Aangezien Marc De decker aka Johan de Belie aka Opa Adhemar al enkele dagen overleden is, verwacht u zich natuurlijk niet meer aan een nieuw “hoekje”. Maar dankzij de medewerking van zijn kinderen kan ik er u alsnog één presenteren. Hopelijk zullen er nog volgen in de toekomst… Deze bijdrage heeft als titel “De Vuurtoren (Trinity Lighthouse)”.
Zijn stappen galmden op de metalen treden. Het was niet echt galmen, het was een geluid dat het midden hield tussen een wegstervende galm en een dof plofgeluid dat zich hoog in de cilinderkoker voortplantte, wentelend. Wanneer hij het kon horen wist hij: de zee is kalm, er is nauwelijks geruis. Hij mag zich aan een kalme golfslag verwachten. Indien de golven tegen de rotsen zouden slaan waren zijn voetstappen niet hoorbaar geweest. Zelfs niet voor hemzelf. Ze zouden niet tegen het geweld weten op te tornen.
* * * * *
Reeds de eerste avond liep het fout. Van het enthousiasme waarmee we aan onze vakantietocht begonnen waren restte niet veel meer. Alle dromen en plannen, ze waren plots vervallen tot bitse woorden. Nochtans was de dag schitterend gestart. Een treinreis die ons een eindje richting het zuiden bracht, die ons op weg moest helpen. En verder zouden we wel zien. Niet te veel bagage want we rekenden er op vaak met autostop te reizen. Onze geldmiddelen waren beperkt, maar ook daarover maakten we ons niet bezorgd. De eerste middag veroorloofden we ons in ieder geval nog de luxe van een maaltijd in een restaurant, weliswaar bescheiden maar budgettair toch onaangepast. Het autostoppen viel mee. In drie ritten, waarbij we telkens nauwelijks vijf of tien minuten hoefden te wachten, legden we een behoorlijke afstand af. Daarna besloten we een slaapplaats te zoeken. Dat betekende: een plaats waar we de tent konden opzetten. Toen kon ik me wel voor het hoofd slaan. Terecht. Waarom had ik niet eerder geprobeerd om dat ding recht te krijgen. Onhandig als ik was lag ik met mijn neus op de aanwijzingen gedrukt, onder de scherpe blik van Erlinde. Toen ik tenslotte aan de slag ging met grondzeil, lappen doek, piketten, stokken, werd die blik steeds wantrouwiger. En tenslotte bleef het niet bij haar priemende ogen maar begon zij haar twijfels te verwoorden. Gegronde twijfels, helaas. Zij werd cynisch over mijn onkunde. Over de dwaasheid dat ik dit niet thuis had uitgeprobeerd. Uiteindelijk vroeg zij zich af of het wel zo’n goed idee was, dit kamperen, dit overnachten in een tent met “een kluns” als ik. Dat woord gebruikte zij dus, kluns. Mijn nervositeit én haar bittere toon lieten mij reageren, dat zij het mogelijk zelfs geen goed idee meer vond om met mij op reis te gaan? Toen milderde zij blijkbaar en kwam naast mij knielen. Zodat we er in slaagden – een half uur later – de tent te betreden. We waren allebei achttien en de eerste avond van onze vakantie kon beginnen.
Dergelijk dieptepunt kende onze reis niet meer. Al verliep niet alles even vlekkeloos. Het was niet zo dat we andere interesses hadden, gelukkig niet. Maar wat ik nooit vermoed had, manifesteerde zich vrij vlug. Erlinde bleek erg dominant. Dat had ik tot dan, en we gingen toen reeds zo’n zeven, acht maanden intiem met elkaar om, nooit gemerkt. Het was in ieder geval iets dat zij mooi voor mij verborgen had weten te houden. Nu, de oorzaak kon ook deels bij mij gezocht worden. Ik was immers net het tegendeel. Een al te gewillige prooi. Zodat ik gedurende de ganse reis, drie weken lang, al haar ideeën opvolgde. Om niet te zeggen: al haar grillen inwilligde. Zij bepaalde steeds meer alles. De route, de slaapplaatsen, waar we zouden eten, de inkopen, en vooral – en dat irriteerde me soms meest – wat we zouden bezoeken. Want we mochten dan al dezelfde interesses hebben, en dus was ons opzet ondermeer om vooral musea en kerken, schilderijen en beeldhouwwerken te gaan bekijken, soms verlangde ik toch naar iets anders. Zo hield ik er aan om door de kleine straatjes te dwalen, quasi doelloos, en zo te proeven van het dagelijks leven – en via de oude gevels en de bestrating ook iets mee te pikken van het middeleeuws karakter van de stadjes. Erlinde bleek dat absoluut niet te boeien. Liever flaneerde zij dan in een winkelstraat, langs de uitstalramen, kijkend naar snuisterijen en toeristische prullaria. En daar moest ik in de loop van de reis steeds vaker het onderspit delven. Want ons opsplitsen, voor één of twee uren onze eigen weg gaan, dat paste niet in Erlinde’s visie van onze reis.
Natuurlijk klinkt dit als een veel te eenzijdig, veel te negatief beeld. Want in feite beleefden we schitterende momenten. Die uiteindelijk overheersten. Wanneer ik terugdenk hoe we een broodje nuttigden aan de voet van een kerk of kathedraal in de zuiderse zon, om daarna de koelte van de ruimte zelf te betreden. Nieuwsgierig naar wat we zouden aantreffen, eerst nog even verblind. Maar dan samen – werkelijk samen – te genieten van de architectuur, de schilderijen, de beeldhouwwerken. Fluisterend commentaar leveren. Elkaar details aanwijzen. Heerlijke ogenblikken waren het. Soms gingen we zitten, bekeken een werk gedurende tien minuten omdat het ons allebei fascineerde. Daarin konden we elkaar steevast vinden. Geen onenigheid hier, geen dominantie – onze smaak verschilde niet. Op dezelfde wijze dwaalden we door een aantal musea. Goed, soms had ik liever voor een ander museum geopteerd toen we een keuze dienden te maken. Maar eenmaal binnen restte er geen spoor meer van wrevel en wist ik evenzeer als Erlinde te genieten. Meer zelfs, ik beaamde voor de lieve vrede dat haar keuze wellicht de beste was geweest. En dan waren er de verplaatsingen. Steevast autostop. Hoe verbazend makkelijk dat ging. Enerzijds bleef het spannend, anderzijds leidde het nooit tot irritatie precies omdat we nooit lang hoefden te wachten. En natuurlijk waren er de avonden. Toen we derde keer de tent opzetten verliep dat reeds probleemloos. Meestal kokkerelden we iets ’s avonds. Zo eenvoudig mogelijk, volgens de beschikbare middelen en onze primaire kampeerkennis. Maar op die momenten – wanneer ik soms voor nieuwe wrijvingen vreesde – bleven deze ver. Erlinde bleek zich dermate te amuseren met ons knoeien, want dat was het soms, dat het tot hilarische toestanden uitgroeide door haar ingreep, en eindigde met lachbuien. Ja de avonden waren werkelijk de meest ontspannen ogenblikken van de dag. De momenten ook dat we elkaar meest nabij waren. Tenslotte, in de schemer voor de tent, keuvelden we. Over wat we gezien en beleefd hadden. En probeerden we de route voor de volgende dag uit te stippelen. Hierbij diende ik me een enkele keer wel gedeisd te houden, gaf ik de voorkeur aan een ander stadje, met een ander museum. Ik zweeg, opperde slechts heel voorzichtig de suggestie, en liet verder de beslissing aan Erlinde. Het was me nooit de spanning waard. Telkens de nacht definitief gevallen was kropen we in de tent, en sloten de wereld buiten. Drie weken trokken we zo rond. Het weer was heerlijk, slechts één nacht werden we gewekt door de regenroffel op het zeil maar de volgende ochtend bleek alles alweer droog.
Op het einde van de tweede week bereikten we de zee. We hadden het voor we vertrokken niet gepland maar gaandeweg voerde onze zuiderse route ons die kant uit. Een klein stadje waar we laat in de namiddag arriveerden. Onze voedselvoorraad was op en beperkte zich tot een stuk kaas. Uiteindelijk vonden we nog een winkeltje waar we brood en tomaten konden kopen – het zou dus een koud avondmaal worden. Vermoeid als we waren hadden we niet veel zin meer nog lang op zoek te gaan naar een geschikte plek om de tent neer te zetten. Op onze vraag waar dat best kon, in de buurt, op geringe wandelafstand, werden we onmiddellijk naar het strand doorverwezen. Zoveel tenttoeristen bleken hier niet te komen, maar meestal werd er blijkbaar vlakbij de zee gekampeerd. We waren een beetje wantrouwig toen we de piketten in het nogal rulle zand dreven. Of ons bouwsel stand zou houden indien er een wat fellere wind opstak? Maar goed, dat zou dan wel deel uitmaken van het avontuur – en vermits we niet de eersten waren die hier hun tent opsloegen… Bovendien was het natuurlijk een unieke ervaring. Voor de tent gezeten, luisterend naar de golfslag ons maal nuttigen. En de romantiek… de zon zien ondergaan terwijl we nog een strandwandeling maakten. Een verrukkelijk avond. Om tenslotte, naast elkaar, de zee te horen, het gelijkmatig rollend geluid ergens achter het tentzeil. Voor Erlinde bleek het slaapverwekkend. Ik helaas. Was ik toch bezorgd over de verankering van ons bouwwerk? Niet bewust. Mogelijk waren de voortdurend weerkerende lichtflitsen op het tentzeil die, hoewel oranjerood getemperd, toch tot mijn gesloten ogen doordrongen. We hadden ons wellicht niet zo dicht bij de vuurtoren mogen installeren. Nu rees hij op nauwelijks honderd meters bij ons vandaan op wat ik voor een rots had aangezien, van onze tent. Ook bleven de woorden van een gedicht dat ik voor Erlinde voorgedragen had, gezeten op het strand in de schemer, me door het hoofd spoken. Tenslotte, en dat was de eerste keer deze reis, kroop ik stilletjes uit de tent. Gelukkig had ik tastend mijn hemd mee gegrist want de nacht bleek kil. In tegenstelling tot onze eerste avonden die we in een romantische maneschijn doorbrachten, was de hemel nu donker afgezien van de sterren die bewezen dat het helder weer was. Lang – kort – lang – kort , zo gleden de stralenbundels van de vuurtoren over het water. Over de zee in de verte. Over de golven vlakbij zodat ik uit het duister telkens de schuimkoppen zag oplichten. Fascinerend. Ik stond gebiologeerd te kijken. Gegrepen door het ritme van het licht, en door het spel van dit ritme met het tempo van de golven. Ik trachtte tussen beide een regelmaat te ontdekken. Die niet bestond, uiteraard niet. Er was geen wisselwerking. Veeleer leek het of ze elkaar uitdaagden. Tegen elkaar opbotsten. De ene koketteerde met zijn punctualiteit, de zee met haar grillen. Minnaars. Bizarre geliefden. Geen idee hoe lang ik daar toen gestaan heb. Pas toen ik het koud kreeg, er een rilling me over de rug voer wandelde ik het korte eindje over het strand naar de tent terug. Erlinde protesteerde zachtjes toen ik me naast haar neer vleide. Ik kon de slaap niet vatten. Ondanks de warmte van Erlinde’s lichaam bleef het kil in me. En met open ogen staarde ik in het niets tegen het oranje van het tentzeil aan waarin hypnotiserend de lichtflitsen elkaar gelijkmatig bleven opvolgen. Dat had rustgevend moeten zijn. Het was het niet. Ging er iets verontrustends schuil achter het beeld, achter de idee van een vuurtoren? Het was mijn eerste confrontatie. Ik had er nooit bij stilgestaan. De functie? Die kende ik natuurlijk wel, oppervlakkig, allicht ooit op school geleerd. Maar er over nagedacht, nooit. Nu, plots, vroeg ik me af of dat licht ook werkelijk zo nuttig was. Als baken. Of het ooit mensenlevens gered had. Gewoon door er te zijn. Door zijn eentonige, dwaze stralen uit te sturen, onophoudelijk. Vreemd toch. En nog vreemder dat ik daarover slaaploos lag na te denken, te filosoferen zelfs want mijn redeneringen voerden me op allerlei zijsporen tenslotte.
