De Franse auteur Patrick Modiano (foto Frankie Fouganthin via Wikipedia) werd geboren te Boulogne-Billancourt op 30.7.1945. Zijn moeder was de Vlaamse actrice Louisa Colpijn, geboren te Antwerpen, die in veel films in Vlaanderen en later vooral in Frankrijk te zien was. Zijn vader was een Joodse Italiaan met Egyptische roots. Hij werd grootgebracht bij zijn Vlaamse grootouders zodat zijn eerste taal blijkbaar het Nederlands was. Waar evenwel in zijn oeuvre, dat bijna veertig romans omvat, niets van te merken is.

Wel merkbaar – hij verwijst er ook zelf naar – is het feit dat hij als foetus nog de bezetting van Parijs door de Duitsers ‘beleefde’. In meerdere werken zal de oorlog een rol spelen, een soort herinnering worden. Gescheiden van zijn ouders was zijn jeugd eenzaam. Wanneer hij dan toch herenigd met zijn ouders in Parijs in het lyceum studeert krijgt hij les van de schrijver Raymond Queneau die een stempel op hem als auteur zal drukken. Deze zal, net als André Malraux, als getuige fungeren bij zijn huwelijk. De twee dochters uit dit huwelijk zullen zich ook artistiek profileren, Marie als singer-songwriter, Zina als filmregisseur. 

In 1968 debuteerde hij met ‘La place de l’Etoile’. Tien jaren later wordt hem de Prix Goncourt toegekend voor ‘Rue des boutiques obscures’. In 2014 is er de Nobelprijs: te danken aan “zijn herinneringskunst, het oproepen van de ongrijpbare menselijke lotsbestemmingen”. Romans, kortverhalen, enkele jeugdboeken… Zijn werk is goed voor negen verfilmingen, o.m. door Louis Malle. 

UNE JEUNESSE

In ‘Une jeunesse’ (1981) van Patrick Modiano (‘Een jeugd’, Querido, 2016) laat hij ons kennis maken met Odile en Louis, beiden twintig jaar. Louis zwaait na zijn dienstplicht van twee jaren af, wordt ‘opgepikt’ door de vreemde figuur, Brossier, die zich over hem ontfermt, financieel steunt, met hem door Parijs dwaalt, en hem tenslotte in contact brengt met de dubieuze Béjardy die de jongeman aanwerft. Een bizarre betrekking: hij is nachtwaker in een soort garage waar om hem onduidelijke redenen auto’s worden gehaald en gebracht, fungeert ook als secretaris en bode.

Odile kwam naar Parijs om haar droom, zangeres, te realiseren. Zij botst op Bellune, talentenjager, die misschien een carrière voor haar in het verschiet heeft. Het lijkt vooral een intense vriendschap te worden die beide doorheen de stad laat slenteren. Terwijl we het verleden van deze Bellune, in feite de joodse Georg Blüne, leren kennen – een Oostenrijker, succesvol componist, gevlucht voor de nazi’s. Een boeiend karakter, zwaarmoedig, depressief… Zodat hij, nadat hij Odile vier liedjes op plaat liet opnemen als demo en haar een lijst met contactpersonen bezorgde, zelfmoord pleegt.

Helaas leveren al de contacten Odile niets op. Zij doolt door de stad, wordt na een conflict met de politie door deze gedwongen als lokaas te dienen om een seksdelinquent te arresteren. Overspannen, berooid, koortsig zakt zij in elkaar in het buffet van de gare St. Lazare. Waar Louis, toevallige passant, zich over haar ontfermt. Twee dolende zielen die gaan samenwonen. Odile vindt een baantje als zangeres in een cabaret waar zij wordt opgemerkt door Vietti. Die haar een platencontract wil aanbieden – in ruil voor seks; wat zij aanvaardt; maar wat tenslotte op niks uitloopt. Wel raakt het leven van de twee nu in een stroomversnelling na de kennismaking met Béjardy. Een man over wie later ontdekt wordt dat hij een oplichter, gangster, zelfs moordenaar is. Voor hem zullen Olivier en Odile illegaal een grote geldsom naar Engeland brengen. Meteen een idyllisch avontuur. De Franse grond wordt te heet onder de voeten van Béjardy en hij moet emigreren. Opnieuw zullen de twee jongeren moeten helpen om zijn fortuin over de grens te krijgen – zij ogen immers onschuldig. De pakken illegale biljetten zullen ze in Genève aan Béjardy overhandigen…

Hij mocht het verwacht en gehoopt hebben… Odile en Louis hebben inmiddels dankzij de contacten met de onderwereld een en ander geleerd. Ze verdwijnen met het geld naar Nice en gaan onder in de massa toeristen. We ontmoeten hen heel wat jaren later terug, opkijkend naar de besneeuwde Foraz. Ze zijn vijfendertig, hebben twee kinderen. Gedurende dertien jaar hebben ze een kinderdagverblijf uitgebaat dat ze nu gaan omvormen tot een restaurant annex theesalon voor de vele toeristen die hier komen skiën en langlaufen… Het was met dit beeld dat de roman begon – hun jeugdige avonturen waren herinneringen.

Zoals meestal bij Modiano zijn de personen schimmig, mysterieus. Dat geldt hier niet voor de hoofdpersonen maar uiteraard wel voor alle anderen die we noemden. En zelfs voor de nevenfiguren, b.v. een vriendin van Odile, Mary die steeds liegt over haar ouders, hen voortdurend andere beroepen toekent, in leven laat, of begraven heeft. Idem voor Nicole, de paardengek, verloofde van Béjardy; of deze van Brossier, Jacqueline. Met deze twee, de man die ooit Louis uit de nood hielp, en het meisje dat nog studeert, brengen ze dagen, weekends soms, door op de grote campus. Waar ze, in het bezit van frauduleuze studentenkaarten, van het ene restaurant naar het andere, van bar naar bar dwalen, de paviljoens van de diverse nationaliteiten bewonderen… Net zoals ze soms ook in Parijs zelf dolen, geconfronteerd worden met lokalen – of de ruïnes – om het verleden te reconstrueren. Waar alles dan schijn blijkt, of schimmig is. Waarom bevinden zich in de garage waar hij werkt stapels oude sporttijdschriften met foto’s van, en artikels over, Louis’ vader, de ooit zo beroemde wielrenner? En wat betekent het dat het cabaret waar Odile zingt ooit druk bezocht werd door Brossier en Béjardy – welke invloed heeft het verleden? “Wanneer zij zich later deze periode van hun leven zullen herinneren, zullen ze weer kruispunten en ingangen van woongebouwen voor zich zien. Ze hebben er alle weerspiegelingen van opgevangen. Ze waren niet meer dan geïriseerde zeepbellen in de kleuren van deze stad: grijs en zwart.”  

Een Modiano met min of meer zijn klassieke ingrediënten: mysterieuze personages, de dunne draad tussen schijn en werkelijkheid, het dwalen door de straten van de stad (hier vooral de campus) en de halten, de pleisterplaatsen als restaurants, bars. Toevallige ontmoetingen die nooit toevallig zijn. En herinneringen natuurlijk. Toch is ‘Une jeunesse’ minder typisch voor hem. Hier primeert toch het verhaal. De sfeer die meestal dominant aanwezig is in de teksten van Modiano wordt hier wat geofferd aan de plot. Een spannende roman dus maar ik had nog net een ietsje meer verwacht omdat het een Modiano is…       

De roman werd in 1983 door Moshé Mizrahi verfilmd met o.m. Jacques Dutronc en Charles Aznavour in de rollen van de ‘gangsters’!

DORA BRUDER

Reeds tijdens zijn adolescentie vatte Patrick Modiano het plan op een roman te schrijven over de jodenhaat. Hij worstelde met de beledigingen zijn vader aangedaan gedurende de bezetting, en was gechoqueerd door de antisemitische boeken die hij bij zijn vader had aangetroffen die deze in een soort afschuw verzamelde. Toen zijn eerste werk in 1968 gepubliceerd werd, ‘La Place de l’Etoile’, bleek dit dan inderdaad het thema. Het zou hem niet loslaten. Jaren later doet hij opzoekingswerk en stuit daarbij in een oude krant, de Paris-Soir van 31 december 1941, op pagina drie, op volgende tekst in de rubriek ‘D’hier à aujourd’hui’:

“Vermist: een vijftienjarig meisje, Dora Bruder, 1m55, ovaal gezicht, grijsbruine ogen, grijze sportjas, donkerrode trui, marineblauwe rok en hoed, kastanjebruine sportschoenen. Inlichtingen s.v.p. aan Mr. en Mw. Bruder, boulevard Ornano 41, Parijs.”

