Heibel in Leuven: Foch weg of niet?

41 mata hariBurgemeester Tobback van Leuven wil van de heraanleg van het Generaal Fochplein gebruik maken om het plein een nieuwe naam te geven. “Het woord ‘oorlogsmisdadiger’ is wat overdreven,” zegt Tobback in Het Nieuwsblad van vandaag, “maar niemand kan ontkennen dat generaal Foch in de loopgravenoorlog aan de Somme, de Marne en Verdun honderdduizenden mannen als kanonnenvlees uit loopgraven heeft gejaagd.” Louis Tobback alludeert hiermee op de problematiek die ter sprake komt in de film “Paths of Glory” van Stanley Kubrick, film die in Frankrijk nog steeds niet mag worden vertoond. Professor Luc De Vos is het oneens met Tobback: “De politici die de generaals aanspoorden om terreinwinst te boeken in de loopgravenoorlog hebben eigenlijk veel meer slachtoffers op hun geweten. Zij eisten aanval na aanval om de publieke opinie in eigen land tevreden te houden.” Terloops wil ik erop wijzen dat ook de executie van Mata Hari (foto) in die contekst dient te worden geplaatst.

Sam Fuller had toevallig een camera bij toen zijn legereenheid het concentratiekamp Falkenau bevrijdde. Het was voor hem het begin van een filmloopbaan in Hollywood. Hij is dan ook het beste geplaatst om te getuigen dat “het onmogelijk is het ware gelaat van de oorlog op het scherm te tonen: iedereen handelt als een psychoot en gedraagt zich op dierlijk niveau. Braaksel is onvermijdelijk.”
Wie Sam Fuller onvoorwaardelijk bijtreedt, is auteur James Jones (1921-1977), de oorlogsveteraan die o.m. “From here to eternity” (1951) en “The Thin Red Line” (1962) schreef, respectievelijk verfilmd in 1953 door Fred Zinnemann en in 1964 door Andrew Marton. Tussendoor schreef Jones ook nog “Some Came Running” (1957), dat nog hetzelfde jaar werd verfilmd door Vincente Minnelli (met Frank Sinatra in de hoofdrol). Dit is eigenlijk geen oorlogsfilm maar het autobiografische verhaal van een ex-soldaat en beginnend schrijver die zich probeert aan te passen aan het kleinburgerlijke leventje “back home” werpt dan weer een goed licht op de psyche van de schrijver, die ooit verklaarde in The Saturday Evening Post (in 1963): “Als onze oorlogsfilms enige aanwijzing zijn van onze sociale verantwoordelijkheid in een tijdperk waarin we de capaciteit hebben om onszelf te vernietigen, dan rest er ons weinig hoop.” De titel “The Thin Red Line” verwijst trouwens naar een oud gezegde uit de Midwest: “There’s only a thin line between the sane and the mad”.
Jones had zichzelf ook al min of meer geportretteerd als Robert E.Lee Prewitt in “From here to eternity” (rol deze keer van Montgomery Clift, Frank Sinatra speelt hier nog een kleinere rol, die evenwel wél zijn comeback betekende), zij het dat hij geen ex-bokser is die in de ring iemand blind heeft geslagen, maar in “close combat” heeft hij wel een soldaat gedood en dat is een traumatiserende ervaring gebleken.
James Lee Burke schrijft: “Evidently, James Jones and Ernest Hemingway bore each other a high degree of enmity. Ironically, they both described the evolution of the combat soldier in a similar fashion. Each author said the most dangerous stage in a soldier’s life is the second one, immediately after he has survived his initial experience in combat, because he feels anointed by a divine hand and convinces himself he would not have been spared in one battle only to die in another.” (*)
CLICHÉ-BEVESTIGEND OF TABOE-DOORBREKEND
Dochter Kaylie Jones heeft het zelf ook nog eens over haar vader, in de tijd dat de familie in Parijs woonde (tussen 1963 en 1974) in “A Soldier’s Daughter Never Cries” (1990). Ook dit boek werd verfilmd door het Merchant-Ivory duo in 1998.
In dit boek kunnen we ook al vaststellen dat er één opvallende overeenkomst is tussen twee generaties die in de jaren zestig lijnrecht tegenover elkaar stonden. De vaders, die de Tweede Wereldoorlog hadden meegemaakt, en de zonen, die voor Vietnam werden opgeroepen, allemaal zwegen ze in alle talen over wat ze in de oorlog hadden uitgevreten.
Anekdotes, ja. Macho-verhalen over vrouwen meestal. Vrouwen die aan dezelfde kant stonden dan wel, of op z’n minst “neutrale” vrouwen. Niets over verkrachtingen bijvoorbeeld. Hoezo? Wordt er dan verkracht tijdens oorlogen? “The rest is silence”.
Worden er precies daarom zoveel oorlogsfilms gedraaid? Om het onzegbare zo niet onder woorden, dan toch “onder beelden” te brengen? Alleszins splitsen oorlogsfilms zich op die manier in twee soorten: het bevestigen van een cliché of het doorbreken van een taboe. Vroeger viel deze opdeling samen met het generatieconflict dat ik hierboven reeds heb aangehaald: films over de Tweede Wereldoorlog bevestigden het oercliché van de soldaat die zich als held gedraagt. Met een duidelijk onderscheid van wie “goed” is en wie “slecht”. Witten en zwarten. Tiens, waar heb ik dat nog gehoord?