Pas vele jaren later besefte ik dat deze plaats een breekpunt zou zijn. Al ervoer ik het op dat ogenblik helemaal niet zo. In het ochtendlicht leek de vuurtoren verderaf te staan, hoger ook. Ik vertelde Erlinde, terwijl we aan ons rudimentair ontbijt zaten met brood en kaas, over mijn nachtwandeling en over het lichtspel op de golven. Eerst luisterde zij nog geïnteresseerd, zich waarschijnlijk afvragend waarheen mijn stappen me gevoerd hadden maar de uitweiding over de vuurtoren boeide haar slechts matig. Zodat, eens de tent gevouwen, de bagage gepakt, mijn verzoek om eens tot de vuurtoren te wandelen met een onverschillige weigering beantwoord werd. Ik drong nog even aan. Dat het nauwelijks honderd of tweehonderd meters was. “Wat is daar nu aan te zien!” En dat was het definitieve besluit. De reis werd verder gezet. Wrokkig was ik niet, hooguit een beetje teleurgesteld. In ieder geval wierp het gebeurde geen smet op de laatste week van onze vakantie. En toch moet zich binnen mij iets geroerd hebben op dat ogenblik, was ik wellicht sterker getroffen dan ik besefte of kon vermoeden. Hoe dan ook, we sloten tenslotte een prachtig verlof af in perfecte harmonie. Die helaas niet lang meer standhield. Waren onze karakters te verschillend? Was ik niet bestand tegen de dominantie van Erlinde? Of werd zij te zeer geprikkeld door mijn grote lijdzaamheid? In de loop van zes maanden groeiden we uit elkaar. Om vaarwel te zeggen, als min of meer goede vrienden. Die tenslotte geen contact meer hadden met elkaar. Tot zover de goede vriendschap.
* * *
Inmiddels waren we zo’n vijfentwintig jaren later. We gingen op reis, mijn echtgenote, een bevriend echtpaar en hun tienerdochter. De grote afstand naar het zuiden hadden we met het vliegtuig afgelegd, ter plaatse verbleven we gedurende twee weken in een hotel maar huurden we een auto voor de uitstappen. Gelukkig – hoewel het uiteraard niet van het geluk afhing, de keuze was bewust – sloten de interesses van het andere echtpaar perfect aan bij de onze. De wandelingen over minder begane paden, zoveel mogelijk het toerisme vermijdend al werden we er onvermijdelijk mee geconfronteerd vermits we musea en kerken wilden bezoeken. Anderzijds zorgden we er ook voor om kleinere musea, minder bekende kerken op het reisplan te zetten – of aan het toeval over te laten. Zo ontdekten we vaak pareltjes. En konden we in ieder geval in alle rust genieten. Het meisje bleef meestal in en rond het hotel, in het stadje waar we logeerden; alleen wanneer een absolute bezienswaardigheid gepland was vergezelde zij ons twee of drie keren. Al bij al een zeer geslaagde vakantie. Maar uiteraard is er een aanleiding om dit verlof, precies deze twee weken, te vermelden uit de ganse loop van mijn huwelijk dat bijna dertig jaar duurde en waarover ik verder zal zwijgen. We beperkten ons niet tot zogenaamd culturele uitstappen. Hoewel niemand van het gezelschap een echte natuurliefhebber, noch een natuurwandelaar was, maakten we soms toch van bepaalde omstandigheden gebruik om iets van een landelijke omgeving te voet te verkennen. Die aanleidingen waren meestal een stop in een dorp waar we iets wilden drinken. Of waar we halt hielden om in een klein restaurant te eten; hotels, grote gelegenheden vermeden we hiervoor – niet uit een soort snobisme, gewoon omdat we het kleinschalige gezelliger vonden, avontuurlijker ook, en ik moet zeggen dat we ons bovendien zelden culinair bedrogen wisten. Het was bij één van deze uitstappen dat we in een dorpje beland waren. Na een copieuze vismaaltijd in wat veeleer een café dan een restaurant was, met slechts één menu op de kaart, besloten we ons te vertreden. Veel uitleg hoefde er niet gegeven te worden. De hoofdstraat door, voor zover die iets betekende, dan kwamen we al vrij vlug aan een duinenpartij, rotsen, en meteen zouden we de zee wel horen en zien. Helemaal niet ver.
Het was al na het middaguur. Brandende zon. Maar de belofte de zee te zien en daar allicht ook nog eventjes te verpozen, de spijsvertering op gang te laten komen, zette ons toch op pad. En het bleek inderdaad niet ver, de straat langs over hobbelige steentjes voorbij oude, wel heel verweerde gevels. Waar ik in de tuintjes kon kijken zag ik soms een vissersnet; te drogen; klaar om hersteld te worden… Een vissersdorp dus. Er zou dan wel een haventje in de buurt zijn ook. Lang was de straat niet, en zo te zien beperkte het ganse dorpje zich tot het pleintje waar we gegeten hadden en de enkele zijstaatjes die we nu voorbij kwamen. Hooguit zes- of zevenhonderd meters en daar hield de bestrating al op en sloften we door het rulle zand. De hitte, een gevulde maag, een licht beneveld hoofd na enkele glazen wijn… het bleek geen gemakkelijke tocht door het duin. Toen we bovendien nog enkele kleine rotsformaties over moesten eer we het strand zelf bereikten werd er zwaar gezucht. We gaven evenwel niet op en toen lag zij aan onze voeten, de zee. Blauw, kalm kabbelend, geurend, ruisend. Mijn echtgenote en de man van het gezelschapje vleiden zich uitgeput in het zand. Ik aarzelde. In feite wou ik liever mijn voeten wadend een beetje afkoeling bezorgen. De zee voelen. En ik bleek niet alleen te zijn, onze compagne schopte ook haar schoenen uit en kwam naast mij lopen. Het was pas dan…
Ik zou op dat ogenblik, en niet alleen dan maar zelfs reeds zes maanden na de reis met Erlinde, niet meer kunnen beschrijven hebben hoe de vuurtoren er uitzag. Welke kleuren. Hoe de strepen liepen. Hoe hoog hij ongeveer was en de juiste vorm, liep hij wat spitser naar boven toe of gewoon recht. Ik had geen idee. Ik wist ook niet hoe het dorp heette waar we ons toen bevonden, wellicht had ik het nooit geweten. Maar daar, op dat moment, toen ik hem zag, herkende ik hem meteen. Zonder enige twijfel. Ik bleef staan. Mijn wandelgenote moet gemerkt hebben dat er iets aan de hand was want zij informeerde of er iets scheelde. Dat ik hier al eerder was, zei ik, en nu plots deze plaats, deze vuurtoren herkende. En dat het heel lang geleden was, mijn tienerjaren nog. Maar dat ik blij was hier zo onverwacht terug te komen. Zonder verdere afspraak wandelden we verder, richting vuurtoren. Nu prentte ik me het beeld goed in. Onderaan wit, dan een rode band en dan nogmaals een witte band, horizontaal lopend dus. Indien ik het goed zag vernauwde de toren slechts minimaal naar de top toe, het is te zeggen tot een basis waarop een lichthuis apart stond gebouwd. Dat was heel wat kleiner, ongeveer zo hoog als één der kleurbanden van de toren zelf. Dat lichthuis kreeg nog een tepelvormige bekroning wat het geheel een zeer sierlijk voorkomen verleende. Deze keer bereikte ik de toren wel, na zoveel jaren. We dienden opnieuw over een rotspartij te klimmen maar dat werd stilzwijgend, als bij afspraak, gedaan. We stonden aan de voet, wandelden er omheen. Ik kon me niet bedwingen aan de deur te morrelen. Zou ik in de toren kunnen? Slotvast, natuurlijk. We hadden alles gezien en keerden terug. Deze keer zou ik het beeld niet meer vergeten. En de naam van het dorp had ik in mijn geheugen opgeslagen.
* * *
De zee is kalm. Ginds in de diepe wateren moeten Poseidon, Neptunus, Okeanos, Nereus, Glaucus en Triton in een diepe slaap liggen. En nog verder dommelen waarschijnlijk Corb, Buarainech en Cethlion, Elatha, Balor en Bres, de Ierse zeegoden Fomoiri, rustig in terwijl Dubh Lacha, hun moedergodin over hen waakt. Of in het noorden de zeegod Njord. Ik kijk uit het raam. Die quasi eentonige golfslag. Die nooit dezelfde is, die steeds varieert, die me nooit kan vervelen. De zee spreidt zich voor mij uit. Voor mij alleen zoals ik hier bij het raam sta. Zevenenveertig meters hoog. Natuurlijk zie ik ginds verder scheepjes. Witte zeilen, pleziervaartuigen. En enkele vissers. En in de verte, de horizon, een vrachtschip. Indringers. Maar ze verstoren niet wat ik beleef op deze hoogte. Het geluid. De geur. De onverbrekelijke band.
Wat had ik het jammer gevonden toen, na die wandeling naar de vuurtoren, dat niemand van ons een fototoestel had meegenomen, ze lagen in de auto. Des te verheugder was ik toen bleek dat er in het café-restaurant waar we nog iets fris gingen drinken eer we de trip verder zetten, een prentkaart van de vuurtoren te koop was. Gedurende enkele jaren zou zij vastgeprikt boven mijn bureau hangen. Tot mijn echtscheiding, tot mijn verhuis. Tot ik besloot mijn leven een andere wending te geven. Tot ik besloot een droom na te jagen. Beseffend dat hij mogelijk – vermoedelijk zelfs – absurd was. Maar ik zou het in ieder geval geprobeerd hebben. Ik wist dat, indien ik deze poging niet ondernam, mijn leven dat me op dat ogenblik leeg en zinloos leek, elk doel zou verliezen. Ik diende iets te ondernemen. En dat iets kon alleen deze droom zijn, hoe dwaas, hoe absurd, hoe onmogelijk ook.
