Het is vandaag tachtig jaar geleden dat de Oostenrijkse auteur Stefan Zweig samen met zijn vrouw (foto) in Rio de Janeiro zelfmoord pleegde omwille van de ondergang van de Westerse wereld. (Er bestaan ook foto’s van hun doodsbed – ze kwamen om door vergif in te nemen – maar ik heb deze bewust niet willen plaatsen.)

De componist Richard Strauss was zo onaantastbaar onder het naziregime dat hij rustig kon verder werken aan een opera op een libretto van een joodse auteur, Stefan Zweig. Al in 1931 was overeengekomen dat hij muziek zou schrijven op diens “Die zweigsame Frau”, volgens Strauss het beste komische libretto sedert “Il barbiere di Siviglia”. De première van “Die zweigsame Frau” was gepland als slot van het seizoen 1934-35 in de Semperoper te Dresden. Zowel Goebbels als Hitler hadden Strauss toegestaan met de Oostenrijker Zweig te werken, alleen Alfred Rosenberg was ertegen, want nadat de Nationaalsocialisten in 1933 in Duitsland de macht hadden gegrepen en ook hun invloed in Oostenrijk voelbaar werd, was Stefan Zweig geëmigreerd naar Londen. Bij zijn uitgever in Leipzig mocht hij bijgevolg niet meer publiceren. Hij vond echter nog een uitgever in Wenen. In 1936 werden Zweigs boeken in Duitsland verboden en openbaar verbrand of aan de schandpaal genageld. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog nam hij de Britse nationaliteit aan. Hij verliet Londen en kwam via New York, Argentinië en Paraguay in 1940 in Brazilië terecht. Samen met zijn tweede vrouw koos Zweig op 22 februari 1942 ervoor om vrijwillig een einde te maken aan hun leven (of zoals hij zelf schreef: aus freiem Willen und mit klaren Sinnen) vanwege zijn verdriet over de vernietiging van zijn “geistige Heimat Europa”. Zweig besefte dat hij, ook bij een eventuele overwinning op Hitler-Duitsland, vertegenwoordiger van een voorbije wereld zou zijn (Die Welt von Gestern, zoals de titel van zijn laatste boek luidde), en hij wenste dit niet bewaarheid te zien worden. Die Welt von Gestern wordt overigens vandaag de dag gezien als een van de meest treffende en best geschreven tijdsbeelden van de periode 1900-1940.

Stefan Zweig schreef zijn novelle ‘Schachnovelle’ (1942) (‘Schaaknovelle’, Athenaeum-Polak 2004), wellicht zijn meest bekende werk, van 1938 tot 1941 toen hij met zijn tweede echtgenote Charlotte Altmann in Brazilië was gaan wonen, in Petropolis nabij Rio de Janeiro, op zijn verdere vlucht voor het nazisme. Op 22 februari 1942 zou hij zelf zijn leven beëindigen. In de periode van vrijwillige ballingschap met ‘Lotte’ speelden ze vaak schaak; daar moet de idee voor dit laatste geschrift zijn ontstaan aan te danken hebben. De intrige speelt op een pakketboot, een reis van New York naar Argentinië, Buenos Aires waar de verteller in kennis gesteld wordt van het feit dat zich aan boord de beroemde Mirko Czentovic bevindt, wereldkampioen schaken. Wie was deze Oostenrijkse Mirko? Jong wees geworden had de pastoor van het onooglijk dorpje de knaap onder zijn hoede genomen. De jongen bleek dom, lui, staarde een ganse dag apathisch voor zich uit. Hij kwam slechts in beweging wanneer hem iets gevraagd werd. De priester vulde zijn avonden met schaken met een vriend waarbij Mirko toekeek met lege blik. Tot op een avond de pastoor weggeroepen wordt, de partij afgebroken wordt – de jongen neemt zijn plaats in en blijkt verbluffend te spelen. Het wordt een roller coaster: via de beste schakers van het dorp, daarna deze van de regio, op naar Wenen, zal hij, inmiddels twintig jaar, onklopbaar wereldkampioen worden. Hij, Mirko Czentovic, die verder niks weet, geen andere interesses heeft, reist de wereld rond. Hij wordt rijk met schaaktornooien. Verliezen staat niet in het woordenboek waaruit hij verder weinig woorden kent. Een idiot-savant?