Nee Dora Bruder is geen fictief personage, ontsproten uit het brein van de romancier Modiano. De advertentie, de oproep was er. Net als alle gegevens die de auteur zou achterhalen op zijn speurtocht, zo bevestigt Jeanne Bem; professor Bem, die literatuur doceerde aan o.m. de Sorbonne. De identiteit van Dora zou later een officiële status krijgen. Modiano zou niet de schrijver bekend om zijn ‘herinneringen’ zijn mocht hij dit facet in deze roman verwaarloosd hebben. Zijn zoektocht naar Dora Bruder verloopt, hoewel zij overduidelijk het hoofdpersonage is en hij volledig ten hare dienste staat (en van de miljoenen andere slachtoffers van de holocaust), vaak parallel met sporen uit zijn verleden. Hij zal aan haar een roman wijden: ‘Dora Bruder’ (1997) (Vert. Meulenhoff, 1997).

Boulevard Ornano, daar moet Dora Bruder gewoond hebben. Hij heeft herinneringen aan de buurt. Als kind werd hij door zijn moeder op zaterdag en zondag vaak meegenomen naar de vlooienmarkt van Saint-Ouen daar. Stond daar niet ook een Poolse Jood die 2de hands valiezen en koffers verkocht… lijkt dit niet een tragisch symbool van wat gebeurde met al die duizenden mensen uit de buurt. In mei 1958 wandelde hij door een uitgestorven Blvd. Ornano, leeg en afgeschermd door de politie wegens rellen i.v.m. de Algerijnse kwestie – zou deze akelige sfeer niet ook geheerst hebben tijdens een razzia bedenk je dan. Winter 1965, Patrick had een vriendin die in de buurt woonde, de rue Championnet, wat was haar telefoonnummer: Ornano 49-20! Die winter, januari… hoe vaak heeft hij niet in cafés hier zitten wachten, o.m. in de Verse Toujours. Hij keek naar de gevel van de bioscoop ‘Ornano 43’, naast 41 dus. Nu is het een winkel. Hoe dikwijls heeft hij in de loop van de jaren 65-68 niet in deze straat gelopen waar ooit het gezin Bruder woonde. Op het nummer 41, vijf verdiepingen, architect Richefeu, gebouwd 1881, zo staat te lezen op een plaket. Het was een hotel, met beneden een café uitgebaat door ene Marchal… Dwalen de schimmen van de mensen die hier leefden nog in de buurt? “Soms schemert de stad van gisteren in vluchtige weerspiegelingen achter de huidige stad.” 

Het gezin Bruder, wie waren ze? Ze betrokken sedert 1937 op de vijfde verdieping enkele kamers met een keuken. Ernest Bruder was in 1899 te Wenen geboren, een Oostenrijkse Jood. Cécile Bruder was Hongaarse, °1907. Beide waren allicht om voor de hand liggende redenen hun land ontvlucht en zouden elkaar in Parijs leren kennen en in 1924 huwen. Terwijl Ernest zich eerst, berooid, liet inlijven bij het vreemdelingenlegioen waar hij, 100% invalide verklaard, uit terugkeerde. Het echtpaar woonde eerst in de arbeidersbuurt te Sevran, de rue Santerre 15 waar Dora geboren werd, betrok dan kamers in een hotel te Sevran om te stranden in de rue Polonceau eer ze hun definitieve stek vonden in de boulevard Ornano. “Het zijn mensen die weinig sporen achterlaten: haast anonieme gestalten. Ze maken zich niet los van het decor van bepaalde straten in Parijs, van het voorstedelijk landschap waar ze, zoals ik bij toeval ontdekte, ooit hebben gewoond. Die topografische nauwkeurigheid staat in schril contrast met alles wat we nooit over hen zullen weten – met die leegte, die muur van onbekendheid en stilte.”

Het is een hele zoektocht om deze reis door de stad te reconstrueren. Nog moeizamer zal het zijn om een beeld op te bouwen van het meisje dat Dora Bruder was, en uit te knobbelen wat er gebeurde in de loop van haar te korte leven. Een tocht via zoveel instanties en kantoren die niet altijd even bereidwillig waren. Geholpen door een nicht van het meisje die hij kon opsporen. Kijkend naar twaalf foto’s, Dora alleen of – meestal – met haar ouders, met een oma… 

Een rebels meisje, zo herinnert zich de nicht. Is het daarom dat zij in mei 1940 naar het katholieke internaat verbannen wordt, Saint-Coeur-de-Marie. Gesloten, streng, donker.  Voor ‘misdeelde gezinnen’. Of voelde men de bui hangen? In de herfst van 1939 dienden alle Oostenrijkers, vermits dat land opgegaan was in het Reich, geïnterneerd worden in Frankrijk, staatsgevaarlijk… En in oktober 1940, Parijs bezet, moesten alle Joden zich als dusdanig laten registreren. Het echtpaar zou dit doen maar vermeldde Dora niet – zij verdween, een schaduw voor de administratie. In december 1941 loopt Dora weg uit het internaat. Keerde zij na een weekend thuis niet terug? Of ontsnapte zij? Pas na twaalf dagen zou haar vader haar verdwijning melden bij de politie – zo daagt zij officieel weer op! Meteen plaatsen ze ook de oproep in de krant… Op 19 maart 1942 wordt vader Ernest aangehouden en verdwijnt naar kamp Drancy. Even later, op 17 april, keert Dora plots bij haar moeder terug. Wat heeft zij die ganse tijd gedaan? Waar heeft zij gelopen? Modiano dwaalt door de straten waar zij moet gelopen hebben, voorbij de plaats waar het klooster stond dat haar zo vreselijk moet geleken hebben; hij neemt de metro, ziet de stations waar zij wellicht ook geschuild heeft. “Ik dacht bij mezelf dat niemand zich meer iets herinnert. En toch voelde je zo nu en dan iets, onder die dikke laag geheugenverlies, een verre, verstikte echo, maar wat het precies was, viel niet te zeggen.”

Blijkbaar bleef Dora niet lang bij haar moeder, maar nu werd zij vermoedelijk door de politie teruggebracht, op 15 juni reeds. Het gevolg was wel dat er een verzoek tot opname in een verbeteringsgesticht werd opgesteld. Dat zou niet meer gebeuren. Op 19 juni 1942 werd haar lot bezegeld: met vijf meisjes zat zij in een auto die hen naar kamp Les Tourelles bracht. Op 13 augustus verhuist men haar naar kamp Drancy waar zij haar vader terugvindt. Ze zullen samen op 18 september 1942 richting Auschwitz reizen… En haar moeder? Na een eerste arrestatie in juli waarna zij dadelijk weer vrij gelaten werd, volgde op 9 januari 1943 een tweede die haar definitief op 11 februari haar echtgenoot en dochter achterna zou sturen.

In de loop van het verhaal over Dora Bruder, de zoektocht naar wie zij was – de poging om een raadsel op te lossen dat niet opgelost kon worden: waar verbleef zij, wat voerde zij al de tijd dat zij alleen door Parijs doolde, wat bezielde haar? – stuit Modiano op talrijke intrigerende namen, feiten… Hij vertelt over de auteurs Friedo Lampe, Felix Hartlaub, Roger Gilbert-Lecomte, allen op een andere wijze slachtoffer van het nazisme. Over de Arische vrouwen die protesteerden tegen de verplichting voor Joden om de gele ster te dragen door ludieke acties: zelf bizarre sterren dragen of deze aan hun huisdier omdoen… wat hen duur te staan kwam. Hij laat ons een zes pagina’s lange brief lezen van Robert Tartakovsky, gericht aan zijn echtgenote, net voor hij op transport gezet wordt – een brief vol vergeefse hoop en nutteloze raadgevingen. De heel koel opgesomde details over een reeks gedeporteerde vrouwen, het is een bittere schrijnende aanklacht… Daar tegenover emotioneel: de brieven aan de politie en aan de directie van de ‘jodenzaken’ met vraag om inlichtingen of smeekbeden om vrijlating, brieven van moeders, vaders, zelfs van alleen gebleven pubers… Een roman die een stille aanklacht is maar zo heel luid roept. 

Modiano gaat op zoek naar wie dat verloren meisje wel was. Maar zijn verhaal wordt een document over de jodenvervolging. Hij commentarieert niet, hij geeft geen oordeel: de feiten veroordelen zichzelf. Terwijl hij, de schrijver, naast de schaduw van Dora door de straten van Parijs dwaalt. Zijn herinneringen samenvloeien met wat haar leven kan geweest zijn. Een schitterende roman die zonder moralisering waarschuwt én meteen een monument opricht voor al die slachtoffers zoals er enkele hier aan de vergetelheid ontrukt worden. Een luide echo uit een zwarte periode.  