Met de meest noodzakelijke bagage in de auto geladen, hoofdzakelijk kleding, boeken en muziek, vertrok ik naar het dorp. Naar mijn dorp. Naar het dorp van mijn vuurtoren. Hoewel het café niet bepaald een hotel was kon ik na enig aandringen toch terecht in een leegstaande kamer. En kon mijn zoektocht beginnen. Die van nul diende te starten. Ik kende niets van vuurtorens. Hoe werden ze bediend, door wie. Werden ze soms bewoond? Dat was vlug uitgezocht. Het ging er heel wat moderner aan toe dan ik verwachtte. Alles was automatisch geregeld, viel onder een centraal bestuur. De tijd van een vuurtorenwachter was al jaren voorbij. En de toren zelf? Op die vraag kon ik moeilijker een antwoord krijgen. Dat was iets voor de burgemeester. De burgemeester van zo’n klein dorp? Hij was meteen de secretaris en alles wat daar bij hoorde, al jarenlang. En bovendien garagist. Ja, die vuurtoren…? Het licht dat was de verantwoordelijkheid van de overheid. Maar de toren zelf die werd voor zover hij wist altijd al door het dorp zelf onderhouden. Af en toe opnieuw geschilderd, niet dikwijls natuurlijk, dat moest nu toch zo’n twintig jaar geleden zijn. En ieder jaar in de lente stuurde hij een klusjesman naar binnen om alles eens na te kijken. Op mijn vraag aan wie de vuurtoren dan toebehoorde bleef hij me verbaasd aankijken. Geen idee in feite. Dat daarover toch iets moest terug te vinden te zijn in archieven… de bouw, eventueel overdracht aan centraal bestuur. Nu, indien ik zo geïnteresseerd was zou hij het laten opzoeken. Of ik over een dag of drie misschien…
Drie dagen later was het opgezocht. De vuurtoren was ooit op last en kosten van het dorp en bijhorend haventje gebouwd. En uit niets bleek dat toen het lichtsysteem geautomatiseerd werd er afspraken gemaakt waren over het gebouw. Toen restte er mij alleen nog de verantwoordelijken van het dorp, de gemeenteraad, te overtuigen mij de toren te verhuren als permanente verblijfplaats. Eerst diende ik de burgemeester aan mijn zijde te krijgen. Veel argumenten had ik niet ter beschikking. Ik kon hen de jaarlijkse zorg van de inspectie en kleine opknapwerkjes uit handen nemen. En, dat bleek meest gehoor te vinden, ik zou uiteraard een maandelijks huurgeld betalen. Tenslotte kwamen we tot een overeenkomst, de burgemeester en ik. Of hij het dan op de eerstvolgende gemeenteraad wou voorleggen? Oh, zo werkt dat hier niet, wij ontmoeten elkaar in het café, daar bespreek ik het wel met hen. Morgen of overmorgen laat ik iets weten. Maar dat komt wel in orde. Zoveel was duidelijk, de gemeenteraad, dat was de burgemeester. En wanneer de burgemeester ja of nee zei, zei het ganse dorp ja of nee. De meest eenvoudige democratie. Inderdaad, twee dagen later zocht hij me op. De huurprijs – belachelijk laag – werd vastgesteld, en ik diende het contract op te stellen. Het was duidelijk dat de man daar geen kaas van gegeten had. De bereidwilligheid die ik daarna ervoer om de benodigde meubels te verzamelen, en vooral om hen de vuurtoren binnen te slepen naar de diverse verdiepingen die ik wou inrichten, ontroerde me. Er stonden natuurlijk graag aanvaarde fooien tegenover maar de wijze waarop de dorpsgemeenschap mij aanvaardde verbaasde me. Beneden maakte ik een rudimentaire keuken, op het tweede platform een slaapplaats. En bovenin een salonnetje dat hoofdzakelijk als leeshoek dienst zou doen, waar ik muziek kon beluisteren, mijmeren. Elektriciteit was uiteraard voorhanden, mits het knutselen van iemand met enige ervaring werd ik daarvan op iedere verdieping, weliswaar illegaal, voorzien. Nauwelijks tien dagen later kon ik mijn appartement betrekken. Het verder knus inrichten was een taak die ik mezelf gunde.
Suite voor solo cello nr. 2 van Bach uitgevoerd door Yo-Yo Ma. Mijn boek heb ik opzij gelegd. De leeslamp gedoofd. Het luik bovenaan de trap naar de lichttoren staat open zodat ik de lichtflitsen kan zien. Lang – donker – kort – donker – lang – donker – kort – donker… De toren lijkt te bewegen. Hij beweegt. Hij trilt en zucht. Hij kreunt. Met de afstandsbediening schakel ik de stereo uit. Bach stoort. Ik wil alleen zijn met de storm, de toren, het licht. De wind rukt aan de stenen van de vuurtoren. Op welke wijze communiceren ze? Is dit een spel? Weten ze dat ze waardige tegenstanders zijn, al tientallen jaren lang. En blijven ze hier genoegen aan beleven. Of vieren ze telkenmale hun woede bot. De ene in een plotse aanval. De andere door fier stand te houden, onoverwinnelijk. Terwijl, onverstoorbaar, de lichtstralen over de oceaan flitsen, negentien kilometers ver. Daar kan zelfs de meest hevige rukwind niet tegen optornen. Lijdzaam moet hij toezien hoe de signalen telkens weer, in een ritme dat hij niet weet te beïnvloeden, over de golven glijden. Onder en naast me beweegt de vuurtoren. Hij leeft. Ik voel hem ademen. Hoe hij zich inspant. Zijn krachten gebruikt om weerstand te bieden. Maar diep binnenin lijkt hij zich zorgeloos, onaantastbaar te weten. Veilig. Wanneer ik de ogen sluit neemt het ritme van mijn ademhaling de zijne over. We worden één.
Ongetwijfeld zijn deze weersomstandigheden degene waarvan ik meest hou. Ze accorderen zo met wat in mij roert. Jarenlang. Mijn leven lang denk ik soms. Natuurlijk niet. Ook al zat deze zwaarmoedigheid steeds diep in mij begraven, ik wist haar niet alleen voor de buitenwereld maar ook voor mezelf vaak te verbergen. Of te camoufleren. Nu hoeft het niet meer. Sinds ik de vuurtoren tot partner gekozen heb. Sinds de oceaan mijn wereld geworden is. Voorzichtig klim ik op het trapje naar de lichttoren en sluit het luik. Terug beneden ga ik bij het raam staan. Nu kan ik de lichtflitsen nog uitsluitend zien telkens ze over het water scheren, over de donkere massa, over de witte schuimende koppen die zich dreigend verheffen. Door de kieren ervaar ik de wind nu ook. En het bulderen van het water op de rotsen beneden mij, heel diep, klinkt zwaarder, logger. Toch is niets van dit alles angstaanjagend. Want indien ik de hoge golven die wild op de kust jagen, die mij lijken te belagen, daarnet dreigend noemde, was dat slechts een misplaatst cliché. Ze bedreigen mij niet. Ik geloof niet dat ze een aanval uitvoeren op ons, op de vuurtoren en mij. Wat ze doen is een groet brengen. Een groet vanuit het diepste van de oceaan. Waar de anderen leven. Die zich soms boven het water verheffen, hun haren in warrige slierten vol kroos en schuim, hun verwilderde baarden met vastgeklitte schelpdieren. Die hun drietand boven het hoofd verheffen, een begroeting. Triton rijst voor mij op uit het water, half mens, half meerman. Zoon van Poseidon. Wanneer hij zich verwijdert, na een hoofs gebaar, weet ik dat hij terugkeert naar de stad waar hij ooit meest aanbeden werd. Het verzonken Atlantis, dat ginds in de diepte op hem wacht. De stad der doden, de stad van de verzwolgen lichamen. De stad van hen die allen samen, met alles wat hen omringde, gelijktijdig met hun geliefden, welwillend opgenomen werden in de schoot van het water om zich eeuwig te koesteren in de golven onder de bescherming van hun god. Triton. Maar meteen roept zijn naam ook verre herinneringen op. Hoe mij voorgelezen werd uit sprookjesboeken. Hoe daaruit vaak de kleine zeemeermin opdook. En haar vader Triton, koning der oceanen. Maar dat refereerde aan de film van Disney, en die week teveel af van het verhaal uit mijn prilste jaren, het echte sprookje van Andersen. Waar mijn kleine zeeprinses, verliefd op haar mensenprins, zich weliswaar ook door de zeeheks tot mens met benen laat omtoveren in ruil voor haar prachtige stem. Maar waar de prins zich verlooft met een andere. De kleine zeemeermin is onmachtig om, stom geworden, hem op haar te laten verlieven. Zij kan nog alleen terugkeren in het water indien zij de prins doodt met het mes van de zeeheks. Haar vier zussen offeren hun prachtige haren in ruil voor dat mes; maar zij kan haar geliefde niet doden en springt in de zee. Daar verwordt zij tot schuim, en wordt een dochter van de lucht. Gedurende 300 jaren zal zij goede daden moeten verrichten. Voor ieder kind dat gelukkig is wordt een dag van haar straf afgetrokken, ieder kind dat huilt bezorgt haar een extra dag. Ach de intieme sfeer waarin ik mezelf terugtrok telkens me dit meest geliefde verhaal voorgelezen werd, of later toen ik het zelf al kon lezen. Natuurlijk was ik verliefd op die kleine zeemeermin. Vooral het epitheton ‘klein’ moet daarin een rol gespeeld hebben. Voor mij was het een meisje met prachtige lokken van zo’n zes of zeven jaar. De vijftien jaar die vermeld stonden in de tekst, dat moet op mijn leeftijd een abstractie geweest zijn. Net als het begrip huwbaar. Die kleine zeemeermin was een perfecte, magische speelvriendin uit een andere wereld. Een wereld waarheen ik wou. En nu, in mijn vuurtoren, had ik soms het gevoel dat ik die wereld eindelijk gevonden had. Dat ooit, vanuit het rijk van al die zeegoden, mijn zeemeermin zou oprijzen. Om mij mee te nemen. Naar een rijk zoals het verzonken Atlantis. Of waar zij ook haar toevlucht gezocht mocht hebben na haar ballingschap.
Ik kijk uit het raam op het oosten. Boven de zee komt een paars-roze gloed tevoorschijn. Dit is iedere dag ongeveer het uur waarop de vissersboten het haventje uitvaren. De baai zelf kan ik van hieruit niet zien, landinwaarts, verscholen achter enkele hogere rotsen. Daar zijn ze reeds te tellen, zeven, acht, negen zijn het er vandaag. Hun aantal kan variëren, niet veel. Ze volgen elkaar vrij regelmatig op, een sliert, tot ze in open zee zijn. Dan waaieren ze uit elkaar. Nemen elk hun positie in. Zouden die plaatsen bij afspraak vastgelegd zijn, of aan het toeval van de dag overgelaten? Om hen nog te kunnen zien moet ik me naar het zuiderraam verplaatsen. Inmiddels schittert de zon over het oppervlak en zijn de bootjes zwarte vlekken in de verte geworden. Soms neem ik de verrekijker om hun wendingen te bekijken. Meer details kan ik niet onderscheiden. Maar meestal liggen ze grotendeels stil, slechts af en toe lijkt een boot een andere, betere visgrond op te zoeken. Vandaag zie ik veel verder – achter hen – een cruiseschip voorbij varen. Een mastodont. De nietigheid van de vissersboten. Als speelgoed. Toch weet ik niet welk van de twee me meest imponeert. Eens in de loop van mijn verblijf, eenmaal nog maar, ben ik gaan toekijken wanneer de vissers met hun vangst arriveerden in het haventje. Hoe de bakken met alle soorten, vreemdsoortige, mij onbekende, vissen, aan wal gebracht werden. Het rumoerig spektakel op de kade. Maar vooral die zeewezens, onttrokken aan hun habitat. Glibberig, kil. Roerloos. Ik stond er ambivalent tegenaan te staren. Natuurlijk was dit een alledaags gebeuren. Uiteraard was dit een broodwinning voor al deze mannen en hun gezinnen, een harde broodwinning en niet zonder gevaar. Bovendien hoefde ik niet hypocriet te doen, vis werd geconsumeerd. Maar hen zo te zien liggen. Me inbeeldend hoe ze enkele uren voordien de oceaan, mijn oceaan bevolkten. Het leek me als hoorden ze mij toe, maakten ze deel uit van mijn vriendenschare. Werd mij hier iets dierbaar ontrukt. En zou dadelijk, wanneer ik weergekeerd zou zijn in mijn vuurtoren, Aegir of Oceanos zich zouden verheffen boven de golven en mij rekenschap vragen. Of Ran, zeegodin der stormen zou mij woedend aanstaren boven het door haar ontketend geweld. Waarom had ik niet ingegrepen. Waarom had ik hun dierbaren niet verdedigd. En ik zou stom blijven. Wat had ik in te brengen als verdediging?
