De Britse regisseur Nicholas Hytner viert vandaag zijn zeventigste verjaardag.
Hytner werd geboren in Manchester als oudste van vier kinderen in “een typisch Joods, cultureel gezin”. Hij studeerde Engels aan de Universiteit van Cambridge. Tijdens zijn studietijd acteerde hij ook, onder andere als co-auteur en acteur in een televisieproductie van de Cambridge Footlights Revue uit 1977. Hytner beschouwde acteren echter niet als zijn sterkste punt. Hij regisseerde ook, onder andere een productie van Bertolt Brecht en Kurt Weills “De opkomst en ondergang van de stad Mahagonny”.
Na zijn studie in Cambridge kreeg Hytner zijn eerste “echte betaalde baan” als assistent bij de English National Opera. Een deel van zijn vroegste professionele regiewerk was in de opera, waaronder een productie van Wagners “Rienzi” bij de English National Opera en Händels “Serse” in 1987. Dat betekent dus ook dat ze in het Engels werd gezongen en dat gaf vooral bij de recitatieven grote problemen, aldus Jos Van Immerseel, die in Antwerpen en Gent in 1997 wel degelijk een originele Italiaanse uitvoering leidde. Het was zelfs zo erg dat hij het continuo er niet onder kreeg en men dus énkel een clavecimbel te horen kreeg.
Bovendien was de Engelse versie gebaseerd op de zogenaamd kritische uitgave door Charles Mackerras, maar Van Immerseel heeft deze resoluut van de hand gewezen en heeft teruggegrepen naar het origineel. “Alweer was de regisseur heer en meester,” aldus Jos. “Als je de partituur niet respecteert, ben je eigenlijk met toneel bezig. Bovendien wordt er veel te visueel gedacht, in termen van film of televisie, waarbij theaterwetten met de voeten worden getreden. Men speelt b.v. te ver achteraan, wat problemen geeft met de simultaniteit met het orkest. Ik wil niet terug naar de dictatuur van de dirigent, maar er moet een samenwerking zijn.”
Natuurlijk heeft hij principieel gelijk, maar daar staat tegenover dat de regisseur waarover hij het heeft dus niemand minder dan Nicholas Hytner was, die op dat moment zo’n geweldig bioscoopsucces had met “The madness of King George” en in de Londense West End met de rockmusical “Miss Saigon”. Dat maakte natuurlijk ook dat Hytner op dat moment andere dingen aan het hoofd had en dat het Julia Hollander was die de instudering voor haar rekening nam (de Vlaamse Opera had vroeger reeds een andere Hytner-productie geprogrammeerd, namelijk “King Priam” van Michael Tippett, maar ik kan me niet meer herinneren of Hytner in dit geval zelf de regie in handen heeft genomen). Anderzijds mocht Jos Van Immerseel het werk deze keer (in tegenstelling tot “Alcina” van enkele jaren terug) met zijn eigen orkest Anima Eterna uitvoeren.
De titelrol was oorspronkelijk voor een castraat geschreven, maar werd in Engeland door een tenor gezongen, met name de Fin Jorma Silvasti, en in Gent en Antwerpen was het uiteindelijk een mezzo-sopraan (Mariana Cioromila). Zijn broer Arsamene daarentegen werd oorspronkelijk gezongen door een sopraan, maar hier door een contratenor (Christopher Robson). In de barok veranderde men immers van geslacht alsof het niets was. Denk maar aan de bekendste aria uit deze opera (“Ombra mai fu”) waarvan opnames bestaan door zowat alle stemtypes! Ook Händel veranderde trouwens de stemtypes bij hernemingen, zodat Van Immerseel hiermee veel minder moeite heeft.
Ondertussen beleefde Hytner zijn eerste theaterproducties in het Northcott Theatre in Exeter. Daarna regisseerde hij een reeks producties in het Leeds Playhouse en in 1985 werd hij adjunct-directeur van het Royal Exchange Theatre in Manchester, een functie die hij tot 1989 bekleedde.
Hytner werd door producent Cameron Mackintosh ingehuurd om “Miss Saigon” te regisseren, het volgende werk van de makers van “Les Misérables”, Alain Boublil en Claude-Michel Schönberg. “Ik had verschillende operaproducties van Nick gezien – Händels Xerxes en Mozarts Die Zauberflöte – evenals enkele van zijn klassieke toneelstukken, en hij heeft een wonderbaarlijk visuele kijk op de wereld,” aldus Mackintosh.
Hytners Londense productie van “Miss Saigon” ging in première op 20 september 1989 en sloot op 30 oktober 1999 na iets meer dan tien jaar, na de 4274e voorstelling, en bracht meer dan 150 miljoen pond op aan kaartverkoop tijdens de Londense speelperiode. Hytner regisseerde de show ook in het Broadway Theatre in New York. Deze voorstelling ging in première op 11 april 1991 en sloot op 28 januari 2001 na 4092 voorstellingen.
Hytner ontving een percentage van de opbrengst van zowel de Londense als de New Yorkse productie, waardoor hij (toen 34 jaar oud) zich nooit meer zorgen hoefde te maken over geld. “Het betekende dat ik daarna alleen nog maar hoefde te doen wat ik wilde.”
Wat Hytner deed, was doorgaan met het regisseren van theater en opera. Een van de stukken die hij regisseerde was Alan Bennetts “The Madness of George III”. Het stuk van Alan Bennett was reeds vier jaar een succes in the West End en Amerikaanse producers lagen er reeds lang op te azen (aangezien deze George ook diegene was die zij hadden verslagen bij hun onafhankelijkheidsstrijd), maar Bennett wou enkel in zee gaan met Samuel Goldwyn, omdat deze toeliet dat Nigel Hawthorne, die de rol op de scène vertolkte ook de rol in de film voor zijn rekening zou nemen en dat hij niet zoals bij “Shadowlands” de plaats zou moeten ruimen voor Anthony Hopkins. Bovendien mocht Hytner, die het stuk op de West End regisseerde, dus als filmregisseur debuteren. Om het vak te leren, ging deze fluks wat rondhangen op de set van “Frankenstein” van Kenneth Branagh. Grappig is wel dat de titel van het stuk “The madness of King George III” werd veranderd, omdat men vreesde dat de Amerikanen zouden denken dat het om een sequel zou gaan, die ze toch niet zouden verstaan, aangezien ze aflevering één en twee hadden gemist.
Nadien regisseerde Hytner meer films: “The Crucible” uit 1996 met Daniel Day-Lewis , en vervolgens “The Object of My Affection” uit 1998 en “Center Stage” uit 2000 (over een balletschool).
Toen Trevor Nunn aankondigde dat hij het National Theatre zou verlaten, nam Hytner in april 2003 zijn plaats in. In april 2013 kondigde hij aan dat hij eind maart 2015 zou aftreden als directeur van het National Theatre.
Ronny De Schepper (op basis van Wikipedia)