De verteller is geïntrigeerd: “Hoe meer iemand zichzelf inperkt, hoe meer hij aan de andere kant dicht bij het oneindige is; juist zulke schijnbaar van de wereld afgekeerde mensen bouwen voor zichzelf in hun eigen materie als termieten een merkwaardige en volkomen unieke verkleinde weergave van de wereld”. Hij wil in contact komen met de kampioen, maar hoe? Hem intrigeren… kan louter via het schaken. Hij zet een val op, begint met zijn echtgenote in het salon te schaken. Dit wordt opgemerkt door de rijke Schotse zakenman McConnor die graag een partij wil spelen. Deze blijkt eerzuchtig en wanneer hij verneemt dat er zo’n schaakkampioen op het schip is wil hij het absoluut tegen hem opnemen. Het zal evenwel niet gemakkelijk blijken Mirko tot een spel te bewegen: zijn desinteresse in de schakers is totaal. Aangesproken blijkt dat hij contractueel gebonden is: hij mag uitsluitend betaalde sets spelen. McConnor is graag bereid 250$ te betalen. Natuurlijk verliest hij de partij die heel wat belangstelling genoot. Hij vraagt en betaalt een revanche. Er wordt gespeeld: Mirko trekt zich na elke zet terug in een hoek van de zaal en wacht daar – McConnor heeft telkens tien minuten om zijn volgende zet te doen. Dan keert de meester terug, werpt rechtstaand nauwelijks een blik op het bord, zet zijn stuk, en verdwijnt weer. Plots denkt de zakenman een uitmuntende tactiek te hebben, zijn hand gaat reeds naar zijn pion als een stem hem weerhoudt. Dit zou een kapitale fout zijn, fluistert een man, je moet het volgende doen… Aarzelend zal de Schot verder alle instructies van de onbekende volgen. Mirko blijkt in de war te geraken. En inderdaad, hij die nooit een wedstrijd verliest… deze eindigt onbeslist. Hij heeft ontdekt dat achter dit alles het brein moet zitten van de man die achter McConnor had plaats gevat en wil met deze de uitdaging aangaan op verzoek van de zakenman hoewel de onbekende slechts met tegenzin aanvaardt, immers: hij heeft in geen twintig jaar schaak gespeeld beweert hij!

Het is de verteller die deze Dr. B, een landgenoot van hem, overhaalt het tegen Mirko op te nemen nadat hij in een lang gesprek het ganse verhaal van deze vreemde man heeft aangehoord. Deze bezat een vrij ongewoon advocatenkantoor in Wenen: hij werkte uitsluitend voor het keizerlijk hof en voor abdijen, kloosters, kerken – beheerde alle financiën en deed hun transacties. Naar de buitenwereld bestond het kantoor zelfs niet. Toen de Duitsers in Oostenrijk ‘arriveerden’ slaagde hij er nog net in alle documenten te laten verdwijnen. Maar de Nazi’s, via een spion op de hoogte van zijn activiteiten, wilden de rijkdom van de keizer en van de religieuze instellingen tot de hunne maken en de Gestapo arresteerde hem. Hij werd niet naar een concentratiekamp gestuurd maar, net als andere prominente gevangenen, ondergebracht in het luxueuze Weense hotel Metropole. Daar wachtte hem geen lichamelijke foltering maar psychische terreur. In een geblindeerde kamer, met louter een blik op een bed, een stoel, een kast, zonder besef van dag of nacht, onderbroken door ondervragingen waarbij hij niets onthuldde, leek hij steeds verder op weg te zijn een zenuwinzinking te krijgen. Een niets ontziende foltering waarbij de vraag gesteld wordt wat erger is, de kampen met het lichamelijk lijden of dergelijke geestelijke terreur. Hoe dan ook, de onmenselijke daden van het fascisme worden hier scherp gesteld. De beschrijving is vreselijk.  