In 1999 bewerkte de Westdeutsche Rundfunk de roman tot een luisterspel.

Op 1 juni 2015 werd in het 18de arrondissement te Parijs de ‘Promenade Dora Bruder’ officieel ingehuldigd in het bijzijn van Patrick Modiano, enkele familieleden van het gezin Bruder en vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap.

UN PEDIGREE

De latere Nobelprijswinnaar die in al zijn romans het thema herinnering bewandelt, daar het duister van het verleden opzoekt, neemt in ‘Un pedigree’ (2005) (Een stamboek; Querido, 2005) een duik in de eigen jeugd! Wat mogen we dan verwachten… “De gebeurtenissen tot aan mijn eenentwintigste die ik zal oprakelen heb ik als transparant beleefd – een procédé dat erin bestaat op de achtergrond landschappen te laten langstrekken terwijl de acteurs bewegingloos op een studiovloer blijven staan.” 

Hij moet het even over zijn afstamming hebben. Zijn moeder, de Vlaamse (Antwerpen) Louise Colpeyn, die een carrière start in cabarets en musicals en uiteindelijk in een veertigtal films en in het theater zal te zien zijn; op Wikipedia is het uitgebreid te lezen. Zijn vader Albert, joods-Italiaans, maar Spaanse nationaliteit, met zelf een Griekse vader… en een moeder die een Britse vader had; een mengelmoes. Op 2 augustus 1945 doet Albert aangifte van de geboorte van Jean Patrick Modiano, enkele dagen na de bevalling (30 juli). Op dat ogenblik droomt hij er van naar Mexico te trekken. Wat niet lukt; het leven zal hem wel langs meerdere landen en vooral grillige en duistere paden voeren tot hij in Zwitserland zal sterven. Zijn moeder volgt toneellessen, in Vlaanderen had zij reeds in enkele films geacteerd en ook in Frankrijk krijgt zij kansen. De Vlaamse grootouders komen tijdelijk naar Parijs om op de baby te passen. Het zal de eerste keer zijn dat Patrick aan de hoede van anderen toevertrouwd wordt – het zal tekenend zijn voor zijn jeugd, dit en het verblijf in kostscholen.

Zijn jonge leven is niet rijk aan gebeurtenissen in de gewone betekenis. Zijn ervaringen stoelen op de honderden ontmoetingen die hij dankt aan zijn ouders, hij maakt kennis met de meest vreemde, vaak obscure leden van de maatschappij. Zijn broer Rudy wordt geboren; ze zullen de jaren 49 en 50 doorbrengen in Biarritz, toevertrouwd aan een conciërge. Wanneer ze dan naar Parijs terugkeren schrijft hij over deze periode betreffende zijn moeder: “Ik zag haar zelden. Ik herinner me van haar geen enkel teder of beschermend gebaar. Ik voelde me in haar aanwezigheid altijd licht op mijn hoede.” Het zal definitief blijken voor hun relatie, ook wanneer er later meer contact is en ze vaak noodgedwongen samen optrekken blijft de relatie stroef, koud. Vanaf nu begint hij via zijn vader allerlei ‘rare’ personen te ontmoeten. Terwijl zijn moeder de kinderen soms meeneemt naar het theater waar ze in de coulissen, en achteraf, kennis maken met het buitenissige wereldje van de showbizz. Nauwelijks acht jaar jong dwaalt hij met zijn broer alleen in Parijs, de buurt van het Louvre, de Tuilerieën, het Bois de Boulogne, de kermis, ze gaan naar de bioscoop… Twee kinderen aan hun lot overgelaten. Hij leest veel, avonturenverhalen maar niet bepaald kinderboeken. Een vakantie brengen ze door in Deauville. In 1956 wordt hij gedumpt in een kostschool, het begin van een lijdensweg die scholen met discipline en pesterijen… Het volgend jaar gebeurt het enige dat hem, zo deelt hij mee, in zijn ganse jeugd werkelijk beroerde: zijn broer overlijdt.

Een verder chronologisch overzicht wil ik niet meegeven. Het is een rollercoaster van verblijven in diverse plaatsen, andere kostscholen, lycea, vakanties, weekends meestal met vader soms met moeder, in het begin zelfs nog onder de hoede van een studente-oppas. Met vader Albert leert hij Parijs en omgeving kennen, en ook de steden Annecy en Thônes waar een deel van zijn jeugd zich zal afspelen. Tijdens die ritten en wandelingen met oponthoud in bars en restaurants ontmoeten ze kleurrijke figuren, dubieuze personen. Hij kan slechts gissen in welke duistere handeltjes zijn vader verwikkeld is met die honderden bizarre karakters, de ene duidelijk uit de onderwereld, de andere een prominente societyfiguur… Een vakantie brengt hij door met de familie van een schoolvriend in Monte Carlo bij diens grootmoeder, markiezin de Polignac – sfeer en personage herkennen we duidelijk in een roman. Nee, zoiets is geen toeval. ‘Un pedigree’ lezen is voortdurend in al die vreemde ontmoetingen, in de plaatsen die ze bezoeken, in de tochten door de stad voortdurend personen en plaatsen uit de romans weervinden. Dat hij in Engeland, Bournemouth verblijft om de taal te leren, een verblijf in Thônes bij een man die stroman is voor zijn oom die zijn malafide zaakjes opereert vanuit een opslagplaats, zijn vader die naar Rome gaat met een vriendin, moeder die filmt in Spanje, als zeventienjarige belandt hij in de armen van de tien jaar oudere Mireille Ourousov, echtgenote van een rijke Rus, hij beleeft vakantieweken met Jean Cau, journalist en voormalig secretaris van Sartre, onder bescherming van lijfwachten gezien er dreiging bestaat voor een aanslag van het OAS… we vinden het allemaal getransponeerd in zijn oeuvre terug. Het zijn de spoken uit zijn verleden. Net als de entourage van zijn moeder, de mensen van het theater en het cabaret.

Telkens duikt ook het financieel probleem op. Vreemd. De zaakjes van vader… De filmrollen en toneelprestaties van moeder… Desondanks blijkt er zelden geld te zijn. Vooral als tiener, wanneer hij maandenlang met zijn moeder optrekt, moet hij, door deze gedwongen bij zijn vader (inmiddels na scheiding opnieuw gehuwd) om geld bedelen. Het zal een conflict van jaren worden. Vooral omdat de nieuw opgedoken echtgenote een breuk tussen vader en zoon wenst, Patrick haat. Een ‘boze stiefmoeder’!? Ooit zal hij ontdekken dat zij zijn jeugdboeken en herinneringen van zijn broer aan flarden gescheurd heeft… Het zal de verdere relatie met zijn vader definitief verzieken. Nadat hij reeds zelfstandig geleefd heeft wil zijn vader dat hij in militaire dienst gaat; hij heeft evenwel uitstel gevraagd. Wanneer zijn vader eist dat hij dit uitstel intrekt schrijven ze scherpe brieven aan elkaar, tenslotte wijst Albert alle financiële en morele verantwoordelijkheid voor zijn zoon af. Ze zullen elkaar nooit meer weerzien. Hij zal het betreuren, de man met wie hij ondanks alles toch vele uren, dagen door Parijs en andere steden reed en wandelde, naast hem zat terwijl hij wie weet welke deals trachtte af te sluiten, tot echte vriendschap zou het nooit komen. En zijn moeder? Een, wat hem betreft, ijskoningin die er nooit in slaagde een band met haar kinderen op te bouwen, daar geen moeite voor deed, daar absoluut geen behoefte, geen verlangen voor leek te hebben. Vader, moeder… een jeugd zonder liefde, zonder affectie.

Maar wel een jeugd die zich liet vullen met dromen, en aan de basis zou liggen van herinneringen. Een jeugd met boeken, het is een fraaie leeslijst die we opgesomd zien in deze bladzijden, de lectuur die hem vergezelde. In de herfst van 1966 is hij in Parijs en begint hij te schrijven. En in juni 1967 noteert hij: “Die avond heb ik mij voor het eerst van mijn leven zorgeloos gevoeld. De dreiging die al die jaren op me drukte en me dwong voortdurend op mijn hoede te zijn, was vervlogen in de Parijse lucht.” Die dag was hem meegedeeld dat zijn eerste manuscript voor publicatie aanvaard was…

Dit is een triest verhaal over een jeugd die nauwelijks nog vreemder had kunnen verlopen. Liefdeloos, toevertrouwd aan vreemden, langs de grillige paden van surrealistische werelden, bevolkt met types die liever schimmen blijven. Onwerkelijke figuren defileren hier, en toch bestonden ze – ze worden zonder terughoudendheid genoemd, beschreven, geportretteerd en zo mogelijk gekaderd in het duister bedrijf dat hen bindt. Dit alles tegen een achtergrond van vechten om te overleven, en een maatschappij waarin moet geleefd worden – een maatschappij die vooral bekommerd is over het Algerijns conflict en de affaire Ben Barka. Uit dit ‘verhaal’ van Jean Patrick Modiano groeide de auteur Patrick Modiano. De prijs is betaald. 

