De Franse auteur Patrick Modiano (foto Frankie Fouganthin via Wikipedia) werd geboren te Boulogne-Billancourt op 30.7.1945. Zijn moeder was de Vlaamse actrice Louisa Colpijn, geboren te Antwerpen, die in veel films in Vlaanderen en later vooral in Frankrijk te zien was. Zijn vader was een Joodse Italiaan met Egyptische roots. Hij werd grootgebracht bij zijn Vlaamse grootouders zodat zijn eerste taal blijkbaar het Nederlands was. Waar evenwel in zijn oeuvre, dat bijna veertig romans omvat, niets van te merken is.

Wel merkbaar – hij verwijst er ook zelf naar – is het feit dat hij als foetus nog de bezetting van Parijs door de Duitsers ‘beleefde’. In meerdere werken zal de oorlog een rol spelen, een soort herinnering worden. Gescheiden van zijn ouders was zijn jeugd eenzaam. Wanneer hij dan toch herenigd met zijn ouders in Parijs in het lyceum studeert krijgt hij les van de schrijver Raymond Queneau die een stempel op hem als auteur zal drukken. Deze zal, net als André Malraux, als getuige fungeren bij zijn huwelijk. De twee dochters uit dit huwelijk zullen zich ook artistiek profileren, Marie als singer-songwriter, Zina als filmregisseur. 

In 1968 debuteerde hij met ‘La place de l’Etoile’. Tien jaren later wordt hem de Prix Goncourt toegekend voor ‘Rue des boutiques obscures’. In 2014 is er de Nobelprijs: te danken aan “zijn herinneringskunst, het oproepen van de ongrijpbare menselijke lotsbestemmingen”. Romans, kortverhalen, enkele jeugdboeken… Zijn werk is goed voor negen verfilmingen, o.m. door Louis Malle. 

POUR QUE TU NE TE PERDES PAS

‘Pour que tu ne te perdes pas’ (2014) (‘Om niet te verdwalen’, Querido, 2015), is het verhaal van Jean Daragane, schrijver. Alles start wanneer hij een telefoontje krijgt van ene Gilles Ottolini die hem meldt dat hij zijn adresboekje gevonden heeft, dat hij een maand eerder verloren had. Bij de overhandiging blijkt dat deze Ottolini geïnteresseerd is in een naam die in het boekje genoteerd staat, Torstel. De naam roept geen herinnering op bij Daragane… Toch zal hij de start betekenen van de zoektocht die hem de ganse roman doorheen een web van het verleden, van dromen, van angsten, speculaties zal voeren. Wie is die vreemde Ottolini die een dossier blijkt aangelegd te hebben over de mysterieuze Torstel, wie is zijn vriendin Chantal Grippay die eveneens contact zoekt met Daragane? Het duo blijkt hem telefonisch en daadwerkelijk te achtervolgen. Hij krijgt inzage in het ‘dossier Torstel’: de namen, de plaatsen die vermeld worden, ze zijn hem vreemd. Voorlopig. Hij gaat op zoek. Is daar plots toch een straatnaam, het kantoor van zijn vader… Een naam, een link met het theater waar zijn moeder acteerde. Ontmoet hij iemand die zich kenbaar maakt als een persoon uit zijn verleden. Hij dwaalt door Parijs. Herkent plaatsen. Als in een mist doolt hij rond in zijn geheugen. Uit een nevel doemen flarden op, vreemde beelden, flarden slechts, figuren, gebeurtenissen. En daartussen telkens weer een naam die scherper wordt: Annie Astrand. Terwijl daaraan verbonden de pasfoto van een jongetje die bij het dossier gevoegd was. En dat vreemde verhaal over die Annie, een grens overschrijden, de gevangenis… Herinneringen, verdrongen gebeurtenissen. Doemt daar niet een jongetje op, een paspoort met een nieuwe naam, daar de bewuste pasfoto… een reis, een vlucht, politie. Wat is deze roman, een detective, een puzzel, een thriller soms want Daragane voelt zich vaak bedreigd? 

