Belladonna

Nog in 1993 publiceert Claus de dichtbundel “De Sporen”. Volgens zijn eigen zeggen heeft hierin “de lyriek van de jongeling die in de zandbak met een meisje in Tirolerjurk speelt, plaatsgemaakt voor een zeker wellustig masochisme in het licht van de dood”. Hij vindt trouwens dat het “een wet” is dat de grootste liefdesdichters in werkelijkheid flauwe minnaars zijn en hij citeert als voorbeeld Baudelaire “de grootste liefdesdichter, maar het is bekend dat het allemaal wensdromen waren”. Anderzijds bekent hij dat hij nu ook wel eens een boodschap aan zijn zonen in een gedicht stopt, “mijn twee zonen die niet naar hun ouwe schimmelige vader omkijken.” “En dan maar hopen dat ze uw poëzie lezen,” merkt Rudy Vandendaele stekelig op. “Dat ze hen ertoe aanzet me even op te bellen,” lacht Claus. Maar het gegeven keert terug in 1994, wanneer hij “Belladonna” publiceert, een groteske waarin de namen op dergelijke manier zijn gegeven dat een vertaling onmogelijk wordt (ofwel moet men de actie ook verplaatsen naar het land van de taal en dan verdwijnt het “typisch Vlaamse”). Op die manier zal hij wéér de Nobelprijs niet krijgen natuurlijk!

Maar goed, buiten het feit dat de voorzitter van de CONECU (Con et Cul) Elias De Schepper heet, is er dus ook het gegeven van de vader waarnaar de zo(o)n(en) niet omkijkt/en. Wat we terugvinden in de figuur van Axel den Dooven, die zich te pletter vreet omdat zijn zoon Just liever in een Ferrari rondscheurt. Anderzijds is Axel wel de geboortedag van zijn zoon vergeten: “Daarin ben ik geen haar beter dan mijn vader die mij ook niet aanraakte en die (weet je nog) zich te pletter schrok toen ik hem zei: ‘Papa, ik zie je gaarne’ en meteen riep: ‘Je bent dronken!’ Fearful symmetry.” (p.86)
Thomas Claus vergist zich dus van boek als hij in Humo van 29/4/2008 vertelt: “Ik herinner me een avond bij zijn schoonzus Motte en zijn broer Guido. Ik was bezopen, en op een gegeven ogenblik stond ik op, en wandelde naar hem toe om hem te omhelzen. Ik sprak traag: ‘Ik hou van je!’ Hij deed een stap achteruit en zei: ‘Hou op, je bent dronken!’ Die gebeurtenis heeft hij verwerkt in zijn boek ‘De Zwaardvis’.”
Het is overigens onbegonnen werk om alle personages te proberen duiden (alleen Billy Drabbers is een makkie omdat hij iedereen aanspreekt met “schat”), ook al omdat er natuurlijk geen rechtlijnigheid is. Zo wordt p.172-173 het voorval met de dolk van Johan Daisne verhaald (die overigens ook reeds in “Het verlangen” ten tonele werd gevoerd), maar dat betekent natuurlijk niet dat Marigaal Daisne zou zijn en Claus den Dooven (alhoewel dit nu reeds de tweede keer is dat er een overeenkomst is, cfr.hierboven). En alhoewel de proletarische auteur Jules Spanoghe al schrijvend sterft aan een hartaanval, mag je daarin toch niet Boon zien (daarvoor wordt hij te negatief afgeschilderd, al lijkt het voorval dat hij Den Dooven negeert op het moment dat zijn vrienden erbij zijn terug te gaan op de ontgoocheling van een jong schrijver), ook al gaat het feit dat Spanoghe de “Michelin-prijs van Dendermonde” niet kreeg ten voordele van de halfblinde Jef Bruynzeel, van wie wat ouder werk door anderen werd uitgebracht, duidelijk terug op de Staatsprijs 1946 die werd toegekend aan Richard Minne op basis van “Wolfijzers en schietgeweren”, een verzamelbundel die werd samengesteld door Raymond Herreman en Maurice Roelandts, i.p.v. aan Boon. In Spanoghes kordate echtgenote Mireille is het bovendien erg moeilijk om er Jeanneke niet in te zien.