Wachtend op een ondervraging zag hij in een jas aan een kapstok een boek. Hij slaagde er in dit uit de jaszak te halen en mee te smokkelen naar zijn kamer. Wat een verwachting! Een boek. Letters. Woorden. Zinnen. Wie weet, Goethe, Homerus… Helaas, het boek bevatte slechts bladzijden vol bevreemdende cijfers en letters. Dan besefte hij – hij heeft toen hij jong was schaak gespeeld – dat dit schaakcodes zijn; het boek bevat honderdvijftig schaakpartijen uitgeschreven door de schaakmeesters van de wereld. Hij bestudeerde en leerde hen gedurende drie maanden tot hij hen feilloos wist na te spelen. Daartoe gebruikte hij zijn geruite deken; van kruimels boetseerde hij abstracte stukken. Wat restte hem nu? Zelf spelen… Dan moest hij zichzelf tot tegenspeler maken. Dat was wat hij dan ook deed. En wat fout liep… Langzaam begon zich in zijn brein een soort ontdubbelingsproces af te spelen. Een wit ik tegen een zwart ik. Een schizofrene situatie die tot waanzin en tot een geestelijke instorting, waarbij hij zich kwetst, leidde. In het ziekenhuis beland werd hij dankzij het advies van de dokter als verder waardeloos voor de nazi’s in vrijheid gesteld en uit het land verbannen.

Het relaas van Dr. B beslaat een groot deel van de novelle. Het is niet alleen een hallucinant, met spanning geschreven verhaal. Het is vooral een schitterend portret van wat in de geest van de mens kan omgaan. De aftakeling door de eenzaamheid, hoe het totale isolement waar Dr. B toe gedwongen werd hem langzaam ontmenselijkte, murw kreeg… Hoe hij zich de partijen weet aan te leren, vooral hoe hij langzaam afglijdt naar de waanzin… Dit alles is zo helder, messcherp en overtuigend geschreven. Maar deze vele bladzijden zijn, in al hun gruwelijkheid (want uiteindelijk is wat gebeurt een ‘subtiele’ foltering) ook zo poëtisch van taal. Hoe Zweig er in slaagt al die scènes een aura mee te geven, er hangt een waas over dankzij de gehanteerde taal, de virtuositeit van de beeldenrijkdom, van de symboliek.

Hoe het tenslotte eindigt? De partij wordt gespeeld. Dr. B heeft gezegd dat dit de enige is die hij ooit zal spelen om zijn broze geestelijke gezondheid te beschermen. In tegenstelling tot wat hij steeds doet, nauwelijks seconden denken eer te zetten, heeft Mirko nu telkens veel tijd nodig. Wanneer Dr. B een zet doet die hem naar de overwinning blijkt te leiden geeft de grootmeester de partij op vooraleer hij mat wordt gezet. En vraagt revanche. Die komt er, ondanks de belofte van Dr. B slechts één keer te spelen. Het zal hem ook te veel worden. In de loop van dit spel slaat de waan toe; hij beweert dat de koning van Mirko schaak staat wat niet geval is, schuift met een pion en moet tot zichzelf komen… Hij geeft op, dit was blijkbaar een zet herinnerd uit een foute partij – hij had zich vergist. Terwijl met de herinnering even de schizofrenie weer leek op te dagen.

Het verhaal, de boetsering en analyse van de psyche van Mirko en Dr. B, deze elementen maken ‘Schachnovelle’ tot een literair kleinood om te koesteren. Natuurlijk zet Zweig ons hiermee aan het denken: het leven is een schaakspel dat ons als een waan zou kunnen meeslepen, en tenslotte schaakmat zetten. Zoals hem gebeurde op 22.2.1942?

Het werk werd in 1960 verfilmd door Gerd Oswald, en recent in 2021 door Philipp Stölzl. Het werd ook meermaals bewerkt voor het theater en er bestaan zelfs twee strips naar deze novelle.

Van de negenentwintig verhalen die Stefan Zweig schreef vertaalde Ria van Hengel er achttien in de bundel ‘Fantastische nacht en andere verhalen’ (Van Oorschot, 2019). De eerste tekst werd geschreven in 1900, de laatste is het hierboven besproken meesterwerk ‘Schaaknovelle’ dat Zweig in zijn laatste levensjaar voltooide. In alle verhalen toont de auteur zich een echte verteller. Het zijn steevast meeslepende teksten, boeiend, intrigerend. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat hij zo succesrijk en veelgelezen was. De barokke taal, de wat gezwollen beelden, het kan ietwat gedateerd lijken maar het past best bij de couleur locale waar de auteur ons in meesleept: overwegend de mondaine wereld van Wenen, of de randen en ondergrond ervan..