Landinwaarts verschijnen donkere wolken terwijl over het water de gulden gloed onverminderd mijn ogen pijnigt. Wat liet me besluiten vanochtend de toren te verlaten voor een strandwandeling? De vlucht van de meeuwen boven de zee. Hun roep. Toen ik zag hoe ze rakelings de muur voorbij scheerden. Hun sierlijke vrijheid. Hun quasi vrolijkheid. En hoe ze neerstreken op het zand, trippelpotend zich voortbewogen, zoekend naar open schelp- of schaaldieren of gemakkelijker prooi. Mogelijk kwam daar de lust vandaan. Het bleek tenslotte een minder goed idee. Stelde ik vast. Ik verliet mijn vuurtoren toch al niet zo vaak, slechts voor de boodschappen op de hoogstnodige tijdstippen. En nu, zo’n gratuite wandeling, overgelaten aan mijn gedachten… Teveel herinneringen kwamen op me af. Het was de weidsheid hier beneden die me overviel. Ik werd teruggevoerd naar mijn jeugd, naar jaren die zo ver lagen. Jaren vol weemoed, eenzaamheid, isolement. Toen ik zelfs als kleuter wist overal buiten te staan. En diep in mij te beseffen – of het gevoel bezat – dat dit mijn lot zou worden. Ik slaagde er niet in contact te maken. Alles speelde zich af in mijn hoofd. In mijn dromen. De buitenwereld was vreemd, angstaanjagend. En ook nu, wandelend over het strand, klonk het krijsen der meeuwen, daarnet nog zo vertrouwd, als een bedreiging. Ik dacht aan de nacht met Erlinde op ditzelfde strand, ik had hier gewandeld. Mijn voetstappen waren nog te zien in het mulle zand stelde ik me voor. Onzin uiteraard. Hier moet de tent gestaan hebben. Vreemd hoe ik me zo goed haar stem herinnerde na al die jaren; de weigering om tot de vuurtoren te wandelen. Indien zij toegestemd had – misschien had ons leven een andere wending genomen. Het zou een detail geweest zijn, maar ook een signaal, iets met een betekenis. Te gek. In feite had ik later nooit meer naar haar terugverlangd, zelfs nog zelden aan haar teruggedacht. Wat doken dan nu die beelden op, die klanken, alles wat vervaagd leek door de tijd. Waar een huwelijksleven zich overheen geplaatst had als een ondoordringbare koepel. Van over het land naderden de gitzwarte wolken. Ik kon best terugkeren naar de toren. Naar de bescherming. De meeuwen kresen luider, alarmeerden elkaar voor het naderend stormweer. Dat ook zij onrustig werden deed me goed. Ik had al vaak gezien hoe ze de winden trotseerden, net als wij. Hoe ze zich schrap wisten te zetten tegen welke storm ook, zoals wij, mijn toren en ik. Hoe heviger het geweld buiten zich ontketende, hoe veiliger ik me wist. Hoe meer beschut. Niet tegen de natuur alleen. Vooral tegen mezelf. Tegen mijn zwaarmoedigheid, eenzaamheid. Het feit zo totaal afgesloten te zitten, terwijl daar de buitenwereld razend tekeer ging, voerde me tot een ingekeerde rust. Bijna tot een meditatie. Een gebed. Ik sloot de deur achter mij en beklom de ijzeren treden tot mijn hoogste punt. 190. Soms telde ik hen. Ook nu. Omdat ze mij tot de innerlijke vrede leidden. Naar mijn tempel.
Meermaals had ik me al ingedacht hoe het zou zijn om het licht van mijn vuurtoren te kunnen zien van op het water. Het was een nieuwsgierigheid. Een begeerte ook, om me onder zijn stralen te bevinden ginds enkele kilometers ver. Om diegene te zijn die door hem bestraald werd, die zijn lokroep, zijn wenkend signaal kon ontvangen. Ik zou het nooit doen. Wist ik. Niet alleen wegens de praktische moeilijkheden – die kon ik desnoods met behulp van een visser en tegen betaling wel overwinnen. Maar uit schroom, eerbied. Deontologie. We hadden stilzwijgend een pact gesloten. En daar diende ik me aan te houden. We waren er samen. En hij kon nooit optreden als een noodsignaal voor mij. Sedert ik mijn intrek genomen had, waren we er voor elkaar. Ik beschut binnen in hem. Hij verdedigd door mijn bestendige aanwezigheid. Al leek het op een avond dat ik hem in de steek zou laten. Ik zat te lezen toen plots mijn leeslamp doofde. Helaas was het niet alleen mijn lamp, de elektriciteit van de toren viel uit. Inclusief het bakenlicht. Of in zo’n noodscenario voorzien was? Dat het zelfs maar mogelijk was… En diende ik, kon ik iemand verwittigen? Maar wie? Geen idee. Ik wachtte af. Lezen kon niet meer. Muziek beluisteren evenmin. Waar vandaan weet ik niet maar toen doemde in mijn geheugen een gedicht op dat ik in mijn jeugd nog geleerd en voorgedragen had. Soms, omdat ik er zo van hield, zei ik het stilletjes voor mezelf nog wel eens en zo was het in de loop der jaren nooit vergeten. Martinus Nijhoff. Nu liet ik het klinken in mijn salonnetje, zodat de vuurtoren er deelgenoot van kon worden. Het was vreemd, mijn stem te horen. Die ik zo zelden nodig had, en al helemaal niet in deze ruimte. Nog slechts af en toe om de broodnodige woorden te wisselen met mensen in het dorp, soms. Ik herkende mezelf niet. “Laat ons gaan, jij en ik, laat ons gaan, nu de avond zich strekt langs de hemelbaan…”. Het was een lange tekst. Eén der eerder zeldzame vertalingen van Nijhoff, van T.S.Eliot, The Love Song of Alfred Prufrock. In die periode was ik nog wel dol geweest op andere gedichten van hem, eigen werk maar toch ook weer een vertaling van enkele teksten die hij gelicht had uit dat monumentale epos van Edgar Lee Masters, Spoon River Anthology. Ook die had ik toen geleerd. Maar of ik hen nog kende…? Ik was aan het eind gekomen van ‘De hartekreet van J.Alfred Prufrock’. Bij het flauwe licht van een halve maan zocht ik twee kaarsen. Misschien voldoende om bij te lezen maar daar had ik nu geen zin in. Ik zat te mijmeren toen, het licht was reeds zo’n anderhalf of twee uren gedoofd, ik gemorrel hoorde aan de deur en even later – begeleid door het felle licht van een zaklantaarn – stevige stappen de trappen hoorde beklimmen. Ik was niet verrast, de technicus wél. Mijn aanwezigheid vergde enige verklaring, het feit dat ik hier zo ingericht was eveneens. Er werden eerst weinig woorden aan besteed terwijl hij de nodige herstelling uitvoerde. Pas daarna, met de huurovereenkomst als bewijs, en daarna bij een drank kon ik een en ander verduidelijken. Of het wettelijk in orde was wist hij niet, maar de idee leek hem zo goed, en blijkbaar was mijn persoon hem welgevallig: hij zou er maar liever niks over vermelden. Wat niet weet niet deert. En tot een volgende keer.
Zo bleef ik alleen achter met mijn mijmeringen. Die onvermijdelijk weerkeerden naar Alfred Prufrock. “… laat ons gaan door zekere halfverlaten straten die mompelend bepraten wat zich ’s nachts in goedkope hotelletjes voltrekt (…) om onze aandacht te bepalen bij een levensvraagstuk dat ons verplettert… Hoe dat vraagstuk luidt doet niet ter zake.” Het was niet de herinnering aan de tijd toen ik dit gedicht instudeerde, evenmin dacht ik aan het feit dat ik het zo vaak voor mezelf herhaald had en er steeds van had genoten. Nee, het beeld was heel plots in me opgedoken dat ik het hier, op nauwelijks honderd meters van deze plaats, gezeten op het strand voor de tent, opgezegd had voor Erlinde. En dan vooral omwille van de slotregels die ik bovendien in het Engels kende. Zou ik hen ook nu nog kennen, ik probeerde… Geholpen door de vertaling slaagde ik er in na enkele minuten het origineel te reconstrueren. Hoe had ik toen genoten van de woorden die ik soms fluisterend, soms harder, tegen het ruisen der golven kon laten klinken. Genoten van de onverdeelde aandacht en verliefdheid van Erlinde. Hoe zij opging in de tekst. En in mijn zegging. Ik herinnerde me nu weer dat zij gezegd had hoezeer zij van dat moment genoten had, dat het wellicht de mooiste avond van onze reis was. En nu, onverwacht keerde hij in mijn herinnering terug als een onvergetelijke ervaring. Als een avond die ik al de voorbije jaren had moeten blijven koesteren. Het was onvergeeflijk dat ik hem zo diep in mijn geheugen weggestopt had, voor mezelf verborgen gehouden had. Uit angst? Hoe belangrijk waren die enkele uren dan misschien toch geweest. Belangrijker dan ik later nog ooit vermoedde? Zo belangrijk dat ze mij, onbewust (maar wat heet onbewust) teruggevoerd hadden naar deze, mijn, vuurtoren. Naar de stomme getuige van die ogenblikken, van dat samenzijn op het strand. Naar de getuige die toen al, zo lang geleden, mijn fluisterstem had kunnen opvangen. “De gele mist die zijn rug wrijft buiten tegen het raam, de gele rook die zijn snuit wrijft buiten tegen het raam zocht met zijn likkende tong de avondhemel af.” Wist hij toen al dat ik zou weerkeren, dat ik binnen in hem zou wonen en samen met hem op sommige dagen zou uitkijken over de zee hoe de mistbanken kwamen aanrollen, hoe die mist tegen het raam zou kleven? Herinnerde hij zich de versregels “er is nog tijd, er is nog tijd om tegemoet te zien wat men ontmoeten gaat; er is nog tijd voor een moord en een scheppingsdaad”? Waarom had ik even later geaarzeld bij twee andere regels, “ook voor ons tweeën, is er nog tijd voor nog wel honderd onzekerheden”… Een te droeve overdenking? Toch niet, die onzekerheden zouden er altijd wel zijn, noodzakelijk. Tot het leven behorend. Waarom had die gedachte me toen afgeschrikt. Zodat ik haar misschien precies daarom voor mezelf bewaarheid heb.
Ik kroop tenslotte in bed maar de tekst liet me niet los. De regels bleken te harmoniëren met het ruisen van de golven. Het tempo werd me gedicteerd door de slagen tegen de rotsen, en het telkens wegtrekken van de zee was als een contrapunt. Had ik niet, toen we stil en uitgeput naast elkaar in de tent lagen, nog deze zinnen opgezegd terwijl ik hoorde hoe de ademhaling van Erlinde verried dat zij langzaam in slaap viel? “En de avond slaapt buiten zo vredig voort! Gestreeld en gekalmeerd slaapt hij… en is moe… tenzij hij simuleert en loerend hier op de vloer ligt, en jou en mij ziet en hoort.” Deze woorden stonden ook in de originele versie me in het geheugen geprent. “… or it malingers, stretched on the floor, here beside you and me.” Mogelijk was het deze gedachte die me daarna het slapen belet had, die me de tent had uitgejaagd voor een nachtelijke strandwandeling. En voor een eerste confrontatie met de vuurtoren. De angst dat de nacht loerend tussen ons lag, tussen Erlinde en mij. Dat hij alles zag en hoorde, alles gezien en gehoord had. Een bedreiging vormde.
