Veertig jaar geleden: de nacht van de bolle akkers en de holle woorden

Veertig jaar geleden: de nacht van de bolle akkers en de holle woorden

Het succes van Guido Lauwaerts « Nachten van de Poëzie » zat eigenlijk in extra-poëtische elementen. Ik moet mij dus verontschuldigen bij de lezers die op basis van mijn stukje van veertien dagen geleden welgemutst naar de Leopoldlaan togen en er met een slaapmutsje vandaan kwamen (onze fotograaf heeft een viertal van dergelijke « aandachtige luisteraars » voor de eeuwigheid vastgelegd en misschien vind je één of meer daarvan wel terug op deze pagina). Door mijn schuld, dus, door mijn schuld, door mijn allergrootste schuld. Daniel De Smet zei het reeds in zijn inleiding op het stadhuis dat ik (en mijn collega’s ook een beetje natuurlijk) hem een pad in zijn korf had gezet. Ik dacht eerst dat hij die klasfoto bedoelde, maar het bleek dat wij door onze propaganda te veel belangstellenden hadden gelokt, zodat De Smidse fluks geruild moest worden tegen een « omgetoverde » sporthal.
Omgetoverd was wel het woord. Door het samenbrengen van kaarsenhouders uit één of andere kerk, andere kaarsen deze keer in lege wijnflessen (afkomst onbekend) en een soort van visnetten om de zaak af te ronden (letterlijk), kreeg je een « onbestemd gevoelen ». Vooral dan wanneer de lichten gedoofd werden en onze ogen het enkel met de kaarsen moesten redden. Ik verdenk de organisatoren er sterk van op dit gebied onder één hoedje te hebben gespeeld met de opticiens van Sint-Niklaas! (Als er anderen zijn die beweren dat « Bolle akkers » eigenlijk een protest is tegen de ruilverkaveling, dan mag ik ook wel eens een boude opmerking plaatsen.)
Lees verder “Veertig jaar geleden: de nacht van de bolle akkers en de holle woorden”

De nacht der Wase dichters

Welaan, poëzie is blijkbaar van alle tijden. Na «poëzie op zondagmorgen» en «op zondagavond», waarover ik vorige week schreef en na «de namiddagen van de poëzie» (zie «Hebjetgezien») moest onvoorwaardelijk ook de nacht van de poëzie komen. Zijn «poets» immers geen «lunatics» (luna = maan)? Dat wist zelfs Guido Lauwaert al! En sindsdien hebben ettelijke dichters zich overgegeven aan de (poëtische) geneugten in de nachtelijke uurtjes. In het Waasland gebeurt het nu zelfs reeds voor de derde maal. Noteer: op vrijdag 16 maart 1979 vanaf 20 uur in De Smidse (Leopold II-laan 26, 2700 Sint-Niklaas).
Lees verder “De nacht der Wase dichters”

“Rijksdag” van Philippe Ceulemans

Nadat Bart Verschaeve verdwenen was uit Arca, begon ex-vriendje Hugo Van Laere aan een enorme reeks van flaters. Zo was er “Rijksdag”. “Rijksdag” heette oorspronkelijk “Rustdag” en is gebaseerd op de lectuur van allerlei teksten die met fascisme e.d. te maken hadden. Philippe Ceulemans maakte daarvan een theatertekst en Hugo Van Laere regisseerde o.a. Kadèr Gürbüz en Rafaël Troch in een fantasie waarin een aantal individuen worden uitverkoren om op één dag de wereldbevolking uit te dunnen. “Zij hanteren daarbij zowel linkse als rechtse argumenten,” zei Van Laere…
Uiteraard ontstaan er ook zowel relaties als conflicten binnen de groep zelf. Alles speelde zich af binnen de 24 uur, maar in Arca zelf ben je er reeds op anderhalf uur vanaf. Gelukkig, zo bleek achteraf. En gelukkig dus ook dat ik het niet ben gaan bekijken.

“Mierenzeik” van Steven Berkoff

Rond kerstmis regisseerde Hugo Van Laere net als vorig jaar opnieuw een stuk van Steven Berkoff, “Kvetch”, door Daan Hugaert vertaald als “Mierenzeik” (maatje Bart Verschaeve stond in voor de “dramaturgie”). Er had voor Daan Hugaert wellicht wel een rol ingezeten, maar uiteindelijk is het Geert Willems, die de hoofdrol vertolkt als de “mierenzeiker” (lees: zagevent), die zijn vrouw (Caroline Rottier) het leven lastig maakt. Als zij er uiteindelijk met zijn baas (Rudy Morren) vandoor gaat, zoekt hij troost bij zijn collega Luk D’Heu, een even zielig figuur als hemzelf. Deze “Verwandlung” (Kafka is het grote idool van streetkid Berkoff) van hetero- naar homoseksueel brengt hem echter geen beterschap: het stuk eindigt immers net zo goed met D’Heu die opdringerig een “nachtzoen” opeist, op dezelfde manier als Caroline dit deed.
Het is niet helemaal duidelijk waarom het duo Van Laere-Verschaeve zich tot dit stuk aangetrokken voelde. De platvloerse elementen (boeren, schijten, vloeken) werken niet als katalysator, evenmin als de kabareteske toer die men na driekwart plotseling opgaat (zij het dat de versies van “Comme d’habitude” van Claude François, “Zondag” van Rob Denijs en “Je t’aime… moi non plus” van Birkin & Gainsbourg redelijk hilarisch zijn). Veel van de lichaamsfuncties worden vertolkt door “grootmoeder” Raf Troch, die zich overigens op een bepaald moment eens mag verslikken in een flippo. Ook niet echt een “vondst”. De merkwaardigste ingreep is misschien nog dat de “baas” ook reeds in de eerste helft van het stuk aanwezig is, al schijnt niemand hem op te merken. Op zijn eentje maakt hij een tiental haringen soldaat. Wat een acteur lijden kan!