“The Fall of the House of Usher” van Steven Berkoff

Kerstmis stond in Arca een paar jaar in het teken van de Britse auteur Steven Berkoff. Het begon in 1993 met “Harry’s christmas”, een echte, zij het cynische, kerstmonoloog. Want als adept van het théâtre de la cruauté van Antonin Artaud kan Berkoff inderdaad zeer wreed zijn. “Vooral voor introverten die, als de kaartjes geteld worden, overvallen worden door een overdreven gevoel van waardeloosheid.” Het jaar daarop volgde dan “Kvetch”, door Daan Hugaert vertaald als “Mierenzeik” over een “mierenzeiker” (lees: zagevent), die zijn vrouw het leven lastig maakt. Voor dit stuk was Kafka de grote inspirator. Het werd in 1995 gevolgd door “The Fall of the House of Usher”, ondubbelzinnig gebaseerd op de horror-story van Edgar Allan Poe. Het is zelfs merkwaardig hoe dicht Berkhoff bij het origineel is gebleven. Poe was geobsedeerd door het fenomeen schijndood. Hij was er als de dood voor (sorry voor de ongewilde woordspeling) dat hij te vroeg zou worden begraven. Iets wat in de negentiende eeuw, toen men met bepaalde ziektebeelden (coma b.v.) nog niet echt overweg kon, geregeld gebeurde. Dat heeft men kunnen vaststellen aan de hand van lichamen die in een verkrampte vorm in hun kist werden teruggevonden. Blijkbaar hadden deze mensen nog verwoede pogingen gedaan om hun lot te ontlopen. In “the Fall of the House of Usher” vertrekt Poe daarbij van een spierziekte die algehele verstijving met zich zou meebrengen. Dit griezelige gegeven wordt door de Zuid-Afrikaanse regisseur Marthinus Basson volledig uitgespeeld en Lieve Cornelis, Peter Marichael en Daan Van den Durpel geven zich dan ook eens over aan een acteerstijl die je in professionele theaters niet zo vaak meer ziet (bij amateurs komt het wel meer voor): het horrorstuk. Paradoxaal genoeg zou ik zeggen: ga er met uw kinderen naartoe, want die vinden dat griezelen wellicht “keitof”. Volwassenen zijn daarvoor (helaas?) een beetje te cynisch geworden en kijken ook makkelijker doorheen de theatertruuks. Ook nu werd weer, net als in “Sister my sister”, met live-cellomuziek gewerkt: Katelijne Van Kerckhoven voert een compositie uit van Peter Louis van Dijk.

“A cock and bull story” van Richard Crowe en Richard Zadjilic

“A cock and bull story” van twee Engelse acteurs, Richard Crowe en Richard Zadjilic, werd voor het Arcatheater in 2001 door Laurens De Vos vertaald als simpelweg “Boks”. Het werd geregisseerd door de Zuid-Afrikaan Marthinus Basson, die we reeds kenden van “The Fall of the House of Usher” van twee jaar eerder, en in het West-Vlaams gespeeld door Wennie De Ruyck en Walter De Groote. Die keuze voor het West-Vlaams is niet helemaal duidelijk. Uiteraard dient zo’n stuk te worden gespeeld in de volkstaal, maar waarom het wordt gesitueerd in Oostende en niet in Gent, is niet helemaal duidelijk. De beide acteurs zijn afkomstig uit Oostende en er worden daar ook een paar voorstellingen gespeeld, dat is waar, maar hiermee begeven we ons in een discussie over de kip en het ei. Met andere woorden: koos men eerst de spelers en dan pas het stuk? Nochtans hebben we hier in Gent een grote bokstraditie. De voorbereiding geschiedde trouwens in de Golden Gloves. Of misschien is het gewoonweg omdat een Zuid-Afrikaan gemakkelijker West-Vlaams verstaat? In de begeleidende teksten wordt nogal de nadruk gelegd op de sociale context van het boksen. Toch is daarvan op de scène zelf weinig te merken. De invalshoek is duidelijk niet sociologisch maar psychologisch. Het draait rond homoseksualiteit en op het einde weet je eigenlijk nog niet veel meer hierover dan bij het begin. Dat stimuleert zeker de discussies achteraf, maar in dramatische opbouw betekent dit ook dat er niet naar een echte climax toe wordt gewerkt. Maar hoe dan ook, met dit stuk is ook Arca alweer een beetje dichter naar het Publiekstheater toe opgeschoven.