Een helblauwe lucht, de zon stond reeds in het zuiden en het zand brandde me de voeten toen ik over de rotsen geklauterd was. Hier moet toen onze tent gestaan hebben. Ongeveer. Ik kon de plaats slechts bepalen door het inschatten van de afstand naar de vuurtoren. Ik ging zitten, het gelaat naar de zee gewend. Geen wind. Slechts een kalme golfslag liet de baren rustig telkens een klein eindje het zand oprollen. En weer verdwijnen. De blikkering op het groen-blauwe wateroppervlak pijnigde mijn ogen. Starrelings bleef ik kijken naar de schittering, de sterren die dansten op de golven. Een roes van licht, kleur, beweging. Was ik me nog bewust van het zand onder me, van de rotsen, van de vuurtoren zelfs? Ginds was de einder, waar de oceaan en de hemel versmolten. Het rijk der goden. En daar, diep, ergens, Atlantis. De duizenden sterren op het wateroppervlak, de geur van de zee, het was een bedwelming. Toen doken ze op. Voor mijn ogen. Ik kon hen niet tellen. Maar ik wist met hoeveel ze waren, vijftig. De vijftig dochters van Poseidon en van Doris. De Nereïden. Ze spartelden. Ze draaiden en wentelden. Ze spetterden en pletsten. Ze gilden. Door elkaar heen. Onder en boven elkaar. Ze duwden elkaar onder water. Dezen die nog kwamen aangereden op dolfijnen en op zeepaardjes werden daar door hun zusters hardhandig afgetrokken. Het was een grote spelende chaos. Ik zag Neso en Pasithea zoals ze door Hesiodus beschreven zijn. En Klymene, Nemertes en Dynamene. Ik herkende Amphinome en Galateia en Thalia, al dezen wist ik mij uit de verzen van Homerus te herinneren. En daar, dicht bij het strand, zie ik plots deze die men Eunike noemt. Ik weet, zij is gevaarlijk. Was zij het niet die, met twee vriendinnen, de argeloze jonge Hylas in de val lokte en hem meesleurde naar de diepte van de oceaan, deze trouwe metgezel van Odysseus en vriend van Herakles. Bleef Odysseus niet voor hem achter in de hoop hem terug te vinden. Of klopt het verhaal dat de held ieder jaar naar de plaats des onheils zou terugkeren om zijn Argonaut te kunnen ontmoeten, vergeefs. Het is een wulps spel dat ik aanschouw. Een spel van wenteling van lichamen. De naakte boezems, de lange haren die ze verleidelijk over hun schouders en ruggen draperen en waarop het zeewater als duizend parels glinstert. Hun onderlichamen die ze tentoonstellen, als sierlijke vissenstaarten met schubben in alle kleuren, rood, groen, blauw, vermiljoen, goud en zilver, zo schitterend dat het onmogelijk is de blik langer dan een ogenblik op deze flikkering te vestigen. En dan zie ik, onmogelijk in deze zo kalme oceaan, een reusachtige golf komen aanrollen. En daarop is zij gezeten, alleen. Niet rijdend op zeepaard noch dolfijn. Dichter en dichter nadert zij de kust. Vlakbij het strand reeds. Zodat ik denk, vrees, hoop dat zij dadelijk op het strand zal geworpen worden. Maar net voor zij mij bereikt, hoog rijdend op de schuimende massa, gooit zij zich met een sierlijke achterwaartse salto in het water en onttrekt zich even aan mijn blik. Gelijktijdig bedaart de oceaan en breekt de golf kabbelend aan mijn voeten. Reeds toen zij nog veraf was had ik haar herkend. Natuurlijk had ik haar herkend. Haar schoonheid, haar trotse houding. Thetis.
Niet alleen is zij de mooiste der Nereïden, zij is ook hun leidster. Geen wonder dat Zeus naar haar hand dong. Toen zij hem halsstarrig bleef afwijzen besloten de goden haar als straf een mens tot bruidegom toe te wijzen, Peleus. Naast de kunde van het voorspellen kon Thetis zich evenwel in alle gedaanten veranderen die zij wou. Toen Peleus zijn aanstaande bespiedde terwijl zij speels van de golven genoot bij de kust van een Thessalisch eiland, en hij haar wou grijpen, veranderde zij zich beurtelings in vuur, water, wind, een vogel, een boom, een tijgerin, een leeuw, een slang en tenslotte in een inktvis… Pas na tussenkomst van de goden wist Peleus zijn verloofde te vangen en kon de bruiloft gevierd worden. Uit een waarzegging was gebleken dat alle zonen uit hun huwelijk zouden omkomen in de strijd. Om dit te verhinderen wreef Thetis zes van de zeven jongens in met ambrozijn, het godenmengsel, en dompelde hen in het vuur om hen zo naar de Olympus te sturen. Dit buiten medeweten van Peleus. Toen zij het ritueel aan het voltrekken was bij Achilles werd zij daarbij door Peleus betrapt en gestoord. Achilles bleef leven en behield ook een kwetsbare plaats, zijn hiel die hem later fataal zou worden. Thetis was hierover zo verbolgen dat zij zich van Peleus liet scheiden en terugkeerde naar de diepte van de oceaan, naar haar negenenveertig zusters. En zo rees zij nu voor mij op, tussen hen. In al haar pracht. In al haar overweldigende schoonheid. Was dit alles een waanbeeld? Deze vijftig zeenimfen. Ik keek links van mij en zag op de kleine rotsen de vuurtoren. Rechts van mij strekte zich het strand uit. Nee, wat ik voor me zag was even tastbaar, even reëel. Daar waren die goddelijke zeewezens met elkaar aan het spelen, plagerig aan het stoeien. En tussen hen zwom statig maar gracieus hun koningin Thetis die hen, telkens ze haar met hun spel benaderden, minzaam glimlachend afweerde. Ik herinnerde me een aantal schilderijen en beeldhouwwerken waarop ik haar gezien had, waar zij neergezet was door zoveel kunstenaars in diverse stijlen. Alleen. Met Zeus. Met Peleus. Op de bruiloft. Tussen haar zusters. Geen afbeelding kon me werkelijk bevredigen sinds ik die ene gezien had, mogelijk de eerste die gemaakt was, een Romeins beeldhouwwerk. Dat beantwoordde aan haar werkelijke schoonheid, de nobele gelaatstrekken, het trotse maar ook lieflijke. Nu, nu ik haar hier voor me had zien opdagen, besefte ik, die beeldhouwer moet haar ook gezien hebben. Hij moet verliefd geworden zijn op haar om in staat te zijn geweest dit alles in marmer tot leven te wekken. Zijn werk kan geen surrogaat geweest zijn. Maar ik besefte meer. De foto van dit werk had ik gezien in mijn puberteit. Zij had me gefascineerd. Mogelijk was ook ik verliefd geworden op deze uit steen gehouwen zeenimf. Op deze reïncarnatie van de kleine zeemeermin uit mijn kleutertijd. En wat meer is: enkele jaren later moet ik haar teruggevonden hebben in een meisje op wie ik me echt kon verlieven. Erlinde.
De zon gaat onder. Over het rustige wateroppervlak ligt een oranje gloed terwijl de lucht diep paars-rood neerdaalt. Een grillig kleurenspel. We kijken uit over de zee, Erlinde en ik. Zij luistert hoe ik de laatste zinnen van ‘De hartekreet van J. Alfred Prufrock’ laat klinken. Met het ruisen der golven als sonore begeleiding. “Ik heb de zeemeerminnen onder elkaar horen zingen. Ik denk niet dat zij ooit zullen zingen voor mij. Ik zag ze op de golven zeewaarts rijden. Zij kamden op de golven de witte kuiven die de wind uit onstuimig water doet stuiven. Onze verblijfplaats is het paleis van de zee. Nimfen omkransen ons met zeewier en met kinken tot mensenstemmen ons wekken, en wij verzinken.” Ik pauzeer. We mijmeren allebei. Elk zijn gedachten. Zijn ze parallel na dit lange gedicht? Dan besluit ik, omdat ik zo van deze laatste regels hou en omdat ze hier op deze plaats zo toepasselijk zijn, en me zo sfeervol lijken, hen ook in het Engels te laten horen.
I have heard the mermaids singing, each to each.
I do not think they will sing to me.
I have seen them riding seaward on the waves
Combing the white hair of the waves blown back
When the wind blows the water white and black.
We have lingered in the chambers of the sea
By sea-girls wreathed with seaweed red and brown
Till human voices wake us, and we drown.
“Wat een heerlijke avond” zegt Erlinde, “dit is wel het mooiste moment van onze ganse reis.” Ik zwijg. We staren over de zee. Er zijn geen andere geluiden te horen dan de golven, hier vlakbij heel rustig, en verderop luider klotsend, kolkend tegen de rotsen waar zelfs het kalme water zijn terugslag ietwat dreigend laat klinken. “De zeemeerminnen zullen zich niet aan ons vertonen” zeg ik. “Wie weet, misschien toch” mijmert Erlinde, “misschien verbergen ze zich op dit ogenblik daar in de diepte, wachten ze op ons, je weet maar nooit.” “Verhalen uit het verleden, sprookjes, zie jij hen ooit werkelijk opduiken vanuit hun zeekasteel?” “Wie weet, op avonden als deze is alles mogelijk. Of indien je voldoende gelooft. Maar zeenimfen, zeefeeën, ze zullen veeleer aan jou verschijnen dan aan mij. Ze zullen jou tot prooi willen maken en je verleiden met hun wulpse vormen en hun zang.” Nog even verlies ik mij, met de woorden van Eliot stilzwijgend in mijn hoofd, in mijmerijen na wat Erlinde zei. Het is moeilijk afscheid te nemen. Maar morgen wacht opnieuw een dag. Een nieuwe route. Al wil ik daar niet echt aan denken. Erlinde is praktischer ingesteld misschien. Zij neemt het initiatief; we kruipen in de tent.
Het was onverwacht. Voor mij. Mogelijk kennen de vissers de grillen van de natuur veel beter. Een stralende dag was het geweest, zon, heldere lucht, geen wolk te bekennen, kalme zee. De avond was gevallen, als in een gelijkmoedige sfeer, overgaand naar een rustige nacht. Het was zelfs binnen de dikke muren van de vuurtoren en beschermd door de kleine ramen, met het water vlakbij, warm en zwoel. Ik zat nog een poosje te lezen. Dante. Vita Nuova. Een enorme donderslag schrikte me op. Een lichtflits had ik niet eens gemerkt. Eerst dacht ik dat het een verloren, voorbijgaand fenomeen was. Maar dadelijk volgde een tweede zo mogelijk nog luidere knal waarvan het geluid bleef verder rollen van over de zee, over mijn hoofd naar het binnenland. Zo leek het. Minder dan een minuut daarna klonk een derde donderslag; deze keer had ik ook de lichtflits gezien die zich mijn kamer als het ware had binnen geslingerd. Ik had het gevoel of dit geluid, in wat de ergste stormwind niet vermocht, de toren liet beven en kraken. Met enige aarzeling vatte ik post aan het raam dat uitzag over zee. Het water was kalm, tussen twee donderslagen hoorde ik de golven nauwelijks. Het regende ook niet. Maar wat een schouwspel! Wat ik dacht lichtflitsen te zijn openbaarden zich nu als langgerekte, alle kanten vandaan komende vuurpijlen in de meest grillige vormen. En in zoveel in elkaar overvloeiende kleuren dat iedere beschrijving onmogelijk is. Een fantastisch en beangstigend vuurwerk. Dat, begeleid door de donderslagen die slechts met elkaar leken te wedijveren in hardheid, volume, lengte, tot een klank- en lichtspel uitgroeide. Dat alles rolde me van over het water – voor me, links, rechts – tegemoet. Fascinerend. Uitdagend. Een confrontatie met de macht van de natuur. Ik vroeg me af hoe vergeefs mijn vuurtoren zijn signaal uitzond, dwars tegen dit alles overheersend lichtspektakel in. Gelukkig was er geen storm. Hoe beangstigend zou het niet zijn zich onder dit ontketend geweld te bevinden. Nauwelijks had ik dit gedacht of een rukwind stortte zich op de toren. En gelijktijdig zag ik hoe – onder de nu nog dreigender bliksems – grote schuimkoppen aanrolden om even later bulderend tegen de rotsen te beuken. Bonkend en denderend sloegen de golven te pletter, om zich met zuigende, smakkende geluiden tussen de rotsen uit weer weg te trekken. Zo’n akelige geluiden had ik nog niet gehoord. Wellicht ervoer ik hen ook alleen als zo akelig in combinatie met het totale geweld van de natuur dat me overrompelde. Bang was ik niet. Mijn vuurtoren had wel meer doorstaan allicht. Maar mochten zich nu mensen op zee bevinden… Gelukkig was dit niet het tijdstip voor de vissers. En vermoedelijk hadden die ook voldoende ervaring om zo’n natuurfenomeen als dit te voorzien. Het was aangrijpend. Onmogelijk om me van dit spektakel los te rukken. Wanneer er toch heel even, tussen twee bliksems door, een korte pauze was, bleek de lucht inktzwart te zijn. Van een donkerte die ik niet voor mogelijk hield, een ondoordringbare duisternis die loodzwaar op de aarde drukte. Dit was geen maanloze nacht, geen nacht die door bewolking de sterren aan ons oog onttrok, dit was het hellezwart. Macaber. De enige levende wezens die zich vertoonden waren een aantal stormy petrels, de kleine zeemeeuwen die je uitsluitend bij stormweer te zien krijgt. Ik begaf me naar het raam dat uitkeek over het strand. De golven rolden onverbiddelijk over het zand, dieper landinwaarts dan ik ooit gezien had, tot de voet van duinen en rotsen. Nauwelijks was een golf bedaard of een volgende overspoelde reeds de plaatsen die het water anders nooit bereikte, meedogenloos. Het moet zo wel twee uren geduurd hebben. Toen, in nauwelijks enkele minuten kwam de storm tot bedaren. Het onweer hoorde ik nog een poos in de verte rommelen, een bliksemschicht was niet meer merkbaar in mijn toren. Toen ik in bed lag leek het alsof het geluid van de wind en van de donderslagen nog nasuisde in mijn oren. Ik kon de slaap niet vatten. Ook omdat ik onrustig was, omdat zich vragen aan me opdrongen, een voornemen misschien – dwars tegen een eerder idee in.
