een kier staan : laten wij een plaat gaan maken!” Zo gezegd, zo gedaan en hier zijn ze dan : The News, waarvan de banden zelfs in de States gemixt werden. Ze sluiten daarmee aan bij een nieuwe trend in het Belgische muziekleven, die op zijn best door Scooter vertegenwoordigd wordt. De niet zo sterke composities werden bij de première van de groep in de Brusselse top-discotheek “Vaudeville” op enigszins gemengde gevoelens onthaald, omdat niet meteen iedereen de dubbele bodem van de Eddy Wally-achtige mimiek van de zanger als poging tot humor kon smaken. Op TV moeten de overdreven gestures van de News, waarvan iedere muzikant de aan zijn instrument geeigende stijlbewegingetjes zorgvuldig heeft ingestudeerd, zeker tot prettige glimlachjes aanleiding geven. Niks News onder de zon echter : commercieel bedoeld, maar niet helemaal geslaagd ; disco bedoeld, maar niet helemaal geslaagd. Een paar persstemmen : “Voor een debuut van een nauwelijks bestaande groep is het in elk geval bepaald geen afknapper. Alleen nog een tikje te imitatief.” (Spectator), “De (goeie) momenten zijn te zeldzaam om van een uitstekende elpee te kunnen spreken, al is The News wel goed op weg.” (Billboard), “Een fehlschlager van Lou” (De Voorpost).
Geef mij dan maar eerder die andere Belgische groep Downtrip uit Brussel, ook al spelen die hardrock wat nu niet bepaald mijn favoriete genre is, live kunnen ze mij daar zelfs met geen stokslagen naartoe krijgen (als muziekrecensent zijn mijn oren mij te lief). In tegenstelling met The News is Downtrip reeds zo’n tien jaar actief, en grosso modo kan men stellen dat ze binnen tien jaar nog dezelfde muziek zullen spelen. Voor een eng kringetje van fans dus. Uit de pers : Downtown is geen slecht album, het is alleen niet zo goed als het had kunnen zijn.” (Spectator).
WALLACE COLLECTION
Wallace Collection kwam eveneens uit Brussel. Toch was de leider een Vlaming, Sylvain Vanholme (5). Sylvain Vanholme startte (zoals zovelen) bij het orkest van Bob Rockin’ maar stapte daarna over naar de rechtstreekse rivaal, de Oostendse beatgroep The Seabirds, waarvan naar eigen zeggen ook Reddy De Mey zou deel hebben uitgemaakt. Tijdens zijn studies in Brussel stichtte hij Sylvester’s Team. Later werd deze groep uitgebreid tot de “half klassieke” Wallace Collection die terecht een zeer groot succes oogstte, ook in het buitenland. Er speelde bij de Wallace Collection immers ook een cellist en een violist uit het Nationaal Orkest van België. Op 63-jarige leeftijd is begin 2008 Freddy Nieuland overleden. Nieuland was de drummer van Wallace Collection (niet The Wallace Collection: opletten als je dit ooit moet antwoorden bij “Blokken”, want Ben Crabbé is voor dit soort futiliteiten onverbiddelijk) en ook de zanger, althans toch wat hun grootste hit “Daydream” betreft. Hij was echter niet de componist van het nummer. Daarvoor staan niet minder dan drie mensen zogezegd borg voor: violist Raymond Vincent, Sylvain Vanholme en producer David Mackay. Drie, dat is veel, zeker als men weet dat eigenlijk enkel het quasi-parlando gedeelte waarmee de plaat opent, een eigen “compositie” is. De zogenaamde “bridge” (“I dreamed of the faces, I’ve seen with you“) is immers gebaseerd op de bekende wals uit het Zwanenmeer van Peter Tsjaikovski, terwijl anderzijds het beklijvende “lalala”-slot eigenlijk het andante cantabile uit het strijkkwartet van dezelfde componist is (meestal beter bekend in de versie voor strijkorkest).
De naam Wallace Collection ontleende de groep aan het gezellige museum dat vlakbij hun opnamestudio in Abbey Road lag. En hun niet geringe verdienste is wellicht dat zij tal van jongeren (waaronder ook ikzelf) hebben geïnspireerd om tijdens een verblijf in Londen ook eens in dit museum langs te lopen. Dan konden zij o.m. het meesterstuk bewonderen, “The Laughing Cavalier” van Frans Hals, die ook de titel leverde voor de voornaamste elpee van Wallace Collection.
Na een succesvolle (Serenade, Fly me to the earth, Dear beloved secretary) maar toch redelijk korte periode, hebben de leden van Wallace Collection vaak nog pogingen gedaan om de groep opnieuw van de grond te krijgen, maar die liepen telkens op niets uit. Op het einde van de jaren zeventig hebben ze wel nog een elpee gemaakt onder de naam “Daydream” (begrijp me goed: de groep heette deze keer Daydream), maar ik denk dat ik een van de zeldzame bezitters ben van deze elpee en dan is het nog een recensie-exemplaar, want ik vermoed dat er amper een paar exemplaren van verkocht zijn. Daar gitarist Sylveer Vanholme ondertussen Two Men Sound had opgericht, hebben ze speciaal voor deze elpee een beroep gedaan op Jean-Marie Aerts en voor de composities tekenen, naast de groepsleden, ook John Colston (Pendulurn, Transit). En Mike Butcher (Jet Stax) leidde alles in de juiste sporen. Dat kon dus niet anders : de technische kwaliteit druipt eraf. Maar artistlek gezien liggen de kaarten toch enigszins anders. Nostalgie (een nummer héét zelfs zo) mag voor mijn part, maar niet op deze kleffe manier a.u.b. Soms zijn er wel mooie momenten (het arrangement van “Coco the Clown”) maar over het algemeen blijft het te vlak. Neen, geef mij dan maar de oorspronkelijke Wallace Collection.
Rond die tijd was de pianist, zowel van Wallace Collection als van Daydream, Marc Hérouet, te gast op het Feest van De Rode Vaan (als frontman van Marc Herouet’s Ragtime Cats) en hij vertelde mij dat het eigenlijk Freddy Nieuland was die er zich niet kon bij neerleggen dat het “over and out” was. Nu zal hij dus wel moeten… (6)
Dezelfde artiesten waren ook drukdoende bij o.a. Rockin’ Roberto en laten zich daar van een betere zijde zien. “Roberto is een zoon van Manneke Pis. Bekend en berucht om zijn spetterende stage-act en zijn voorliefde voor de rock’n’roll is Roberto een der weinigen die echt weet wat de nietszeggende frase “uit de pan swingen” wil zeggen. Eindelijk heeft de vriendelijke man een plaatje uit. Het is een reprise van de evergreen «Cadillac». Ik heb altijd erg genoten van Roberto’s optredens maar deze single lijkt me door de productie te veel gladgestreken om kriebelingen in de onderbuik van te voelen … Het scheelde niet veel of ik zou eerder Bert De Conincks Vlaamstalige versie van deze “Cadillac” aanbevelen. Groetjes aan mijn onderbuur Jan. Zeg eens, wat vind jij van Marijn Devalck?” vroeg René De Witte me destijds in De Voorpost en het antwoord kwam terstond, zij het in De Rode Vaan…
MARIJN DEVALCK
Een zenuwinzinking op 14 jaar, geef toe : ’t is niet niks. Het is geen leven, ’t leven van een kindvedette. Dankzij het theater is Marino Falco echter gelukkig Marijn Devalck geworden. Maar nu wil Walter Ertvelt er blijkbaar opnieuw Marino Falco van maken… Inderdaad de elpee die Marijn voornamelijk onder diens hoede heeft “mogen” opnemen, is een stap terug. In navolging van Ertvelts kwalijke invloed op Rob De Nijs (die van onder de vleugels van Boudewijn De Groot ook nochtans aan een heropstanding begonnen was) heeft hij nu zijn filosofie van handig zakenmannetje aan Marijn proberen te verpatsen. “Entertainment van niveau” noemt Ertvelt dat. Hij zegt er niet bij van welk niveau… Kris De Bruyne deed ook zijn duit in het zakje, met een paar composities die hij voor zichzelf te rnin vond. Idem voor Jaak Dreesen die met een door Miel Cools afgewezen tekst kwam aandraven. En Marijn is de pineut. Jean Blaute tracht nog te redden wat er te redden valt, maar zonder veel enthousiasme. De nummers variëren van plat commercieel tot goed commercieel, maar vallen nooit echt op. En dat deed Marijn wel in 1972 onder de hoede van Sylveer Vanholme met “Hopla met de beentjes” en zo. Een goed verstaander…
