A night on the town

Daarna volgde “A night on the town”, waarbij ik me de vraag stelde: zal Rod Stewart na drie “Pictures” nu ook x-aantal “Atlantic Crossings” maken? Bovendien werden vooral zijn televisie-optredens “gevaarlijk commercieel” zodat ik enigszins met deze elpee verlegen zat. Het gekreun van nieuw liefje Britt Ekland (foto) op “Tonight’s the night” vond ik ronduit misselijk en zelfs de beste nummers als “Big Bayou” en “Wild side of life” bleven onder de (weliswaar hoge) doorsnee Stewart-maat.

“Wild side of life” is eigenlijk een versie van een nummer dat ook door Status-Quo wordt gezongen, maar waarvan reeds een country-versie bestond onder de titel “Honky tonk angels”. Het betreft hier een zogenaamde “antwoordsong”, dat betekent: Stewart & Quo geven de mannelijke visie op prostitutie, de country-song de vrouwelijke. Maar het gekste van al was dat ook Cliff Richard de vrouwelijke versie van deze song heeft opgenomen, waarna hij aan de BBC zélf vroeg om ze niet te spelen. Hij wist namelijk niet wàt hij had opgenomen! Dezelfde melodie dook ook op in de theaterproductie “Te voet” van Arca, die volledig bestond uit muziek uit de Tweede Wereldoorlog. Hier heette het lied “I’m thinking tonight of my blue eyes” en werd het toegeschreven aan A.P.Carter. Het hele (ingewikkelde) verhaal vindt men terug in “The stories behind country music’s all-time greatest 100 songs” van Ace Collins (New York, Boulevard Books, 1996).
Hoe dan ook, “Wild side of life” is een uitstekend nummer, dat herinneringen oproept aan “Cut across Shorty”, maar meer nog aan “Country honk”, de Stones’ eigen fantastische “unplugged” versie van hun “Honky tonk woman”. Over “Shorty” gesproken (“Gasoline alley” dus), ook de sound van “You’re my girl” komt zowat overal terug, merkwaardig genoeg (en dat bewijst Rods continuïteit) zoals dat ook het geval was op zijn minst geprezen “Smiler”-elpee. De sound van de kopersectie van Tower of Power en van de MG’s (terecht staan er op de hoes een paar lovende woorden aan het adres van de pas vermoorde Al Jackson, die hierop nog meespeelt) zullen daar wel niet vreemd aan zijn. Deze sound is nogal ‘jazzy’ en dat hoor je ook in de trage nummers, zoals in het omstreden “Trade winds”. Volgens sommigen dé misser van de elpee, volgens mij hét hoogtepunt. Als men dan de vraag stelt wat dit nummer op de “vlugge” kant staat te doen, dan heeft men het duidelijk niet gesnapt. Dan heeft men bijvoorbeeld ook niet gezien dat de slow-kant nu kat A was en de snelle kant B (bij “Atlantic crossing” is het omgekeerd) en het is nog steeds de bedoeling dat men de nummers van een elpee in een vaste volgorde draait (je leest in een boek de hoofdstukken toch ook niet kriskras door elkaar?). Als je dan het thema van de elpee, gesuggereerd door titel en hoes (*) in de gaten houdt, dan is dit nummer helemaal niet misplaatst, maar juist een uitstekende afronder. De ontnuchtering, de morning after, de relativering, de échte Rod Stewart (volgens mij), al moet je de eventuele religieuze achtergrond (zoals bij “Sailing”) er wel bijnemen.