De Vietnam-films daarentegen waren oorspronkelijk taboe-doorbrekend. Wie was “goed” en wie was “slecht”? Wij wisten het wel, wij hier in Europa, maar wij waren dan ook geen betrokken partij. In Amerika (waar de films vandaan kwamen) lag dat helemaal anders: de jongeren vonden weliswaar dat zij niks te zoeken hadden in dat verre Aziatische land, maar anderzijds waren het wel hun vrienden, hun klasgenoten, hun familieleden die sneuvelden. Dat kon toch ook moeilijk worden afgedaan met: “Ze hadden maar niet moeten gaan!”
Ondertussen is die opdeling in elkaar gevallen, net zoals de Muur in Berlijn. Want dat heeft er natuurlijk veel mee te maken. Het wereldcommunisme zakte in elkaar en de “overwinnaars” van de Vietnamoorlog bleken uiteindelijk ook verliezers te zijn. De Amerikanen herwonnen hun trots en er konden nu Vietnam-films worden gedraaid, die de Amerikanen als “slachtoffers” zagen, als onschuldige jongens die willens nillens in een oorlog werden meegesleurd, waaraan ze part noch deel hadden. (Een aantal van deze “nieuwe” Vietnam-films werden vóór de val van de muur gedraaid, denk aan “The deer hunter” of “Platoon”, maar de tijdsgeest laat zich natuurlijk niet op een exacte datum vastplakken.)
Anderzijds werd met films als “Saving Private Ryan” van Steven Spielberg (1998) of de remake van “The thin red line” door Terrence Malick (1999) ook de Tweede Wereldoorlog minder glorieus voorgesteld dan vroeger. Een derde generatie had zich ondertussen aangeboden en die begreep niet waarom de twee vorige elkaar zo in het haar (!) hadden gezeten. Het was toch allemaal één pot nat? Dit is de CNN-generatie die precisie-bombardementen rechtstreeks kan meevolgen vanuit de luie zetel. Wie heeft er eigenlijk nog een film over Irak of over Kosovo nodig, als CNN het reeds zoveel beter heeft gedaan?
EERSTE WERELDOORLOG
Alhoewel er natuurlijk ook vroeger oorlogen werden uitgevochten en er daarover veel films werden gedraaid (maar dat noemt men dan “historische films”, alleen “Gone with the wind” of het latere “Glory” over de Amerikaanse secessieoorlog kan men misschien toch als een oorlogsfilm beschouwen; het zijn alleszins geen westerns), gaan de eerste oorlogsfilms terug op de Eerste Wereldoorlog, wellicht niet toevallig de eerste oorlog die ook in de realiteit op pellicule kon worden vastgelegd.
In januari 1917 wordt in Berlijn “Unsere Helden an der Somme” gedraaid, algemeen beschouwd als de eerste propagandafilm (omdat de Duitse bevolking stilaan genoeg kreeg van die oorlog die maar bleef aanslepen). Propagandafilms zijn per definitie geen genrefilms (dus in dit geval geen oorlogsfilm), omdat het meestal geënsceneerde documentaires zijn. Het zijn wel interessante studie-objecten om zich te bezinnen over gemanipuleerd beeldmateriaal.
In Engeland werd een jonge soldaat, Leslie Howard (1893-1943), uit de loopgraven gehaald in shocktoestand. Als therapie werd hem aangeraden toneel te gaan spelen. In 1917 debuteerde hij ook op het witte scherm en wel in de film… “The happy warrior”!
“The big parade” van Charles Vidor gaat als de eerste “moderne” oorlogsfilm de geschiedenis in (1925), op de hielen gevolgd door het veel bekendere “All quiet on the western front”. In 1929 was het boek van Erich Maria Remarque “Van het westelijk front geen nieuws” uitgekomen en een jaar later werd het reeds verfilmd door Lewis Milestone. De film was goed voor twee oscars, maar in Duitsland werd hij verboden na rellen die werden uitgelokt door ene mijnheer Goebbels (toen nog niet aan de macht). Milestone zelf maakte hierna nog vier films over de oorlog, maar die hadden niet hetzelfde impact meer. In de film is ook voor het eerst Fred Zinneman te zien, die pas uit Berlijn was overgekomen en later vooral bekend zou worden via “High noon”, maar de hoofdrol werd vertolkt door Lew Ayres, die nadien als Dr.Kildare enorm populair zou worden. Cynisch genoeg, begon zijn loopbaan te tanen omdat hij als gewetensbezwaarde “slechts” als hulpverpleger en -aalmoezenier actief was tijdens de Tweede Wereldoorlog…
Over de Eerste Wereldoorlog hebben wij uiteraard nog veel minder verhalen gehoord dan over de Tweede. Door het feit dat het slagveld voornamelijk in ons land was gesitueerd (door de stellingenoorlog aan de IJzer), is de tragiek hier veel meer voelbaar gebleven dan in de rest van de wereld, waar men soms lichtvaardig van een operette-oorlog spreekt (denk aan de cynische reflectie hierover in “Oh what a lovely war” van Joan Littlewood). Het is natuurlijk wààr dat deze oorlog ook een tijdperk afsloot (“the war to end all wars“) en dat hij alvast met zijn roots nog in de negentiende eeuw stond.
Daarom is voor velen “Paths of glory” van Stanley Kubrick (1957) misschien wel de ultieme anti-oorlogsfilm. Aan het westelijk front werden honderdduizenden soldaten de dood ingejaagd tijdens zinloze offensieven. Na de zoveelste mislukte aanval braken in 1917 muiterijen uit in het Franse leger, die keihard werden neergeslagen. Dit is ook het uitgangspunt van “Un long dimanche de fiançailles” van Sébastien Japrisot dat in 2004 werd verfilmd door Jean-Pierre Jeunet en de context waarin ook de veroordeling van Mata Hari dient te worden gesitueerd.