Ik heb een vriend die beweert dat Herman Elegast eigenlijk een genie is, maar dat hij aan de grond wordt gehouden door de andere Elegasten en vooral door producer Rocco Granata, maar mij ook na “zijn” overwinning in De Vijf Provincies nog steeds niet overtuigen van zijn talent. Inzet heeft hij wel. En hij blijft het dus proberen. Maar er zijn er veel die «proberen» in Vlaanderen, weinigen echter «slagen». Geen reveil dus voor een heruitgebrachte goedkope verzamelelpee met alle “hits” van de Elegasten zou dit kunnen bevestigen, maar b.v. «Wat heb je vandaag op school geleerd» blijkt in retrospectie toch helemaal niet zo “geniaal” te zijn…
JAZZ BILZEN
Jazz Bilzen was, zoals de naam het eigenlijk zelf al aangeeft, oorspronkelijk geïnspireerd was op het jazzfestival in het Waalse Comblain-la-Tour. Organisator Jan Coch in Het Belang van Limburg van 26/9/1986: “Wij hadden in die jaren een vzw gevormd die meer dan 130 leden telde en waarin zowel zestigers als tieners zaten. Zo goed als elke familie in Bilzen had wel een zoon of dochter die aan Jazz Bilzen meewerkte. Jazz Bilzen is eigenlijk uit het Davidsfonds en de Vlaamse Toeristenbond ontstaan! In die groep zat zowat iedereen: leraars, middenstanders, arbeiders, bedienden, studenten… tot zelfs een priester en een topmanager van een groot Limburgs bedrijf toe.”
Maar ook deze laatste kon blijkbaar niet voor voldoende financies zorgen om bijvoorbeeld The Stones en Jimi Hendrix naar Bilzen te halen. En let wel, we spreken hier niet over astronomische bedragen! The Rolling Stones vroegen welgeteld 375.000 fr., terwijl Jimi Hendrix voor 80.000 fr. twee keer naar Bilzen wou komen.
Ook het einde van het interview (overigens afgenomen door Jaak Smeets) is typisch Vlaams. Coch, nu een gesettelde advocaat, zucht: “Begin juli heb ik nog een keer de kriebels gehad. Ik wou naar het bluesfestival in Peer, terwijl mijn vrouw en mijn kinderen naar een pretpark wilden. Ik ben dus uiteindelijk met mijn bengels naar Molenheide geweest. En ik weet dat het een schande is, maar ’s avonds dacht ik: ik heb me goed geamuseerd vandaag…”
Op 2 mei 1970 was er de eerste aflevering van de BRT Top Dertig. Die was in het leven geroepen door niemand minder dan Jan Briers van het Festival van Vlaanderen. Toen deze directeur was van Radio 2 vond hij immers dat het tijd werd voor een eigen top dertig. Dat de praktische uitwerking ervan bij Briers’ “eigen” Omroep Oost-Vlaanderen terechtkwam, was volgens de eerste presentator, Paul Verbrugghe alias Anthony, the prince of Darkness, puur toeval: “De zaterdagmiddag leek het meest geschikt om zoiets als de Top Dertig uit te zenden en wij hadden in die tijd het zaterdagmiddagblok van tien tot twee. Maar het kwam wel goed uit, want bij Omroep Oost-Vlaanderen zat ook Rudy Sinia die van ‘Rudy’s Club’ een echt popprogramma had gemaakt. Daarvoor had hij ook een paar jonge gasten aangetrokken, met name Roger Troch en ikzelf.”
Dat was op 1 januari 1970, de jaren zestig heeft Paul naar eigen zeggen dus enkel “als puber” meegemaakt: “Mijn oren zijn opengegaan met Radio London, want daarvoor moest ik mij b.v. nog opgeilen met Cliff Richard in de Rudi Carrell Show. De eerste platen die ik anderzijds ooit heb gekocht waren ‘Sloop John B’ van The Beach Boys en ‘La poupée qui fait non’ van Michel Polnareff. Later zou ik mij echter vooral als verzamelaar van Kinks-platen ontpoppen. Aanvankelijk ging ik ook niet naar popconcerten omdat ik in Moen woonde, een dorp in Zuid-West-Vlaanderen, dus ver van de beschaafde wereld, al passeerden Roland, Boudewijn De Groot of Jan De Wilde daar al eens. Het heeft geduurd tot ‘Krastival’ vooraleer ik een serieuze groep aan het werk heb gezien, dat was dan Pink Floyd. En ondanks ‘Nights in white satin’ of ‘A whiter shade of pale’ heb ik ook geen herinneringen aan eerste lieven of zo waarmee ik daarop zou hebben gedanst. Ik vind dat nogal truttig en eigenlijk hou ik helemaal niet van dansen, wat misschien wel merkwaardig mag klinken van een disc-jockey. Zoals je ziet, de ‘Vogeltjesdans’ was toen al aan mij niet besteed.”
Hiermee maakt Paul een allusie op het feit dat hij precies tien jaar later (in 1980) een sanctie zou oplopen omdat hij in de BRT Top Dertig de Vogeltjesdans op 78 toeren had gespeeld “om er vlugger vanaf te zijn”. De directie wou eerst de technicus treffen omdat die “een fout” zou hebben gemaakt, maar toen Verbrugghe zijn verantwoordelijkheid opnam, kreeg hij een blaam. Aangezien hij op dat moment die Top Dertig toch al kotsbeu was, gaf hij er dan maar liever de brui aan en werd voetbaljournalist in de schrijvende pers.
Hoelang Hugo Spencer al probeert door te dringen tot de voorste rangen van de Belgische rock weet ik zelfs niet bij benadering, maar noch met Fifth Ball Gang noch met het doodgeboren Rats slaagde de Antwerpenaar erin echt greep te krijgen op het platenkopend volkje. Ik vrees (meer zelfs : ik weet het bijna zeker) dat het met zijn nieuwe groep, Cleaver, evenmin zal lukken. Uit het gebodene op de debuutelpee van het vijftal blijkt immers hoe saai muziek kan zijn als inspiratie, inzet en the real drive wegens gebrek aan persoonlijkheid en visie achterwege blijven. Waarschijnlijk barsten Spencer, Smeets, Van Dyck, Kuypers en Paternostre van aanstekelijk idealisme, zijn ze bovendien rnet hart en ziel aan rock ‘n’ roll verknocht en de laatste tijd zelfs op de punktoer, maar dat is blijkbaar niet voldoende.
Kleptomania is ondertussen Tush geworden en klinkt m.i. een stuk softer dan vroeger (maar dit houdt geen kwalitatief oordeel in natuurlijk). Met Banzai staan we al veel eerder bij ons volgende onderwerp, ik neem ze echter liever bij deze trits namen omdat dit voor hen positiever uitvalt. Vooral dit genre is echter zeer onderhevig aan schommelingen en wijzigingen en we geven grif toe dat we niet alles op de voet kunnen volgen. Misschien zijn er wel lezers die ons weten te vertellen wat er van (in onze ogen) goeie groepen als de klassiekerige Arkham of de dicht bij free jazz aanleunende Circle geworden is?
MEISJES, ZE KOMEN GOED VAN PAS, MENEER
In wat voorafging zal vooral de afwezigheid van ons vrouwelijk heir zijn opgevallen. Ook zij hebben immers weinig bijgedragen tot het welslagen van de onderneming. Het volstaat immers niet met te zéggen dat je je als Janis Joplin voelt (Della Bosiers), of een rockband achter je rokken te plaatsen (Leen Persijn met Hatch), of gewoon maar de vrouw van Roel van Bambost te zijn (Miek). Dat alles is volgens ons niet voldoende om te spreken van “rock”. Het meest ondernemende meisje was ongetwijfeld Griet De Bock (°1943) die als Kate (van de Kennel en Clee’s Five) in Salome’s zeven sluiers de podia van de Vlaamse onderpastoors onveilig maakte. In de platenkoffer “Twintig jaar kleinkunst in Vlaanderen” werd, gezien de optiek van de samenstellers, van haar enkel “In het huis der schande” van Drs.P. opgenomen, waarbij het ons een troost is te weten dat haar vaste begeleider, Jean Blaute, toch van de partij is. Griet De Bock heeft nadien nog als actrice opgetreden in “De bittere tranen van Petra von Kant”, “Vrouwen” (van Jan Decorte) en “Ulrike”, de opera van Leo Geerts, maar in 1981 verdween ze (volgens de website van de Kennel) van de aardbodem, na de dood van haar partner (zowel in het gewone leven als in Clee’s Five, Dree Bakelandt). In werkelijkheid zat ze in Italië, samen met acteur Loet Hanekroot, die wij, gewone stervelingen, kennen als de grote directeur uit “De Collega’s”, maar zij zal hem wel hebben leren kennen (in de bijbelse betekenis van het woord) als regisseur van “Ulrike”. Nu wonen ze in Gent.