L’HORIZON

Jean Bosmans is zestig jaar. Wat doet een man van die leeftijd in Parijs wanneer hij het hoofdpersonage, de verteller, is in een roman van Patrick Modiano (‘L’horizon’, 2011; ‘De horizon’, Querido, 2011)? Inderdaad, wandelen. Door de straten, de boulevards, flaneren langs de gevels, in de metro rijden, verpozen in bars en restaurants. En op zoek gaan naar herinneringen. Hij weet niet veel meer over wat er gebeurde toen hij twintig was. Zo lang geleden… Maar dan, terwijl we samen met hem door de stad dwalen en hier en daar halt houden, dagen flarden uit het verleden op. Tot ze uiteindelijk een verhaal vormen, of twee verhalen want er worden twee mensen door hun demonen achtervolgd in deze roman. Uit de nevel van de tijd duikt prominent de naam Margaret Le Coz op. Jean was twintig, zij evenzo. Een toevallige ontmoeting. Hij werkt in een boekhandel, voormalige uitgeverij van vooral esoterische geschriften, werken over occulte wetenschappen, astronomie, oosterse religies, Le Sablier. Het grote, duistere gebouw is hoofdzakelijk nog met dergelijke boeken volgestouwd. Zij is vertaalster bij een firma, Richelieu Interim. Waar zij, en ook hij daarna, te maken heeft met drie opdringerige collega’s die samen ‘De jolige club’ vormen waarin ze hen beslist, opdringerig willen betrekken.

Jean dwaalt door Parijs. Aanknopingspunten voor herinneringen. Overal is wel iets te vinden, concreet of … “Er moest nog een trilling hangen, een echo van haar stappen, in dat hotel en in de straten van die buurt.” De jolige club die ging sporten in de rue Caumartin, de samenkomsten in theesalon La Marquise de Sévigné. Wat waren de duistere zaken waarvoor Margaret de correspondentie diende te vertalen? Zij gaf haar ontslag, ze ontsnapten aan het vreemde trio hoewel die ene, Mérovée, nog af en toe in het straatbeeld opdook. Maar het was een andere achtervolging die elk van hen heel wat meer in de ban hield. Als uit een nachtmerrie daagt voor Jean het beeld op van het duo dat zijn jeugd vergalde: zijn moeder met haar bos rode haar en deze die hij de ‘uitgetreden priester’ noemt. Telkens weer hielden ze hem op straat staande en eisten ze zijn geld. Of kwamen naar zijn kamer. Een jarenlange bedreiging die hij blijkbaar diende te ondergaan. Steeds overhandigde hij wat hij bezat terwijl hij bovendien minachtend behandeld werd. Hij ziet – nu zoveel jaren later een vrouw, haar haren zijn wit maar hoe zij stapt, onmiskenbaar! En ja, zij herkent hem, scheldt hem uit, slaat hem met haar wandelstok en eist ook nu nog geld. Het verleden herleeft grotesk.

Hoezeer Jean ook in zijn jeugd geleden heeft onder de tirannie van dit steeds opdagende duo dat zijn leven vergalde, dit verhaal is snel verteld. Heel anders verloopt de zoektocht naar het verleden van Margaret. Dat hij, terwijl hij zoveel jaren later, reconstrueert uit wat zij hem toen toevertrouwde. Telkens hij een straatnaam leest, een café of restaurant induikt, de metro neemt, zich in een park op een bankje zet, dagen haar woorden daar geformuleerd op. En herrijst haar mysterieus verleden. Le Coz, Baskische herkomst, zij bezit inderdaad een Frans paspoort. Maar geboren in Berlijn, haar eerste herinnering is ook deze aan de puinhopen van een stukgeschoten stad. Dan een vlucht met moeder naar Lyon. Haar moeder huwt, het loopt fout tussen hen.  Kostscholen, weeshuizen, weglopen… Zij gaat naar Zwitserland en wordt in Lausanne een gouvernante voor twee kinderen bij de zakenman Bagherian. Alles gaat opperbest tot zij in een café geobserveerd wordt door een man, een vuil, verlopen, duister type die haar tenslotte aanklampt: Boyaval. Zij slaagt er niet in hem te lozen, tenslotte gaat zij zelfs met hem naar de bioscoop ondanks haar afkeer. Hij vergezelt haar naar huis. Omdat zij het ergste vreest besluit zij liever gewillig te zijn en noodt hem in haar kamer. Zijn reactie is onverwacht: gechoqueerd. Hij is duidelijk absoluut niet uit op seks, op een relatie. Wat wil hij dan van haar? Wat weet hij over haar? Welke band is er? Vanaf dit ogenblik kent zij geen rust meer. Boyaval daagt overal op waar zij gaat; hij staat urenlang, zelfs ’s nachts voor het huis. Hij blijft haar achtervolgen.

Margaret ziet slechts één oplossing om aan deze terreur te ontsnappen: verdwijnen. Met de financiële hulp van haar broodheer Bagherian reist zij naar Annecy (dat in talrijke romans van Modiano een spilrol vervult) en dan verder naar Parijs. Zoals reeds verteld vindt zij tenslotte werk als vertaalster, en huurt een flat, rue du Quatre Septembre 45 in Auteuil, volgens Jean wanneer hij haar leert kennen “de bekoorlijke buurt van mijn droevigste uren”… de centrale wijk van Modiano’s jeugd. Na haar ontslag bij Richelieu Interim vindt Margaret werk als kinderoppas, eerst bij professor Ferne, een bizar advocatenechtpaar, met twee kinderen van twaalf jaar die hun leven wijden aan studie en kunst. ‘Gewone’ personen voert Modiano nooit ten tonele, zijn personages zijn allen wel wat verknipt. Allicht is dat de erfenis die hij meedraagt uit zijn jeugd naast een vader die hem met zoveel louche figuren in contact bracht, en het leven met zijn moeder in de wereld van cabaret en toneel. Daarna is Margaret oppas bij het echtpaar André Poutrel – Yvonne Gautier, voor hun zoon Peter, met wie zij in contact kwam via de boekhandel van Jean – de man zocht daar een exemplaar van een door hem geschreven werkje over een esoterisch genootschap! Haar leven wordt vergald door de voortdurende angst dat Boyaval haar zal gevolgd zijn, dat hij ooit zal opdagen. Zij houdt steeds alles nauwlettend in de gaten, kent geen moment echt rust. Zijn bestaan – het besef dat hij ooit zal weten dat zij in Parijs is – terroriseert haar. Inmiddels wonen Jean en Margaret samen, vooral om economische redenen en vermits hun vriendschap verdiept is. Achtervolgd door elk de eigen demonen dwalen ze door de stad en steunen elkaar, voortdurend op hun  hoede. 

Het onvermijdelijke gebeurt: Boyaval daagt op, volgt haar ook hier. Het wordt gesuggereerd: deze man moet iets te maken hebben met haar verleden, met Berlijn? Wat weet hij over haar? Welke rol heeft hij ooit in haar leven gespeeld? Een raadsel. Tussen het gezin Poutrel en anderzijds Margaret en Jean groeit een vriendschap – ze trekken vaak samen op. Uiteraard hangt ook rond dit echtpaar een zweem van mysterie. Hij is een soort therapeut, genezer… De woning is volgestouwd met boeken en voorwerpen die verwijzen naar esoterie, magie. En het boek dat hij schreef… Er moet iets bestaan hebben als het ‘Astarte-genootschap’. Onverwacht valt de politie binnen, het echtpaar wordt aangehouden. Moeder Yvonne geeft Margaret nog vlug het adres waar zij Peter moet heenbrengen… En Margaret? Zij moet zich de volgende dag bij de politie melden. Maar haar paspoort, weliswaar Frans, is vervallen en het verlengen: dan duikt het verleden op, een verleden dat zij dat angstvallig verborgen houdt en waarin Boyaval dus wellicht een rol speelt. De volgende ochtend vertrekt zij halsoverkop naar Duitsland – Jean zal niets meer over haar vernemen. 