In “Paths of glory” krijgt een legereenheid, aangevoerd door kolonel Dax (Kirk Douglas), het bevel om een oninneembare vesting te veroveren. Wanneer zij daar niet in slagen, worden de soldaten van lafheid en desertie beschuldigd. Drie onschuldige soldaten worden tenslotte geëxecuteerd. De film toont zich niet mals voor de onkunde en de hypocrisie van de Franse legerleiding. “Paths of Glory” werd bij zijn verschijnen in 1957 in Frankrijk, waar het leger tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog opnieuw zwaar onder vuur lag, om ‘politieke redenen’ verboden. De film werd pas na achttien jaar vrijgegeven.
Maar hoe krachtig het werk van Kubrick ook mag zijn, voor mij gaat “Johnny got his gun” van Dalton Trumbo nog verder, omdat die in alle hevigheid de gruwel van deze oorlog weerspiegelt. Het is een pijnlijke illustratie van het feit dat de “negatieve” wetenschap (de moderne versie van “zwarte magie”) verder stond dat de “positieve”. Met andere woorden: de vernietigingswapens die de legers ter beschikking stonden, waren reeds zeer “geavanceerd”, maar de medische wetenschap bijvoorbeeld hinkte achterop. Aangezien plastische chirurgie op dit niveau nog onbestaande was, lapte men kapotgeschoten gezichten op de meest primitieve wijze op (een buisje i.p.v. een neus en zo meer). In zekere zin komt dit overigens ook aan bod in “A farewell to arms”, het beroemde boek van Ernest Hemingway dat tot driemaal toe werd verfilmd, aangezien Hemingway deel uitmaakte van de medische hulpdiensten.
TWEEDE WERELDOORLOG
Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog draaide Jean Renoir “La grande illusion”, die weliswaar over de Eerste Wereldoorlog ging, maar in zijn titel al is het een voorbode dat het een illusie was om te denken dat de oorlog van 14-18 inderdààd the war to end all wars was. Daar komt nog bij dat het ook een voorafschaduwing wil zijn van de beestachtigheid van het naziregime dat volgens de makers dan toch in schrille tegenstelling stond tegenover de ridderlijke houding van de Duitsers, gesymboliseerd in de persoon van Erich von Stroheim. (Gemakshalve worden de slachtingen in de loopgraven aan de IJzer dan maar volledig buiten beeld gehouden.)
Hollywood had altijd al een dubbelzinnige houding aangenomen tegenover Duitsland. Het was een krachtige economische natie en per slot van rekening was veertig procent van de inkomsten van buitenlandse oorsprong. De eerste die het slachtoffer werd van deze hypokriete houding was D.W.Griffith die in “Hearts of the world”, gedraaid tijdens de Eerste Wereldoorlog, de Duitsers als barbaren afschilderde. De film was echter pas klaar toen de oorlog reeds gedaan was en hij mocht bijgevolg nooit worden uitgebracht.
Een en ander betekende ook dat Hollywood in de jaren dertig verdeeld was over de opkomst van het fascisme. De bazen hielden zich koest, want tenslotte had de Amerikaanse regering alle anti-nazifilms verboden!
Aanvankelijk keek Hollywood net als Washington dan ook een beetje afwachtend tegen het tweede wereldconflict aan, maar als op 7 december 1941 (Pearl Harbour) Amerika bruusk in de oorlog betrokken geraakt, werd Hollywood samen met de rest van het land onder de wapens geroepen, in die zin dat de filmindustrie in eerste instantie werd ingezet om sterke oorlogsreportages te maken.
Admiraal Kimmel was tijdens de aanval door de Jappen op Pearl Harbour de verantwoordelijke, die de zwarte piet doorgeschoven kreeg. Hij werd bewust daar gestationeerd, wetende dat Pearl niet alleen onderbemand was, veelal rekruten die als boerenzoon amper om konden met een geweer (nog in opleiding). De generale staf wist ook dat ongeveer 250 vliegtuigen nodig waren om het eiland te beveiligen terwijl er slechts een 50-tal voorradig waren. Kimmel ging dit aanklagen bij zijn overste Stark, tevens om versterking te vragen dat geweigerd werd. Maar wat nog meer misdadig was, is dat zes maand voor de aanval de informatie beschikbaar was van een mogelijke aanval op Harbour, informatie dat onthouden werd aan Kimmel. President Roosevelt was betrokken in deze combine samen met FBI-directeur Hoover en overste Stark. Deze rapportering van de voorkennis kwam van dubbelagent Popov (een rokkenjager die model stond voor James Bond). De achterliggende reden was dat Roosevelt zijn kiesbelofte niet wilde of durfde breken die hij de bevolking gedaan had voor zijn herverkiezing, om mee te stappen in het avontuur van de oorlog tegen Duitsland. Churchill was toen al meer dan twee jaar tevergeefs aan het lobbyen bij Roosevelt. Een aanval op Amerika die kon afgewend of beperkt worden, zou een te klein excuus geweest zijn om de oorlog te verklaren, en daarom was grotere impact noodzakelijk volgens Roosevelt, die toen voor de vierde keer herkozen was. Een absoluut record, dat in 1947 onmogelijk werd gemaakt door een nieuwe resolutie op te stellen dat een derde legislatuur van toen af onmogelijk maakt. Heeft het één te maken met het andere, we zullen het waarschijnlijk nooit weten. Wel weten we inmiddels dat Kimmel geschandaliseerd werd, zijn rang ontnomen, en zelfs een brief met revolver kreeg met het verzoek om zelfmoord te plegen. De man nam ontslag en ging aan de slag in de privé. 2 jaar later werd onthuld dat hij erin geluisd was. Zelfs de senaatscommissie heeft nadien een resolutie gestemd om hem postuum te rehabiliteren, wat door Bill Clinton geweigerd werd en ook door al zijn opvolgers… om de naam van Roosevelt niet te erg te besmeuren.
