In 2020 ging Erwin Provoost weg bij het VAF (Vlaams Audiovisueel Fonds) Het was voor Lukas De Vos de aanleiding om de spot te richten op diens voorganger Pierre Drouot, die in 1969 (samen met Paul Collet) de film “L’étreinte” afleverde. De film ging in première in Zweden en zou pas een half jaar later in België (meer bepaald in Gent) te zien zijn. Het werd de zesde aflevering van “het Evangelie volgens de Lukas” en kreeg de titel “De omhelzing van de boa constrictor” mee…

Erwin Provoost gaat officieel weg bij het VAF. Om persoonlijke (gezondheids)redenen, zegt hij. Hij was gekozen omdat hij een manager was. Hij heeft volgens IMDb ten minste 38 produkties op zijn naam staan. Maar geen enkele regie. Bij de VRT is dat niet anders: je kunt best een deskundige zijn in staaldraad of in verzekeringen. Maar altijd gaat het om managers die over geld gaan, niet over inhoud. Redakties zijn bedrijfsonderdelen geworden, filmmakers uithangborden voor het genie van de staat.

Provoost kreeg het dus ook moeilijk om zijn voorganger Drouot te evenaren, die had ten minste een zevental films als regisseur op zijn lijstje staan (en een twintigtal produkties). Drie kortfilms, drie langspelers: Dood van een Non (1975), Louisa, een Woord van Liefde (1972, met die lieve Willeke van Ammelrooy die zo schutterig heen en weer moest huppelen in een wolk van mosterdgas, de sloerie) en L’Étreinte (1969).

Was daarbij ook art director bij Cash ? Cash ! (1967) van zijn kompaan Paul Collet (met wie hij een tiental jaar zou samenwerken), en had het scenario geschreven voor Les Lèvres Rouges van Harry Kümel (1971). En Drouot had niet zomaar thema’s aangepakt, maar uitdagende vragen: het bestaan van god (een abstrakt thema), bigamie (en burgerlijk fatsoen), en in L’Étreinte het sadomasochisme. Geen klein bier.
Dat zijn werk nog sterk gericht was op de Franstalige wereld lag voor de hand. Zijn vader was een Fransman, de burgerij van Oudenaarde neeg naar een onschendbaar standenverschil tussen elite (Frans) en volksmens (Vlaams). Bovendien was het RITS, dat pas afgescheiden was van de “tweetalige” instelling – Collet en Drouot behoorden tot de eerste lichting afgestudeerden -, nog sterk gericht op Franse voorbeelden. Logisch want toen bestond de Franse film nog, met zijn tenoren Gabin, Belmondo, Bardot, Constantine, Ventura, Anna Karina, Jeanne Moreau, Alain Delon c.s., en de regisseurs van de Nouvelle Vague. Het intellektueel klimaat werd nog goeddeels bepaald door Franse filosofen en teoretici. Sartre, de Beauvoir, Foucault, Eliade, Lacan, Lyotard, Hara Kiri, Greimas, Barthes, zij maakten goede sier in progressieve milieus. Vooral het eksistentialisme en de zinloosheid van het bestaan, de leegte van de kosmos en van de ziel, bepaalden het landschap. De thema’s van Drouot liggen daarin ingebed. Wat ontbrak was de ideologische gebondenheid. Sartres denkbeelden gingen hand in hand met een star kommunisme, zijn bewondering voor China (waar ook Bertrand Russell zich aan bezondigde) leidde tot stugge stellingnames. (Later heel bleekjes overgedaan door Harry Mulisch, die in gedurige aanbidding stond voor Cuba en Castro).

In dat klimaat is L’Etreinte (foto) een bijzondere film. De bevrijdingsfilosofie en -theologie (Vaticanum II was juist afgerond) in een amorele wereld van vervreemding en leegte, zinloosheid en lamlendigheid, trok zich op aan een afbraak van alle normen: ideologisch, politiek, godsdienstig, zedelijk, seksueel, ekonomisch, maatschappelijk. De politieke dimensie ontbreekt totaal bij Drouot, maar de vrije liefde pour épater le bourgeois en de libertaire gedachten waren al gemeengoed in het Frankrijk van de Revolutie.
Van Choderlos de Laclos tot Leo Taxil, van Sade tot Octave Mirbeau. Wreedheid en sadomasochisme waren een uitweg voor wie alleen nog sensatie overhield in het uitzichtloze bestaan. SM was aangeleverd door Anne Desclos, die als Pauline Réage in 1954 Histoire d’O had geschreven om haar baas bij Gallimard te tonen dat ook vrouwen erotiek konden schrijven.