Jean Blaute zelf speelde vóór Clee’s Five en Kate’s Kennel bij The Eagles, een beatgroepje uit Zottegem dat o.m. Marino Falco (Marijn Devalck dus) begeleidde. Zij mogen dus niet worden verwacht met een andere groep uit ons land die onder die naam actief was over de taalgrens en o.m. Marc Aryan begeleidde (7). Bij déze groep vonden we o.m. de later heel erg bekende jazzdrummer Bruno Castelucci terug en Ralph Benatar die in de discoperiode een internationaal gereputeerd producer werd. In de Verenigde Staten was er ook nog een groepje dat zich The Eagles noemde, maar dat is binnen deze context uiteraard totaal onbelangrijk.
Een andere “rockchic” was Viona Westra, de zangeres van Mad Curry. Volgens mij was dat hier in Vlaanderen de eerste groep die van de “bizness” de zegen kreeg om het als “elpeegroep” te maken. Ondanks euforische kritieken sloeg de groep echter nooit aan en de leden verdwenen of liepen over o.a. naar Louisette en Shampoo. Trekpleister van de groep was zangeres Viona Westra en rond haar is het geruime tijd stil geweest. In 1977 dook ze echter opnieuw op, op twee fronten tegelijk: in de Workshop leidde ze sessies over straattoneel en op Mallemunt was ze to zien als zangeres van de nieuwe groep Milkshake Banana. In hetzelfde idioom werkte in Gent ook Kandahar, in Aalst Isopoda en in Sint-Niklaas Angie en The Bluebirds..
Country and western (Johnny Cash, Merle Haggard, Tammy Wynette) is per definitie “conservatieve” muziek in de VS. Voor velen is country-rock (Eagles, Ernmylou Harris, Linda Ronstadt) dat ook, zelfs al worden deze mensen door de echte “rednecks” verketterd. In Vlaanderen was het noodlot voor de country-rockgroep Pendulum echter dat ze te progressief waren! Zij speelden immers reeds country-rock (It’s a beautiful day) toen de bizness er nog geen brood in zag. Zij namen reeds nummers van Gordon Lightfoot op hun repertoire (Early morning rain) voor deze man voer voor de “incrowd” werd. Zij hadden reeds aandacht voor cajunmuziek (Cajun woman) toen men hier te lande nog niet wist wat cajun was.
In het verlengde van Pendulum vinden we o.a. John Lauwers en Stewball (“Surrender” op Payola), een country-rock groep die er voor de gelegenheid wat harder tegenaan gaat.
En er was ook een zekere Moustache. Niet Willy’s Moustache van de fameuze dancing uit Willebroek, De enige gelijkenis is euh.. de snor en het feit dat hij ook een dancing uitbaatte, nl. in Booischot bij Heist-op-den-Berg (die eind jaren 2000 helemaal afbrandde).
Hij komt dus uit de zgn. stal van Heist-op-den-Berg waar eind jaren ’70 en jaren ’80 heel wat rock‘n’roll werd gemaakt. Soms eigen dingen, maar ook heel wat covers. Ruth McKenny & Benny Bright Orchestra (o.a. Rockin’ in the Street) was er eentje uit die stal.
Moustache vormde een groep met The Criminal Gamblers en had toch wat bescheiden hitjes zoals zijn versie van The Cradle of Love van Johnny Preston. Het platenlabel waarop deze nummers werden uitgebracht was Monopole Records https://www.discogs.com/label/18797-Monopole (Danny Van Broeck).
WANNEER KOMT DE MESSIAS TERUG?
In de jaren zeventig plugden in het hele land ook Nederlands zingende groepen hun gitaren al eens in een versterker, maar meestal zonder succes: platenmaken was er zelfs nauwelijks bij. Toch konden in het Leuvense groepen als Freakadel, met Wilfried De Vijver, en de groep waaruit hij overgestapt was, Het Luk Tegenbos’ Smartensemble, een publiek vinden voor een soort rock’n’roll die, vooral bij Luk Tegenbos, sterk visuele, en vaak ook echt leuke kantjes had. Een hoogtepunt van veel Smartensemble-shows was de Leuvense blues (“Stoasse Blues”) die Big Bill (toen nog Krakkebaas) telkens bracht, maar omdat de groep nooit echt kon kiezen tussen professionaliteit en amateurisme, en er anderzijds in het ernstige Vlaanderen toch maar weinig mensen bereid zijn te lachen, ging de groep eind ’75, op de fles. Big Bill ging solo verder en bassist Mich Verbelen zou uiteindelijk bij Raymond van het Groenewoud terechtkomen.
De Vlaamse rock zou immers niet echt van de grond komen voor hij zijn Messias gevonden had, en die kwam dan in de persoon van de gewezen Verminnen-begeleider Raymond van het Groenewoud, die samen met de uit Pendulum gevallen Erik Van Neygen en ex-Mad Curry-ritmesectie Eddy Verdonk en Jean Vandooren “Louisette” opzette, de eerste echte Vlaamse rockgroep. Hun debuutsingle (“Maria, Maria, ik hou van jou”) was meteen klassieker, maar omdat niemand dat inzag flopte hij. Later, nadat “Meisjes” op de goegemeente was losgelaten, zou het een echte cultklassieker worden. Vrijwel iedere Vlaamse rockliefhebber drukte Raymond immers aan zijn hart. Tenzij dan ene Harry Vanbuel, een “wekelijks optredend rock-muzikant”, zoals hij zichzelf voorstelt in een lezersbrief in “Knack”, die pende hele epistels vol met zinnen als deze: “Niet alleen onze rockers cirkelen in het ronde, ook de geflipte onderwijzers en regenten die denken dat ze zich met rockmuziek moeten bezighouden, zijn dolgedraaid. Ze hebben al jaren de mond vol van de Vlaamse rock, terwijl die vlag al evenzovele jaren de lading niet meer dekt. Kris de Bruyne, Walter de Buck, Johan Verminnen, Van ’t Groenewoud (sic), Bosiers en De Craene en al die andere Vlaamse barden, dat is kleine kunst, kleinkunst. Het is niet omdat hun liederen nu elektrisch worden begeleid dat ze het predikaat rock achter hun Vlaams mogen zetten. (…) Als Verminnen nu eens gewoon chansons voordroeg, Van Uytsel zichzelf op de luit begeleidde, De Bruyne eens met Rob de Nijs praatte en van ’t Groenewoud zijn mond hield, zou iedereen veel geld verdienen en ik zou gelukkig zijn.”
In de 21ste eeuw werd de heer Vanbuel woordvoerder van de CD&V… Toen was de zanger van de Kreuners, Walter Grootaers zelfs VLD-schepen in Lier, maar bij het ontstaan werd deze groep nog gemanaged door zijn broer Alain, die toen voor het ABVV werkte. En ik schreef in De Voorpost: “Deze Antwerpse groep, die eenvoudige popmuziek brengt is samengesteld uit: Walter Grootaers, zanger; Luc Imants en Eric Wauters gitaristen; Filip De Waegh, bassist en Jeff Van Den Broeck drummer. Zij spelen stevige dansmuziek van eigen fabrikaat en snelle covers van jaren zestig-hits. Het is een groep, die nog echt z’n best doet om het publiek aan ’t dansen te krijgen en sfeer in de zaal te scheppen. Daarom wordt hun muziek steeds beter en stijgen zij onweerstaanbaar naar de top van de Belgische popmuziek. Wacht niet of tot ze beroemd zijn en je er veel geld voor moet betalen, maar kom nu gratis en voor niks kijken en luisteren in De Spiegel!” (in Beveren)
Luk Van Kessel : Eenzaamheid/Niet in een kooi (IBC) is gemaakt volgens het aloude succesprocédé : een trage en een snelle kant. Professionele productie, net als de elpee van Bizjoe (Mechelen). Een eerste album, gepresenteerd met veel blasé wat helemaal niet kan waargemaakt worden, van een groep die als groep al wat jaren aan de weg timmert en de individuen nog veel langer in o.a. De Kadullen, Hold-Up en Blaffetuur. Ik hou vooral van de zanger ondanks zijn slechte uitspraak van het Nederlands en ondanks het feit dat hij verantwoordelijk is voor de teksten waarvan de onderwerpen mij meestal niet aanstaan. En de vergelijkingen vallen : Bots, Johan Verminnen, Steely Dan, Jackson Browne, James Taylor, Average White Band, Boston, Kansas…