Vaak, opvallend, staat een vrouw centraal in het verhaal. Meestal is dat gekoppeld, net als in het merendeel van de teksten, aan psychologische ontleding. Het innerlijke van zijn personages wordt uitgebeend, Freud is nooit ver weg – het zijn er de tijden voor. Er duiken meteen ook ettelijke bladzijden min of meer verhulde erotiek op, soms toch zeer sensueel en minder onverbloemd neergeschreven. Scheve schaatsen, ze waren een populair onderwerp. Zoals in ‘Angst’ (1927), een beklemmend verhaal waar een aristocratische dame na een korte ‘misstap’ gechanteerd wordt. Zij leeft sindsdien onder een toenemende panische angst voor ontdekking – het traject van de terreur waaronder zij leeft is een prachtig beschreven horrorleven dat tot een zelfmoordplan leidt; met een verrassend slot. Het kan ook met een meisje uit de andere stand gebeuren: in ‘Leporella’ (1929) is het een onaantrekkelijk, niet bepaald intelligent dorpsmeisje dat naar de ondergang gevoerd wordt. Zij gaat in de stad werken als dienstbode omdat het loon daar dubbel is. Twee jaren werkt zij bij een echtpaar zonder verder contact, louter gefixeerd op het vergroten van haar spaarpotje. Tot haar ‘heer’ toevallig een te vriendelijk woord tot haar richt gepaard met een klapje op haar bips. Plots ontwaakt haar emotioneel en erotisch bewustzijn… zij is gefixeerd. Dit leidt tot de meest absurde handelingen die haar tenslotte zelfs voeren tot moord. Al haar misplaatste ‘goede bedoelingen’ leiden tot haar ontslag en haar zelfmoord. Ook hier een sterk staaltje van hoe een dwanggedachte een eigen leven gaat leiden en met een mens aan de haal gaat.

Het verhaal dat mijn voorkeur geniet is ‘Boekenmendel’ (1930). Het is bekend dat Zweig als pacifist reeds snel Oostenrijk tijdelijk ruilde voor Zwitserland, en later uit gruwel voor de nazi’s definitief emigreerde naar Engeland, de USA, Paraguay om tenslotte definitief zijn laatste jaren in Argentinië door te brengen. Enkele verhalen in deze bundel hebben een politieke achtergrond. Dit is er één van. Centrale figuur is een wereldvreemde man, antiquair die boeken verzamelt en verkoopt. Hij heeft geen winkel: zijn zaak is een vaste plaats in een café, daar zit hij iedere dag van de ochtend tot de avond, met zijn catalogi, zijn boeken en zijn onvoorstelbaar geheugen, eruditie en wijsheid. Hij is een monument in het lokaal, in de ganse wijk, deze bizarre Jood die geen belangstelling heeft voor wat in de wereld geschiedt, voor de mensen om hem heen. Zijn gedrag en zijn catalogi zijn er de oorzaak van dat bij een razzia door de SS hij, die zich niet eens bewust was van de bezetting, verdacht wordt van spionage. Hij belandt gedurende twee jaren in een concentratiekamp. Wanneer hij – zonder te beseffen wat er gaande was, wat hem overkwam – tenslotte terugkeert naar het café is er zoveel veranderd, en hijzelf is een gebroken man. Hij verslonst, zal als een verlopen armoezaaier uiteindelijk aan de deur gezet worden, in de goot belanden. Macht en willekeur fnuiken kennis en cultuur nadat de absurditeit van een administratie haar wil heeft opgelegd. Een schrijnende aanklacht. ‘De Mondscheingasse’ (1914) was ook reeds zo’n aanklacht, waar een Duitser, terechtgekomen in een Frans dorpje waar hij s’ avonds door de straten dwaalt (een staaltje van de poëtische zeggingskracht, sfeerschepping en beeldenrijkdom van Zweig!), uit een woning een lied hoort klinken, een Duits lied. Wat hem zal confronteren met twee mensen en hun trieste levensverhaal…