Ondertussen werd ook op het thuisfront de filmproductie in de oorlogsomstandigheden ingeschakeld. Dat betekende echter niet dat, alhoewel het verbod op anti-nazifilms uiteraard werd opgeheven, men zich meteen op oorlogsfilms gooide. Integendeel zelfs, zowel “de jongens aan het front” als de vrouwen die nu volop in de oorlogsindustrie aan het werk gingen, hadden op de eerste plaats behoefte aan ontspanning, aan een ontsnapping uit de dagelijkse zorgen. Het waren dus juist frivole musicals die vooral floreerden. De soldaten kregen er zelfs nog een surplus bij: alhoewel oppercensor Will Hays aangemaand werd een oogje dicht te knijpen, waren sommige films toch nog niet opwindend genoeg om de van geslachtsverkeer verstoken soldaten genoegdoening te verschaffen. Met andere woorden, met instemming van hogerhand werden ook pornofilms aan het front vertoond.
Aan het front zelf werden ook films gedraaid, die met hun semi-documentair karakter uitsteken boven de clichés die Hollywood gewoontegetrouw spuide. Voorbeelden daarvan zijn “Air Force” van Howard Hawks (1943) en “They Were Expendable” van John Ford (1945). Natuurlijk mocht niet àlles getoond worden. Zo werden drie documentaires van John Huston, “Report from the Aleutians” (1943), “The battle of San Pietro” (1945) en “Let there be light” (over door de oorlog getraumatiseerde soldaten, 1946) gewoon verboden.
De semi-documentaire toon van deze prenten vinden we ook nog terug in enkele films van kort na de oorlog zoals “Objective Burma!” (Raoul Walsh, 1944), “A walk in the sun” (Lewis Milestone, 1945), “Attack” (Robert Aldrich, 1956) en “The Steel Helmet” (Samuel Fuller, 1951).
RACISME
In deze film kregen we ook voor het eerst een realistische visie op racisme in het leger te zien. Het is dan ook niet toevallig een film van Sam Fuller (1912-1997). De films die Hollywood tijdens de oorlog draaide (“Bataan” uit 1943 bijvoorbeeld) waren immers totaal leugenachtig. De rassengemengde (laat staan rassengelijke) pelotons die men erin te zien krijgt, bestonden immers niet.
Maar goed, de scène uit “The Steel Helmet” waarin een gewonde Koreaanse gevangen genomen communist een gesprek voert met de zwarte soldaat die hem behandelt, maakte filmgeschiedenis. De Koreaan doet de zwarte namelijk inzien dat hij nog steeds als een minderwaardige wordt behandeld (op de bus moet hij achteraan gaan zitten) en vraagt hem dan ook waarom hij zijn leven zou riskeren om de gelen (al zijn het dan roden) te gaan bestrijden? De soldaat antwoordt echter dat hij geleidelijkheid boven revolutie stelt: “Vroeger mochten we helemaal niet op de bus, binnen vijftig jaar mogen we misschien zelfs vooraan zitten.
Dit is een zeer expliciete verwijzing naar de zaak van Isaac Woudard, een zwarte Amerikaanse soldaat die beladen met decoraties van het slagveld was teruggekeerd. Toen hij naar huis terugkeerde, weigerde hij in de bus achteraan te gaan zitten. De chauffeur en enkele reizigers haalden er de politie bij en deze sloegen hem en staken hem de ogen uit.
Dit verhaal (**) wordt o.a. verteld door Harry Belafonte in zijn autobiografie. “Men had ons verteld dat we moesten vechten voor de democratie, dat we de wereld moesten bevrijden opdat iedereen een menswaardig bestaan zou kennen,” aldus Belafonte. “Toen ik dan van de oorlog thuiskwam, begon ik samen met vele andere zwarten dit concept van democratie op onze eigen situatie toe te passen. Maar wat zagen we? Dat de vooroordelen tegenover ons intact waren gebleven, dat de wet nog altijd rassenscheiding voorstond, en dat gelijkheid van kansen een lege slogan was.
BUITEN EUROPA
Veruit de grote meerderheid van de films over de Tweede Wereldoorlog speelt zich ook weer af aan het West-Europese front. In 1996 was er echter “The English Patient”, die zich in Afrika afspeelt, wat slechts zelden voorkomt in oorlogsfilms, al werd er daar ook strijd geleverd. Een ander voorbeeld is het komische “The best of enemies” van Guy Hamilton uit 1961 met David Niven en Alberto Sordi, waarbij het komische aspect vooral ontleend wordt aan het feit dat de “vijand” hier de Italianen zijn en Italianen zijn nu eenmaal minder demonisch dan Duitsers, denk maar aan de TV-reeks “Allo Allo”.
Oorlogskomedies, het is dansen op een slappe koord. “Les morfalous” van Henri Verneuil uit 1984 begint b.v. met het uitmoorden van een volledig contingent Franse soldaten, waarna de enkele overgeblevenen (de hoofdpersonages in deze film uiteraard) wraak nemen op het Duitse bataljon en dat op hun beurt helemaal uitroeien. Die lijken blijven een tijdlang op de scène liggen en de personages moeten er geregeld hun weg door banen. Dat is natuurlijk allesbehalve lachwekkend, maar eigenlijk is dat “kwantitatieve” aspect nog ondergeschikt aan de individuele moorden die daarna plaats vinden. Het moment dat adjudant Mahuzard (Michel Constantin) de légionnaire Boissier (Michel Creton) zo maar in de rug schiet omdat hij een bevel negeert, doet werkelijk koude rillingen over je, wel ja, rug lopen. Uiteraard is deze film over een stelletje vrijbuiters dat in oorlogstijd (hier: in Tunesië) een bank wil beroven, schatplichtig aan “Kelly’s heroes” van Brian G.Hutton uit 1970, maar die speelt zich wel degelijk in Frankrijk af.