Van de tempest was de volgende ochtend niet veel meer te merken. Alleen op het strand, dat bleek deels bezaaid met wier en schelpen. De gedachte die in mij opgekomen was gedurende mijn hoofdzakelijk slapeloze nacht had zich sterker vastgezet in mij. Hoewel ik dit nu precies nooit gewild had, was het verlangen dermate gegroeid dat ik besloot de stap te wagen. Ik zou trachten het vuurtorenlicht van op de zee te zien. Het zou te regelen zijn. De stralen zien, hoe ze mij zouden bereiken wanneer ik op het water was – het verlangen was gekomen toen ik besefte dat het licht wellicht niet kon optornen tegen de felle bliksems. Maar ik diende mezelf ook te bekennen dat een tweede verlangen speelde. Na mijn belevenis met de zeemeerminnen, met de Nereïden. Hen naderen, hun wateren bevaren, hen uitdagen op eigen terrein. Een idee had zich in mij vastgezet. Waar huisden ze. Waar verscholen ze zich. Waar op de bodem van deze oceaan zochten ze hun toevlucht. Hun toevlucht, de verzonken stad Atlantis, wie weet zou ik boven hun rijk varen. Atlantis, of hoe het ook kon genoemd worden, één der verdwenen beschavingen, Lemurië, Mu. Of Montsalvat zelfs, de Graalburcht; het zou me niet verbazen indien deze frêle godinnen de heilige graal onder hun hoede hadden genomen, reeds eeuwenlang. Ik wou me op zee wagen, het licht zien. Dit van mijn toren. En dit van de meerminnen. Indien ik eerlijk was, van deze ene meermin, Thetis. De mooiste. De gevaarlijkste. Die mij zou weten te lokken, dat besefte ik, en die van gedaante zou veranderen voor mijn ogen, van vogel in tijger, van boom in inktvis, van zichzelf in… ja in wie. Het gelaat van Erlinde was sinds die confrontatie met de dochter van Poseidon en Doris niet meer uit me weg te branden. Zohaast in de namiddag de vissers de kust naderden, terugkerend met hun vangst, haastte ik me naar het haventje. Ik had mijn hoop reeds gevestigd op een wat oudere man die me al enkele malen aangesproken had. Tot een echt vertrouwelijk gesprek was het weliswaar niet gekomen maar een vrijblijvend praatje over het weer, de visvangst, de familie creëerde al een band besefte ik. Er werd al uitgeladen toen ik arriveerde. Pas toen alles weggevoerd was en er rust over het haventje kwam slaagde ik er in de man te spreken. Mijn vraag klonk hem wel heel vreemd; hij aarzelde dan ook. Nee, een avondlijke tocht op zee schrikte hem niet af, maar wat wou ik dan in hemelsnaam doen? Het was moeilijk te verklaren natuurlijk. Over zeemeerminnen kon ik al helemaal niet spreken. Alleen het feit dat ik het licht van de vuurtoren eens van op de zee wou zien… en dat het me nu eenmaal fascineerde om ’s avonds of zelfs bij het begin van de nacht op het water te zijn… Natuurlijk zou ik er goed voor betalen. Me dunkt dat dit laatste de doorslag gaf, al begon ik hem, pratend, toch ook vertrouwen in te boezemen. We spraken af voor nog diezelfde avond, bij schemer.
De laatste zonnestralen kleurden het water oranje-rood terwijl ik bij het haventje zat te wachten. Nerveus. Niet uit angst dat de afspraak niet zou doorgaan, bij zo’n visser was een woord een woord. Maar voor de trip zelf, het avontuur. Me op zee begeven beangstigde me absoluut niet; het was de verwachting die in me leefde. De dubbele verwachting. Gek genoeg was ik me plots gaan schamen tegenover mijn vuurtoren, dat ik zijn licht van op een boot wou zien. Alsof ik hem niet vertrouwde. Een absurd, een idioot idee en gevoel natuurlijk, maar ik ontkwam er niet aan. Ik ervoer het als trouweloosheid. En dan was er natuurlijk de hoop om de zeemeerminnen bij valavond te betrappen. Hen te zien dansen in de golven terwijl het water, bepareld door het maanlicht, van hun lichamen gleed. Hun natte haren in de manestralen, die blanke bovenlichamen wentelend in de golven, hun vissenstaarten groen en goud en zilver geschubd draaiend en dansend in het schuim. Terwijl ze elkaar kleine gilletjes zouden toewerpen, of enthousiaste kreten. Of misschien zou er gezongen worden. Een zoetige, slaperige en lokkende melodie. En dat alles om de kwetsbare mens, de naïeve mens, te verleiden naar de diepte, naar Atlantis, naar hun Rijk, naar zijn ondergang. Maar zouden ze zich vertonen wanneer ik in het gezelschap was van de oude visser? Die, toen ik een kwartier gewacht had, uit de schemer opdook vergezeld van een jongen van zo’n zestien, zeventien jaar. Natuurlijk, hij zou iemand nodig hebben naast zich, zo’n boot laat zich niet door één man besturen. De jongen werd me kort voorgesteld als zijn kleinzoon, enkele minuten later voeren we reeds de baai uit. Waarheen ik nu precies wou? Tja, rechtover de vuurtoren, en – ik rekende dat het bereik van het licht negentien kilometer was – nu ja, zo’n vijftien kilometer van de kust. De schipper en zijn maatje grinnikten, kilometers, hier sprak je over mijlen, zeemijlen. Wat niet belette dat mijn intentie begrepen werd. En dat het schip eerst in rechte lijn volle zee koos om daarna een brede bocht te maken en op de aangeduide plaats af te stevenen. Inmiddels had ik uiteraard zohaast we achter de baai vandaan kwamen het licht van mijn vuurtoren reeds gezien. Lang – duister – kort – duister – lang … De machine werd stilgelegd. Het anker werd geworpen. Stilte. Alleen het ruisen van de golven, het klotsen van het water tegen de scheepswand. De vissers zwegen. In gedachten verzonken? Slaperig? Of gewoon ongeduldig wachtend tot ik het sein zou geven dat mijn idioot idee een einde nam en we konden terugkeren? Ik stond aan de reling. Hoe bescheiden leek me het signaal dat mijn vuurtoren uitstraalde, onze richting uit. Bescheiden maar toch duidelijk. Een wenk van veiligheid, vertrouwen. Op het wateroppervlak zelf was het licht nauwelijks te zien, alleen in de verte, dichterbij de kust zag ik de schijn oplichten in de zee, ritmisch. Hier, naast de boot, bleef het water zijn eigen diepblauwe kleur onder de maneschijn behouden. Daarop fixeerde ik nu mijn blik. Verwachtingsvol. Hoe lang? Tot het leek als verscheen onder de golven, die nog steeds rustig tegen de wand sloegen, een donkere schaduw. Die langs het scheepje heen zwom, keerde en zich opnieuw vertoonde. Dit herhaalde zich enkele keren. Kon het een grote vis zijn, net onder het zeeoppervlak, een dolfijn? Ik wist beter. Het verraste me dan ook niet toen ik heel zacht beneden mij hoorde zingen. Wat me wel verbaasde was dat, gedempt door het water, de stem toch zo kristalhelder klonk. Betoverend. Verleidelijk. Lokkend. Onweerstaanbaar. Terwijl ik gebiologeerd luisterde, en zag hoe de schaduw soms verdween dieper de oceaan in om dadelijk weer te keren, merkte ik plots onpeilbaar onder me een schittering van honderden, duizend lichtjes. Het was alsof in een stad de verlichting aangegaan was. Door de beweging van de golven tintelden en parelden die minuscule lampen op de zeebodem zodat het me duizelde. De zangstem, het lichtspel, ik raakte in een roes, betoverd. En dan dook uit de oceaan het hoofd en daarna het bovenlichaam van Thetis op. Zeewier omkranste haar haren. Het water gleed als majesteitelijk van haar schouders en armen af. Een minzame maar ook trotse glimlach nodigde me uit terwijl zij uitdagend haar blanke borsten in en uit de golven liet dalen en rijzen. Haar gebeeldhouwd hoofd van meer dan duizend jaren her, hoe leek zij hier op Erlinde. Zij was niet alleen volmaakte schoonheid, zij was ook puurheid, zuiverheid. En toch zo verleidelijk en de symbolisering van de passie. Haar volgen? Ik keek omhoog, richtte mijn blik op mijn vuurtoren. Nee. Ik moest terugkeren, ik kon hem niet in de steek laten. Nu niet. Nog niet. Hoezeer ik ook smachtte. Nog even waagde ik het in de diepte te kijken. Ik wist niet wat me meest lokte, de uitnodigende ogen van de opperzeenimf, haar witte rondingen, de geuren en de koelte van het water, de onpeilbare diepte van de oceaan waar zich ergens het verzonken paradijs moest verbergen. Gelukkig riep toen toch opnieuw de lichtstraal van de vuurtoren me tot de werkelijkheid terug. De werkelijkheid? “Keer maar terug” zei ik tot de visser. Ik besefte dat het abrupt moet geklonken hebben, bijna als een snauw. Ik wou weg van die plek, onmiddellijk. Vertrekken. Me losmaken van de verleiding. Veilig zijn.