Tot hij nu, veertig jaar later, naar Berlijn reist. Niet na eerst in de telefoongids van Parijs de naam Boyaval opgezocht en gevonden te hebben: een makelaar. Hij zoekt de man op. Hij is de Boyaval uit het verleden al ontkent deze stellig wanneer Jean hem confronteert met de naam Margaret Le Coz deze te kennen. In de Duitse hoofdstad is het ook de telefoongids die hem naar Margaret voert. Zij baat een kleine boekhandel uit. Zou zij hem herkennen? 

‘L’horizon’ is een roman vol mysterie. Zo is er ook nog de lijn dat Jean, die twee schriftjes vol gepend had ‘duister, verstikkend’, deze liet uittikken door een vrouw. Later, gepubliceerd en bekend auteur, zou hij dat werk ook nog toevertrouwen aan een andere jongedame. Ook deze twee, of de plaatsen waar ze woonden, vervullen een weerkerende rol in het werk. De beklemmende sfeer, de dreiging is voelbaar op elke bladzijde. Uiteraard dolen we – het is Modiano – door Parijs. Van straat naar plantsoen, van boulevard naar straathoek. Hij laat ons zitten in duistere bars, in een restaurant, in een café waar je je onveilig voelt. We leren de metrolijnen van de stad kennen. Terwijl Boyaval in onze nek ademt. En we zitten te suffen in de stoffige boekhandel tussen boeken die mysterie herbergen en hekserij beloven. Parijs wordt een onwaarschijnlijk universum. En toch zo huiveringwekkend reëel. De spanning van deze roman huist niet zozeer in het verhaal waarvan niets uiteindelijk bevredigend opgelost wordt, maar in de dreigende sfeer die elke pagina ademt. Zodat de lezer zich, met Jean Bosmans, lijkt te bevinden in dat parallelle universum waarover hij mediteert. “Ze (hij en Margaret) leidden er een parallel leven, buiten de tijd… In de geheime plooien van die wijken leefden Margaret en de anderen nog net zoals vroeger. Om hen te bereiken moest je de geheime gangen door bepaalde gebouwen kennen, en de straten die op het eerste gezicht leken dood te lopen en niet op de plattegrond stonden aangegeven.” Zo is er ook het mysterie van hen die niet ouder worden. Ze zullen hen decennia later ontmoeten maar ze herkennen elkaar niet – “er is geen contact mogelijk: ze passeren elkaar vaak rakelings, maar in verschillende tijdtunnels. Als ze met elkaar hadden willen praten, zouden ze elkaar toch niet kunnen horen, alsof ze zijn gescheiden door de wand van een aquarium.” Intrigerend.

L’HERBE DES NUITS   

In ‘L’herbe des nuits’ (2012) (‘Het gras van de nacht’; Querido, 2013) tracht de zestigjarige Jean de gebeurtenissen van enkele maanden in zijn jeugd, in 1966, te reconstrueren. Met een notaboekje in de hand dwaalt hij door Parijs, herkent gevels, pauzeert in bekende cafés, rust op bankjes die vertrouwd zijn. Toen had hij geen idee waarom hij alles zo opschreef maar “nu begrijp ik het beter: ik had behoefte aan een soort houvast – huisnummers, namen van metrostations, stambomen van honden – alsof ik bang was dat mensen en dingen je plotseling zouden kunnen ontvallen en verdwijnen, zodat je tenminste een bewijs moest hebben dat ze hadden bestaan.” Het boekje staat vol aantekeningen, soms onbegrijpelijk – morseseinen voor later… Ook notities betreffende onderzoeken naar enkele figuren over wie hij wou schrijven. De dichter Tristan Corbière, met die ene dichtbundel ‘Les amours jaunes’, en over Jeanne Duval, de minnares van Baudelaire. Over haar zal hij inderdaad later werkelijk een boek schrijven. Eén van de vele want hij is een gerenommeerd auteur geworden. Niets is onmogelijk in deze wereld waar de tijd rare sprongen maakt. Zal de oudere Jean niet deze Jeanne Duval, overleden rond 1870, voor zich uit zien lopen op één van zijn tochten? Reageert deze dame niet op haar naam wanneer hij haar roept… Verdwijnt zij niet waar zij woonde. Een schim? Ook de Witte Barones duikt op in het boekje, Marie-Anne Leroy die op 26 juli 1794 stierf op de guillotine; zij vond een plaats in de memoires van Casanova had hij ontdekt. Wat een grillig labyrint dit zwart notaboekje, net als de straten en sloppen van de stad. Wie is Jean? Veel leren we niet over hem. Hoewel, hoe duidelijk gaat Modiano schuil achter de verteller van zijn roman? Kende ook Jean niet die moeilijke jeugd. Hij had “geen fatsoenlijke ouders”. “Ik had in die dagen geen enkel bestaansrecht. Zonder familie en zonder sociaal houvast dobberde ik stuurloos door Parijs.”

Zo dwaalde de twintigjarige Jean in 1966 vooral in Montparnasse, een wijk tussen een station en een kerkhof. Met de Cité universitaire in de buurt. Een wijk die toen “haar ziel verloren had. De passie en het talent waren verdwenen.” Troosteloos dus. Daar ontmoet hij Dannie R. Of hoe zij ook mag heten. Want in het ganse relaas dat enkele maanden beslaat, hun samen eenzaam zijn in de grootstad, zal niets zijn wat het lijkt. Zij had, hoewel geen studente, een kamer in de Cité Universitaire in het US-paviljoen. Met een valse kaart. Via een Marokkaanse student, Aghamouri, belandt zij in het Unic Hôtel. Het is deze Aghamouri die een cruciale rol zal spelen in de gebeurtenissen. Een student? Hij is gehuwd, betrekt ook een kamer in het hotel, maar heeft met zijn echtgenote ook een huis in een buitenwijk. Het hotel neemt een centrale plaats in, vooral omdat zich in de lounge steevast enkele louche figuren ophouden. Die allen op een of andere wijze te maken hebben met Dannie, een bedreiging lijken te vormen, zich steeds opdringen. Voor wie Aghamouri Jean waarschuwt, het zijn mannen ‘met gemene streken’. Paul Chastagnier, piekfijn uitgedost, die zich verplaatst in een opzichtige rode Lancia terwijl hij toch liever vaak onzichtbaar wil blijven. Deze veertigjarige zal Jean dikwijls meenemen naar obscure cafés in achterafbuurten, in wijken waar de huizen gesloten zijn of afgebroken, tussen puin, braakliggende terreinen. Hij bezit een hotel in Casablanca. Ook de andere mannen hebben een band met Marokko. Duwalz, Gérard Marciano, Georges Rochard. Net als de hoteleigenaar, Lakhdar. En Dannie… zegt zij niet in Casablanca geboren te zijn…

Tenslotte is de intimidatie te fel en verhuist Dannie naar hotel Perceval. De oude Jean tracht langzaam het gebeuren te reconstrueren. Hoe Dannie, met wie hij door Parijs blijft dolen, maar ook dikwijls in haar kamer en in zijn appartementje vertoeft, hem langzaam iets prijsgeeft over zichzelf. Moeizaam. Maar hoe meer hij weet hoe mysterieuzer alles wordt. Wie is de vriendin die ‘ergens’ in de buurt woont? En haar broer die zij soms bezoekt? Waar komen de brieven vandaan die zij poste restante ontvangt? Zij neemt Jean mee naar een landhuis, La Barberie, op 150 kilometer van Parijs. Pas na moeizaam puzzelen – zijn notaboekje vermeldt de naam van de plaats niet – ontdekt hij dat het in Feuilleuse was… Dannie bezat de sleutel. Ze zullen er vaak ‘logeren’.  De eigenaars zijn in het buitenland. Dannie zou hier ooit verbleven hebben, de man verantwoordelijk voor de woning kent haar. Evenwel, wanneer twee mannen komen aanbellen is zij bang en moeten ze zich dagenlang schuilhouden. Als Dannie even alleen op stap gaat keert zij terug met een pak bankbiljetten. Een raadsel, Jean krijgt geen antwoord op vragen. Zo vergaat het hem ook bij een bezoek aan het eerste appartement waar Dannie gewoond heeft toen zij naar Parijs kwam, voor zij een kamer kreeg in de Cité Universitaire. Ook van dit appartement bezit zij nog een sleutel. Er is niemand, Dannie graait uit een lade papieren mee, stopt een grammofoon en een aantal LP’s in een boodschappentas, betreurt dat zij haar kleren niet kan meenemen… Ja ooit is zij hier halsoverkop vertrokken. Zij huurde hier een kamer bij een oude dame. Waar kwam zij toen vandaan, waarom dat overhaast vertrek… Er zijn meer vragen dan antwoorden. Dat Jean in het landhuis, waar Dannie plots niet meer wou naar terugkeren, het manuscript van zijn eerste roman achterliet, negenennegentig bladzijden… wat zou er van die volgekriebelde blaadjes geworden zijn?