Nog minder vernemen we over de oorlog in Azië (behalve dan over Pearl Harbour, wat blijkbaar als “Amerikaans” grondgebied wordt beschouwd). De bekendste uitzonderingen zijn “The bridge over the River Kwai” (David Lean, 1957), gevolgd door “Return from the River Kwai” (Andrew McLaglen, 1989) – al heeft die daar in werkelijkheid weinig mee te maken, wat ook door een rechtbank zo is beslist – “Merry Christmas, mister Lawrence” (Nagisa Oshima, 1983) en “Empire of the sun” van Steven Spielberg, die naast “Saving Private Ryan” uiteraard ook nog “Schindler’s list” en het komische “1941” over W.O.II draaide.
Anderzijds zijn er ook wel een aantal films die de vrouwenmishandeling in Japanse concentratiekampen aanklagen (het recente “Paradise Road” en veel vroeger “A town called Alice”). In deze films gebeurt dat ook serieus, terwijl de Duitse concentratiekampen op dit vlak eerder aanleiding vormen voor goedkope seksfilms, genre “Ilsa, de wolvin van de SS” (***). Er is natuurlijk een beroemde uitzondering: “Night porter” van Liliana Cavani. De aangrijpendste kampenfilm (waarin seks overigens geen rol speelt) is m.i. echter “Sophie’s choice”.
Toch worden in een bepaalde context zelfs de Duitsers positief voorgesteld. Het is opvallend dat dit altijd gebeurt in films die zich aan het oostfront afspelen (“The iron cross” bijvoorbeeld). De onderliggende boodschap hierbij is dat de Russen eigenlijk toch nog veel erger zijn dan de Duitsers. Een boodschap die je overigens reeds kort na het beëindigen van de Tweede Wereldoorlog ook in de realiteit kon horen…
De oorlog veranderde ook veel voor sommige Hollywoodsterren, zoals James Stewart, die in werkelijkheid een even succesvolle oorlogsvliegenier bleek te zijn als op het witte doek. Maar het meest bekend is het verhaal van Audie Murphy, de meest gedecoreerde Amerikaanse soldaat uit de Tweede Wereldoorlog. Hij werd in 1946 door James Cagney naar Hollywood gehaald voor “The red badge of courage” (John Huston). Hij speelde ook in “To hell and back”, zijn eigen filmbiografie. Daarin werd hij natuurlijk als een held opgevoerd, al had de oorlog in de realiteit dermate een indruk gemaakt op hem dat hij geregeld wilde zelfmoord plegen.
DON’T TAKE YOUR LOVE TO TOWN
Oorspronkelijk was ook Vietnam een “avontuur”: vergelijk de luchtige toon van het tv-feuilleton “MASH” (weliswaar zogezegd over de Koreaanse oorlog) met die van het latere “Tour of Duty”. Oudgediende Pat Boone (“Speedy Gonzales”) zong zelfs in het nummer “Wish you were here, buddy” onder andere de passage:
“Ik ben op vakantie in Zuid-Vietnam
Met alle onkosten vergoed
Ik heb mijn eigen geweer
Een fantastisch uniform
En een taak die moet volbracht worden
En we moeten echte kogels ontwijken
Jongens, dat is nog eens fijn!”

Het is interessant deze tekst naast “Goodnight Saigon” van Billy Joel te leggen, dat eerder de nachtmerrie weerspiegelt die filmisch wordt opgeroepen in “Apocalypse now”. Andere aangrijpende Vietnam-films zijn de documentaire “Hello America” (authentieke brieven van soldaten, gelezen tegen een achtergrond van rockmuziek uit die tijd), het aangrijpende “Good morning Vietnam” (Barry Levinson, 1987) en “Coming home” (Hal Ashby, 1978) of “Born on the 4th of July” (Oliver Stone, 1989) over de aanpassingsproblemen van soldaten die voor het leven getekend zijn teruggekeerd. Daar staat dan “First blood” (Ted Kotcheff, 1982) tegenover, later Rambo genoemd, naar het hoofdpersonage dat in nog een aantal films zal terugkeren. Onnodig te zeggen dat het hier Sylvester Stallone betreft, al was niemand minder dan John Travolta de oorspronkelijke keuze!
En er is “Casualties of war” van Brian De Palma in 1989, gebaseerd op waar gebeurde feiten die destijds werden blootgelegd door Daniel Lang in het tijdschrift The New Yorker. Het gaat met name over een patrouille die een Vietnamese vrouw meenam “om zich te amuseren”. Nadat ze collectief werd verkracht, werd ze koelbloedig neergestoken (in de film wordt ze neergeschóten omdat het afmaken met een mes te bloederig zou zijn). Een “banaal” oorlogsfeit zoals er zoveel gebeuren naar we mogen aannemen. Het zou dan ook nooit de geschiedenisboeken of het witte doek gehaald hebben, mocht één van de patrouilleleden (die zich afzijdig had gehouden) dit later niet bekend hebben gemaakt.