Het zijn overigens altijd dezelfde namen die weerkeren. Raymond van het Groenewoud dus. In Aalst (de stad zijner droooomen, jawel) ontdekt hij een groepje jongeren die swingen als de beesten en als de besten. Vooral de zanger is een brok energie. Marc Cassiman heet hij. Ga het daar maar mee maken! Dat werd dus algauw de Kazzen. En zijn Koo (zijn vrienden dus) ondergaan dezelfde metamorfose: bassist Philip Van der Putten wordt “de swingende Stier”, koersgitarist Willy Bovijn gaat nu door het leven als Billy Wof, snelgitarist Geert Tisch daarentegen meet zich de naam Larry Tisch aan en tenslotte is er nog drummer Pol De Troyer die zich door zijn moeder nu “Polleke Punk” genoemd ziet. Een beetje overdreven trouwens, want al hebben Kazzen en zijn bende iets van de agressiviteit van de punks, zij hebben ook iets van de frisheid van Fa (wegens het eten van limoenen) en genoeg zin voor relativiteit (wegens het bestuderen van Einstein).
De eerste single kreeg de titel mee “Wat ik geleerd heb in dit leven” en, ja hoor, het wàs plagiaat van Neerlands Hoop Express. Wat we hier dus vooral uit leerden was dat de Swingende Stier een supporter was van Roger De Vlaeminck en dat de Kazzen graag de goegemeente placht te shockeren.
En nu is er “Irma”. lk heb het nog niet gehoord, maar we krijgen deze week daarvoor allemaal de kans op de televisie (Muzieksien, Zeven Dagen Lang…) Kijken, luisteren en zelf een oordeel vormen.
PUNK FROM DE DOKKEN
De meest zuivere “punk” vind je misschien nog in Antwerpen, in de nabijheid van de dokken, waar The Kids hun tenten hebben opgeslagen. Maar televisie is een slecht medium voor popmuziek. Dat werd nogmaals bewezen in het geval van The Kids. Ze werden aangekondigd als “België’s beste punkgroep”, maar als ik hen dan bezig zag en vooral hoorde op het kleine scherm, was mijn bedenking: wat moet dan de rest zijn? Nu ik echter uitgebreid naar de tweede elpee (binnen het jaar !) van deze jongens heb kunnen luisteren, moet ik mijn mening toch grondig herzien. lk moet zelfs toegeven dat ik nu al een paar dagen loop te gillen : Jeezes Kraist diiidn’t exist ! (het openingsnummer). En als je “Rock over Belgium” naast “België” van Zjef Vanuytsel
legt, dan weet je ook wel waar het verschil zit. En zo zou ik nog wel een aantal titels kunnen citeren, want er staan er dertien op, alle even ritmisch.
Dat zijn trouwens de enige twee opmerkingen die ik zou willen maken. Zoals de meeste punkelpees is er wel een gevaar voor monotonie en sommige nummers worden te vlug weggedraaid. Maar voor punkliefhebbers zeker een aanrader !
En wie het verschil wil kennen tussen punk en new wave: Rick Tubbax and the Taxis vertegenwoordigt zeker de Vlaamse new wave, maar geen haar op mijn hoofd denkt eraan ze bij punk te catalogeren.
Tesamen met Tubbax behandel ik ook Harry en c°, want het wordt weer eens tijd om aandacht te besteden aan Nederlandstalig materiaal. Daarom dit sfeerbeeld: “Ondertussen in de Hotsy Totsy: terwijl de regionale pers onder het oog van de filmploeg van Jean Daskalidès zat te vreten op het Miek en Roel-festijn (zie elders), trokken de heavy guys naar Perk om paal en perk te stellen aan de verloedering van de Vlaamse producties en de geur van een nieuwe platenfirma te gaan opsnuiven.
Paul Evrard, bekend van Sofa en andere liggende toestanden, hield de eerste twee producties van Parsley boven de doopvont en als een soort programma-verklaring waren het meteen ook twee debuutsingles, namelijk van Madou en van Kamagurka en de Vlaamse Primitieven.
Minder revolutionair was dat het meteen ook alweer twee producties van Jean-Marie Aerts waren en dat is zeer opvallend te horen, want de twee groepen moeten zowat mekaars antipode zijn en toch is de sound van de twee singles vrij identiek.
Een constante is ook dat de Nederlandse tekst zo goed als onverstaanbaar is (tot grote vreugde van Kamagurka, maar of Jan De Vos daar ook zo over denkt … ). Misschien niet zo’n goede keuze dus, al trekken we het vakmanschap van Aerts hoegenaamd niet in twijfel, meer zelfs het ‘lekker klinken’ van de singles is wellicht grotendeels aan hem te wijten. Maar dan hebben we het dus wel over het instrumentale gedeelte.
Voor de grootste verrassing zorgt Kamagurka. Eerst en vooral omdat hij in ons blad nog heeft verklaard (dat moet nu zo’n twee jaar geleden zijn) dat muziek hem eigenlijk niet interesseert (tenzij Bach). Dit, gekoppeld aan de incidenten die Kamagurka-optredens wel eens uitlokken, had bij ons de verwachting gecreëerd van een hysterisch schreeuwende Kama voor een muur van lawaaierige snerpende gitaren. Helemaal mis dus. Kamagurka zingt heerlijk onderkoeld en zijn groep klinkt zeer stevig en beheerst.
Madou heeft in minders mate hetzelfde effect bereikt (nogmaals : onderschat in de twee gevallen natuurlijk de inbreng van Aerts niet !) d.w.z. ze klinken zoals van de oude Rum-kern kan worden verwacht (Vera Coomans en Wiet van de Leest dus), terwijl de uit free jazz-middens aangetrokken muzikanten zich zeer beschaafd op de achtergrond houden. Meer zelfs, de stevige drums lijken af en toe wel in de leer te zijn gegaan bij het betere discowerk.
Peter Cnop van Knack was destijds erg enthousiast over Schralen Tsjip en de Mussenschrik, maar sindsdien is het hierrond erg stil geworden. Als grootste belofte worden nu meer en meer De Kommenisten naar voren geschoven, de naam van een anarchistisch groepje uit Aantwaarpe dat het onder de naam Zweet Kombo niet kon maken. Nu zou dat wél moeten. Althans volgens Humo (Marc Didden dus) die schreef dat De Kommeniste van 1979 hùn jaar zouden maken. Jaja, u had het al geraden: dit is punk! Of niet? New Wave dan. Ook niet? “Gewoon goeie rock’n’roll”, zegt leider Marc Meulemans. Aangenomen, zij het op twijfelachtige basis: ik heb De Kommeniste enkel eens horen repeteren. Maar dat klonk goed.”
TACHTIG WERD PRACHTIG
Als de cijfers bekendgemaakt worden over de platenverkoop in ons land gedurende de periode 1979-1983, blijkt hieruit o.m. dat de verkoop van langspeelplaten van bijna twaalf miljoen in 1979 was teruggelopen tot nog geen zeven miljoen in 1983. Een daling dus met veertig procent, voor de platenindustrie hoog genoeg om zelf eens bij de regering aan de bel te gaan hangen. De nooit goed doorgedrongen verkoop van voorbespeelde cassettes volgde “uiteraard” deze curve, maar verrassend steeg de verkoop van singles met ongeveer één miljoen (van 11.931.000 naar 12.643.000). Het is duidelijk: de mensen, en dan vooral de jongeren, hebben nog steeds behoefte aan fonoplaten maar ze zijn in deze crisistijd gewoon te duur geworden. Vandaar dat er prijsbewust wordt gewinkeld. Een single mag dan nog relatief erg duur zijn, ten opzichte van een elpee (die toch vaak “opgevuld” wordt met minderwaardig werk) is ze nog best te betalen.
En toch was er op het einde van de jaren zeventig opnieuw een opleving van de Belgische pop. En alhoewel het zoals altijd een samenspel van factoren betrof, was er toch één opmerkelijk verschijnsel: het BRT-programma “Hitring”, gepresenteerd door Kurt Van Eeghem (herinner je zijn slogan “Tachtig wordt prachtig”). Eigenlijk is het befaamde (beruchte?) VTM-effect niets anders dan een tienvoudig “Hitring”-effect.
Sindsdien gaat het dus goed met de Belgenpop. En dat zeg ik dan niet omdat er in die tijd nogal wat verzamelelpees verschenen onder het motto “Dit is Belgisch”, wat later een heus kwaliteitslabel voor de mode-industrie werd, want – eerlijk gezegd – er werd toen meer vinyl aan lokale producties verkwist dan goed was voor het ecologisch evenwicht. Dat zeg ik echter wél omdat de jeugdige leeftijd van het gros van de artiesten een wissel op de toekomst inhield.
