De mot zit erin. Na vandaag heb ik geen jeugd meer. Allemaal de schuld van Kuifje. Dat aangebrande ettertje. Zijn bedenker komt niet toevallig uit Etterbeek. En hij behield de muffe geur van soutanes aangeleverd door de fascistische priester Norbert Wallez (“hij kende Mussolini”) die hem de oerkristelijke afkeer van het kommunisme en de weldaden van de Duitse bezetter inpompte. Wallez liet hem ook zijn sekretaresse na, Hergés eerste vrouw Germaine Kieckens (van wie hij overigens scheidde in 1977, Abbé Wallez was gelukkig al sinds 1952 dood – let wel op die omineuze datum van de scheiding).

Arm in Arm: de Satan in Soutane
En die man gaat mij vertellen dat ik afgeschreven ben na mijn 77e verjaardag, en wordt mij de toegang verboden tot zijn gewrochten? Uit rancune allicht dat hij de 77 zelf niét gehaald heeft (1907-1983). Die man die in zijn “jeugd” niet één zelfbedacht idee formuleerde? Zich met de pollepel antibolsjevisme liet kalkeren? In Tintin au Pays des Soviets (1929) neemt hij klakkeloos en letterlijk teksten over uit Moscou sans Voiles: Neuf Ans de Travail au Pays des Soviets (Москва без вуалей: девять лет работы в стране Советов, 1928) van de Belgische diplomaat Joseph Douillet. Douillet was consul in Rostov, van 1891 tot 1926, en was meer Rus dan Belg geworden. De laatste negen maanden zat hij in de gevangenis, daarna moest hij het land verlaten. Zijn boek is een onverbiddelijke veroordeling van het Rusland na de Revolutie van 1917. Hij verweet het rode bewind dat het iedereen een rad voor de ogen draaide, nauwgezet uitgetekende propagandareizen organiseerde voor Europese arbeiders en sympathisanten (zoals nog in Noord-Korea vandaag gebeurt), verkiezingen te vervalsen door gewapenderhand bij handopsteking zodat de eigen partij alle stemmen kan binnenrijven, nepdorpen op te zetten en rijkdom uit te stralen, en dies meer. Hergé neemt dit alles over, afpersing, gezichtsbedrog met kartonnen straten en bedrijven die niet meer zijn dan schuttingen van papier-maché, verbergen van hongersnood, … Het boek werd gek genoeg door Wallez, de Cyriel Verschaeve van de Waalse “Gott mit Uns” lobby met een gehandtekende foto van de Duce op zijn werktafel, ter instruktie vooraf aan zijn akoliet gegeven. Het zou de gezagsgetrouwe Leopoldist Hergé niet direkt tot andere gedachten brengen.
Integendeel, hij paste perfekt in de Katholieke Aktie, die hier te lande door kardinaal Cardijn werd uitgedragen en van de werkende jeugd een speerpunt van geloofsverdediging maakte. Cardijn kende de arbeidersklasse, en zag in dat fanatisme makkelijker te verkopen was aan de minder gestudeerde jongeren dan aan de burgerij. Hij sprong nogal kwistig om met de aanbevelingen van Paus Pius XI om de goddeloosheid te brandmerken als buskruit voor de oorlogen. Pius XI had in 1922 zijn allereerste van 31 encyklieken uitgebracht (de 31e is nooit verspreid door zijn dood en de onwil van opvolger Pius XII om de tekst goed te keuren). Ubi Arcano Dei Consilio ging voort op een encykliek van zijn naamgenoot Pius X die voor het eerst in 1904 had opgeroepen tot afwijzing van alle wapens, van sekularisering, van nationalisme en van modernisme. Hij had als eerste de term “Katholieke Aktie” gebruikt, Pius XI gaf er invulling aan. Hij keerde zich tegen de groeiende ontkerstening van het “godsvolk”, en riep drie jaar later in de encykliek Quas Primas de almacht op van Kristus Koning – een naam die Degrelle zich eigen maakte, met uitgeverij én politieke partij Rex. Hergé wentelde zich in de warmte van dat autoritair bestel. Het was veilig, ondersteund, hiërarchisch en doorgedrongen in alle lagen van de bevolking. En dus ook van de lezers.