Cruciaal is het briefje dat hij vindt met een adres en de woorden ‘om niet te verdwalen’ (verdwalen, dat is nu net wat hij doet, de ganse roman door), dé band met Annie Astrand, die nu ook in zijn heden opduikt, gehuwd en dus met een andere familienaam maar die ook een nieuwe voornaam aannam. Zoals niemand van alle mensen uit het verleden die hij inmiddels ontmoette lijkt te zijn wie hij was. Hoe bedrieglijk zijn herinneringen, hoe verdraaid? Het verleden is een spiegel die vervormt, waarin hij zichzelf slechts moeizaam herkent, zijn verleden moeizaam opbouwt, stukje bij beetje. En wat is waarheid, hoe bedrieglijk is wat hij ontdekt buiten en in zichzelf. Alles lijkt een droom. Bitter, wrang. Terwijl het zoeken zelf, met de figuur van Annie steeds dominanter aanwezig, zijn dolen door de stad als door zijn persoonlijk labyrint, niet ontkomt aan een halo van poëzie en melancholie. Hoe het eindigt? De lezer vult het zelf in, dit is geen detective, hij werd meegenomen in de zoektocht en blijft mee op zoek gaan. Wat was de band tussen Jean en Annie, waarom gingen ze op de vlucht naar Italië, wat speelde zich af in het grote huis waar ze ooit woonden en dat hij terugvond? Waar waren de ouders van Jean? In welke louche zaakjes waren al die personen betrokken? Modiano toont welk moeizaam, bedrieglijk spel het is, ons geheugen. Hoe het een loopje met ons neemt. Dat, hoe dieper we graven, hoe onzichtbaarder en mistiger het vaak wordt terwijl andere facetten die beter versluierd bleven onverwacht en ongewild opdagen uit de mist van het onderbewuste. Dit alles is gevat in een beeldenrijke, poëtische taal. Die daarin haarfijn personen, de stad en de natuur tevoorschijn tovert, als toemaatje bij het thema. 

SOUVENIRS DORMANTS  

In ‘Souvenirs dormants’ (2017) (‘Slapende herinneringen’, Querido, 2018), laat Patrick Modiano deze keer zijn, niet bij naam genoemde, hoofdpersoon in zijn geheugen graven naar de vrouwen die ooit zijn pad kruisten. Ooit..  dat betekent vooral en in eerste instantie de periode rond 1964 toen hij als 22-jarige ambieerde tekstschrijver te worden. Al start hij met een vage, prille jeugdliefde in 1959, de dochter van een Russische vriend van zijn ouders – een ijle droom. Ingrijpender is de kennismaking met Martine Hayward omdat haar appartement de locatie zal worden die uiteindelijk sterk in zijn leven zal ingrijpen. Er duiken, terwijl hij door de straten van Parijs dwaalt, halthoudt in bars, neerzijgt in restaurants, namen op, Mireille Ourousov bijvoorbeeld, die geboeid is door esoterie. Zij brengt hem in contact met Geneviève Dalame en haar bizarre broer die met zijn vriend, een fotograaf, een misdadig duo blijkt. Waar voeren de omzwervingen hen allen heen in de nachtelijke stad, de buitenwijken… hij graaft langzaam steeds dieper. Via Geneviève leert hij de rijke, mysterieuze Madeleine Péraud kennen. Die hem heel bizar raakpunten uit zijn prille jeugd aanreikt: waar hij ooit met zijn familie de zomervakanties doorbracht bleek ook zij te vertoeven in een soort genootschap rond een spirituele leermeester Gurdjieff. Hij zal een tijdlang zijn intrek nemen bij Madeleine. Bij wie hij een boek aantreft waarvan hij een exemplaar cadeau deed aan Geneviève, met een opdracht van een Irène die eveneens zal opdagen. Welke rol speelt de nachtclub ‘Le mauvais pas’ die hij zich uit zijn kinderjaren herinnert en die de ontmoetingsplaats moet geweest zijn van de adepten van de goeroe, in het verhaal? En waarom denkt Madeleine dat Geneviève gevaar loopt? 