De zeshonderdvijftig bladzijden die deze bundel tellen delen iets mee over de Weense gemeenschap, het leven in die periode. Al kan Zweig wel enige schrijfideeën kwijt wanneer een 41-jarige schrijver een brief ontvangt van een onbekende vrouw in een verhaal van 1922. Maar we duiken binnen in een woning waar we kennis maken met het typische leven van de high society: ouders die niet naar hun kinderen omkijken, de geliefde gouvernante, een inwonende neef-student – hoe de dienstwillige als een misbaar stuk huisraad op straat zal gezet worden, zonder scrupules. Ook in het artiestenmilieu wordt ons een blik gegund: al geschiedt dit via een echtpaar dat naar Zwitserland gevlucht is opdat de man, een schilder, zou ontkomen aan de oproep dienst te nemen – pacifisten… Een bittere klacht alweer. Zijdelings worden we her en der geconfronteerd met het dagelijkse leven dat zich voorbij het mondaine heen spoedt. Terwijl we ook naar gokpaleizen worden meegenomen, naar vakantieplaatsen waar de begoeden zich vermaken, naar de wedrennen, de prostituées… Enkele teksten, de ene over een diefstal, de andere over gokverslaving laten sterk denken aan Dostojevski qua thematiek en behandeling: hoe de auteur zich ingraaft in het brein en geweten van zijn personage. Soms is hij satirisch zoals in het verhaal over een zakkenroller. Vaak ook poëtisch. Zelfs een soort moraliserend middeleeuws sprookje wordt ons niet onthouden evenwel zonder er een moraal bij aan te bieden.

Stefan Zweig is, hoe poëtisch vele passages ook zijn, hoe barok zijn taal ook is, toch vooral een verhalen verteller. Balzac en Dickens, hun adem heeft hem ongetwijfeld beroerd. Het is niet verwonderlijk dat veel van deze verhalen dan ook verfilmd werden, we tellen minimaal vijftien films op zijn werk gebaseerd. Essentieel blijft in alle teksten het ontleden van de zieleroerselen. En dan betekent dit meestal dat hij toont hoe een leven ontwricht kan geraken. Hij schildert bij voorkeur gekwelde mensen. Die we dan ook ontmoeten op beslissende, cruciale momenten van hun leven, uiteraard. Tenslotte dient er misschien nog op gewezen dat Zweig zijn Joodse roots niet verloochent. Zowel via enkele personages als met bedenkingen en filosofieën schemert zijn achtergrond door, naast zijn interesse voor het katholicisme.

De verhalen van Stefan Zweig zijn nog best leesbare, spannende literatuur. De psychologische ontleding kan dan enigszins gedateerd zijn, de wijze waarop hij zijn personages telkens naar een climax voert blijft een logisch geconstrueerd avontuur, met liefde en mededogen voor de mens verteld.

Apart verscheen, een buitenbeentje, de novelle ‘Reis naar het verleden’ (Atlas, Antwerpen, 1987), vertaald door Liesbeth van Nes, dat naast deze vertaling ook de Duitse tekst aanbiedt. Deze was lang onvindbaar en werd pas in de jaren zestig in de archieven van de Atrium Press in London ontdekt. Zweig had op het oorspronkelijke typoscript de titel ‘Die reise in die Vergangenheit’ doorgestreept. Het verhaal werd uitgegeven als ‘Widerstand der Wirklichkeit’. De novelle begint waar zij ook ongeveer eindigt: met een treinreis van Frankfurt naar Heidelberg. Maar eer de twee personen die het verhaal domineren deze trip maken is er heel wat gebeurd. Ludwig kende een jeugd in bittere armoede maar slaagde er in, o.m. dankzij vernederende baantjes als huisleraar, te studeren en doctor in de scheikunde te worden. Zijn bekwaamheid levert hem uiteindelijk de betrekking van privésecretaris van een professor op. Hij moet, met tegenzin, bij het gezin met één zoon inwonen. Dat zal uiteindelijk meevallen omdat hij geconfronteerd wordt met de jongere echtgenote die hem niet alleen karakterieel bevalt maar die aan iedere van zijn, niet eens uitgesproken, wensen voldoet op een discrete wijze. Wat voelt hij voor haar? “…wat hij voor zichzelf nog verdoezelde met woorden als bewondering, eerbied en genegenheid, beslist al liefde was, een fanatieke, tomeloze en onvoorwaardelijke hartstochtelijke liefde.” Twee jaren brengt hij door in het gezin, dan krijgt hij de eervolle opdracht in Mexico voor de opstart van de ontginning van een mijn en het beheer er over te zullen instaan. Eervol maar rampzalig, twee jaren zal hij gescheiden zijn van zijn geheime liefde. Over tien dagen moet hij vertrekken.