Maar zijn doorzichtige switch van Le Petit Vingtième, bijvoegsel van Le Vingtième Siècle (vanaf 1930 bij de uitgeverij van Rex en Degrelle), en spreekbuis van de pauselijke richtlijnen over de Katholieke Aktie (geloofsverbreiding door gelovigen onder leiding van de bisschoppen), naar Le Soir (verduitst onmiddellijk na de kapitulatie), pleit hem niet vrij van simplisme, opportunisme en zelfgenoegzaamheid. Henri Roanne-Rosenblatt, betrokken bij de film Moi Tintin (1976), vindt hem niet alleen “plutot inculte”, maar veel erger: “Il est terriblement conformiste et il capte bien l’air du temps : l’anticommunisme et l’exaltation du colonialisme belge durant les années 20 et 30, et l’antisémitisme durant les années 30 et 40. Sous l’occupation allemande, en bon conformiste et en homme d’ordre, Hergé poursuit son boulot au Soir volé que ses amis contrôlent désormais. La chance s’offre à lui d’élargir son lectorat dans un grand quotidien” (Centre Communautaire Laïc Juif, 2025). Het is vooral het album De Geheimzinnige Ster (1942) die onder vuur ligt omdat hij een karikaturale Joodse Amerikaan opvoert, Blumenstein (die in een heruitgave in 1954 plots Bohlwinkel heet, Bollenwinkel dus).
Was hij maar bij kapitein Haddock gebleven, met zijn whiskybeneveling en zijn eindeloos arsenaal krachttermen en vloeken, de wereld zou er een stuk joliger op geworden zijn. Ook als hij uitroept “Fatma de Prisunic” – later nogal vreemd opgeschoond tot “Bayardère de Carnaval” (Le Suricate, 23 oktober 2026). Nee, Hergé was geen rabiate nazi, maar erger: een profiteur door verhulde afzijdigheid. Of zoals Giuseppe di Bella di Santa Sofia het verwoordt in Agora Vox: “Son comportement relève d’une forme d’aveuglement égocentrique” (3 september 2026). Neutraliteit opvoeren als slachtoffer van een machtsovername, en maar halvelings begrijpen wat er zich om hem heen voordoet. Maar lippendienst én naoorlogs gedrag liegen niet. Integendeel, een twee jaar lange depressie veinzen, tot Raymond Leblanc, een echte verzetsman, – wellicht niet zonder een gouden financiële kans te krijgen, want de Kuifje-albums van eind jaren dertig en in de oorlogsjaren hoorden bij de best verkochte ter wereld – in 1946 het weekblad Kuifje opricht. Kort na de opheffing in december 1945 van het publikatieverbod dat het Krijgsgerecht Hergé had opgelegd. Niet zonder reden wanneer een meeloper de kleffe verdoemenis van de joden door de bezetter onderschrijft, in een stripfragment dat alleen in de Soir Volé (toen de grootste en meest gelezen krant van België, in 1942) verschenen is:

Van berouw was er nauwelijks iets te merken. Een verontschuldiging is er nooit gekomen, zelfmedelijden des te meer. En ook na zijn aanstelling keerde hij snel terug naar zijn vroegere vrienden. Eerst de afgezette hoofdredakteur van de nazigenaaste Soir, Raymond De Becker, auteur van het manifest Pour un Ordre Nouveau (1930) en Le Christ: Roi des Affaires (1931). De Becker behoorde toen tot de rechtse vleugel van de kristendemokraten. Uiteraard, in Duitsland hadden zijn geloofsgenoten meegeholpen aan de machtsovername van de Nazi’s en het kanseliersschap van Hitler.
Norbert Wallez zelf heeft hij nooit afgezworen. Erger, Le Soir (3 december 2018) kopte de uitspraak van Hergé dat “al zijn vrienden in de collaboratie aktief waren geweest”. Wallez was geen opruier, maar een patriot “d’un amour lucide et fervent”. Toen Wallez in de gevangenis zat voor hoogverraad, schreef Hergé hem een brief met het verwijt aan de overheid dat ze hem erger behandelde dan een misdadiger.
Er is ook zijn blijvende vriendschap met die andere poulain van Wallez, Léon Degrelle, die later in opgeblazen termen zichzelf herkent in de tekeningen van Hergé. De “zoon die Hitler gewild zou hebben” slaagde erin bij de val van het Derde Rijk te vluchten naar Spanje, waar hij onder bescherming stond van diktator-caudillo Franco. In zijn mythomanie en megalomanie kende hij zichzelf de rol van bedenker van Kuifje toe (Tintin Mon Copain, Uitgeverij Omnia Veritas 2018). En volgens een interview met Hergé in La Libre Belgique (30 december 1975) erkent de tekenaar de invloed van Degrelle: “J’ai découvert la bande dessinée grâce à… Léon Degrelle”. Dat wil zeggen, Degrelle, als medewerker van Wallez, was uitgestuurd naar Mexico, en verstuurde naar de Vingtième Siecle zijn bevindingen, verslagen, maar ook plaatselijke kranten “dans lesquels paraissaient des bandes dessinées américaines. J’ai découvert ainsi mes premiers comics”. Rare bokkesprong van Degrelle (die al sinds 1994 dood was). L’Express (29 februari 1996) verwijst Degrelles aanmatiging naar de fabels. “Double mensonge, d’abord sur les origines, puis chronologique. Tintin est né le 10 janvier 1929, le voyage de Degrelle outre-Atlantique date de décembre 1929-janvier 1930 et le premier article de son enquête sur les catholiques persécutés au Mexique est paru le 1er février 1930 dans le Vingtième Siècle…” Chronologisch moet je dan een retroaktieve tijdssprong maken, want dan had Wallez Degrelle naar Mexico gestuurd nadat Kuifje in Kongo terechtkwam. Trump zou een geduchte konkurrent gehad hebben aan le beau Léon. Waarschijnlijker lijkt mij dat ze allebei nog samen misdienaars geweest zijn bij Wallez. Biechtgeheim gebroken.