Even plots als ze in zijn leven verschenen blijken ze ook verdwenen: op een dag staat hij bij beide voor een gesloten deur, ze zijn in rook opgegaan. Ziet hij hen ooit terug? Zes jaren later doemt nog het beeld op van Geneviève die inmiddels een zoontje heeft, een gezamenlijke wandeling… Wel leerde hij via Madeleine mevrouw Hubersen kennen, een excentrieke dame, die teruggetrokken leeft in een appartement dat volgestouwd is met Afrikaanse en Polynesische maskers, Indische kunst, schilderijen… Met haar gaat hij dagenlang op stap, als haar begeleider, als haar hoeder – zij klampt zich aan hem vast. Het wordt, opnieuw, een reis door dat vreemde Parijs, op een heel andere wijze nu. Een andere duik in zijn verleden, langs toch weer straten, boulevards, parken. “Voor mij is Parijs bezaaid met fantomen, even talrijk als de metrostations en hun oplichtende lampjes, wanneer je op de knoppen drukte van het overzichtsbord dat alle verbindingen liet zien”. Verwarrend, een spinnenweb met een structuur waarin hij gravend en tastend zijn weg zoekt, nu, zoveel jaren later. Want toen was er een telefoontje, van een vriendin die hij niet wenst te identificeren omdat zij een misdaad beging. Betreft het iemand met wie we reeds kennis hebben gemaakt? Of niet? Zij sommeert hem naar het appartement te komen waar Mireille Ourousov woont, dat – zo weet hij – inmiddels een plaats geworden is waar veel feestjes plaats vinden. Daar treft hij haar aan bij een lijk: zij heeft een man vermoord. Hij wordt haar ‘medeplichtige’, dropt de revolver in een container, duikt met haar onder in een hotel. Nu ja onderduiken… hij schrijft zich in onder zijn naam en heel vreemd geeft als zijn adres op: dit van Mireille waar het lijk ligt! Dagenlang wachten ze in spanning op de gevolgen, in de kranten wordt niks vermeld over de moord, ze blijken niet te worden gezocht. Zelf dolen ze door de stad, belanden in cafés en restaurants, zwalpen door de straten. De misdaad, het ganse gebeuren zal verdwijnen in een nevel van het geheugen, verdrongen…

Heden, de schrijver van dit alles, die zich al deze vrouwen herinnert, vindt tussen oude papieren een grote enveloppe met paspoorten, rapporten uit het kindertehuis en enkele bladzijden van een politierapport – doorslagen – die verwijzen naar de moord. Daar ziet hij zijn naam, de gegevens van de hotelfiche, en de vermelding dat hij vergezeld was van een meisje wier identiteit niet kon achterhaald worden. Meteen reveleert het rapport de identiteit van de vermoorde, blijkbaar een Deen die al jarenlang door de zedenpolitie gezocht werd… Deze roman een detective, allerminst… Hier houdt het op, de herinnering is cruciaal, en waar zij eventueel een anker vindt met de realiteit – hoe broos ook, is van belang. Zoals de laatste pagina’s ons alweer misleiden: in een boek duikt een agendablaadje op waar een route op neergeschreven is, twee telefoonnummers. Is het zijn handschrift? Mogelijk… Geïntrigeerd reconstrueert hij de weg, de nummers zijn niet meer in gebruik. Hij gaat op pad… Autoroute du Sud… Nemours… Route de Sens… Remauville… een oprit… kasteel van de schone slaapster… Natuurlijk haakt ook dit in bij wat we eerder lazen, het esoterisch genootschap – het is alles een vreemd spel, een puzzel, net zoals ons brein, net zoals ons geheugen. Waar we drenkelingen zijn, net als de personen die in deze roman figureren ontspoorden zijn die aanknopingen zoeken dolend in de metropool. Peinzend, dromend tracht hij de realiteit te sturen, te bezweren, te ontkennen soms – het geheugen te bedriegen. Terwijl het dit geheugen zelf is dat een loopje neemt met hem, hem verwart. Niets is wat het lijkt. De schimmen uit het verleden worden de demonen van vandaag. En hij slaagt er niet in zich van hun ban te bevrijden. ‘Slapende herinneringen’… wat een vloek wanneer ze ontwaken.

In deze roman vinden we niet de melancholie die vaak de sfeer bepaalt bij Modiano. Hier domineert het mysterie, het duister. Geïncarneerd in al die vrouwen, en meteen breed uitgesmeerd in de talloze tochten door de stad, wandelend, in de auto of in de metro… Met soms troostende stops in bars of restaurants hoewel ook daar dan toch vaak nieuwe gevaren lijken te dreigen. Dat geen enkele vrouw zich aandient zonder een geheim met zich mee te dragen… een raadsel te zijn voor de schrijver en de lezer, ongrijpbaar en uiteindelijk onoplosbaar? Heeft Modiano hiermee een sluier over dé vrouw willen hangen? Zijn ze allen op een of andere wijze ontoegankelijk, niet te begrijpen – blijven ze een mysterie? In ieder geval blijft ‘de schrijver’  met zijn gevoelens, zijn liefdes, en zijn herinneringen op zijn honger zitten. Verward en eenzaam. Ook de lezer blijft wat verward achter – er worden geen oplossingen geboden. Maar genoten heeft hij wel. En er rest hem stof tot nadenken, veel stof.    