Bij de première van L’Étreinte – De Omhelzing in Nederland – in het Cameratheater van Utrecht, twee weken voor de provostad Amsterdam ! – noemde het Algemeen Dagblad de film “Een Belgische Histoire d’O”. De krant was best ingenomen met de erotische film, want waar Réage van onderwerping een fetisj maakt, “zo principieel serieus als haar Histoire wordt verteld, zo opgewekt gehumeurd brengen Collet en Drouot de hunne. L’Étreinte zit barstensvol knipogen die met de erotische scènes de kijker moeten duidelijk maken dat niemand precies weet wat pornografie eigenlijk is”. Begrippen verliezen al hun begrenzingen, net als de sociale strukturen. De wereld wordt vloeibare leegte, anything goes. Dat de regisseurs het oorspronkelijke verhaal “parafraseren” is te zacht uitgedrukt. Ze kozen voor een andere titel om auteursrechtelijke redenen. Maar de verwijzingen zijn nadrukkelijk, de rijke lummel die Michel (Daniel Vigo) is, noemt zijn slavin Giselle (de Antwerpse Nathalie Vernier) ‘Oe’ (leuk he, Histoire d’Oe), het boek van Réage staat ook ostentatief op een boekenplank – bijzonder grappig of idioot is dat Leni (Laetitia Sorel, foto), het bruine vriendinnetje van Michel, tijdens zijn afwezigheid in Hongkong, zoekt en blijft zoeken naar het forse boekwerk dat in leer is ingebonden terwijl er amper twee schabben staan met boeken.

Michel tiert voortdurend zoals Fransen doen wanneer ze veronderstellen dat ze diepe emoties voorbrengen. Zijn oppervlakkigheid wordt beklemtoond door zijn niet aflatende ijver om sensaties te beleven, een Duracellkonijn op speed. Als hij bestraffend denkt te kijken, zie je leeg gestaar. Hij overroept zich en wordt ongewild een karikatuur. De karikatuur die Collet en Drouot nodig hadden om de onderwerpingsdrift om te buigen tot strategie.
Zij rukken de verhoudingen uit met wortel en tak, want die zijn gebonden aan kodes, afspraken dus, die Michel niet beheerst, niet kan beheersen, omdat hij een onvolwassen, rotbedorven joenk blijft. Te laf om te moorden, te dom om de begrenzingen van de boksring te zien, te gretig om zich te manifesteren. De regisseurs doen er alles aan om het realisme op te heffen, af te rekenen “met de regels van de ‘realistische’ lectuur”. En daar vergaloppeert de recensent zich. “In de verbindingsfragmenten tussen twee scènes, wanneer Giselle veel trappen loopt, wordt de ‘verfijnde pornografie’ aangepakt; langzame camera, en dat herhaald, maken dat het is alsof men de paar noodzakelijke rustige maar o zo vervelende pagina’s leest tussen twee hoofdstukken vol uitspattingen”. Het is net omgekeerd: de verveling zit in de aktie, die geen aktie maar regel is. Het is op de statische, soms bevroren momenten dat het discours van Collet en Drouot zich openbaart.

Giselle die ongenaakbaar en bewegingloos op bed ligt. Giselle die hoog aan de wenteltrap blijft staan. Giselle met een pokerface, meteen een spiegel die de andere personages en de kijker voorgehouden wordt. Zij willen de leegte bezweren, terwijl de verveling net in de bezigheid zit. De leegte willen vullen, met eigen obsessies ongetwijfeld. Leegte is nochtans ruimte, een foedraal voor bespiegeling. Leegte is ruimtelijk wat stilte in tijd is. Giselle die weigert de deur te ontsluiten als Michel finaal instort en eigenlijk toegeeft dat hij verlangt naar een rimpelloos burgerlijk bestaan, in liefde en verbondenheid. Voor Michel is het boek Histoire d’O een handleiding, een Baedeker zoals in If It’s Tuesday This Must Be Belgium. Voor Giselle is het amper een trapje naar haar volgende stadium: de macht. Het dienstmeisje van het platteland heeft de hollow man opengereten en de leegte gevonden en ingenomen.

