Na een jarenlange juridische strijd heeft Matthew Fisher dan vijftien jaar geleden toch bekomen dat hij naast zanger Gary Brooker en tekstschrijver Keith Reid als componist van “A whiter shade of pale” wordt erkend. “Matthew Fisher, wie mag dat wel zijn?” zullen velen zuchten die nochtans zijn belangrijkste bijdrage aan de popgeschiedenis ongetwijfeld in huis hebben. Fisher was inderdaad diegene die orgel speelde op “A whiter shade of pale” van Procol Harum.

Vijftien jaar geleden kwam men dan eindelijk tot het besluit dat zijn solo inderdaad genoeg afweek van het voorbeeld van Johann Sebastian Bach om als eigen compositie te worden erkend. In april 2008 wordt deze beslissing in hoger beroep weer teruggedraaid en krijgt Brooker weer de volledige rechten. Een van de redenen was dat Fisher pas na 30 jaar om deze royalty’s vroeg. In 2010 maakt Fisher op zijn website bekend dat hij een overeenkomst heeft gesloten met Onward Music Ltd, waarin alle juridische en financiële aangelegenheden met betrekking tot de rechtszaak op een bevredigende manier zijn opgelost.

Fisher was born and grew up in Addiscombe. He started playing in bands in his teens, initially playing bass guitar, but around 1964, after hearing Alan Price of The Animals and Georgie Fame with his Blue Flames, he decided that he would prefer to be an organist instead. After briefly enrolling in the Guildhall School of Music for a year, he obtained two Vox Continental organs, and used them on tour with The Gamblers, backing band to Billy Fury. After The Gamblers, he played with various local groups before joining Peter Jay and the Jaywalkers in 1966.

While on tour with the Jaywalkers, he met Ian McLagan, organist with the Small Faces, and became fascinated with the sound of the Hammond M102 organ and Leslie speaker that McLagan used. After borrowing money from his grandmother, he bought the same model of Hammond and started advertising for gigs in the Melody Maker. He quickly discovered that owning a Hammond made him in great demand as a musician, saying “Having a Hammond was like having a licence to print money”, and by the end of the year found regular work with Screaming Lord Sutch’s backing group The Savages, playing alongside Ritchie Blackmore. Consequently, Gary Brooker and Keith Reid were keen to recruit him for their new group, Procol Harum, and decided to visit him at his Croydon home to discuss the formation of the band.

Procol Harum was eigenlijk helemaal nog geen groep op het moment dat het nummer in 1967 werd opgenomen, Fisher zelf b.v. speelde eerst nog een tijdje bij Lord Sutch. Die groep is er pas nadien gekomen, nadat bleek dat “Whiter shade” een fenomenaal succes was. Het gaf bij ons b.v. de kans aan ene Raymond van het Groenewoud om orgel te spelen bij de Antwerpse balgroep St.-James: “Dankzij Procol Harum en A whiter shade of pale! Dan wilden al die gitaargroepjes plotseling ook iemand hebben die orgel kon spelen.”

Pas op dat moment riep zanger-pianist Gary Brooker zijn oude maatjes van The Paramounts, met drummer B.J.Wilson en gitarist Robin Trower, terug om op tour te gaan. Van de studiobezetting die was samengesteld om “Whiter shade” op te nemen, hield hij enkel orgelist Matthew Fisher over, wat uiteraard niet meer dan normaal was, aangezien die de sound van het nummer had bepaald.

Zelf vind ik “A Whiter Shade of Pale” één van de beste nummers aller tijden. Het zal mij ook altijd bijblijven dat het weerklonk uit het grootwarenhuis dat we met de lijkstoet van mijn grootmoeder passeerden op weg naar de kerk in Temse. Enkele jaren later vormden we met de Blommenkinders een gelegenheidspopgroep voor een diafilm, gedraaid door Erik Westerlinck. Als lid van die popgroep moest ik op een bepaald moment een orgel bespelen en het enige orgel dat we kenden was het kerkorgel vna de Christus-Koningkerk. Dus vroegen en kregen we de toelating om in de kerk enkele opnames te maken. Eigenlijk doet het wat denken aan die scène in “The Commitments”, waarbij de pianist ook op een bepaald moment aan het kerkorgel zit en daar de fameuze intro van “A whiter shade of pale” improviseert. Dat kon ikzelf niet, al heb ik ook dààrover wel een verhaal.

Met meer acne dan Josse De Pauw in “Crazy Love”…

Dat was namelijk in de tijd dat collegeleerlingen jaarlijks nog “op retraite” moesten. En in onze klas zat er een jongen die wél orgel kon spelen, namelijk Jan Van Laere. Jan was wel een beetje wereldvreemd wat muziek betreft, want zijn grote idool was Franz Lehar, een componist, waarmee ik nu, op zeventigjarige leeftijd, ook wel dweep, maar in de jaren zestig kon die mij (en de rest van de klas) gestolen worden natuurlijk. Maar zelfs Jan Van Laere had dus blijkbaar iets opgevangen van het immense succes van “A whiter shade of pale”. En toen hij verzocht werd om tijdens de retraite de dagelijkse mis op te luisteren op het orgel, vroeg hij me om hem de orgel-intro voor te zingen zodat hij zijn medeleerlingen tijdens de mis even kon verrassen met een muziekkeuze die we van hem niet gewoon waren. En zo is het ook gegaan. Het blijft een van mijn fijnste jeugdherinneringen.

Toen overigens Paul McCartney het nummer voor het eerst hoorde, dacht hij (en al zijn tafelgenoten) dat de orgelist ook de zanger was. En wie zou dat dan wel kunnen zijn? Iedereen gokte op Stevie Winwood. Dat gebeurde op de avond dat Paul voor het eerst Linda Eastman heeft ontmoet en zij vertelt dan ook het verhaal in het boek “Many Years From Now”, geschreven door Barry Miles: “I remember everybody at the table heard A Whiter Shade Of Pale that night for the first time and we all thought, Who is that? Stevie Winwood? We all said Stevie. The minute that record came out, you just knew you loved it.”

Alhoewel Fisher van bij de aanvang vond dat hij recht had op een deel van de omvangrijke copyright-inkomsten en er dus eigenlijk een conflict was tussen hem en Brooker, speelde hij af en aan toch mee met Procol Harum-reünies en zelfs in 1985 op Gary Brooker’s solo album, Echoes in the Night. He rejoined the band in 1991 for the album The Prodigal Stranger and released two more albums with them, One More Time – Live in Utrecht 1992 and The Well’s on Fire. In addition he appeared on two concert DVDs, Live in Copenhagen and Live at the Union Chapel, but quit the band again in 2004. He is currently a computer programmer in Croydon, London.

In addition to his work with Procol Harum, he enjoyed a solo career, being especially popular in Greece, where his 1980 song “Why’d I Have To Fall In Love With You” is considered a classic. His solo albums include Journey’s End (1973), I’ll Be There (1974), Matthew Fisher (1980), and Strange Days (1981). He played piano on David Bowie’s tour in June and July 1972, with The Spiders from Mars.

Ronny De Schepper & Wikipedia

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.