In het najaar van 1979 heb ik Boudewijn De Groot geïnterviewd in het Cultureel Centrum van Dilbeek. Ik wilde ik het daarbij vooral hebben over zijn werk van tien jaar eerder. En dat zinde Boudewijn niet. In de titel van het interview “ik voel mezelf zeker geen anachronisme” vind je die weerzin nog terug. Toch heb ik ook een positieve herinnering aan het gesprek en wel om deze reden: Boudewijn was eigenlijk van plan naar een optreden in Vorst-Nationaal te gaan, maar dat heeft hij uiteindelijk laten schieten om met mij te blijven discussiëren. Dat was echter allemaal “off the record” en het is nu veel te lang geleden om mij dat nog te herinneren. Ik zal mij dus zo goed en zo kwaad als het gaat aan mijn oorspronkelijke tekst houden.

Boudewijn De Groot is er weer. Nog maar pas heeft hij een solo-tournee door Vlaanderen achter de rug (waarbij hij vooral oud werk speelde, zoals op Mallemunt) of nu staat hij er opnieuw sedert The Names and Faces (1967) met een heuse popgroep achter hem aan. En deze keer wordt naast de oude kost ook nieuw materiaal opgediend uit een elpee die half november (1979) in de winkels zou moeten liggen. Hij zingt er meer bepaald zeven nummers uit van de elf die erop zullen staan.
De bedoeling van deze elpee was eigenlijk een historische reünie met Lennaert Nijgh (met wie Boudewijn sinds “Picknick” enkel nog had samengewerkt voor Rob Denijs), maar door de nogal slome aanpak van Lennaert blijft zijn inbreng beperkt tot drie nummers. De andere tekstleveranciers zijn ouwe getrouwen als René Daalder, Herman Pieter De Boer en Boudewijn himself.
Op een persconferentie t.g.v. zijn nieuwe tournee wist Boudewijn ons te verklappen dat deze elpee een “stemmige sfeer” beoogt en zeker niet “wereldverbeterend” is bedoeld. Muzikaal draagt de plaat de stempel van de muziekopleiding die Boudewijn heeft gevolgd toen hij in de VS verbleef.
Op tournee (en sommigen van hen spelen ook mee op de plaat) wordt Boudewijn bijgestaan door zijn vriend, bassist Hennie Vrienten (de roem van Doe Maar is pas voor enkele jaren later, RDS), en verder door de Belgen Tony Gijselinck (de drummer van Sam Gutter’s Blues Band, zie aldaar op deze blog), Ronny Brack (toetsen) en niemand minder dan Fred Beeckman van The Pebbles aan de gitaar.
We hadden ook een kort gesprekje met Boudewijn en Fred, waaruit vooral ons heimwee naar de jaren zestig mag blijken en hoe moeilijk het is voor een artiest om zich onder gewijzigde omstandigheden tien jaar later op datzelfde niveau te hijsen. Fred verklaarde weliswaar dat zijn inbreng in de Boudewijn De Groot-tournee niet mag worden overschat, maar het feit dat de “historische” Pebbles in juni van volgend jaar (1980 dus) aan een reünie toe zijn (*) rechtvaardigt alleszins zijn aanwezigheid bij dit gesprek.
– Op de persconferentie liet je verstaan dat het je ergens pijn deed als je vaststelt dat je laatste elpee (dat was toen “Waar ik woon en wie ik ben”) niet zo goed heeft verkocht als de andere. En we hebben het hier niet over commerciële motieven natuurlijk!
Boudewijn: 
Voor De Rode Vaan? Ben je mal! Mijn nieuwe repertoire is ingebed in het succes van het oude. Ik heb het voordeel gehad een aantal nummers te hebben geschreven die in staat waren een groot publiek te trekken. Als zij “Verdronken vlinder” mooier vinden dan “Wie ben ik”, dat is hun goed recht, maar ze moeten mij het recht laten die liedjes te zingen die ikzelf mooi vind. Ik vind het wel jammer dat die plaat voor een groot deel niet begrepen is. Er is nadruk gelegd op details die helemaal niet ter zake deden, terwijl dingen die wel belangrijk waren helemaal niet aan bod kwamen. Maar ik voel mezelf geen anachronisme, zeker niet.