Maar zoals het hoort komt berouw bij haar tegenspelers na de domheid. In een kruciale scene wijst Giselle haar oom, een hoogst fatsoenlijke farizeeër die haar wil “redden” uit het huis van ontucht, maar haar al jaren besmuikt bespiedt, de deur. Na hem eerst ontmaagd te hebben. Zijn lusten heeft opgeslokt en vernietigd, want nu treedt de angst in, de angst om publiek te worden afgemaakt als dat uitlekt. Daar zijn de rollen als magnetische polen versprongen. Giselle heeft de macht over de leegte verworven.
Want elk spel is een machtsspel, is een gevecht, ook de politiek, ook de ekonomie, ook de seksualiteit. Wie geheugenloos is als de engel uit Barbarella heeft geen tegenstand meer – hij, of in dit geval zij, de vrouw, beheerst door haar onthechting van zichzelf het universum. De rest zijn woorden. Bedrieglijke konventies.

Nathalie Vernier heeft de kracht van de Medusa, rond haar versteent de huis clos, die uitdeint tot de hele wereld. Het is trouwens opvallend dat zij in amper zeven films meegespeeld heeft, vrijwel altijd softporn, tussen 1969 en 1973. Haar ongegeneerdheid, haar getrimde onbeschaamdheid deed me het meeste denken aan de stoeipoezen in de korte fotoromannetjes van Le Professeur Choron (Hara Kiri). Die vergelijking is niet gratuït. Want ook zij heeft zich geleend voor een bijzonder zelfrelativerende satire, Klann – Grand Guignol (1970). De meest schaamteloze is evenwel Et Ma Soeur ne Pense qu’à ça (1970), die de Duitsers plomp vertaald hebben als Die Pornoschwestern. Twee zussen, een slonzige deerne en een verlamde rolstoelpatiënte, kunnen van een ekscentrieke oom een omvangrijke erfenis krijgen als ze binnen de twee weken hun maagdelijkheid opgeven. Voor de ene is dat geen probleem, want al geperforeerd, voor de andere een dilemma, een soort Doortje van F.C. De Kampioenen. Daar kom ik in een later nog wel eens op terug. In elk geval deed Vernier genoeg ervaring op om art director te worden bij het publiciteitsagentschap Havas.

L’Étreinte is een lange, te lange film om dat te bewijzen. Maar tegelijk redupliceert die slow motion de lamlendigheid waaruit verveling groeit, en dus wanhoop over het bestaan zelf. Wie tegenover deze bewerking van Réage Just Jaeckin stelt (Histoire d’O, 1975), merkt meteen het kwaliteitsverschil. De Belgische film is dan wel een popversie in de hippietijd (vandaar de rijke kleuren; Giselles garderobe fungeert als “metafora estetica della sue evoluzione morale e psicologica da sottomessa a potenziale padrona”, merkt darkglobe terecht op – in 2016), maar net die sfeer laat Michel toe overdadig kleren te kopen. Of ontkleren. Een zinloze bezigheid zoals de slaven aan een waterrad. Jaeckin is afgestofte kitsj, niks meer. Een stoflaagje in een leegstaand huis. Waar Collet en Drouot al de oplossing aanreiken, slaagt Jaeckin er niet eens in de grondvragen te stellen. Fifty Shades of Grey is er een kloon van. Het dichtst benadert nog de Amerikaanse regisseur Radley Metzger met The Image (1975, foto onder), naar een boek van Cathérine Rstakian (de vrouw van Alain Robbe-Grillet) uit 1956, L’image.

Ook Rstakian schreef onder een pennaam, Jean De Berg. Maar helaas had ze minder schrijftalent dan haar man. Wel de bekendste dominatrix van Frankrijk. En dat is toch ook een stuiver waard. Ze zouden het horen rinkelen bij het VAF. Als ze mijn tekst niet kwijtspelen.

Lukas De Vos

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.