In ‘Une jeunesse’ (1981) van Patrick Modiano (‘Een jeugd’, Querido, 2016) laat hij ons kennis maken met Odile en Louis, beide twintig jaar. Louis zwaait na zijn dienstplicht van twee jaren af, wordt ‘opgepikt’ door de vreemde figuur, Brossier, die zich over hem ontfermt, financieel steunt, met hem door Parijs dwaalt, en hem tenslotte in contact brengt met de dubieuze Béjardy die de jongeman aanwerft. Een bizarre betrekking: hij is nachtwaker in een soort garage waar om hem onduidelijke redenen auto’s worden gehaald en gebracht, fungeert ook als secretaris en bode.

Odile kwam naar Parijs om haar droom, zangeres, te realiseren. Zij botst op Bellune, talentenjager, die misschien een carrière voor haar in het verschiet heeft. Het lijkt vooral een intense vriendschap te worden die beide doorheen de stad laat slenteren. Terwijl we het verleden van deze Bellune, in feite de joodse Georg Blüne, leren kennen – een Oostenrijker, succesvol componist, gevlucht voor de nazi’s. Een boeiend karakter, zwaarmoedig, depressief… Zodat hij, nadat hij Odile vier liedjes op plaat liet opnemen als demo en haar een lijst met contactpersonen bezorgde, zelfmoord pleegt.

Helaas leveren al de contacten Odile niets op. Zij doolt door de stad, wordt na een conflict met de politie door deze gedwongen als lokaas te dienen om een seksdelinquent te arresteren. Overspannen, berooid, koortsig zakt zij in elkaar in het buffet van de gare St. Lazare. Waar Louis, toevallige passant, zich over haar ontfermt. Twee dolende zielen die gaan samenwonen. Odile vindt een baantje als zangeres in een cabaret waar zij wordt opgemerkt door Vietti. Die haar een platencontract wil aanbieden – in ruil voor seks; wat zij aanvaardt; maar wat tenslotte op niks uitloopt. Wel raakt het leven van de twee nu in een stroomversnelling na de kennismaking met Béjardy. Een man over wie later ontdekt wordt dat hij een oplichter, gangster, zelfs moordenaar is. Voor hem zullen Olivier en Odile illegaal een grote geldsom naar Engeland brengen. Meteen een idyllisch avontuur. De Franse grond wordt te heet onder de voeten van Béjardy en hij moet emigreren. Opnieuw zullen de twee jongeren moeten helpen om zijn fortuin over de grens te krijgen – zij ogen immers onschuldig. De pakken illegale biljetten zullen ze in Genève aan Béjardy overhandigen…

Hij mocht het verwacht en gehoopt hebben… Odile en Louis hebben inmiddels dankzij de contacten met de onderwereld een en ander geleerd. Ze verdwijnen met het geld naar Nice en gaan onder in de massa toeristen. We ontmoeten hen heel wat jaren later terug, opkijkend naar de besneeuwde Foraz. Ze zijn vijfendertig, hebben twee kinderen. Gedurende dertien jaar hebben ze een kinderdagverblijf uitgebaat dat ze nu gaan omvormen tot een restaurant annex theesalon voor de vele toeristen die hier komen skiën en langlaufen… Het was met dit beeld dat de roman begon – hun jeugdige avonturen waren herinneringen.

Zoals meestal bij Modiano zijn de personen schimmig, mysterieus. Dat geldt hier niet voor de hoofdpersonen maar uiteraard wel voor alle anderen die we noemden. En zelfs voor de nevenfiguren, b.v. een vriendin van Odile, Mary die steeds liegt over haar ouders, hen voortdurend andere beroepen toekent, in leven laat, of begraven heeft. Idem voor Nicole, de paardengek, verloofde van Béjardy; of deze van Brossier, Jacqueline. Met deze twee, de man die ooit Louis uit de nood hielp, en het meisje dat nog studeert, brengen ze dagen, weekends soms, door op de grote campus. Waar ze, in het bezit van frauduleuze studentenkaarten, van het ene restaurant naar het andere, van bar naar bar dwalen, de paviljoens van de diverse nationaliteiten bewonderen… Net zoals ze soms ook in Parijs zelf dolen, geconfronteerd worden met lokalen – of de ruïnes – om het verleden te reconstrueren. Waar alles dan schijn blijkt, of schimmig is. Waarom bevinden zich in de garage waar hij werkt stapels oude sporttijdschriften met foto’s van, en artikels over, Louis’ vader, de ooit zo beroemde wielrenner? En wat betekent het dat het cabaret waar Odile zingt ooit druk bezocht werd door Brossier en Béjardy – welke invloed heeft het verleden? “Wanneer zij zich later deze periode van hun leven zullen herinneren, zullen ze weer kruispunten en ingangen van woongebouwen voor zich zien. Ze hebben er alle weerspiegelingen van opgevangen. Ze waren niet meer dan geïriseerde zeepbellen in de kleuren van deze stad: grijs en zwart.”  

Een Modiano met min of meer zijn klassieke ingrediënten: mysterieuze personages, de dunne draad tussen schijn en werkelijkheid, het dwalen door de straten van de stad (hier vooral de campus) en de halten, de pleisterplaatsen als restaurants, bars. Toevallige ontmoetingen die nooit toevallig zijn. En herinneringen natuurlijk. Toch is ‘Une jeunesse’ minder typisch voor hem. Hier primeert toch het verhaal. De sfeer die meestal dominant aanwezig is in de teksten van Modiano wordt hier wat geofferd aan de plot. Een spannende roman dus maar ik had nog net een ietsje meer verwacht omdat het een Modiano is…       

De roman werd in 1983 door Moshé Mizrahi verfilmd met o.m. Jacques Dutronc en Charles Aznavour in de rollen van de ‘gangsters’!

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.