Laten we beginnen met de elpee samengesteld voor de ASLK. Die eer komt haar zeker toe, want “Get sprouts” (“Haal die spruitjes!”) is gewoonweg een superieur product, één van de beste verzamelelpees aller tijden. Technisch had de plaat een iets vollere klank mogen krijgen en om de homogeniteit niet te schaden hand The Plant (ex-Kommeniste) eruit gemogen, maar verder was het gewoon al wierook dat uit onze toenmalige (nog niet eens elektrische) schrijfmachine opsteeg. Namen noemen heeft weinig zin, al vermeld ik graag dat Toy mijn persoonlijke voorkeur wegdroeg, wat misschien ook wel een beetje te maken had met het feit dat drummer Marc Bonne voor hetzelfde regionale blad werkte als ik.
Stagebeast is niet slecht maar je bent er rap op uitgekeken (cfr. Mallemunt). In de loop van de jaren tachtig bleek dat er toch een aantal belangrijke namen zouden standhouden: Dirk Blanchart van Luna Twist, Ludo Mariman van The Kids en natuurlijk Arno Hintjens van TC-Matic. Sindsdien kan alles, er zijn geen regels meer. Niet bij het koken (waardoor mijn moeder zowaar een fan van Arno werd) als wat het zingen van nummers van Brel en Ferré (over zijn geboorteplaats Oostende) betreft. Zelfs invloeden van Brecht, Weill en Tom Waits zijn hem niet vreemd, maar de basis blijft blues en rock, verdriet en liefde. Pose is echter heel belangrijk voor deze mensen en daar hou ik persoonlijk niet zo van.
Voor de tweede elpee die tot stand kwam door een samenwerking tussen het popblad Riff, de opnamestudio Simnus en de platenmaatschappij Harvest (EMI), had ik iets meer reserves, maar toch lagen de kaarten ook hier nog goed. Die reserves kwamen dan ook hoofdzakelijk voort uit het feit dat als op de vorige elpee dan al jonge groepen stonden, ze hier nog een flink stuk jonger zijn. Of toch nog niet helemaal rijp. Ik zal niet ontkennen dat een aantal groepen mij zelfs als totaal onbekend voorkwam, maar dat leidde dan soms toch tot prettige verrassingen (zoals b.v. met The Bet uit Meise).
Verder is het wel zo dat olie bovendrijft, daarmee bedoel ik dat de meest bekende groepen ook de beste zijn, zoals The Employees en Lavvi Ebbel (de enigen die ook op de spruitjeselpee staan), Chester Vavenue, Bucks Danny enz. Ook hier weer een miskleun (en véél erger dan The Plant): ene Benjamin Lew, geknipt voor Hara Krishna of Baghwan, mag gedurende een aantal minuten zijn gang gaan. En dat op een elpee die “Beat Boys” heet!
Anderzijds dient wel opgemerkt dat dergelijke verzamelelpees misleidend kunnen werken. Indien bv. de nieuwe single en openingstrack de vijfde elpee van Machiavel, “Fly”, erop had gestaan, had ik deze groep vast bij de “goeden” geteld. Helaas blijkt ook “New Lines” alweer de verwachtingen niet in te lossen. Over de eerste twee elpees kan ik geen oordeel vellen omdat ik ze nooit heb gehoord, maar nadat de derde (“Mechanical Moonbeams”) zwaar beladen was met een achterhaalde Deep Purple-sound uit de late jaren zestig en ze op de vierde (“Urban games”) hadden ontdekt dat ondertussen iedereen op reggae was overgeschakeld, gingen ze met “New Lines” weer een andere (hardere) toer op. “Een groep heeft het recht steeds iets nieuws te brengen,” aldus een Machiavellist tijdens een interview op RTL, en dat is juist, maar bij Machiavel lijkt het ons te zeer een krampachtig zoeken naar een eigen sound.
Toen ik over The Misters schreef (in Hebjetgezien) dat zij ellendig klonken in een Muzieksien-uitzending van de BRT, voegde ik er onmiddellijk aan toe dat dit even goed aan de BRT zelf kon gelegen zijn (Big Bill stelt zelfs een boycot voor van live optredens op de BRT, al klonk zijn optreden op het scherm toch goed, alhoewel dit niet het geval was in de zaal naar het schijnt). Hun nieuwste single met twee A-kanten (“Women” en “Change partners”, de titelsong van hun elpee) bewijst dit.
De Brassers onderscheiden zich van de meeste jonge groepen door in hun moerstaal (« voor zover dat boven de vervorming hoorbaar is », Knack) te zingen, iets wat eigenlijk voor de hand zou moeten liggen, maar we willen deze discussie over het Angelsaksische imperialisme hier nu niet heropenen. Zoals gewoonlijk gaat er achter het gebruik van het Nederlands een engagement schuil. Geen echt politiek engagement natuurlijk, want, zo zeggen ze zelf in « Humo », „…het heeft iets met punk te maken… We willen verwarring overbrengen, wakker schudden. Wat in de plaats moet komen, weten we niet en het is ook onze taak niet om dat uit te zoeken ».
NEW BEAT
The Kids en Toy verdwenen in 1982 in de quasi-anonimiteit, The Bet bracht een aanvaardbare, maar toch ietwat ontgoochelende elpee uit (nr.3 van De Rode Vaan uit dat jaar), die weliswaar werd overtroffen door de Beatles-persiflage, “A world of Machines” (De Rode Vaan nr.21 en 29), maar geen van deze groepen drukte echt z’n stempel op dat jaar. Evenmin zit die kans erin voor De Kommeniste, Harry & C° enz., de talloze jongeren die zich aan het succes van Raymond hebben opgetrokken om het in hun moedertaal te proberen. Terecht wees een (zij het niet onpartijdige) lezer er ons dan ook op (toenmalig manager Herman Schuermans in de RV nr. 4) dat het wel eens De Kreuners zouden kunnen zijn die met de palm zouden gaan lopen. De Meester zelf (RVHG, dus) dook zijdelings hier en daar nog eens op : ofwel in de Young Lovers-tournee van Jean Blaute (De Rode Vaan nrs.13, 41, 44), ofwel op de goede singel van De Waterlanders (RV 25) of de mini-elpee van Kamagurka (RV 50). Voor echte vernieuwing zorgden echter Allez Allez (RV 13) en Luna Twist (RV 7, 50).
In 1985 draait DJ Ronny, alias “Dikke Ronny” van de Antwerpse discotheek Ancienne Belgique e plaat “Flesh” van A Split Second op het verkeerde toerental. Een legendarische fout, want de dansvloer ontploft en een nieuwe muziekstijl is geboren: de AB sound die zou uitgroeien tot de New Beat. Nog steeds wordt ons landje op die manier hoog aangeslagen in de wereldwijde evolutie naar dance en house. Men kan zich afvragen hoe dat op die manier is kunnen evolueren. Soms geeft men een heel ingewikkelde uitleg gaande van Telex en Front 242 om zo uiteindelijk bij de Confetti’s te arriveren. Voor mij is het een uitleg als een andere. Geef mij maar eerder die van Luc De Vos, de zanger van Gorki, in zijn boek “De rest is geschiedenis”: “We schrijven het einde van de jaren tachtig, de beginperiode van de New Beat. Eerst wist ik niet wat ik hoorde. Er dreunde in deze gelagzaal (de Boccaccio, RDS) een dreun die eindeloos voortging (…) Een decennium later zou dit medium, de dance, uitgroeien tot de ene ware soundtrack voor de film van het leven van de jongeren van vandaag. (…) De dance verdrong de popmuziek. Popmuziek was te ver doorgedrongen op het terrein van de communicatie en de metacommunicatie. Popmuziek was louter commentaar gewroden en op den duur naast het leven gaan staan. Dat kon niet blijven duren. Doodvermoeiend was het.” (p.51)
06 vaya con diosIn 1986 vormen Dani Klein (zangeres), Willy Lambregt (aka Willy Willy, gitarist) en Dirk Schoufs (contrabassist) een gelegenheidsbandje om de opening van een Gentse kledingzaak op te vrolijken. Hun mengeling van pop, jazz en zigeunermuziek wekt echter al snel de interesse van de platenmaatschappijen. Het geïmproviseerde trio noemt zichzelf Vaya Con Dios en brengt een debuutalbum uit, waarvan in heel Europa maar liefst 600.000 exemplaren over de toonbank gaan. In de Tour of Britain doet José De Cauwer zelfs een poging om “What’s a woman” bij de Britten te promoten, helaas tevergeefs.
Daarna kwam er nog Clouseau, op de voet gevolgd door Bart Peeters, Tangible Joy en Geert Faes. En ondertussen is Rock Werchter uitgegroeid tot misschien wel het belangrijkste rockfestival ter wereld.

