Al schrijvend komen de herinneringen, zo is deze roman geen chronologisch verslag. Je moet bovendien voortdurend twijfelen aan de betrouwbaarheid van de getuigen en van hun geheugen; en jouw eigen geheugen. “Achter de ondoordringbare ruis verdwijnen de contouren van iemands leven. Hoe zou je waarheid en schijn van elkaar kunnen onderscheiden, als je bedenkt hoeveel tegenstrijdige sporen mensen achterlaten? En zouden we meer weten van onszelf, bedacht ik, afgaande op mijn eigen leugens, mijn falende geheugen en mijn onwillekeurige omissies?”

De hoofdpersoon in ‘Encre sympathique’ (2019) van Patrick Modiano (‘Onzichtbare inkt’, Querido, 2020) is de schrijver Jean Eyben die hier als 50-jarige zijn verhaal neerschrijft dat dertig jaar eerder begon. Hij was twintig en nam een baantje aan bij de privédetective Hutte in Parijs. Zijn eerste, en enige, opdracht: op zoek te gaan naar de verdwenen Noëlle Lefebvre op vraag van ene Brainos, eigenaar van een bioscoop in Brussel. De schaarse gegevens zitten in een hemelsblauwe map: een donkere foto, haar geboorteplaats Annecy in de Haute-Savoie, haar adres, een café waar zij vaak kwam, een bewijs waarmee zij haar briefwisseling poste restante kan afhalen. Jean Eyben begint zijn zoektocht, en zo ook de lezer…

Die kan deze roman in een ruk verslinden, mee met de hoofdpersoon verdwalen in zijn grillige zoektocht die hem langs de meest duistere figuren, donkere locaties, eigen herinneringen, dromen en confrontaties voert. Hij kan ook, de pen in aanslag, alles noteren, en trachten te doen wat Jean Eyben net niét doet: een chronologie van de gebeurtenissen in het leven van de mysterieuze Noëlle Lefebrve opstellen. Of hem dat uiteindelijk wijzer zal maken? Een combinatie van de twee is misschien aan te raden. Jean zal zich in ieder geval eerst naar het postkantoor begeven waar geen brief gearriveerd is; later zal hij hier meer succes hebben en dan zet dit hem op het spoor van de spilfiguur Sancho, alias Serge Servoz. Daarna vat hij post in het café, dat levert hem het contact op met een acteur, Gérard Mourade – heel wat later zal blijken dat het een pseudoniem is – maar niemand is wie hij lijkt in het leven van Noëlle. Het is de vraag of Noëlle wel is wie zij pretendeerde te zijn – die vraag rijst tijdens de zoektocht steeds meer. Een tocht die hem voert doorheen Parijs en hem met meerdere personen in contact brengt, figuren van wie hij zich afvraagt of ze een rol spelen in de onderwereld of te vertrouwen zijn. Hoe raadselachtig is de opdrachtgever, de rijke Brainos, eigenaar van heel wat lucratieve bars en van de dancing ‘de la Marine’ waar zich het centrum lijkt te bevinden van wat zich in het leven van Noëlle heeft afgespeeld. 

Een brief met de naam Sancho, iets over een reis naar Rome… is het een definitief aanknopingspunt? Haar geboorteplaats, Annecy, daar bracht ook Jean Eyben, de schrijver zijn jeugd door – er duiken vermoedens op. Wie weet heeft hij Noëlle ooit ontmoet toen. Is zijn zoektocht niet toevallig. Zelfs verdenkt hij de privédetective ervan hem hiermee met opzet belast te hebben – dat hij een pion geworden is in een opgezet plan. Zoals gewoonlijk voert Modiano ons via zijn hoofdfiguur doorheen enkele wijken van de stad, de boulevards, nauwe stegen, laat hij ons halt houden in bars en restaurants. Zo wandelend noteert hij in zijn hoofd een parcours alsof hij ontdubbelt, het lijkt hem alsof een tweede ik naast hem mee stapt. Uiteindelijk levert het zoeken van Jean geen resultaat op. Tien jaar later wordt hij toch nog geconfronteerd met wat hem zo intrigeerde wanneer hij een foto ziet van de acteur Gérard en ontdekt dat deze in de beruchte dancing woont. Dan is er ook de herinnering aan een notaboekje dat hij ooit ontdekte, verstopt in het appartement van een ‘vriend’ van Noëlle. Dat leek van weinig belang, bevatte slechts namen, afspraken, één gedicht… alles in blauwe inkt. Nu, jaren later, lijkt het plots meer te bevatten… is er een chemisch proces opgetreden dat een onzichtbare inkt…? Is Sancho gehuwd met Noëlle, en heeft Gérard inderdaad iemand gedood toen hij, gevangen genomen, trachtte te ontsnappen? Eindigt het verhaal als een politieroman…? 