Die “echte” Rod Stewart (enfin, het beeld dat ik mij daarvan vorm) hoor je ook lijden in “The first cut is the deepest”, het enige niet-eigen nummer op de slow side (slows zijn voor Stewart meestal belijdenis-lyriek). Muzikaal herinnert dit nummer aan het duidelijker jazz-getinte “Dirty old town” (“Raincoat”) en minder aan “I’d rather go blind” (“Moment”). Ergens is Stewart wel steeds jazz-minded geweest (cfr.het verhaal van Wizz Jones, waarbij de oppositie tussen de “mods” en de “trads” wel mag worden gerelativeerd, aangezien hij op “Smiler” voor “Dixie Toot” zelfs een beroep doet op Chris Barber) en samen met Herman Schueremans (in die tijd de Belgische vertegenwoordiger van Rods platenmerk WEA) en wellicht nog vele anderen ben ik ervan overtuigd dat de kracht van Stewart meer schuilt in schitterende covers van wat anderen neerpenden dan in zijn eigen werk. Toch is deze “First cut” van Cat Stevens een beetje een ontgoocheling. Op de plaat is het weliswaar een uitschieter, maar toch kan de versie van Rod de hitversie van P.P.Arnold met Keith Emerson op “harpstyle piano” niet overtreffen.
En dan was er ook nog “The killing of Georgie”, een “verslag” van de moord op een homofiel (let op de titel die duidelijk zinspeelt op het stuk van Frank Marcus, “The Killing of Sister George” dat over lesbiennes handelt). Door Karel De Knagger (Humo) werd dit nummer vergeleken met Bob Dylan (omdat het in narrative ballad style is, zeker?) en met Lou Reed (wegens een koortje à la “Walk on the wild side”?). Eilaas, driewerf eilaas, hier overtreft Kareltjes liefde voor Stewart de mijne (en god weet dat die groot is), want ik vind dit helemaal niet zo’n groots nummer. Enfin, snel relativeren: ik vind dat het adjectief “zoeterig” hier veel meer op z’n plaats is dan bij “Trade winds”, waar het suikerwerk functioneel was. Persoonlijk vind ik het verhaal van dergelijke “stabbing” niet ideaal gebracht als dit gebeurt met een harpje (Harm?).
Wél goed vind ik Rods bewogenheid (het zal wel echt gebeurd zijn, neem ik aan, in de popwereld wordt er – vooral in de entourage – gestorven als vliegen). Ook zijn aloude thema van de vriendschap komt hier weer boven. (Rod Stewart veel later in Dag Allemaal: “Ik ben heel erg loyaal tegenover vrienden. Altijd al geweest en méér zelfs dan in de liefde. Vriendschap tussen tussen mannen heeft immers heel wat minder met machtsverhoudingen te maken dan een liefdesrelatie. Tegenover echte vrienden heb je niets te bewijzen.”)
Het voorval zou natuurlijk op Al Jackson kunnen slaan, maar ik houd me hier erg op de vlakte, daar het begin dan weer erg op Stewarts eigen historie lijkt (waarbij de keuze van een naam als Georgie niet eens zo vergezocht zou zijn, denken we maar aan zijn voetballiefde, die we dan zouden kunnen linken aan iemand als George Best). Of het al dan niet echt gebeurd is, heeft trouwens niet het minste belang, wel dat Rod het zo zingt. Op die manier neem je hem ook niet kwalijk dat part two gewoonweg dubbel plagiaat is van de Lennon-nummers “Don’t let me down” en “Mother”: de bewogenheid die in deze muzikale zin schuilt is gewoonweg aangrijpend.
Tegenover deze mannenvriendschap staat dan “la femme-objet”, zoals alweer overduidelijk is in “Balltrap” en natuurlijk ook in “Tonight’s the night”, dat hier en daar zelfs werd verboden. Censuur is natuurlijk onzinnig, maar anderzijds vind ik sommige fraseringen toch ook wel kinderachtig, om niet te zeggen onnozel, en de gebaren die hij er in de videoclip bij maakt, geven mij de indruk dat hij denkt dat wij imbecielen zijn, die bijvoorbeeld niet snappen wat “spread your wings and let me come inside” betekent…

Ronny De Schepper

(*) De hoes is een pastiche van “Bal du Moulin de la Galette” van Auguste Renoir. Renoir schilderde het werk in 1876, slechts enkele jaren na de onderdrukking van de opstand van de Commune in 1871. Moulin de la Galette was één van de hoofdkwartieren van de Commune.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.