Wanneer hij dit aan de jonge vrouw meedeelt is overduidelijk hoe ook zij plots overstuur is: wat zij tot nu verborgen hield komt aan het licht, ook zij houdt hartstochtelijk van hem. De hen nog resterende dagen zijn er van gestolen momenten met hartstochtelijke kussen, verborgen aanrakingen – minnaars worden ze niet: zij zegt “Niet hier. Niet nu. Maar als je terug bent, wanneer je maar wilt… wann immer du willst.” Twee jaren lang schrijven ze dagelijks brieven vol passie en hunkering aan elkaar, haar beeld blijft constant in hem leven. Hij telt af naar zijn terugkeer, nog zeven weken – het onheil: het is oorlog, en even later de melding dat Engeland de oceaan afgesloten heeft. Hij is gedoemd in Mexico te blijven. Jarenlang is ook de post onmogelijk. Haar beeld vervaagt, de liefde kwijnt, Ludwig settelt zich meer en in het derde oorlogsjaar huwt hij de dochter van een Duits zakenman. Het gezin zal twee kinderen tellen. Wel zal hij, wanneer de oorlog eindigt, en hij opnieuw aan zijn geliefde denkt (leeft zij nog, haar echtgenoot, hun zoon?) haar schrijven, zijn levensloop verklaren. Zij antwoordt, de professor is overleden – hun briefwisseling wordt, nu vriendschappelijk, hervat.

Twee jaar later moet hij voor de firma, inmiddels in Amerikaanse handen, naar Berlijn. Daar telefoneert hij naar zijn vroegere liefde in Frankfurt. Is hij nog welkom deze reiziger, na zoveel jaren. Het lijkt alsof Odysseus naar Ithaka terugkeert… Een dag samen in haar huis, als vrienden. Maar ’s avonds komt hij tot het besef dat ze allebei een toneelspel opvoerden, onder die oppervlakkige woorden sluimerde de hartstocht van de vroegere jaren. Dat is wat ze dan ook allebei de volgende dag uitspreken maar zij vraagt hem het verleden te laten rusten, zij is inmiddels ‘een oude vrouw’. Die avond bezorgt hij haar een brief: hij wil nog één afspraak, een reisje naar Heidelberg waar ze ooit een vakantie doorbrachten toen ze nog relatief vreemd voor elkaar waren. Zo belanden ze waar de novelle begon, in de trein en tenslotte in Heidelberg. Waar ze jammer genoeg meteen geconfronteerd worden met een optocht van Hitler-adepten. Het blijkt de dag van de vaandelwijding… Een nieuwe oorlogsdreiging, het fascisme. Ze belanden, alles is wegens de festiviteiten volgeboekt, in een lelijke hotelkamer. De sfeer is onbehaaglijk. Tot ze zich uit dit alles weten los te rukken tijdens een wandeling en een innerlijke rust hen terugvoert naar de verliefdheid ‘des temps jadis’. In een prachtig poëtisch beeld schetst Zweig hoe Ludwig hun relatie nu ziet, hoe zijzelf naast en bij elkaar lopen terwijl hun onder de straatlantaarns telkens feller dan weer schimmiger wordende schaduw elkaar nadert of wijkt. Ze houden halt. En zij citeert twee regels uit een Frans gedicht, net zoals zij dat ooit reeds deed voor hem jaren geleden: “Dans le vieux parc solitaire et glacé/Deux spectres cherchent le passé” – “In een oud park verstild en onbetreden/Zoeken twee schaduwen naar het verleden”. Op dat ogenblik ziet hij in: zij beiden zijn in feite op dit ogenblik veeleer die schaduwen die vruchteloos op zoek zijn naar wat uit het verleden rest…

Deze novelle werd in 2013 door de Franse regisseur Patrice Leconte in het Engels verfilmd onder de titel ‘A Promise’.       

Ronny De Schepper (inleiding) & Johan de Belie (recensies)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.