Verontrustend werd het pas toen Dannie hem vroeg aan te bellen aan de woning rue Sauffroy 17. Hij diende te informeren of mevrouw Dorme thuis was. Er kwam geen reactie op zijn bellen en kloppen. Dannie bleek zeer nerveus, sprak vaag over een misdaad, moord… Er is voldoende reden tot ongerustheid. Jean wordt ondervraagd door politie-inspecteur Langlais. Over Dannie, over het gezelschap van het Unic Hôtel, over de ’66’ een obscuur café, in feite de dubieuze annex van een gerenommeerd café, Le Luxembourg, waar hij met Dannie soms belandde tussen louter louche types. Het is duidelijk dat Jean niet veel weet. En Dannie… zij is plots vertrokken. Naar het buitenland. Of niet? Zij liet hem wel een afscheidsbriefje na, maar dat was een tekst overgeschreven uit een romannetje! Nu, zoveel jaren later, verwacht Jean nog steeds haar ergens te ontmoeten, haar schaduw te zien in een steeg, of voorbij te zien komen in een taxi, in de metro… Wat had dit alles te betekenen? Het wordt duidelijker wanneer de oudere Jean niet zo toevallig de inmiddels gepensioneerde inspecteur Langlois ontmoet. Deze bleef de auteur in zijn geschriften belangstellend volgen, én had ook het onopgeloste dossier over Dannie naar huis meegenomen. Dat wil hij nu aan Jean toevertrouwen – veel is het niet, een aantal vergeelde getypte velletjes. Wat openbaren ze? Hoe intiem Jean en Dannie ook met elkaar waren die enkele maanden (hoewel er niet gereveleerd wordt of ze ook een seksuele relatie hadden), hoeveel tijd ze ook samen doorbrachten, er bleef steeds een zweem van mysterie om het meisje hangen. Inderdaad, Nu blijkt dat zij in Parijs geboren is en Mireille Sumpierry heet. Dat zij reeds acht maanden in de gevangenis zat wegens winkeldiefstallen. Een broer waar zij naar verwees blijkt niet te bestaan. De bevriende restauranthouder André Falvet bij wie zij met Jean wel eens ging eten was lid van de beruchte Stéfani-bende. Maar vooral – onderwerp en aanleiding van het dossier – op het adres waar zij Jean had laten aanbellen om te informeren naar mevrouw Dorme was drie maanden voor zij met Jean kennismaakte een moord gepleegd. Een man werd er met twee revolverschoten afgemaakt. Volgens een getuige hebben vier mannen die fatale avond een groot pak, het lijk dus allicht, naar buiten gedragen. Nu, wanneer Langlois in zijn onderzoek Dannie en de mannen uit het Unic Hôtel op het spoor komt, verdwijnt Dannie; vermoedelijk is zij met de zogenaamde mevrouw Dorme, ook een schuilnaam, naar Zwitserland gevlucht. Jean beseft nu dat de toespelingen van Aghamouri, dat Dannie iets ernstigs begaan had, wel zullen kloppen. Maar waarom? En wat is de rol van Aghamouri die in feite werkt bij de Marokkaanse veiligheidsdienst. Alles draait dus om de politiek in deze woelige periode – alle betrokkenen hebben bindingen met Marokko. Denken we hier niet aan de zaak Ben Barka… De identiteit van het slachtoffer is niet te vinden in het dossier van Langlois en de zaak werd afgevoerd – een duidelijke doofpotoperatie.

‘L’herbe des nuits’ is geen misdaadverhaal. Het is geen politieke thriller. Het is zoals alle werken van Modiano een bundel poëzie. Sla willekeurig welke bladzijde op en je leest een gedicht. Je verdwaalt in de woorden. Op de klanken van de namen van personen, winkels en plaatsen. Meegevoerd in de duistere mysterieuze sfeer. Waar was Jean, zijn notaboekje in de hand, naar op zoek? Het verleden? Nee. “Het gaat niet om het verleden maar om episoden uit een gedroomd, tijdloos leven dat ik bladzijde voor bladzijde aan de monotonie van het dagelijkse leven ontruk om er wat schaduw en licht in aan te brengen.” Er is bovendien niet zoiets te vinden als een verleden, noch een nu. Ontmoette hij niet de minnares van Baudelaire in wat zijn actuele leven heet te zijn. En hoe aanwezig was niet de schim van Gérard de Nerval in het kantoor van inspecteur Langlois dat zich bevond bij de rue de la Vieille-Lanterne waar de schrijver zich verhing. “Toen ik gisteren alleen op straat liep, scheurde er een sluier. Geen verleden meer, geen heden, een roerloze tijd. Alles had zijn ware licht hervonden.” Welke schimmen, welke personen uit zijn leven – dit van Jean, de getroebleerde jeugd van Modiano – dolen rond in de straten en steegjes van nachtelijk Parijs. Waar een wijk, wanneer het regenachtig, of mistig, is, soms lijkt op een dorp in het noorden van Frankrijk. Waar avonden in Montparnasse verbonden worden met dichtregels van auteurs wier naam vergeten is. Loopt daar ook een soort tweelingbroer rond, naast de Jean van zestig jaar, die niet ouder geworden is dan de twintigjarige Jean? “Zou het kunnen dat een dubbelganger die ik daar had achtergelaten mijn oude gebaren bleef herhalen en tot in de eeuwigheid dezelfde wegen ging als ik toen?” Heden, nu, toekomst, loze begrippen? Is het mogelijk een bres in de tijd te vinden, zich over te leveren en zich daar in te laten zakken… Wie weet, oppert hij, dan zou hij misschien alles onveranderd terugvinden. Zoals hij weet: ook nu zoveel jaren later slentert Dannie ergens voor hem uit, verdwijnt haar schaduw om een hoek, hangt een vleug van haar parfum nog in de metrowagon…

Een roman om te koesteren met woorden die je in jezelf begraaft, tijdloos.     

POUR QUE TU NE TE PERDES PAS

‘Pour que tu ne te perdes pas’ (2014) (‘Om niet te verdwalen’, Querido, 2015), is het verhaal van Jean Daragane, schrijver. Alles start wanneer hij een telefoontje krijgt van ene Gilles Ottolini die hem meldt dat hij zijn adresboekje gevonden heeft, dat hij een maand eerder verloren had. Bij de overhandiging blijkt dat deze Ottolini geïnteresseerd is in een naam die in het boekje genoteerd staat, Torstel. De naam roept geen herinnering op bij Daragane… Toch zal hij de start betekenen van de zoektocht die hem de ganse roman doorheen een web van het verleden, van dromen, van angsten, speculaties zal voeren. Wie is die vreemde Ottolini die een dossier blijkt aangelegd te hebben over de mysterieuze Torstel, wie is zijn vriendin Chantal Grippay die eveneens contact zoekt met Daragane? Het duo blijkt hem telefonisch en daadwerkelijk te achtervolgen. Hij krijgt inzage in het ‘dossier Torstel’: de namen, de plaatsen die vermeld worden, ze zijn hem vreemd. Voorlopig. Hij gaat op zoek. Is daar plots toch een straatnaam, het kantoor van zijn vader… Een naam, een link met het theater waar zijn moeder acteerde. Ontmoet hij iemand die zich kenbaar maakt als een persoon uit zijn verleden. Hij dwaalt door Parijs. Herkent plaatsen. Als in een mist doolt hij rond in zijn geheugen. Uit een nevel doemen flarden op, vreemde beelden, flarden slechts, figuren, gebeurtenissen. En daartussen telkens weer een naam die scherper wordt: Annie Astrand. Terwijl daaraan verbonden de pasfoto van een jongetje die bij het dossier gevoegd was. En dat vreemde verhaal over die Annie, een grens overschrijden, de gevangenis… Herinneringen, verdrongen gebeurtenissen. Doemt daar niet een jongetje op, een paspoort met een nieuwe naam, daar de bewuste pasfoto… een reis, een vlucht, politie. Wat is deze roman, een detective, een puzzel, een thriller soms want Daragane voelt zich vaak bedreigd? 