ENCRE SYMPATHIQUE

Al schrijvend komen de herinneringen, zo is deze roman geen chronologisch verslag. Je moet bovendien voortdurend twijfelen aan de betrouwbaarheid van de getuigen en van hun geheugen; en jouw eigen geheugen. “Achter de ondoordringbare ruis verdwijnen de contouren van iemands leven. Hoe zou je waarheid en schijn van elkaar kunnen onderscheiden, als je bedenkt hoeveel tegenstrijdige sporen mensen achterlaten? En zouden we meer weten van onszelf, bedacht ik, afgaande op mijn eigen leugens, mijn falende geheugen en mijn onwillekeurige omissies?” De hoofdpersoon in ‘Encre sympathique’ (2019) van Patrick Modiano (‘Onzichtbare inkt’, Querido, 2020) is de schrijver Jean Eyben die hier als 50-jarige zijn verhaal neerschrijft dat dertig jaar eerder begon. Hij was twintig en nam een baantje aan bij de privédetective Hutte in Parijs. Zijn eerste, en enige, opdracht: op zoek te gaan naar de verdwenen Noëlle Lefebvre op vraag van ene Brainos, eigenaar van een bioscoop in Brussel. De schaarse gegevens zitten in een hemelsblauwe map: een donkere foto, haar geboorteplaats Annecy in de Haute-Savoie, haar adres, een café waar zij vaak kwam, een bewijs waarmee zij haar briefwisseling poste restante kan afhalen. Jean Eyben begint zijn zoektocht, en zo ook de lezer…

Die kan deze roman in een ruk verslinden, mee met de hoofdpersoon verdwalen in zijn grillige zoektocht die hem langs de meest duistere figuren, donkere locaties, eigen herinneringen, dromen en confrontaties voert. Hij kan ook, de pen in aanslag, alles noteren, en trachten te doen wat Jean Eyben net niét doet: een chronologie van de gebeurtenissen in het leven van de mysterieuze Noëlle Lefebrve opstellen. Of hem dat uiteindelijk wijzer zal maken? Een combinatie van de twee is misschien aan te raden. Jean zal zich in ieder geval eerst naar het postkantoor begeven waar geen brief gearriveerd is; later zal hij hier meer succes hebben en dan zet dit hem op het spoor van de spilfiguur Sancho, alias Serge Servoz. Daarna vat hij post in het café, dat levert hem het contact op met een acteur, Gérard Mourade – heel wat later zal blijken dat het een pseudoniem is – maar niemand is wie hij lijkt in het leven van Noëlle. Het is de vraag of Noëlle wel is wie zij pretendeerde te zijn – die vraag rijst tijdens de zoektocht steeds meer. Een tocht die hem voert doorheen Parijs en hem met meerdere personen in contact brengt, figuren van wie hij zich afvraagt of ze een rol spelen in de onderwereld of te vertrouwen zijn. Hoe raadselachtig is de opdrachtgever, de rijke Brainos, eigenaar van heel wat lucratieve bars en van de dancing ‘de la Marine’ waar zich het centrum lijkt te bevinden van wat zich in het leven van Noëlle heeft afgespeeld. 