Referentie
Ronny De Schepper, De Belgische pop verzameld: een dialectische ontwikkeling… of wat had u verwacht? De Rode Vaan nr.1 van 1982

(1) Dat zou inderdaad best kunnen, bij de donkerblauwe partij van Jean-Marie De Decker b.v. Want er wordt dan wel eens (min of meer terecht) gesproken van “de rode BRT”, maar De Pré vormt met zijn wekelijkse “De Prehistorie” op zijn eentje genoeg tegengewicht als zowat de grootste anticommunist die er (op de BRT dus) rondloopt. Voor mij is dit werkelijk bijna onverdraaglijk, aangezien ik desondanks wel een trouwe fan ben. Ik heb zelfs grote bewondering voor de schitterende montage van de tegenhanger van het programma op televisie. Al neem ik aan dat hiervoor de grootste lof moet gaan naar mijn vroegere buurman en zijn partner. Hun namen willen mij op dit moment niet te binnen schieten (Rik Stallaert en…?), maar als ik nog eens naar een Prehistorie-video kijk, zal ik dit zeker aanpassen.
(2) Zijn broer René Van Hoogten week uit naar New York en bouwde daar Moonglow uit, het platenlabel dat o.m. The Righteous Brothers ontdekte.
(3) Danny Fisher had begin jaren zeventig nog een hit in Vlaanderen met ‘Just another guy’, een nummer dat oorspronkelijk de B-zijde sierde van ‘The minute you’re gone’ van Cliff Richard. ‘Just another guy’ werd dan ook geschreven door Neil Diamond. Anno 2007 treedt Danny Fisher nog steeds op, deze keer met The Old Jokers met als drummer Gerald “Danny” Pepermans, die afkomstig is van Temse. Of er daarnaast nog andere leden van de vroegere Jokers meespeelden, weet ik niet. (Luc De Ryck)
(4) Zanger-gitarist Jos Clauwers (°1942) leek zozeer op Elvis dat hij in augustus 1965 even voor Elvis moest spelen in de film “Double Trouble”. Die speelde zich op een bepaald moment immers in Damme, Brugge en Antwerpen af, maar je ziet van hier dat The King zich daarvoor zou verplaatsen! Paula Geerts verving tegenspeelster Annette Day.
(5) Toen de groep over zijn hoogtepunt was, stapte Sylvain eruit en dook de studio in om zich te ontfermen over zeer verschillende stijlen, zoals Marijn Devalck, The Kids en The Machines. Zelf bleef hij actief bij Two Men Sound, samen met Lou Deprijck en Pipou.
(6) Marc Hérouet speelde later o.a. bij Salix Alba, net als Sylvain Vanholme en drummer Bob Darsch.
(7) De eerste begeleidingsgroep van Aryan heette Les Chabrolls. Zijn thuisbasis was toen nog Knokke, een Franstalige enclave aan de rand van Vlaanderen. Het is niet duidelijk of de groep gewoon van naam veranderde of dat het ook om totaal andere muzikanten gaat. Evenmin kan ik bevestigen of de naam afkomstig is van de Franse filmregisseur Claude Chabrol.