Cruciaal is het briefje dat hij vindt met een adres en de woorden ‘om niet te verdwalen’ (verdwalen, dat is nu net wat hij doet, de ganse roman door), dé band met Annie Astrand, die nu ook in zijn heden opduikt, gehuwd en dus met een andere familienaam maar die ook een nieuwe voornaam aannam. Zoals niemand van alle mensen uit het verleden die hij inmiddels ontmoette lijkt te zijn wie hij was. Hoe bedrieglijk zijn herinneringen, hoe verdraaid? Het verleden is een spiegel die vervormt, waarin hij zichzelf slechts moeizaam herkent, zijn verleden moeizaam opbouwt, stukje bij beetje. En wat is waarheid, hoe bedrieglijk is wat hij ontdekt buiten en in zichzelf. Alles lijkt een droom. Bitter, wrang. Terwijl het zoeken zelf, met de figuur van Annie steeds dominanter aanwezig, zijn dolen door de stad als door zijn persoonlijk labyrint, niet ontkomt aan een halo van poëzie en melancholie. Hoe het eindigt? De lezer vult het zelf in, dit is geen detective, hij werd meegenomen in de zoektocht en blijft mee op zoek gaan. Wat was de band tussen Jean en Annie, waarom gingen ze op de vlucht naar Italië, wat speelde zich af in het grote huis waar ze ooit woonden en dat hij terugvond? Waar waren de ouders van Jean? In welke louche zaakjes waren al die personen betrokken? Modiano toont welk moeizaam, bedrieglijk spel het is, ons geheugen. Hoe het een loopje met ons neemt. Dat, hoe dieper we graven, hoe onzichtbaarder en mistiger het vaak wordt terwijl andere facetten die beter versluierd bleven onverwacht en ongewild opdagen uit de mist van het onderbewuste. Dit alles is gevat in een beeldenrijke, poëtische taal. Die daarin haarfijn personen, de stad en de natuur tevoorschijn tovert, als toemaatje bij het thema. 

SOUVENIRS DORMANTS  

In ‘Souvenirs dormants’ (2017) (‘Slapende herinneringen’, Querido, 2018), laat Patrick Modiano deze keer zijn, niet bij naam genoemde, hoofdpersoon in zijn geheugen graven naar de vrouwen die ooit zijn pad kruisten. Ooit..  dat betekent vooral en in eerste instantie de periode rond 1964 toen hij als 22-jarige ambieerde tekstschrijver te worden. Al start hij met een vage, prille jeugdliefde in 1959, de dochter van een Russische vriend van zijn ouders – een ijle droom. Ingrijpender is de kennismaking met Martine Hayward omdat haar appartement de locatie zal worden die uiteindelijk sterk in zijn leven zal ingrijpen. Er duiken, terwijl hij door de straten van Parijs dwaalt, halthoudt in bars, neerzijgt in restaurants, namen op, Mireille Ourousov bijvoorbeeld, die geboeid is door esoterie. Zij brengt hem in contact met Geneviève Dalame en haar bizarre broer die met zijn vriend, een fotograaf, een misdadig duo blijkt. Waar voeren de omzwervingen hen allen heen in de nachtelijke stad, de buitenwijken… hij graaft langzaam steeds dieper. Via Geneviève leert hij de rijke, mysterieuze Madeleine Péraud kennen. Die hem heel bizar raakpunten uit zijn prille jeugd aanreikt: waar hij ooit met zijn familie de zomervakanties doorbracht bleek ook zij te vertoeven in een soort genootschap rond een spirituele leermeester Gurdjieff. Hij zal een tijdlang zijn intrek nemen bij Madeleine. Bij wie hij een boek aantreft waarvan hij een exemplaar cadeau deed aan Geneviève, met een opdracht van een Irène die eveneens zal opdagen. Welke rol speelt de nachtclub ‘Le mauvais pas’ die hij zich uit zijn kinderjaren herinnert en die de ontmoetingsplaats moet geweest zijn van de adepten van de goeroe, in het verhaal? En waarom denkt Madeleine dat Geneviève gevaar loopt? 

Even plots als ze in zijn leven verschenen blijken ze ook verdwenen: op een dag staat hij bij beide voor een gesloten deur, ze zijn in rook opgegaan. Ziet hij hen ooit terug? Zes jaren later doemt nog het beeld op van Geneviève die inmiddels een zoontje heeft, een gezamenlijke wandeling… Wel leerde hij via Madeleine mevrouw Hubersen kennen, een excentrieke dame, die teruggetrokken leeft in een appartement dat volgestouwd is met Afrikaanse en Polynesische maskers, Indische kunst, schilderijen… Met haar gaat hij dagenlang op stap, als haar begeleider, als haar hoeder – zij klampt zich aan hem vast. Het wordt, opnieuw, een reis door dat vreemde Parijs, op een heel andere wijze nu. Een andere duik in zijn verleden, langs toch weer straten, boulevards, parken. “Voor mij is Parijs bezaaid met fantomen, even talrijk als de metrostations en hun oplichtende lampjes, wanneer je op de knoppen drukte van het overzichtsbord dat alle verbindingen liet zien”. Verwarrend, een spinnenweb met een structuur waarin hij gravend en tastend zijn weg zoekt, nu, zoveel jaren later. Want toen was er een telefoontje, van een vriendin die hij niet wenst te identificeren omdat zij een misdaad beging. Betreft het iemand met wie we reeds kennis hebben gemaakt? Of niet? Zij sommeert hem naar het appartement te komen waar Mireille Ourousov woont, dat – zo weet hij – inmiddels een plaats geworden is waar veel feestjes plaats vinden. Daar treft hij haar aan bij een lijk: zij heeft een man vermoord. Hij wordt haar ‘medeplichtige’, dropt de revolver in een container, duikt met haar onder in een hotel. Nu ja onderduiken… hij schrijft zich in onder zijn naam en heel vreemd geeft als zijn adres op: dit van Mireille waar het lijk ligt! Dagenlang wachten ze in spanning op de gevolgen, in de kranten wordt niks vermeld over de moord, ze blijken niet te worden gezocht. Zelf dolen ze door de stad, belanden in cafés en restaurants, zwalpen door de straten. De misdaad, het ganse gebeuren zal verdwijnen in een nevel van het geheugen, verdrongen…

Heden, de schrijver van dit alles, die zich al deze vrouwen herinnert, vindt tussen oude papieren een grote enveloppe met paspoorten, rapporten uit het kindertehuis en enkele bladzijden van een politierapport – doorslagen – die verwijzen naar de moord. Daar ziet hij zijn naam, de gegevens van de hotelfiche, en de vermelding dat hij vergezeld was van een meisje wier identiteit niet kon achterhaald worden. Meteen reveleert het rapport de identiteit van de vermoorde, blijkbaar een Deen die al jarenlang door de zedenpolitie gezocht werd… Deze roman een detective, allerminst… Hier houdt het op, de herinnering is cruciaal, en waar zij eventueel een anker vindt met de realiteit – hoe broos ook, is van belang. Zoals de laatste pagina’s ons alweer misleiden: in een boek duikt een agendablaadje op waar een route op neergeschreven is, twee telefoonnummers. Is het zijn handschrift? Mogelijk… Geïntrigeerd reconstrueert hij de weg, de nummers zijn niet meer in gebruik. Hij gaat op pad… Autoroute du Sud… Nemours… Route de Sens… Remauville… een oprit… kasteel van de schone slaapster… Natuurlijk haakt ook dit in bij wat we eerder lazen, het esoterisch genootschap – het is alles een vreemd spel, een puzzel, net zoals ons brein, net zoals ons geheugen. Waar we drenkelingen zijn, net als de personen die in deze roman figureren ontspoorden zijn die aanknopingen zoeken dolend in de metropool. Peinzend, dromend tracht hij de realiteit te sturen, te bezweren, te ontkennen soms – het geheugen te bedriegen. Terwijl het dit geheugen zelf is dat een loopje neemt met hem, hem verwart. Niets is wat het lijkt. De schimmen uit het verleden worden de demonen van vandaag. En hij slaagt er niet in zich van hun ban te bevrijden. ‘Slapende herinneringen’… wat een vloek wanneer ze ontwaken.

In deze roman vinden we niet de melancholie die vaak de sfeer bepaalt bij Modiano. Hier domineert het mysterie, het duister. Geïncarneerd in al die vrouwen, en meteen breed uitgesmeerd in de talloze tochten door de stad, wandelend, in de auto of in de metro… Met soms troostende stops in bars of restaurants hoewel ook daar dan toch vaak nieuwe gevaren lijken te dreigen. Dat geen enkele vrouw zich aandient zonder een geheim met zich mee te dragen… een raadsel te zijn voor de schrijver en de lezer, ongrijpbaar en uiteindelijk onoplosbaar? Heeft Modiano hiermee een sluier over dé vrouw willen hangen? Zijn ze allen op een of andere wijze ontoegankelijk, niet te begrijpen – blijven ze een mysterie? In ieder geval blijft ‘de schrijver’  met zijn gevoelens, zijn liefdes, en zijn herinneringen op zijn honger zitten. Verward en eenzaam. Ook de lezer blijft wat verward achter – er worden geen oplossingen geboden. Maar genoten heeft hij wel. En er rest hem stof tot nadenken, veel stof.    