In de acteur Herman Grootaers zullen maar weinigen Julien Schoenaerts niet herkennen, ook al heeft die zijn familienaam in het werk niet gestolen, terwijl ook Jan Verheyen als producent herkenbaar zou moeten zijn. Zélf zag ik hierin een oudere persoon. Ouder zelfs dan Provoost. Ik dacht aan Jan Van Raemdonck.
De titel slaat op het feit dat in vroegere eeuwen prostituées én vrouwen van stand door het gebruik van belladonna meer glans aan hun pupillen wilden geven, maar als men dat te veel gebruikt, wordt men blind. Voor de rest blijkt Claus hier erg beïnvloed door William Gaddis. Zo had hij oorspronkelijk veel dialogen zonder aan te geven wie wàt zei, maar dat heeft hij dan opzettelijk wat duidelijker gemaakt om toch niet al te zeer in het straatje van Gaddis terecht te komen.
Ter gelegenheid van deze publicatie maakte hij een “tournée générale” door Vlaanderen, waarbij hij telkens door een andere B.V. werd geïnterviewd. Tijdens deze tournée konden we ook kennismaken met “De Verwondering”, een zanggroep genoemd naar zijn roman uit 1962. Blijkbaar was het Jan Decleir die de groep in de tournée had geloodst, want hij wordt gevormd door leerlingen van “zijn” Studio Herman Teirlinck (Esmé Bos, Mireille Vaessen, Pieter Embrechts, Louis J.A.van Beek, Bart Voet en Nathalie De Schepper).
Ikzelf woonde de avonden in Gent (met Gerard Mortier) en in Brussel (met Jef Lambrecht) bij. Deze laatste was als journalist veel beter dan Mortier, die duidelijk teveel zenuwen had, enerzijds omwille van zijn verering voor Claus en anderzijds omwille van het feit dat het interview nu eenmaal voor een volle zaal (die soms haar commentaar niet spaarde) verliep.
Gezien hun respectievelijke belangstellingssfeer besteedde Lambrecht veel aandacht aan Claus’ plastisch oeuvre, terwijl Mortier steeds naar de muziek terugkeerde. Zo vergeleek hij Claus met Mozart, een vergelijking waarmee deze (uiteraard) zeer ingenomen was. Hij was dat vooral, zei hij, omdat Mozart juist de kunst verstond om heel ingewikkelde dingen als uiterst gemakkelijk te doen overkomen. Wat dan de aanleiding was om zwaar uit te halen naar “die onnozele film Amadeus, dat onding, waarin men het laat uitschijnen dat Mozart een halve garen was, die af en toe zo maar eens een meesterwerk uit zijn mouw kon schudden.”
Mortier, die al een beetje als Jean-Marie Pfaff begint te spreken, begon uiteraard ook over de opera-libretti die Claus heeft geschreven. “Acht in totaal. Allemaal enorme calamiteiten,” zei Claus zelf. Anderzijds kan hij zelf erg ontroerd worden door opera. Zo heeft Mortier hem op tranen betrapt bij de sterfscène van José Van Dam in “Simon Boccanegra” en zegt hij zelf steeds ontroerd te worden door de “Ode on the death of mr.Henry Purcell” van John Blow.
We vernamen ook dat Claus bij het schrijven Radio 3 heeft opstaan, waarvan hij vooral de commentaren “heel vermakelijk” vindt.
Opmerkelijk was ook de uitspraak dat “genot” het codewoord was in het werk van Claus. Hij wil de werkelijkheid omtoveren tot “genot”. Bovendien moet hij er zelf genot aan beleven (vandaar dat hij zowel in diverse kunsttakken actief is: “Mijn modellen zijn Michelangelo en da Vinci, al ben ik maar de schaduw van een bacil in hun nabijheid”, als dat hij binnen de literatuur vermijdt op één stijl te worden vastgekleefd: “Ik verveel me anders zo gauw”) en het is ook de bedoeling dat zijn lezers er genot aan beleven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.