Een brief met de naam Sancho, iets over een reis naar Rome… is het een definitief aanknopingspunt? Haar geboorteplaats, Annecy, daar bracht ook Jean Eyben, de schrijver zijn jeugd door – er duiken vermoedens op. Wie weet heeft hij Noëlle ooit ontmoet toen. Is zijn zoektocht niet toevallig. Zelfs verdenkt hij de privédetective ervan hem hiermee met opzet belast te hebben – dat hij een pion geworden is in een opgezet plan. Zoals gewoonlijk voert Modiano ons via zijn hoofdfiguur doorheen enkele wijken van de stad, de boulevards, nauwe stegen, laat hij ons halt houden in bars en restaurants. Zo wandelend noteert hij in zijn hoofd een parcours alsof hij ontdubbelt, het lijkt hem alsof een tweede ik naast hem mee stapt. Uiteindelijk levert het zoeken van Jean geen resultaat op. Tien jaar later wordt hij toch nog geconfronteerd met wat hem zo intrigeerde wanneer hij een foto ziet van de acteur Gérard en ontdekt dat deze in de beruchte dancing woont. Dan is er ook de herinnering aan een notaboekje dat hij ooit ontdekte, verstopt in het appartement van een ‘vriend’ van Noëlle. Dat leek van weinig belang, bevatte slechts namen, afspraken, één gedicht… alles in blauwe inkt. Nu, jaren later, lijkt het plots meer te bevatten… is er een chemisch proces opgetreden dat een onzichtbare inkt…? Is Sancho gehuwd met Noëlle, en heeft Gérard inderdaad iemand gedood toen hij, gevangen genomen, trachtte te ontsnappen? Eindigt het verhaal als een politieroman…? 

Wie grijpt bij de laatste hoofdstukken in? Is het Modiano? Of toch, via hem, de inmiddels vijftigjarige Jean Eyben die eindelijk zijn speurtocht kan beëindigen. Hij is in Rome, ‘de stad van de vergetelheid’. Hij stapt een fotogalerij binnen die wordt opengehouden door – jawel – Noëlle Lefebvre. In een fotoboek, foto’s van de kunstfotograaf aan wie de galerij toebehoort, identificeert hij meerdere personen die hij ontmoette in de loop van zijn zoeken. Herinnert Noëlle zich hen niet – nee, het verleden is voor haar in een genadige mist verhuld. Wat weet zij toch te reveleren: dat zij ooit uit haar woonplaats Annecy naar Parijs gevlucht was om aan Sancho te ontsnappen – vergeefs. Drie maanden in de stad verbleef maar tenslotte met Sancho naar Rome ging waar hij overleed. En de cirkel sluit zich na al die jaren: zij, Noëlle herinnert zich uit haar jeugd een jongen met wie zij vaak op de bus zat en soms ook wandelde, dit was ongetwijfeld de toen even oude Jean Eyben… Zij maakte dus inderdaad reeds lang deel uit van zijn leven, zat diep in zijn geheugen, zijn herinneringen opgeborgen. Hoe reëel sluit dit slot aan bij de zoektocht van Jean, heeft hij Noëlle werkelijk gevonden? Of is dit een spielerei van de oudere schrijver Jean Eyben die zijn fantasie de vrije loop laat en zich alleen voorstelt hoe het zou kunnen eindigen? Er bestaat geen antwoord. Zoals Patrick Modiano nooit antwoorden geeft, alleen vragen stelt, puzzels opstelt, raadsels tovert. Een labyrint van woorden, een kronkelweg waar het geheugen vergeefs een pad zoekt. Dat alles op een basis van rijke taal, beeldenrijk. “Zoveel verloren woorden… sommige die je zelf hebt uitgesproken, andere die hebt opgevangen maar die je je niet meer herinnert, en weer andere die tot jou waren gericht en waar je geen acht op sloeg… En soms, als je wakker wordt, of in het holst van de nacht, een zin die je je opeens weer herinnert zonder te weten wie je hem ooit heeft toegefluisterd.”

‘Encre sympathique’ laat zich lezen als een detectivestory die geen oplossing biedt. Een chaotische puzzel waarin de lezer zelf zijn weg moet zoeken, heel voorzichtig bij de hand geleid door een hoofdpersoon die zelf verdwaalt in een labyrint dat gevormd wordt door een stad met kronkelende straten en mysterieuze plaatsen om amechtig naar adem snakkend halt te houden enerzijds. Door het fantastische van zijn geheugen, zijn onderbewuste en zijn dromen anderzijds. Een roman die meteen voor de lezer een avontuur en een intellectuele oefening is. Meegesleept in de denkwereld van Modiano. Wat laat hij zijn schrijver Jean Eyben noteren over het schrijven: “Mijn boeken moet ik eerst in een soort donkere kamer van de eenzaamheid tot leven zien komen, voordat ik ze kan schrijven.” Vermoedelijk spreekt hier doorheen zijn creatie de auteur zelf.                      

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.