– Jij zit eigenlijk met dat zelfde probleem, Fred, want the Pebbles, dat betekende echt iets voor vele mensen, terwijl Trinity…
Fred:
 Maar toch hebben wij op een bepaald moment in Trinity geloofd. Wij waren m.a.w. de muziek van The Pebbles een beetje moe. En dat kan terugkomen, alhoewel ik nu, door het werken met Boudewijn, weer meer zin heb in het spelen van echte popmuziek. Met Trinity zijn we meer op de commerciële toer gegaan. En daar geraak je vlug in, maar je geraakt er moeilijk uit. Er zijn dan immers zakenlui die met jou geld verdienen en dan moet je erdoor. Dan ben je trouwens af en toe wel eens zwak en dan zeg je: waarom niet? Tot we vorig jaar (1978) gezegd hebben: we kappen er gewoon mee. Terwijl iedereen zei: maar er zit toch nog brood in, jong! Nu zit ik bij Boudewijn gewoon als begeleider en voor het ogenblik vind ik dat prima.
– Ik vraag me wel af wat dat muzikaal gaat geven, want jullie hebben op een bepaald moment wel raakvlakken gehad, met name in de periode van “Picknick”…
Boudewijn: 
Maar dat is nu precies een elpee waarvan ik me volledig distancieer.
– Met “Picknick” heb je toegegeven aan een trend (flower power)?
Boudewijn:
 Zeker. Op dat moment toch. Daarom vind ik nou ook die elpee slecht, omdat het fake (namaak) was.
– Maar in hoeverre was je dan zelf betrokken bij die “fake”?
Boudewijn:
 Ik ben daarmee tegemoet gekomen aan de wensen van een bepaald deel van het publiek dat ik nog niet bereikt had.
– Nu we toch bezig zijn: was, ik zou niet zeggen de elpee “Apocalyps”, want ik vond dat geen (h)echte elpee…
Boudewijn:
 Inderdaad. En “De eenzame fietser” is dat ook niet. Maar “Waar ik woon” wel. En “Voor de overlevenden” en “Nacht en ontij” eveneens. En “Picknick” natuurlijk ook.
– Dus niet: in hoeverre was “Apocalyps” fake, maar wel “Welterusten mijnheer de president”?
Boudewijn:
 Het was zeker geen fake, maar dat nummer was gericht tot één bepaalde figuur, die nu reeds dood is (president Johnson), het heeft dus geen zin meer dat ik dat lied nog zou zingen. Dat zou hoereren zijn, commercieel uitbuiten.
– Inderdaad, maar flower power was een trend en protestsongs waren ook een trend. Als je nu met “Picknick” gewoon op de trend hebt willen inpikken, in hoeverre was dat dan ook het geval met “Mijnheer de president”?
Boudewijn:
 Het was in zoverre verschillend dat ik in die trend (provo’s) evenzeer verweven was als het publiek dat naar me toe kwam.
– En het spijt je dan ook niet dat je door de provobeweging min of meer werd “gebruikt”?
Boudewijn:
 Neen. Het spijt me trouwens ook niet dat ik me door de flower power-trend heb laten meeslepen. Het spijt me alleen dat ik daardoor die plaat op die manier heb gemaakt.

Ronny De Schepper

(*) Tussen haakjes stond hier oorspronkelijk “met opname van een live-elpee”, maar ik geloof niet dat die er ooit is gekomen. Anderzijds vormde dit gesprek wel de aanleiding om die Pebbles-reünie ook vast te leggen voor het Feest van de Rode Vaan van dat jaar. Omwille van de technische accommodatie moesten zij echter optreden in een zaal die een beetje buiten het tentenkamp van het Feest aan de Brusselse WTC-torens lag en er was dan ook haast geen kat aanwezig! Iedereen bleef immers liever pinten pakken in de gezellige drukte van de tenten. Ik schaamde me dood…

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.