20 gedachtes over “Belpop: hoogtepunten uit de geschiedenis van de Belgische popmuziek

  1. Heel wat herinneringen worden opgeroepen bij het lezen van deze Belgische pop-geschiedenis.
    Jaren 50 en 60.Oude platenmerken ,waartoe ook Riva behoorde bvb, Kraftone..Bell Records..Teeny.
    Ik reageer even omdat ik hier las dat Werner Arijs overleden is…ik woon veelal in Nederland.
    Werner was inderdaad bezeten door de muziek van Belgische Groepen..ik had het voorrecht enkele gesprekken met hem hierover te hebben destijds…bezorgde hem ook foto’s uit muziekmagazines.
    Ik was ook een medewerker van Vic Van Dessel’s Rockin’50’s uit Kruibeke.
    Mijn passie was meer het verzamelen van onbekende tot obscure amerikaanse rock ‘n’roll-singles, het ontstaan van het fenomeen Rock’n’Roll vanaf de 20-er jaren,waarin Boogie Woogie en Jump Blues een voorname rol speelden.

    Beste Groetjes.

    Jos.

    Liked by 1 persoon

  2. Beste,

    Ik schrijf even dit briefje om te vragen of het niet mogelijk is om bij het bespreken van de muziek uit begin de jaren zeventig de toen Nederlandstalige band “MAGENTA” niet te vergeten. Uiteindelijk hebben wij
    toch twee L.P.’s gemaakt en enkele singels. Verschillende TV’s en de pré selecties voor Eurosong in 1974, maar meestal worden wij vergeten, ook bij het samenstellen van zulke verzamelplaten.Ook speelden wij op Nekka74
    Ik zelf was de toenmalige Bassist,aan de drums zat Marc Segal, dan was er Roland Arnould:zanger componist -/Jan Wellens, later Willy Heynen (te vroeg overleden)als gitaristen, en de ook reeds overleden Wim Reiling op de toetsen.
    Op mijn MySpace staan véle foto’s en verschillende krantenknipsels enz.
    Hopenlijk kan u hier iets mee,en kan je in de toekomst de overigens zéér mooi en interessante site vervolledigen.
    Bedankt en beleefde groeten

    Jef Boudry

    Liked by 1 persoon

  3. Beste ronny, de eerste drummer en tevens mede oprichter van popgroep Toy was niet Marc Bonne, maar wel Pol Ille himself. De elpee “Bad night” en alle voorgaande Toy-singles rockten uit zijn drumsticks. Ook op de elpee “Get sprouts” is Pol Ille van de drumpartij. Enkel SUSPICION is van de hand van Marc Bonne. Pol Ille richtte na Toy nog BEAU GESTE op en CLARK & GABLE. Als schrijver van het Scaldislied (met KRIS DE BRUYNE) bezingt hij momenteel zijn geboortestreek Klein-Brabant en drumt hij de pannen van het dak bij de nieuwste bluessensatie MAD MADDY AND THE BBC’s. Dit alles even ter correctie.
    Groetjes van uw genegen Pol Ille

    Liked by 1 persoon

    1. Bedankt, Pol, te gelegener tijd zal ik de fout rechtzetten. Ik kreeg van Pol overigens ook nog de volgende mail: “Drummer Gerald Pepermans van The Jokers woont momenteel te Bornem en de Jos (Clauwers, RDS) maakt nog steeds deel uit van de JOKERS; als zanger van dienst is er Danny Fisher, die momenteel herstellende is van een licht infarct. Dit is geen joke! Spoedig herstel gewenst aan deze knarre zanger. De Jos is zoals gezegd ook nog van de partij. Bewonderenswaardig toch van deze kerels!”

      Liked by 1 persoon

      1. Waarop Luc De Ryck dan weer antwoordde: “The Jokers zijn de jongste jaren al meermaals opgetreden in Temse, o.a. op de Kaaifeesten

        Hun huidige bezetting =
        Jos Raes, bassist
        Gerald Pepermans, drummer
        Danny Fisher, zanger
        Annie Fisher (echtgenote van Danny), pianiste-keyboard”

        Aangezien ikzelf de naam Clauwers heb toegevoegd, kan het dus natuurlijk zijn dat Pol Ille eveneens deze Jos Raes bedoelde…

        Liked by 1 persoon

  4. Beste Ronny De Schepper

    Op uw website staat zeer veel interessante informatie! Weet u toevallig nog iets over de muziekactiviteiten specifiek in Gent tijdens de jaren vijftig (jazz en rock&roll)? Ik ben student geschiedenis aan de Ugent en schrijf dit jaar mijn thesis over de organisatoren van jazz en vroege rock ‘n’ roll concerten in Gent tijdens de jaren vijftig en daarbij focus ik me op de netwerken die zij hadden. Zo heb ik enorm veel informatie over:

    CAO Gent – Eeklo Music Club 1955-1959 o.l.v. Gilbert Temmerman en André Holsbeke
    AB voor de jaren vijftig o.l.v. Albert Espagne en Alfons De Boeck
    Salon Fritz van de familie Daskalidès, Chalet du Sud, en dergelijke.