ENCRE SYMPATHIQUE

Al schrijvend komen de herinneringen, zo is deze roman geen chronologisch verslag. Je moet bovendien voortdurend twijfelen aan de betrouwbaarheid van de getuigen en van hun geheugen; en jouw eigen geheugen. “Achter de ondoordringbare ruis verdwijnen de contouren van iemands leven. Hoe zou je waarheid en schijn van elkaar kunnen onderscheiden, als je bedenkt hoeveel tegenstrijdige sporen mensen achterlaten? En zouden we meer weten van onszelf, bedacht ik, afgaande op mijn eigen leugens, mijn falende geheugen en mijn onwillekeurige omissies?” De hoofdpersoon in ‘Encre sympathique’ (2019) van Patrick Modiano (‘Onzichtbare inkt’, Querido, 2020) is de schrijver Jean Eyben die hier als 50-jarige zijn verhaal neerschrijft dat dertig jaar eerder begon. Hij was twintig en nam een baantje aan bij de privédetective Hutte in Parijs. Zijn eerste, en enige, opdracht: op zoek te gaan naar de verdwenen Noëlle Lefebvre op vraag van ene Brainos, eigenaar van een bioscoop in Brussel. De schaarse gegevens zitten in een hemelsblauwe map: een donkere foto, haar geboorteplaats Annecy in de Haute-Savoie, haar adres, een café waar zij vaak kwam, een bewijs waarmee zij haar briefwisseling poste restante kan afhalen. Jean Eyben begint zijn zoektocht, en zo ook de lezer…

Die kan deze roman in een ruk verslinden, mee met de hoofdpersoon verdwalen in zijn grillige zoektocht die hem langs de meest duistere figuren, donkere locaties, eigen herinneringen, dromen en confrontaties voert. Hij kan ook, de pen in aanslag, alles noteren, en trachten te doen wat Jean Eyben net niét doet: een chronologie van de gebeurtenissen in het leven van de mysterieuze Noëlle Lefebrve opstellen. Of hem dat uiteindelijk wijzer zal maken? Een combinatie van de twee is misschien aan te raden. Jean zal zich in ieder geval eerst naar het postkantoor begeven waar geen brief gearriveerd is; later zal hij hier meer succes hebben en dan zet dit hem op het spoor van de spilfiguur Sancho, alias Serge Servoz. Daarna vat hij post in het café, dat levert hem het contact op met een acteur, Gérard Mourade – heel wat later zal blijken dat het een pseudoniem is – maar niemand is wie hij lijkt in het leven van Noëlle. Het is de vraag of Noëlle wel is wie zij pretendeerde te zijn – die vraag rijst tijdens de zoektocht steeds meer. Een tocht die hem voert doorheen Parijs en hem met meerdere personen in contact brengt, figuren van wie hij zich afvraagt of ze een rol spelen in de onderwereld of te vertrouwen zijn. Hoe raadselachtig is de opdrachtgever, de rijke Brainos, eigenaar van heel wat lucratieve bars en van de dancing ‘de la Marine’ waar zich het centrum lijkt te bevinden van wat zich in het leven van Noëlle heeft afgespeeld. 

Een brief met de naam Sancho, iets over een reis naar Rome… is het een definitief aanknopingspunt? Haar geboorteplaats, Annecy, daar bracht ook Jean Eyben, de schrijver zijn jeugd door – er duiken vermoedens op. Wie weet heeft hij Noëlle ooit ontmoet toen. Is zijn zoektocht niet toevallig. Zelfs verdenkt hij de privédetective ervan hem hiermee met opzet belast te hebben – dat hij een pion geworden is in een opgezet plan. Zoals gewoonlijk voert Modiano ons via zijn hoofdfiguur doorheen enkele wijken van de stad, de boulevards, nauwe stegen, laat hij ons halt houden in bars en restaurants. Zo wandelend noteert hij in zijn hoofd een parcours alsof hij ontdubbelt, het lijkt hem alsof een tweede ik naast hem mee stapt. Uiteindelijk levert het zoeken van Jean geen resultaat op. Tien jaar later wordt hij toch nog geconfronteerd met wat hem zo intrigeerde wanneer hij een foto ziet van de acteur Gérard en ontdekt dat deze in de beruchte dancing woont. Dan is er ook de herinnering aan een notaboekje dat hij ooit ontdekte, verstopt in het appartement van een ‘vriend’ van Noëlle. Dat leek van weinig belang, bevatte slechts namen, afspraken, één gedicht… alles in blauwe inkt. Nu, jaren later, lijkt het plots meer te bevatten… is er een chemisch proces opgetreden dat een onzichtbare inkt…? Is Sancho gehuwd met Noëlle, en heeft Gérard inderdaad iemand gedood toen hij, gevangen genomen, trachtte te ontsnappen? Eindigt het verhaal als een politieroman…? 

Wie grijpt bij de laatste hoofdstukken in? Is het Modiano? Of toch, via hem, de inmiddels vijftigjarige Jean Eyben die eindelijk zijn speurtocht kan beëindigen. Hij is in Rome, ‘de stad van de vergetelheid’. Hij stapt een fotogalerij binnen die wordt opengehouden door – jawel – Noëlle Lefebvre. In een fotoboek, foto’s van de kunstfotograaf aan wie de galerij toebehoort, identificeert hij meerdere personen die hij ontmoette in de loop van zijn zoeken. Herinnert Noëlle zich hen niet – nee, het verleden is voor haar in een genadige mist verhuld. Wat weet zij toch te reveleren: dat zij ooit uit haar woonplaats Annecy naar Parijs gevlucht was om aan Sancho te ontsnappen – vergeefs. Drie maanden in de stad verbleef maar tenslotte met Sancho naar Rome ging waar hij overleed. En de cirkel sluit zich na al die jaren: zij, Noëlle herinnert zich uit haar jeugd een jongen met wie zij vaak op de bus zat en soms ook wandelde, dit was ongetwijfeld de toen even oude Jean Eyben… Zij maakte dus inderdaad reeds lang deel uit van zijn leven, zat diep in zijn geheugen, zijn herinneringen opgeborgen. Hoe reëel sluit dit slot aan bij de zoektocht van Jean, heeft hij Noëlle werkelijk gevonden? Of is dit een spielerei van de oudere schrijver Jean Eyben die zijn fantasie de vrije loop laat en zich alleen voorstelt hoe het zou kunnen eindigen? Er bestaat geen antwoord. Zoals Patrick Modiano nooit antwoorden geeft, alleen vragen stelt, puzzels opstelt, raadsels tovert. Een labyrint van woorden, een kronkelweg waar het geheugen vergeefs een pad zoekt. Dat alles op een basis van rijke taal, beeldenrijk. “Zoveel verloren woorden… sommige die je zelf hebt uitgesproken, andere die hebt opgevangen maar die je je niet meer herinnert, en weer andere die tot jou waren gericht en waar je geen acht op sloeg… En soms, als je wakker wordt, of in het holst van de nacht, een zin die je je opeens weer herinnert zonder te weten wie je hem ooit heeft toegefluisterd.”

‘Encre sympathique’ laat zich lezen als een detectivestory die geen oplossing biedt. Een chaotische puzzel waarin de lezer zelf zijn weg moet zoeken, heel voorzichtig bij de hand geleid door een hoofdpersoon die zelf verdwaalt in een labyrint dat gevormd wordt door een stad met kronkelende straten en mysterieuze plaatsen om amechtig naar adem snakkend halt te houden enerzijds. Door het fantastische van zijn geheugen, zijn onderbewuste en zijn dromen anderzijds. Een roman die meteen voor de lezer een avontuur en een intellectuele oefening is. Meegesleept in de denkwereld van Modiano. Wat laat hij zijn schrijver Jean Eyben noteren over het schrijven: “Mijn boeken moet ik eerst in een soort donkere kamer van de eenzaamheid tot leven zien komen, voordat ik ze kan schrijven.” Vermoedelijk spreekt hier doorheen zijn creatie de auteur zelf.                      

Johan de Belie

Een gedachte over “De schatkamer van Johan de Belie (40)

  1. Prachtig! Schitterend – deze tekst over Modiano. Een schrijver die ik al meer dan dertig jaar volg. Als in Antwerpen geboren mens met een Joodse grootmoeder. En een vader die even foefelend fout was als die van Modiano. Het laat een kind en een mens verweesd achter. En daarom is het prachtig dat er mensen leven & overleven als Modiano die de verweesdheid zo diepgaand beschrijven. En dat er mensen zijn als u om dat feilloos aan te voelen. Bedankt, meneer de Belie!

    Geliked door 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.