De film begint met een flashback door het feit dat deze man, die in de film de naam Eriksson krijgt (rol gespeeld door Michael J.Fox), in de metro een Oosterse vrouw ziet die hem terugvoert naar de hel van Vietnam en in de eerste plaats de hinderlaag waarin hij valt, zodat hij een zekere dood voor ogen ziet. Hij wordt echter gered door zijn overste Meserve (Sean Penn). Men voelt het al met de ellebogen: later zou deze Meserve verantwoordelijk zijn voor het misbruiken van die Vietnamese vrouw (Thuy Thu Le als Oahn, ze was aanwezig op het filmfestival in Gent) en de film gaat dus eigenlijk over de twijfels van Eriksson (die overigens niet helemaal “afzijdig” bleef in het hele verhaal, hij moest immers de wacht optrekken terwijl de vrouw verkracht werd). Ook de moord zelf dient te worden “gerelativeerd” in die zin dat ze misschien wel “koelbloedig” was, maar dan wel omdat de strijd met de Vietcong opnieuw was opgelaaid en de vrouw in die omstandigheden een “last” was voor de patrouille.
Hierdoor overstijgt de film het loutere oorlogsdrama omdat hij uitgroeit tot een bezinning over goed en kwaad. In hoeverre zijn Meserve en zijn manschappen slachtoffer van de omstandigheden? Is hun houding verschoonbaar?
Tenslotte besluit Eriksson – op het gevaar van zijn eigen leven – het misdrijf te melden aan zijn oversten. Maar deze gaan er licht overheen. Zo’n feiten “gebeuren nu eenmaal” in oorlogsomstandigheden. Daarom besluit hij uiteindelijk naar de pers (The New Yorker) te stappen.
Maar dat zijn natuurlijk allemaal films die na het beëindigen van de oorlog werden gedraaid. Terwijl deze in volle hevigheid woedde stellen we integendeel vast dat Hollywood zich opnieuw op de Tweede Wereldoorlog gooit, maar dan met een totaal nieuwe aanpak: de spektakelfilm. Voorbeelden: “The Guns of Navarone” (Jack Lee Thompson, 1961), “The Longest Day” (diverse regisseurs, 1962), “The Battle of the Bulge” (Ken Annakin, 1965) en “Tora! Tora! Tora!” (Richard Fleischer, 1970). De bedoeling was duidelijk: met veel actie en veel heldhaftig gedoe moest de “draft resisters”-beweging de kop worden ingedrukt. Als we dan toch de vergelijking maken met de popmuziek, laten we dan bijvoorbeeld zeker ook niet “The ballad of the green berets” van Sgt.Barry Sadler naar de gelijknamige film van en met John Wayne (1968) onvermeld laten! (****)
Zoals overigens de financiële strop van “Cleopatra” een einde maakte aan de sandalenfilms, zo betekende “A bridge too far” van Richard Attenborough ook het einde van deze grootschalige oorlogsproducties. Zelden droeg een film zo’n gepaste titel!
Dat belet natuurlijk niet dat men bij tijd en wijle nog eens met een superproductie uitpakte. Het “moderne” element daarin is dan dat de gruwelijke realiteit niet langer uit de weg wordt gegaan. “Saving private Ryan” van Steven Spielberg mag daarvan als voorbeeld gelden, evenals “Pearl Harbor” van Michael Bay. Het patriottistische discours wordt hierbij echter niet achterwege gelaten, integendeel! Vooral in “Pearl Harbor” wordt “zum kotzen” de lof gezongen van hersenloze helden.
In een interview met filmrecensent Raf Butstraen zegt militair-historicus Luc de Vos over “Saving Private Ryan” echter: “De meest realistische oorlogsfilm die ik ooit zag. Zelfs de pasta die ze op de tanks smeren om ze te versterken, klopt. Aan honderd en één details merk je de zorg waarmee de regisseur te werk ging. Ondanks de keiharde taferelen is het een aanbevolen film voor wie oorlog alleen als een videospelletje kent en voor politici die vanachter hun veilig bureau het optreden van onze soldaten in het buitenland veroordelen.”
KINDEREN
Voor wie het geweld in oorlogsfilms er te veel aan is, raad ik films aan die het oorlogsgebeuren zien door de ogen van een kind. Enerzijds is hier vaak ondanks alles nog plaats voor humor en optimisme, omdat voor een kind een oorlog nu eenmaal een “geweldig avontuur” is, anderzijds wordt de absurditeit nog duidelijker als kinderen ervan het slachtoffer zijn. Dat levert dan ook een aantal prachtige films op. Ik denk aan “Hope and glory” van John Boorman, “Au revoir les enfants” van Louis Malle en “Empire of the sun” van Steven Spielberg. Wat het nog interessanter maakt om deze films te vergelijken, is het feit dat ze alle drie uit 1987 stammen en dus met dezelfde technische middelen en verworven kennis gemaakt zijn. Een voorbeeld van hoe het niet moet, is “Wierook en tranen”, de televisiebewerking van het bekende boek van Ward Ruyslinck door Ruud Keers in 1977.
KAMPENFILMS
Laatstgenoemde film is ook een voorbeeld van een ander subgenre, namelijk over het leven in krijgsgevangenen- of concentratiekampen. Om bij Spielberg te blijven: de Japanse kampen hebben altijd een eigen sfeer, zoals ook mag blijken uit “A town called Alice” van Jack Lee uit 1956 en “Paradise road” van Bruce Beresford uit 1997 (beide over vrouwenkampen), “Merry Christmas, mr.Lawrence” van Nagisa Oshima uit 1983 en natuurlijk “The bridge on the River Kwai” van David Lean uit 1957. Deze laatste film is ook een voorbeeld van hoe de realiteit soms de fantasie achternahinkt in plaats van omgekeerd. De Franse auteur Pierre Boulle (1912-1994), ook bekend van “La planète des singes” (1963), schreef zijn roman gebaseerd op zijn eigen ervaringen in een Japans krijgsgevangenenkamp van waaruit hij in 1944 wist te ontsnappen, maar van een brug die daar (door Britten dan nog wel) op bevel van de Japanners werd gebouwd, was er geen sprake. Toch werd in de Thaise provincie Kanchanaburi een brug over de Menam Meklong “gereconstrueerd” enkel en alleen ten behoeve van de talrijke toeristen.