Was ik veilig? Vanuit het raam keek ik uit over de oceaan naar de plaats waar ik twee uren geleden Thetis had ontmoet. Waar de lichten van de verzonken stad me gewenkt hadden. Waar ik me bijna had laten verleiden, betoverd door het beeld van de jeugdige Erlinde zoals zij jaren geleden met mij hier aan het strand geslapen had. De stralen van de vuurtoren gleden over het water. Hoe doods leek me nu die oceaan. Waar was de zeegodin. Waar bevond zich ergens, daar in de diepte, misschien, Atlantis. Plots herinnerde ik me een liedje uit mijn jeugd, van Donovan, sfeervol. ‘Atlantis’. En enkele woorden doken op, “The great Egyptian age is but a remnant of the Atlantian culture”. En nog: “Knowing her fate…” ja, de bewoners van Atlantis wisten dus dat ze zouden verzinken, dat zijzelf, hun stad, hun cultuur zou verzwolgen worden… was het Thetis niet gegeven ook voorspellingen te doen? Daarom, aldus Donovan, stuurde Atlantis zijn wetenschappers en kunstenaars tijdig uit over de hele wereld, “the poet, the physician, the farmer, the scientist, and the others so called gods of our legends”. De dagen gingen voorbij, drie, vier. Vaak speurde ik de golven over vanuit het hoogste raam. Maar dikwijls begaf ik me nu ook naar het strand. Onrustig als ik geworden was. Vruchteloos. Wat er te zien was kon me niet bekoren, het waren de dingen die ik reeds gewoon was. De vissersboten, de zeilscheepjes dichtbij de kust, grotere jachten dieper in zee, veraf aan de einder soms een vrachtschip of een cruiseschip. Mijn blik haakte er niet aan vast, hij gleed voortdurend verder over de golven om een glimp op te vangen van een vrouwenhoofd, van haren die uit het water zouden opduiken en zich uitschudden. De vijfde dag ontwaakte ik onder een grijze lucht. De regen sloeg tegen het raam. De wind zwiepte het water op. Een troosteloze dag. Moedelozer dan de dagen voordien staarde ik over de lege watervlakte. Zeilscheepjes of zelfs jachten zouden zich niet bij de kust wagen nu, de vissers durfden wel uit te varen misschien maar ze lieten op zich wachten. Toen zag ik – niet zo ver van de kuststrook vandaan – toch een zeilschip opdagen, onverwacht. Ik had het niet mijn blikveld zien binnenvaren. Het leek me groter dan de meeste jachten, en vreemd van vorm en vooral van kleur. Hier geen wedijver van vrolijkheid met wit en enkele lichte tinten. Ik zag hoofdzakelijk zwart. Ik wou er meer over weten en haalde mijn verrekijker. Ik stond perplex. Het schip was bovenaan open maar bezat een soort rieten dakje als beschutting. Voor- en achtersteven waren heel sterk omhoog gekruld en staken ver boven de waterspiegel uit. Het geheel was zwart, ook het reusachtige zeil, al was hier en daar een versiering met karmozijn-rood aangebracht die ik met het blote oog niet had gezien. Achteraan op de hoge boeg stond iemand aan het roer, vooraan onder een afdakje keek iemand uit over de oceaan, de kapitein? In het schip zaten langs de voor mij zichtbare zijde twaalf roeiers – allicht waren er aan de andere zijde evenveel. De roeiers zaten in ontbloot bovenlichaam, maar wat ik van de kleding van kapitein en stuurman kon zien… Dit beeld verplaatste me tientallen jaren terug in de tijd, mijn humaniora. De Odysseus. De twaalf schepen waarmee hij naar Troje voer. Was dit een replica. Een groep die het schip nagebouwd had en zich er nu mee op zee waagde. Ik wist dat er mensen waren die zich in het weekend amuseerden met het imiteren van een heus indianendorp. Of het naspelen van middeleeuwse oorlogen. Anderen besteedden hun vrije tijd aan dichterbij liggende slagvelden, Waterloo, de wereldoorlogen. Reënactment werd dit vreemde tijdverdrijf genoemd. Maar dit? Het was niet ondenkbaar, maar zouden ze hun leven wagen in dergelijke weersomstandigheden, in wat mij een niet echt zo zeewaardige boot leek, naar onze normen althans. Langzaam gleed, schreed het voorbij. Het was ter hoogte van waar we het anker gegooid hadden, waar ik Atlantis in de diepte had ontwaard. Bizar, ik merkte hoe het zeil plots slap neerhing, hoe de roeiers hun werk staakten. Van de einder leek een mistgolf over het water te komen aanrollen. Kwam dichterbij, overspoelde het schip, naderde de kust en loste dan op. Het schip was verdwenen.
Ik had me van het raam afgewend. Was dit alles een visioen? Een hallucinatie? De zeemeerminnen, Thetis, de zeegoden, de lichten van Atlantis, het schip van Odysseus. Erlinde zoals zij opdook in de gestalte, in de beeltenis van de zeegodin. Was ik bedwelmd. Waren mijn zintuigen aangetast, mijn brein beneveld. Had de eenzaamheid in de toren me tenslotte in haar macht gekregen en mij tot waan gedreven. Ik wist niet of ik nog in staat was helder te denken. Was dit alles nog rationeel. Kon ik nog geloven wat ik gezien en gehoord had, waren de beelden en de geluiden zo echt als ik hen ervaren had of waren het zinsbegoochelingen. Was ik gegrepen door een koorts, de eenzaamheid, verbittering, pijnlijke herinneringen, onvervulde verlangens. Wat zich alles creëerde tot een schijnwereld waarin ik mijn uiteindelijke lotsbestemming zou willen vinden. Ik kon het niet aanvaarden. Het was allemaal te reëel, ik hoorde de heldere stemmen van de Nereïden klateren, de betoverende zang van Thetis. Ik zag de bekoorlijke lichamen van de nimfen dartelen in de golven, de lichten van stad diep verzonken in de oceaan. Oprijzend uit de oceaan verschenen opnieuw Poseidon, Neptunus, de drietand blikkerend in het zonlicht. En, terwijl zij in het schuim verdween, Thetis, besefte ik dat zij Erlinde gelijk was, en dat we nogmaals afscheid namen daar op het strand. Maar dat ik het deze keer niet onherstelbaar wou laten, dat ik haar zou terugzien, terugwinnen. De Erlinde van de oceaan mocht me niet ontsnappen.
De volgende dag dwaalde ik over het strand, de rotsen, van de ochtend tot de avond. Wezenloos. Uitkijkend over de eindeloze watervlakte. Soms haperde mijn blik, maar telkens was het een zeilscheepje, of in de verte een vrachtschip, een verlate visser. Bedwelmd door de warmte en de vermoeidheid zeeg ik toen het begon te schemeren neer op het zand. Sloot de ogen. Meteen hoorde ik het geschal, het toeteren dat over de weidse oppervlakte galmde. Het echode, werd beantwoord. Ik aarzelde de ogen te openen, bang wat ik te zien zou krijgen. Uit de golven was Triton opgedoken. En hem omringden zijn Tritonen, blazend op schelpen van diverse grootte en vorm. De Tritonen, de speelmakkers van de Nereïden. Was het niet zo dat men hen toeschreef dat ze samen de zielen der overledenen naar een wereld aan de overkant van de oceaan brachten? Een wereld aan de overkant? Of een wereld in de oceaan, verzonken, verdwenen…? Het geluid, als uit honderd trompetten, hoorns, fluiten, hoe hard het ook op me inbeukte, verloor niets van zijn lieflijkheid. De eerste indruk, de Tritonen hadden me in hun plotse verschijnen angst aangejaagd, was weggeveegd. Ook deze zeemeermannen bezaten in hun stoerheid dankzij de beweeglijkheid in het water en de vorm van hun lichaam met de vissenstaart een gelijkaardige sierlijkheid als hun vrouwelijke pendanten. Waar waren ze, werden ze niet gelokt, de Nereïden, door dit goddelijke schallen uit de schelpen? Nauwelijks was de vraag, de hoop gerezen of daar doken ze op, als geboren uit het schuim der golven. Gezeten op zeepaardjes en dolfijnen. Met vooraan Thetis die zich de huldegroet van Triton met geheven drietand liet welgevallen en deze met minzame glimlach beantwoordde. Het mysterieuze zeevolkje mengde zich onder elkaar, op de klanken van de schelpen zongen de zeemeerminnen met heldere stemmen hun liederen. Er werd op en in en onder de golven gedanst, gespeeld, geflirt. Men lachte, schaterde. Thetis en Triton keken op afstand toe. Waardig. Maar ook geamuseerd. Tot de maan haar helderste stralen over de oceaan goot. Triton stak hoog zijn drietand. Thetis beperkte zich tot een gracieus handgebaar. Daar verzamelden zich de Tritonen, ginds de Nereïden, en even later was het water kalm, in de golven was niets meer merkbaar van het wonderbaarlijk tafereel. Waarheen waren ze allen zo vlug verdwenen? Ik richtte mijn blik naar waar ik Atlantis vermoedde. Waren ze teruggekeerd? Naar hun verzonken stad, hun eiland waarover Plato zoveel verhaalde in zijn Critias. Hoe Poseidon aan zijn oudste zoon het eiland schonk en hem koning maakte, aan Atlas, hierbij Atlantis stichtend, een machtig rijk. Er werd een kanaal gegraven, er kwamen havens die het eiland in- en uitvoer met alle landen toestonden. Maar het land zelf beschikte over alle rijkdommen, voldoende voedsel; er leefden de meest vreemde dieren, er groeiden de prachtigste planten en bloemen. Het volk leefde in rust en vrede. Men bouwde tempels ter ere van de goden, uiteraard voor Apollo. Deze was de grootste, in goud, zilver, orichalcum, ivoor. En midden in de tempel verrees een gouden beeld van de god op een wagen getrokken door zes gevleugelde paarden. Om hem heen zaten honderd Nereïden op dolfijnen, honderd, dat was – aldus Plato – het aantal dat men in die tijd vooropstelde. Atlantis… Helaas. In dat andere werk van hem, de Timaeus, verhaalde de filosoof kort hoe het eindigde. Daar zegt hij nog hoe dit eiland zijn macht uitgebreid had over Libië, tot Egypte, grote delen van Europa. Maar toen waren er de vreselijke aardbevingen en zondvloeden. Hele gebieden werden in de aarde opgeslokt, en het eiland Atlantis verdween in de zee. In het jaar 9.700 voor Christus. Daarom is de oceaan op die plaats niet bevaarbaar, hij is te ondiep, er is een ‘zandbank van modder’ waar Atlantis ten onder ging. Dat was wat Critias gehoord had van Solon, en wat Plato opgetekend had.
Het water glinsterde onder de maan. Wat me restte was eenzaamheid. Ik kroop overeind en begaf me moedeloos in de richting van de vuurtoren. Hier, op deze plaats moet jaren geleden onze tent gestaan hebben. Hier zaten we naast elkaar, Erlinde en ik. Hier sliepen we naast elkaar. Hier had ik ’s nachts een eerste keer de lichtstraal gezien. En hier had ik de woorden van Eliot laten klinken. “I have heard the mermaids singing, each to each. I do not think they will sing to me. I have seen them riding seaward on the waves combing the white hair of the waves blown back when the wind blows the water white and black.” Pas toen merkte ik dat ik onbewust luidop de verzen reciteerde. “Onze verblijfplaats is het paleis van de zee. Nimfen omkransen ons met zeewier en met kinken tot mensenstemmen ons wekken, en wij verzinken… and we drown.” Ik zweeg. De stilte was overweldigend. Het leek alsof zelfs de golven geen geluid meer maakten. In deze onnatuurlijke geladenheid was het als werd ik bekeken, ik werd me bewust van een aanwezigheid en keek om. Op een rots, enkele meters achter mij, zat Thetis. De druppels schitterden nog op haar bovenlichaam, zij schudde haar haren waaruit het water als glinsterende pareltjes zich verspreidde. Van haar vissenstaart gleed nog in fijne straaltjes het laatste zeewater, daarmee donkere vlekken makend op de rots en op het zand. Zij keek me aan. Even zat zij roerloos. Dan bewoog zij haar onderlichaam zacht wiegend van links naar rechts. Het licht van de maan speelde met het goud, het groen, het zilver van de schubben op haar staart. Hoewel zij zich niet veel vlugger leek te bewegen werden de kronkelingen toch heviger. Ze werden uitdagender, wulpser. Bijna decadent. Waarom dacht ik toen aan mijn kleine zeemeerminnetje, dit uit het sprookje van mijn jeugd, mijn vriendinnetje zoals ik het leerde kennen uit de tekst van Andersen. Hoe verliefd was ik niet jarenlang op haar geweest. Ik herinnerde me nu die gevoelens, dat verlangen, die onschuld, die reinheid. Hoe verliest men dat alles toch. Mijn gedachten werden verstoord, al te verleidelijk drukte Thetis, oppergodin der Nereïden, de mooiste der zeenimfen, haar gratievolle staart tegen de rots. Bewoog hem daarna omhoog tot hij zich in een hoek van negentig graden met de steen bevond. Zo wees hij rechtstreeks naar mij. Nu speelde zij met de uiteinden, de twee vinnen van haar staart. Ik had niet beseft dat zij ook hiermee zo sensueel zou kunnen uitdagen. Wat verwachtte zij van mij? Bood zij zichzelf aan? En ik, wat was mijn bestemming, ‘wij verzinken, we drown…’? Was dit waar ik naar uitgekeken had? Ik richtte mijn blik op het gelaat van Thetis. Zij glimlachte. Een uitnodigende glimlach. Op dat ogenblik schoof een wolk voor de maan en viel er een schemer over het strand. Duister was het evenwel niet. De gestalte van Thetis die zich nu losmaakte van de rots was duidelijk zichtbaar. Met versneld kloppend hart wachtte ik af terwijl zij op me toe schreed. Schrijden? Zij had een mensenlichaam aangenomen, zich een menselijke gestalte toegeëigend. En dan pas zag ik het. Voor mij stond niet meer Thetis. Daar stond Erlinde. Erlinde zoals zij er ooit uitzag, toen, we waren achttien jaar. Dit moest wel een waanbeeld zijn, een begoocheling. En toch stond zij hier voor mij, levensecht, glimlachend, stak zij de hand naar me uit. Ik reikte naar haar. Warm lag haar hand in de mijne. Onder mijn vingertoppen voelde ik zelfs het bloed kloppen in haar pols. Levend. Erlinde stond levend voor me. En uitnodigend glimlachte zij terwijl zij me zacht meenam in de richting van het water. Betoverd liet ik me meevoeren. Langzaam liep zij de golven in, ik volgde, het water kabbelde me rond de voeten, omspoelde mijn kuiten, reikte me tot de knieën. Erlinde bevond zich tot het middel in het water, rukte aan mijn arm zodat ik bijna het evenwicht verloor. Onderwijl liet zij zich languit in de golven vallen. Ik was verbijsterd, opnieuw zag ik in het water voor mij de vissenstaart. Thetis. Nog net slaagde ik er in me los te rukken terwijl de zeegodin zich met enkele slagen verwijderde, onderdook, verdween. Als een visioen oploste in de oceaan.
