Op zaterdag 11 november 1978, precies een jaar na het uitbrengen van zijn laatste elpee, ging in Theater Arena (in de Ooievaarstraat in Gent) het “stuk” Brel – een reconstructie in première. Na afloop had ik een uitvoerig gesprek met de auteur Walter Ertvelt, de regisseur Jaak Van de Velde en de drie “acteurs”, Marijn Devalck, Carmen Jonckheere en Wim Huys. Vooraleer een beknopte weergave ervan te brengen, moet ik toch even zeker stellen dat deze productie reeds geruime tijd voorzien was en dus niks te maken heeft met het plotse overlijden van Jacques Brel een maand eerder.
– Bij het bekijken van het stuk zijn me twee zaken opgevallen. Wat jou betreft, Walter, maakte ik mij de bedenking dat je een soort van verzamelelpee had samengesteld met hoesteksten die je dan voor de gelegenheid liet debiteren. Wat de regie betreft, viel het mij dan tegen dat het magere stramien dat er dan al was, te weinig dramatisch benut werd, op een paar uitzonderingen na (“De nuttelozen van de nacht” en “Jef”).
Walter Ertvelt: Eerst even duidelijk stellen: ik ben op de eerste plaats een platenman. Bovendien hebben we gekapt in de biografische informatie omdat sinds de dood van Brel er genoeg gegevens verschenen zijn in allerlei kranten. We hebben ook voor een soort soberheidsnorm gekozen. Ik voel me verder niet geroepen om een soort karakteriologische studie te gaan maken van de heer Brel, want daarvoor ken ik hem te weinig. Ik vind trouwens dat dit voldoende uit het repertoire spreekt.
Jaak Van de Velde: Ik vind dat Brel gewoon ontkracht wordt als je daar anekdotes gaat rond plaatsen, als je dus realistische kostumes e.d. zou aanwenden. Oorspronkelijk waren we vertrokken van het idee dat er ook choreografie zou inzitten, maar na vier weken is gebleken dat dit visueel niet haalbaar was.
– Eigenlijk ga ik met jullie beiden akkoord, de vraag is dan echter, Walter, waarom begin je aan zoiets?
Walter Ertvelt: Ik vind chanson verschrikkelijk “des theaters” en Brel was Chanson-met-hoofdletter. Verder ben ik vertrokken vanuit een soort van passie voor het repertoire en voor de figuur.
– Het sociale aspect wordt opvallend verwaarloosd. Ik denk aan het feit dat de Brel-kartonfabriek een zeer paternalistisch bedrijf is, waar de arbeiders jaarlijks nog naar de mis moeten om de overleden bazen te gedenken, enz.
Walter Ertvelt: Dat is omdat Jacques daar niks mee te maken had. In een nummer uit 1953, dat nu niet in deze montage voorkomt, “Oma”, zet hij zich bijvoorbeeld duidelijk af tegen dat gedoe.
– Goed, ik verwijt dit ook niet aan Brel, ik bedoel precies dat het niet in het stuk voorkomt.
Walter Ertvelt: Ik vind de andere chansons op zich rebellerend genoeg.
– Je had vier thema’s voorop gesteld: Vlaanderen, de burgerij, liefde en dood. Dit zijn nu juist vier gegevens waartegenover Brel een soort haat-liefde-verhouding had. Heeft dat bijgedragen tot het zeer sobere, zwart-wit decor? Met andere woorden, drukt dit de tegenstelling, de dialektiek uit of is het eerder om praktische redenen?
Jaak Van de Velde: Gevoelsmatig misschien wel, maar niet beredeneerd. Anderzijds zijn er inderdaad ook praktische bezwaren. Over een paar dagen hebben we alweer een première (“The Fantasticks”), daarmee moeten we toch rekening houden. We zijn nog niet het NTG, we werken niet met zestig man. En ik zal het ook niet onder stoelen of banken steken dat het feit dat wij de ochtend dat we met de repetities zouden starten, het overlijden van Brel hebben vernomen, daar wellicht wel een rol heeft in gespeeld. Dat we het werk dus met een zekere eerbied hebben benaderd.
– Wim Huys en Carmen Jonckheere, jullie zijn op de eerste plaats acteur. Vinden jullie dan dat je als zodanig genoeg aan bod bent gekomen in een dergelijke productie, die eigenlijk een aaneenschakeling is van chansons?
Wim Huys: Ik wel. Je moet het zo zien: de nummers van Brel zijn volledig te acteren chansons. Als acteur is het dus zeer interessant om ze te doen. Men kan niet proberen van Brel te evenaren, maar je kan er wel een eigen interpretatie aan geven.
– Heb je bij die interpretatie van de nummers een druk van de regisseur gevoeld?
Carmen Jonckheere: Neen, geenszins, de regisseur heeft ons helemaal vrijgelaten.
– Er zijn slechts twee nummers die in het Frans worden gezongen en die worden allebei toebedeeld aan Marijn Devalck. Is dat nog een overblijfsel van Marino Falco?
Marijn Devalck: Neen. Voor “Les F…” is wel een vertaling gemaakt, maar ik heb geweigerd dit nummer in het Nederlands te zingen, omdat ik mij zo gekwetst voelde door die tekst. Ik heb willen afstand nemen van dat nummer en heb het dan ook zonder veel omhaal gezongen. Ik wil dat nummer hoegenaamd niet naar het publiek toe zingen, omdat ik er niet achter sta.
Ook van “Marieke” bestaat een vertaling, maar die is zo ellendig dat ik de voorkeur heb gegeven aan het Nederlands-Franse origineel. Overigens hoop ik dat Brel op dat moment gemeend heeft wat hij zong, al beschouw ik hem als een bekakte Brusselaar, die misschien wel ergens van Vlaanderen gehouden heeft.
– Er is één nummer dat men aan Brel zelf heeft overgelaten: “Les bourgeois”….
Marijn Devalck: Ja, en nochtans als er één nummer was dat ik graag zou hebben gezongen, dan zou het “Les bourgeois” geweest zijn. Ik treed immers Brel bij als het gaat om kritiek op de burgerij.
Ronny De Schepper