    Over de Gentse Jazzclub, opgericht in 1951, vind ik zeer weinig concrete bronnen. Hierbij had ik graag iets meer geweten over de personen Walter Eysselinck, André Degraeve en Guy Beyaert: de stichters van de club.
    Daarnaast zoek ik ook informatie over de praktijken van de B.N.R.O. Radio Gent die vanuit de St – Margrietstraat uitzond. En of personen Rudy Sinia, Jan Briers en Jerôme Depauw zich bezighielden met jazzconcerten/modernere muziek!

    Indien u me kan helpen mag u me altijd mailen!

    mvg

    Kasper – Jan Raeman

    Liked by 1 persoon

  5. Beste Kasper-Jan,
    Bedankt voor uw lof. Helaas kan ik daar niet zo heel veel tegenover stellen. Eerst en vooral moet u natuurlijk beseffen dat ik wel oud ben, maar helaas (?) nog niet zo oud dat ik de jaren vijftig écht heb meegemaakt (ik ben geboren in 1951). Bovendien ben ik pas in mijn studententijd (1969) naar Gent gekomen. Daarvóór was Gent voor mij als Waaslander een verre, vreemde stad. Dus uit eigen ervaring kan ik u niets, maar dan ook helemaal niets mededelen.
    Wat ikzelf uit “de boekskes”, uit interviews en (later) eveneens van het internet heb geleerd over de muzikale geschiedenis van Gent, dat vindt u hier:
    https://ronnydeschepper.wordpress.com/2009/07/28/de-gentse-varietetheaters/
    Van de stichters van de Gentse Jazzclub ken ik enkel (en dan nog uitsluitend van naam) Walter Eysselinck. Ook over hem vind je het een en ander op mijn blog, maar dat heeft dan niets met muziek te maken. Wie je echter ongetwijfeld gaat kunnen helpen is Frans Redant. Ik zal vragen dat hij met jou contact opneemt.
    Jan Briers heeft als stichter van het Festival van Vlaanderen merkwaardig genoeg toch met popmuziek te maken gehad. Hij is namelijk de “uitvinder” van de BRT Top Dertig, dat staat hierboven reeds vermeld, dacht ik. Voor de rest heb ik nog wel bijdragen over Jan Briers wat het FVV betreft, maar dat zal wel niet van belang zijn voor jou, denk ik.
    En Rudy Sinia is natuurlijk de bedenker van “Rudy’s Club”, wellicht het beste popprogramma in het Vlaanderen van de jaren zestig. Wie je daar meer zal kunnen over vertellen, is ongetwijfeld Paul Verbrugge, alias D.J.Anthony, the Prince of Darkness. Ook hem zal ik vragen met jou contact op te nemen.
    Wie je ook veel zal kunnen helpen is Jackie Dewaele alias D.J.Zaki. Helaas heb ikzelf echter geen contact met hem. Dat zal je dus zelf moeten uitvogelen. Ik wens je alvast veel succes!

    Like

      1. Beste Kasper-Jan,
        ik vrees dat ik je niet veel kan helpen, want dat is allemaal voor mijn tijd.
        Ik heb Walter Eysselinck zeer goed gekend, maar na 1964 (RITCS, daarna NTG). Hij was inderdaad een groot jazzliefhebber en -kenner. Old Style, New-Orleans dan vooral. Met een pintje op durfde hij voor vrienden en collega’s met de handen voor de lippen al eens een trompetsolo ten beste geven. Tijdens zijn verblijf in de States (als universiteitsstudent – Master in Fine Arts) heeft hij er nog plaatopnamen gemaakt en geproduceerd met oude nog overlevende pioniers. Bij hem thuis aan ’t Sluizeken heb ik die opnamen nog beluisterd. Ik denk dat hij ooit in de Sint-Margrietstraat vertoefde tijdens zijn studies Germaanse aan de R.U.G.
        Misschien kun je eens proberen bij Rudi Balliu: rudy.balliu@skynet.be
        Beste groet,
        Frans

        Liked by 1 persoon

  6. Kasper-Jan,
    Aangezien je geen concrete vraag voor hem hebt, meldt Paul Verbrugghe dat je hem indien nodig steeds via mail kunt bereiken. Ik ga zijn mailadres echter niet langs deze weg bekendmaken, dat spreekt vanzelf. Ik wou het je doormailen, maar je hebt blijkbaar zelf geen mailadres achtergelaten, want je naam is niet aanklikbaar. Gelieve dus nogmaals contact op te nemen.

    Like

  7. Ik heb met interesse het artikel over Belgische pop gelezen. Ik betwijfel ook of groepen zoals The Kids, Toy, The Bet en The Machines het vaandel zo maar onmiddellijk kunnen overnemen.
    In het artikel vergeet men echter één groep te noemen : de Kreuners. Zij hebben het vaandel van Raymond overgenomen. Hun optredens zijn volle bak en de platenverkoop van hun eerste elpee « ’s Nachts kouder dan buiten » spreekt voor zichzelf. Tot op heden werden er 20.000 exemplaren van verkocht, hetgeen betekent dat de Kreuners de eerste Belgische groep zijn die met zijn eerste elpee meteen « goud » — 15.000 exemplaren voor Belgische producties — haalt. Cijfers ter inzage op de WEA-kantoren.
    Deze heugelijke Kreuners-feiten heb ik in het artikel gemist !
    Het allerbeste voor 1982.

    Herman Schueremans in De Rode Vaan nr.3 van 1982

    Liked by 1 persoon

  8. Beste, mijn naam is Mariella Claessens uit Kieldrecht. Ik wil namelijk reageren op een oproep van Bob Rocky over Jannine De Vadder. Ik ben namelijk met haar broer getrouwd geweest. Ik wist van haar dat verhaal over Bob Rocky en haar. Mijn man is dan verongelukt en nadien heb ik Jannine niet meer gezien. We hadden wel een goede band samen, ik weet wel dat haar stiefvader in Keerbergen woonde en dat ze daar geregeld was. Meer kan ik niet zeggen. Sorry. Lieve groet, Mariella.

    Liked by 1 persoon

  9. Beste,
    Ik heb met plezier het artikel gelezen.
    Alleen vroeg ik me af wat er vandaag de dag geworden is van Kate’s Kennel-zangeres Griet De Bock en haar partner acteur/regisseur Loet Hanekroot ?
    Het recentste nieuws over hun wat ik vind op het internet is dat ze in de jaren ’80 naar Italië trokken en vervolgens zich vestigden in Gent.

    Ik hoop dat iemand een antwoord heeft op mijn vraag ?

    Alvast bedankt.
    Mvg Ruben

    Liked by 1 persoon

  10. Ik wil via deze weg proberen te weten te komen in welk jaar The Everly Brothers hebben opgetreden in de Koningin Elizabethzaal op 8 juni om 20u30 te Antwerpen. In de zaal kunnen ze mij niet helpen, de VRT doet het niet en op internet vind ik geen enkele informatie terug. Ik heb een originele affiche gevonden van hun ‘Farewell Tour’ maar het jaartal staat er niet op.
    Graag een antwoord aub.
    Mvg.
    Felix CLAES

    Liked by 1 persoon

  11. Wie kan mij een cd bezorgen met de opname van de lp shampoo van de belgiche groep Shampoo? Uiteraard tegen betaling. Een stuk verloren gegane historie. Heb de doop van deze goep meegemaakt in zaal Germinal te Hasselt.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.