Films over kampen in West-Europa gaan meestal over krijgsgevangenenkampen en niet over uitroeiingskampen zoals de concentratiekampen, uiteraard omdat deze laatste veel te somber zijn om als ontspanningsfilm in een bioscoopzaal te worden vertoond (met als bekende uitzondering “La vita è bella” van Roberto Benigni uit 1997. Maar zelfs dan nog gaan de krijgsgevangenenfilms meestal over ontsnappen (optimistisch!), vaak zelfs met toevoeging van een komische noot. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk “The great escape” van John Sturges uit 1963, wat meteen de doorbraak voor Steve McQueen betekende. Niet enkel deed hij zijn stunts zelf, in de film zie je hem in nazi-uniform ook zichzelf achtervolgen, aangezien men in Duitsland (waar de film werd gedraaid, het ging tenslotte over de ontsnapping van krijgsgevangenen in de Tweede Wereldoorlog) niemand hiertoe bereid vond. Verder zijn er ook nog “Stalag 17” van Billy Wilder uit 1953 en zelfs de voetbalfilm “Escape to victory” van John Huston uit 1981. En er is natuurlijk ook het reeds genoemde “La grande illusion”, dat weliswaar over de Eerste Wereldoorlog handelt, maar waarin het adagium van een krijgsgevangenenkamp heel eenvoudig wordt geformuleerd door Pierre Fresnay: “Een golfterrein dient om golf te spelen. Een tennisterrein is om te tennissen. En een krijgsgevangenenkamp dient om uit te ontsnappen.”
In al deze gevallen zijn het geallieerden die aan “den Duits” trachten te ontsnappen. Wie het omgekeerde eens wil zien, kan merkwaardig genoeg bij een Engelse film terecht uit 1957 (dus nog niet zo heel lang na het beëindigen van de oorlog): “The one that got away” van Roy Ward Baker. De Duitser, die we verondersteld worden sympathiek te vinden, kan natuurlijk niemand anders zijn dan Hardy Krüger, de natte droom van de Britse meisjes uit de jaren vijftig, maar grappiger vind ik dat één van zijn medegevangenen (Walter) niemand minder is dan Richard Marner, die later als de Duitse kolonel von Strohm in “Allo allo” zou furore maken. Misschien hebben de makers wel aan hem gedacht dankzij deze film!
DUIKBOOTFILMS
Het claustrofobische karakter van gevangenenkampen vindt men ook terug in films over duikboten. Oorlogsfilms op zee zijn sowieso al verschillend van die welke op het vasteland worden uitgevochten (“The battle of the River Plate” van Michael Powell en Eric Pressburger uit 1957 b.v.), maar duikboten spelen hierbij vaak een prominente rol, precies omwille van het steelse karakter van een torpedo-aanval. Bekende voorbeelden zijn “The enemy below” van Dick Powell uit 1957 naar de roman van D.A.Rayner) of “Das boot” van Wolfgang Petersen uit 1981.
VERZETSFILMS
Weer een heel ander soort “oorlogsfilm” zijn de “verzetsfilms”. Vaak leunen die qua genre dichter aan bij de thriller dan bij de oorlogsfilm, omdat de oorlog hier “slechts” achtergrond is. Maar het is uiteraard precies wegens de oorlogsomstandigheden dat het verzet in het leven wordt geroepen en daarom behandel ik ze hier. Eigenlijk is dit een bij uitstek Frans genre, omdat de Fransen zo graag pochen met hun rol in “la résistance” (“La bataille du rail” van René Clément uit 1945, “Le silence de la mer” en “L’armée des ombres”, allebei van Jean-Pierre Melville resp. uit 1947 en 1969). Soms wordt de realiteit daarbij onbeschroomd geweld aangedaan tot meerdere eer en glorie van de doorsnee “père tranquille” die in alle stilte op zijn sloffen de moffen te grazen neemt (“Le père tranquille” van René Clément uit 1946, “La Grande Vadrouille” van Gérard Oury uit 1966 of “Papy fait de la résistance” van Jean-Marie Poiré uit 1983). Geen wonder dat deze houding in de bekende Engelse komische serie “‘Allo ‘Allo” op de hak wordt genomen, zij het dat de oorspronkelijke serie, die werd geparodieerd en overigens dichter wordt nagevolgd (vooral wat de hoofdfiguren betreft) dan wat men uit de hilarische parodie zou durven vermoeden, zich zowaar in ons land afspeelde (“Secret army”).
Verder lijkt de Nederlander Paul Verhoeven zich wel in dit genre te specialiseren, want bijna dertig jaar na “Soldaat van Oranje” draaide hij ook nog eens “Zwartboek”.