Bij Kuifje viste Hergé Jacques Van Melkebeke weer op. Die had meegewerkt aan enkele oorlogsalbums, en Hergé attent gemaakt op de operabariton Edgar P. Jacobs. Jacobs onderhield geen relaties met Duitsers, en wachtte ook drie jaar, tot 1944, om Hergé het belang van dekors bij te brengen en hoe ze in te kleuren, wat een wens van Uitgeverij Casterman was. (Na drie jaar stopte Jacobs ermee om zijn eigen beroemde reeks Mortimer en Blake te lanceren). Van Melkebeke, die tien jaar beroepsverbod, een forse boete en vier jaar cel had gekregen, werd bij Kuifje benoemd tot hoofdredakteur. Hij moest vrijwel onmiddellijk aftreden omdat hij niet alleen tot het einde nazistische stukken had geplaatst in Le Soir, maar vooral verantwoordelijk was voor de terechtstelling van tien verzetslui. Hij schreef dan maar onder pseudoniemen. Tijdelijk bij de loge, en overtuigd atheïst, bleef hij, mede door zijn openlijke verhoudingen en ruzies met zijn gelijkgestemde vrouw, en zijn oorlogsverleden, een twistappel tussen Hergé en diens vrouw. Uiteindelijk braken de twee koppels met elkaar en zou Van Melkebeke vooral als schilder aan zijn trekken komen.
En zelfs in Vlaanderen sloeg Hergé zijn besmuikte vleugels open. Anders had hij nooit Willy Vandersteen aangetrokken. In 1948 vroeg hij de vader van Suske en Wiske om zijn reeks ook in Kuifje te plaatsen. Vandersteen rook meer armslag en geld, hij hapte toe. En effektief, de “blauwe reeks” is van het mooiste wat hij ooit getekend heeft. Alleen moest dat op voorwaarden van Hergé gebeuren. Geen “Seefhoek Vooruit!” meer, geen Zwarte Madam of de Ringelingschat, geen flauwe grappen meer, geen zijstappen in het verhaal. En zeker geen barbaarse kledij en achterlijke achtergronden meer, maar verheven en stijlrijke personages, Suske gekleed als palfrenier en Wiske met een verse permanent. Gedaan ook met de volkse onderwereld van de Seefhoek, overbodige personages (Sidonie, Jerom, Barabas). Een koppel voor de betere burgerij, met een plots vindingrijke en sluwe Lambik als hoofdfiguur. In plaats van volksverhalen en mythologie krijgen nu aktiehelden de voorrang. De Gezanten van Mars, De Groene Splinter, De Schat van Beersel met zijn reuzenvleermuis, Het Geheim der Gladiatoren, ik krijg er nog de kriebels van.
Wat Hergé niet gedaan kreeg van Jacobs (ze deelden wel de klare lijn, maar Hergé wou alles in daglicht en felle kleuren, Jacobs hield het bij sombere, nachtelijke kleuren die meer verhulden dan vrijgaven), kon hij wel Vandersteen opleggen. Omdat die lang kon verhelen dat ook hij in de oorlog foute dingen had gedaan, maar vermoedelijk wist Hergé al meer en zag hij in Vandersteen een bondgenoot. Ik herinner me in elk geval dat de onderzoeksgroep Collectief Geheugen (nomen est omen) een morsig boekje opendeed over de oorlogsjaren van Vandersteen.
Grootste knelpunt is zijn medewerking aan Volk en Staat, orgaan van de Zwarte en Dietsche Brigade. Alleen was Vandersteen slimmer te werk gegaan dan Hergé: hij tekende van 1942 tot 1944 antisemitische en pro-Duitse cartoons onder een pseudoniem, Kaproen, die pas heel laat met hem vereenzelvigd werd (en mogelijk gedeeld was met Edgard Vanmechelen, met wie hij zeker samenwerkte voor het paramilitaire Nationalsozialistische Kraftfahrkorps).