Wie grijpt bij de laatste hoofdstukken in? Is het Modiano? Of toch, via hem, de inmiddels vijftigjarige Jean Eyben die eindelijk zijn speurtocht kan beëindigen. Hij is in Rome, ‘de stad van de vergetelheid’. Hij stapt een fotogalerij binnen die wordt opengehouden door – jawel – Noëlle Lefebvre. In een fotoboek, foto’s van de kunstfotograaf aan wie de galerij toebehoort, identificeert hij meerdere personen die hij ontmoette in de loop van zijn zoeken. Herinnert Noëlle zich hen niet – nee, het verleden is voor haar in een genadige mist verhuld. Wat weet zij toch te reveleren: dat zij ooit uit haar woonplaats Annecy naar Parijs gevlucht was om aan Sancho te ontsnappen – vergeefs. Drie maanden in de stad verbleef maar tenslotte met Sancho naar Rome ging waar hij overleed. En de cirkel sluit zich na al die jaren: zij, Noëlle herinnert zich uit haar jeugd een jongen met wie zij vaak op de bus zat en soms ook wandelde, dit was ongetwijfeld de toen even oude Jean Eyben… Zij maakte dus inderdaad reeds lang deel uit van zijn leven, zat diep in zijn geheugen, zijn herinneringen opgeborgen. Hoe reëel sluit dit slot aan bij de zoektocht van Jean, heeft hij Noëlle werkelijk gevonden? Of is dit een spielerei van de oudere schrijver Jean Eyben die zijn fantasie de vrije loop laat en zich alleen voorstelt hoe het zou kunnen eindigen? Er bestaat geen antwoord. Zoals Patrick Modiano nooit antwoorden geeft, alleen vragen stelt, puzzels opstelt, raadsels tovert. Een labyrint van woorden, een kronkelweg waar het geheugen vergeefs een pad zoekt. Dat alles op een basis van rijke taal, beeldenrijk. “Zoveel verloren woorden… sommige die je zelf hebt uitgesproken, andere die hebt opgevangen maar die je je niet meer herinnert, en weer andere die tot jou waren gericht en waar je geen acht op sloeg… En soms, als je wakker wordt, of in het holst van de nacht, een zin die je je opeens weer herinnert zonder te weten wie je hem ooit heeft toegefluisterd.”

‘Encre sympathique’ laat zich lezen als een detectivestory die geen oplossing biedt. Een chaotische puzzel waarin de lezer zelf zijn weg moet zoeken, heel voorzichtig bij de hand geleid door een hoofdpersoon die zelf verdwaalt in een labyrint dat gevormd wordt door een stad met kronkelende straten en mysterieuze plaatsen om amechtig naar adem snakkend halt te houden enerzijds. Door het fantastische van zijn geheugen, zijn onderbewuste en zijn dromen anderzijds. Een roman die meteen voor de lezer een avontuur en een intellectuele oefening is. Meegesleept in de denkwereld van Modiano. Wat laat hij zijn schrijver Jean Eyben noteren over het schrijven: “Mijn boeken moet ik eerst in een soort donkere kamer van de eenzaamheid tot leven zien komen, voordat ik ze kan schrijven.” Vermoedelijk spreekt hier doorheen zijn creatie de auteur zelf.                      

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.