OORLOGSVETERANEN
Een ander speciaal segment wordt gevormd door de films over oorlogsveteranen. In “Heroes” van Jeremy Paul Kagan vindt Henry Winkler als Vietnam-veteraan rust bij Sally Field. Hetzelfde gebeurt in “Coming home”, waarin Jane Fonda zelfs de invalide Jon Voight boven haar viriele echtgenoot verkiest. Ongetwijfeld een typische Hollywood-wensdroom, wat door een “nieuwe” Vietnamfilm als “Born on the 4th of July” al heel anders wordt voorgesteld. Hoezeer de visie van “Coming home” afweek van de realiteit wordt bewezen door de populaire hit uit die tijd “Ruby, don’t take your love to town”, die onderhuids een misogyne boodschap met zich meedroeg, die je zelfs koude rillingen bezorgt, als je ziet welk succes dit nummer had. Men mag immers veronderstellen dat, zeker in Engelssprekende landen, de kopers zich achter de idee schaarden. De zanger dreigt in het liedje zijn vrouw te zullen vermoorden, als die haar seks elders gaat zoeken, nu hij ze haar zelf niet meer kan geven. Misschien ging de wraakactie de luisteraars wel te ver, maar in de grond gaven ze de man wel gelijk (het thema keert ook terug in “Lyin’ eyes” van The Eagles, al is het daar niet duidelijk of het eveneens over een Vietnam-veteraan gaat). Maar waarom eigenlijk? Waarom moet een jonge vrouw een heel leven seks ontberen, omdat haar man zich heeft laten kapotschieten in een zinloze oorlog?
Reeds in 1950 werd een gelijkaardige film gedraaid, maar dan uiteraard over de Tweede Wereldoorlog, namelijk “The men” van Fred Zinneman met Marlon Brando in zijn eerste filmrol. Zinneman in Humo: “Het hoofdpersonage van ‘The Men’ was losjes gebaseerd op Ted Anderson, een jonge soldaat die was neergeschoten door een sluipschutter terwijl hij zijn patrouille over de Rijn leidde. Hij ontwaakte vier weken later in een hospital in Parijs: de oorlog was voorbij voor hem. Een jaar lang heeft Anderson geprobeerd een aansteker te gebruiken. Het was een enorme overwinning voor hem toen hij het eindelijk kon. Twee jaar later slaagde hij erin zelfmoord te plegen.”
Het scenario van Carl Foreman is echter slechts héél losjes gebaseerd op het verhaal van Anderson, want – zoals men in Hollywood mag verwachten – eindigt de film op een soort van happy end, namelijk de aanvaarding van de handicap door de gehandicapte zelf en uiteraard ook door zijn nooit twijfelende geliefde. Trek nog eens een blik violen open, alstublieft!
THE BEGINNING OF A BEAUTIFUL FRIENDSHIP
In oorlogsfilms wordt vaak de vriendschap onder mannen verheerlijkt. Vooral duikbootfilms lenen zich daar wegens hun claustrofobe karakter nogal toe. Naar aanleiding van haar trilogie over de Eerste Wereldoorlog (“Niemandsland” uit 1991, “Het oog in de deur” uit 1993 en “Weg der geesten” uit 1996) vraagt Johan Vandenbroucke in Knack aan schrijfster Pat Barker: “Kwam homoseksualiteit veel voor aan het front?”
Haar antwoord: “Ik weet het niet, veel mensen denken dat er eigenlijk heel weinig seks was aan het front. Homoseksualiteit werd wel heel serieus genomen, je werd veroordeeld als ze het ontdekten. Waarschijnlijk waren de meeste jongens hetero, maar de omstandigheden – de nauwe contacten en ook het emotioneel sterk afhankelijk zijn van elkaar – konden wel aanleiding geven tot homoseksualiteit. Het onderwerp was taboe: het was geen toeval dat de militairen de homo’s verdacht maakten. De closeness tussen de jongens werd geïdealiseerd, maar beangstigde tegelijkertijd. In organisaties waar mannen dicht bij elkaar staan, zijn er altijd strenge regels over homoseksualiteit.”
Hoe dan ook, het gaat hier duidelijk om een ander soort vriendschap dan die uit de beroemde slotwoorden van “Casablanca” (in zeker opzicht toch óók een oorlogsfilm), waarbij Rick Blaine (Humphrey Bogart) tegen Louis Renault (Claude Rains) zegt: “Louis, I think this is the beginning of a beautiful friendship“…

Ronny De Schepper (met dank aan Raymond Thielens)

(*) James Lee Burke, Jolie Blon’s Bounce, London, Orion, 2002, p.325-326.
(**) Een echo van dit tragische verhaal vinden we ook terug in de knettergekke oorlogsfilm “1941” van Steven Spielberg. Op een bepaald moment krijgt een zwarte soldaat een zaak bloem over het hoofd, zodat hij helemaal wit ziet. Zijn blanke maat lacht zich een kriek, maar op dat moment ontploft de uitlaat, zodat hij helemaal zwart ziet. Waarop de zwarte (nu “blanke”) zegt: “Ga jij maar achteraan zitten!
(***) Ben ik nu echt een zieke geest als ik me inbeeld dat de naam Ilsa ontleend is aan het personage van Ingrid Bergman in “Casablanca”?

(****) Kort daarna verliet Sadler het leger en ging werken als muzikant, maar kon geen vervolg geven aan zijn eerdere succes. n 1978 schoot hij tijdens een ruzie over een vrouw de countryzanger Lee Emerson neer, waarvoor hij meerdere jaren de gevangenis in moest. Tijdens de jaren 80 werkte hij als militaire opleider in Guatemala. Daar kreeg hij in 1988 een schot in het hoofd, waarbij tot heden niet duidelijk is, of het een geplande aanslag, een zelfmoordpoging, een ongeluk met zijn eigen wapen of een gewone overval was. (Wikipedia)

(Zeer) selectieve bibliografie
Patrick Duynslaegher, Oorlog als chronische ziekte, Knack 17/2/1999.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.