Opvallend is dat Vandersteen zich ook liet leiden door dichters die een belangrijke rol speelden in de nazi-indoktrinatie. Met name door Pol Le Roy werd hij ingelijfd bij De Nationaalsocialist (tot 1941 Hier Dinaso!). En voor de Dietsche Militie werkte hij voor propagandaleider (en voormalig luitenant in het Belgische leger) Bert Peleman, de lierdraaier van de Schelde, en volkskundige bij De Meivis; zo heb ik de dichter nog gekend, een rustige, vriendelijke man, die me ooit in detail vertelde hoe hij ter dood was veroordeeld, en pas de dag voor zijn terechtstelling genade had gekregen. Peleman verliet evenwel in 1943 De Nationaalsocialist, na de weigering van zijn broer Cyriel om de runenkentekens te dragen aan het Oostfront. Uit godsdienstige overtuiging. Hij stapte dan over naar het weekblad De Illustratie, net als Volk en Staat gedrukt bij De Schelde.
In elk geval was het werk van Kaproen onmiskenbaar racistisch. Van zijn kant heeft Hergé zijn misstappen later goed verborgen, mede door het aseptische karakter van zijn stripheld Kuifje. Een fantasieloze knoert, een gast zonder eigenschappen en zonder zonden, steevast in een afgrijselijk blauw onderhemd met opgerolde mouwen en een bruine pofbroek à la Sturmabteilung (SA), net goed genoeg om de Rode Duivels ermee het veld op te sturen. Als padvindertjes uit de parochiezalen, blode en onwetend over wat buiten de rechthoek gebeurt. (De scoutstotem van Hergé was, o schande, Weetgierige Vos; ik distantieer mij daar van, en eis postuum een minder appetijtelijke naam, want ik wijs elke band met die man radikaal af).
Hergé had beter zijn opperhoofd gevolgd, Robert Baden-Powell. Nogal wat verhalen van Kuifje lijken op de vele wereldreizen van de stichter der scoutsbeweging. Maar Hergé vergeet dat die pas op zijn 80e het heft uit handen gaf. Vier jaar later stierf hij. In zijn afscheidsbrief aan de Wereldscouts legde Baden-Powell het credo van de padvinders vast: “Ik geloof dat God ons op deze vrolijke wereld gezet heeft om gelukkig te zijn en van het leven te genieten. Geluk, dat verkrijg je niet door rijk te zijn, ook niet door enkel suksesvol te zijn in je loopbaan, en ook niet door genotzucht”. Hoe dan wel ? “Try and leave this world a little better than you found it”. Door zorg voor jezelf en de ander. Mens sana in corpore sano.
Alleen vergeet men wat voor een bloedige onderdrukker Hergés jeugdidool is geweest, en hoe racistisch hij optrad in Zuid-Afrika, tegen de Boeren én de zwarten. Hoe hij net als Wallez een grenzeloos bewonderaar van Mussolini en Hitler (tot de Kristallnacht van 1938) was, vooral vanwege hun antibolsjevisme, ook al was hij een zeldzame verdediger van de gelijkheid van mannen en vrouwen (die bij Hergé nauwelijks te bespeuren valt, het is allemaal mannenwerk, behalve als er in de salons hogere kultuur en noten wordt aangeslagen, met name door Bianca Castafiore).
Van dat soort oenen lust ik geen pap. (In alle eerlijkheid ook omdat Vandersteen, die zich elke week met de taxi op een whisky-kroegentocht liet rondrijden, ook naar De Blauwe Gans waar ik vaak zat, en hij niet kon laten mijn vrouw – vóór haar dood een ongewone ranke schoonheid, net als de vrouw van de uitbater en net als hun dochter – te bepotelen).
Ik zal wel overstappen naar Ons Volkske, Á Suivre en – vooral – Fluïde Glacial. Voor de grootste schunnige en sentimentele tekenaar ooit, Gotlib (een atheïstische jood overigens) (en hij is dood). Hoewel Franquin een aardige tweede plek verdient. Ver voor Jommeke. Ik zal wel doorlezen tot mijn 106e (mijn sterftedatum heb ik ooit aan mijn ontroostbare dochter van toen 5 jaar beloofd en vastgelegd). Gelukkig heb ik hier nog zowat 3.000 stripverhalen staan, zonder een Berufsverbod van Hergé te riskeren. Van een man die niet eens zonder stotteren zijn echte naam kon uitbrengen, Georges Prosper Remi Remi (sic). Wie schrijft die blijft. Wie tekent die rekent. Wie leest die feest. “Haa, ik lach bij ’t zien van mijn schoonheid in deez’ spiegel!” Pardon: “Ah! je ris de me voir si belle en ce miroir!”.
Geschreven in het jaar onzes heren 2026, op 77-jarige leeftijd, voor het welbevinden van allen, ter lering en vermaak..
Lukas De Vos