Verbijsterd, verslagen keerde ik naar de vuurtoren terug. Naar bed gaan kon ik niet. Ik stond bij het raam en bleef uitkijken over de oceaan. Er restten me uitsluitend vragen. Geen antwoorden. Bevond zich ginds Atlantis. Was het daarheen dat Thetis verdwenen was. Dat Erlinde verdwenen was. Waarom werd ik, indien dit alles geen waanbeeld was, uitverkoren. Was het een gruwelijk spel van de zeegodin. Maar toch, vooral, de Nereïden, Thetis, Poseidon, de verzonken stad, waar eindigde de mythologie, waar begon de werkelijkheid. Mijn werkelijkheid. Ik dacht aan de voorspellingen die de helderziende Edgar Cayce deed in 1940. Hij zou nooit ook maar over Atlantis gehoord hebben, of er iets over gelezen hebben, Plato was hem onbekend. Toch beschreef hij het verzonken eiland, dat volgens hem 10.000 jaren geleden moest verdwenen zijn, accuraat en conform Plato’s versie. Alleen, volgens de zowat zevenhonderd visioenen die uit zijn mond opgetekend werden terwijl hij in een somnambule slaap verkeerde, hadden de bewoners van Atlantis hun ondergang zelf bewerkstelligd. Hun wetenschap, hun kennis was verder gevorderd dan de onze (in 1940) en nucleaire experimenten en dergelijke zouden hen fataal geworden zijn. Helaas zou zijn stelling dat Atlantis in 1968 of 1969 weer zou verschijnen niet bewaarheid worden. Of toch? Diende zij niet zo letterlijk genomen te worden. Kwam het eiland niet echt aan de oppervlakte maar zou het zich, met zijn bewoners, vanaf die datum weer manifesteren, op een andere wijze… Vragen. De golven sloegen kalm tegen de rotsen aan. Het licht van de vuurtoren schoot zijn straal regelmatig over de oppervlakte. Het klotsen van het water. Meer niet. Ik was eenzaam.
Zo brak een nieuwe dag aan. Vol twijfels. En verlangens. Toen rees de vraag of er wel zo noodzakelijk grenzen bestonden. Grenzen in de ruimte. Grenzen in de tijd. Grenzen tussen schijn en werkelijkheid. Waren wij inderdaad niet veel meer dan de schimmen van Plato. Hoe kon ik alles wat tot nu gebeurd was plaatsen? Was Erlinde mijn anima, mijn vrouwelijke geest. Die zich ook net zo goed kon manifesteren in Thetis. Mijn anima die samen met mij door de ruimte en de tijd haar weg zocht, onbelemmerd. Erlinde, ontstaan uit de mythologie, gebeeldhouwd in marmer, verzonken in Atlantis, weergekeerd naar deze kust… een zeegodin. Hoe kon ik Erlinde, achttien jaar jong, opnieuw aan deze kust ontmoeten nu zoveel jaren later. Had zij de grens van de tijd overschreden, hem weggevlakt. Of was die zelfs niet-bestaand.
Hoe banaal ook, hoezeer ik me ook diende los te rukken uit mijn overpeinzingen, toch moest ik die ochtend de toren verlaten en me naar het dorp begeven. Om de al te eenvoudige reden dat ik geen eten meer had, dat ik al minstens tien dagen verzuimd had aankopen te doen. Dus diende ik wel op pad te gaan. En de zee, de vragen, de beelden, het verlangen even achter te laten op het ogenblik dat ik de deur van de vuurtoren sloot. Deels over het strand, dan over enkele rotsblokken bereikte ik het weggetje dat naar het dorp leidde. Vijftien minuten later reeds liep ik de eerste gevels van de vissershuisjes voorbij. Inmiddels, na het lange verblijf, kende ik ongeveer iedereen. Niet bij naam. En de meesten had ik evenmin gesproken, het contact had zich vrijwel beperkt tot een groet. Slechts met enkelen had ik een nogal vrijblijvende babbel gehad. Maar de inwoners waren me wel vertrouwd, groot en klein; veel mensen woonden er dan ook niet in het dorp. Verstrooid, nog in beslag genomen door de gebeurtenissen van de voorbije nacht, groette ik de eerste mensen die ik zag, vrouwen die aan het poetsen waren. Mijn groet werd beantwoord. Pas toen ik voorbij was besefte ik dat ik hen niet echt herkend had. Nu ja, ik kon het best aan mijn preoccupatie wijten. Maar even later, verder in de straat, ontmoette ik enkele mannen – duidelijk vissers – ook hen herkende ik niet. Nooit gezien. Dit kon toch niet mogelijk zijn. Verbouwereerd vergat ik als eerste te groeten. Ze waren me voor, ik beantwoordde hun vriendelijke wenk maar hen kennen, nee. Ook toen ik in de dorpskern arriveerde had ik nog geen vertrouwd gelaat gezien. Iedereen schonk me weliswaar een groet, logisch bij deze mensen, maar het leek ook niet of zij mij werkelijk herkenden – ze bekeken me veeleer als een vreemde. Waar was ik beland? Nochtans, de huizen, de gevels, dat alles was me vertrouwd. Toch kreeg ik de idee dat ik in een andere tijd gearriveerd was, enkele generaties geleden. En deze huisjes, dit ganse dorp, veel zal er niet aan gewijzigd zijn. Niets misschien. Hooguit een beetje meer verweerd, zo moet ik hen leren kennen hebben toen ik arriveerde. Was het anderzijds geen absurde theorie, dergelijke tijdssprong? Al wist ik niet welke idee ik er dan wel aan kon binden. Ik begaf me naar het winkeltje voor mijn inkopen. En zag – waar ik geen rekening mee gehouden had – mijn gedachte bevestigd toen ik me geconfronteerd wist met de absurd lage prijzen die ik nu zag. En dat het biljet met de laagste waarde nog de wenkbrauwen liet fronsen. Ik bevond me tientallen jaren in het verleden. De grenzen van de tijd waren uitgewist. Ontredderd haastte ik me terug naar de vuurtoren. Naar de veiligheid. Ik spoedde me over de rotsen, het strand, ontsloot de deur. Wat ik op dat ogenblik als een spookdorp ervoer had ik achter me gelaten. Ik kon tot rust komen. Hoewel, met alles wat recent voorgevallen was slaagde ik er niet in mijn geest echt te kalmeren. De gebeurtenissen verwarden me te zeer. En welbeschouwd restte er momenteel nog slechts één verlangen: Erlinde terugzien, met haar spreken, bij haar de antwoorden op mijn vragen vinden. Zij moest over de sleutel beschikken, daarvan was ik overtuigd.
En dat ik haar zou terugzien, ook dat stond vast. Vanavond nog. Dus keerde ik zohaast het begon te schemeren naar het strand terug, naar de plaats waar ooit de tent gestaan had, naar onze plaats. Nu restte me nog enkel geduldig te wachten terwijl de zon onderging. Het werd een heldere avond, onbewolkt, een lichtende maan hoog in de lucht. Hing er spanning over de oceaan, of heerste die spanning louter in mezelf? Hoe lang ik gewacht had weet ik niet, ik was me niet bewust van de tijd, toen ik in de verte beroering bemerkte in de zachte deining. Mijn vermoeden werd bewaarheid, de Nereïden met aan het hoofd Thetis naderden de kust, gezeten zoals steeds op zeepaardjes en dolfijnen en deze keer begeleid door een ballet van sluierstaartvissen. Dichtbij gekomen doken de zeenimfen in het water om zich als gewoonlijk te vermeien met hun spelletjes en dansen. Alleen Thetis zwom tot het strand en liet zich half uit het water glijden. Zij staarde me aan. Wie en wat zag en herkende ik in die ogen, in die blik? Het zeemeerminnetje uit het sprookje van mijn kinderjaren, de verliefdheid van Erlinde, de passie van Erlinde waarmee zij zich aan mij gaf, de duivelse bekoorlijkheid en verleidingskunst van een zeegodin, het verlangen naar een ganse wereld die zou verzonken zijn en die op me wachtte, een fataal huwelijksbed in de diepte van de oceaan? Natuurlijk was ik in de war. En natuurlijk begeerde ik dit alles te beleven, me over te leveren. Ik was me niet meer bewust van welk gevaar ook. Ik dacht niet meer aan de jonge Hylas, hoe hij door Eunike verleid en in de zee gelokt werd zijn ondergang tegemoet. En al had ik er op dat ogenblik aan gedacht, mijn verlangens waren te sterk. Thetis reikte me haar hand. Hoopte ik dat zij in Erlinde zou veranderen zohaast ik haar aanraakte. Mijn vingertoppen beroerden de hare. IJskoud. Op het ogenblik dat Thetis mijn hand greep hoorde ik achter mij een kreet. “Nee”. Erlinde. Ik rukte me los. Enkele meters achter mij stond Erlinde. Ik keek nog even om: Thetis gleed achterwaarts het water in. Uit haar blik sprak woede, meer zelfs, razernij. Terwijl ik me opnieuw naar Erlinde wendde hoorde ik hoe de Nereïden blijkbaar in allerijl terugkeerden naar hun verblijf. Nu was het Erlinde die me de hand reikte. Onze vingers haakten zich in elkaar, warm.
Wie de andere geleidde naar de vuurtoren was niet uit te maken. Hoe nauw de wenteltrap ook was toch beklommen we hem verstrengeld in elkaar. Even later keken we samen uit over de oceaan. De golven rolden zacht, gelijkmatig op de kust toe. Het water sprankelde onder het licht van de maan. Nergens was nog iets van beroering te merken. Thetis, de Nereïden, Poseidon en de andere zeegoden, Atlantis… het leek nu allemaal tot een andere wereld te behoren. Alleen het feit dat Erlinde naast me stond, ik blikte opzij, Erlinde, achttien jaar, het beeld uit mijn herinnering. Zij moest gevoeld hebben hoe ik haar aankeek, glimlachte me toe en verwijderde zich van het raam. Ik zag hoe zij zich gracieus – met de sierlijkheid van een nimf – op het bed neervlijde. Woordeloos nodigde zij me uit me naast haar te strekken. Het licht van de vuurtoren lag als beschermende deken over ons, kort, donker, lang, donker, kort, donker, lang, donker…
Johan de Belie