Op 16 februari 2008 overleed theatercriticus Wim Van Gansbeke, amper tien dagen nadat hij met vrienden en collega’s zijn zeventigste verjaardag vierde. Wim ligt nu rustig in de schaduw van de zuidelijke muur van een Frans kerkhof op loopafstand van zijn beoogd eindstation Ancienne Gare de Mauzac, waar hij en zijn geliefde Hilde zoveel gasten ontvingen, “à la gare comme à la gare”. Hier kan hij rusten en zwijgen, ver van de spotlights en microfoons van theater en media.

De vraag is of je Wim – dé kritische stem van afgelopen decennia in het theaterland – wel kan doen zwijgen. De familie, een groep vrienden en collega’s van Wim, vonden dat ze hem postuum een stem moeten geven. Een eerste stap was de uitgave van zijn sonnetten, verzameld in de bundel ‘God is een constructiefout’. Wim heeft de uitgave van 23 sonnetten en 9 verklaringen zelf voorbereid, maar door zijn vroegtijdig overlijden kon hij het project niet afronden. En in augustus 2010 was er een bundeling van zijn theaterkritieken onder de titel “Stomp niet af, stomp terug”.
Wim en ik, dat gaat al wat jaren terug. De laatste tijd hadden we elkaar een beetje uit het oog verloren. Niet moeilijk ook, want Wim woonde de laatste jaren in Frankrijk, waar hij met zijn vrouw Hilde Deponthière een bed & breakfast-hotelletje uitbaatte in het voormalige spoorwegstationsgebouw van Mauzac. Reeds vóór hun vertrek hadden ze mij op het hart gedrukt dat ik zeker eens langs moest komen en de twee keren dat ik ze nadien nog tegen het lijf ben gelopen deden ze dat opnieuw, maar ik moet bekennen dat het er nooit van gekomen is. Misschien namen ze me dat kwalijk. En nu is het dus hopeloos te laat.
Die twee ontmoetingen zijn de moeite waard van nog eens op te rakelen. Laat ik beginnen met de tweede, dus ook de laatste keer dat ik Wim in levende lijve heb gezien. Dat was in Zaventem, zo’n twee jaar vóór z’n dood. Allebei stonden we immers op het punt het vliegtuig te nemen om één van onze kinderen te kunnen zien. De 21ste eeuw in al z’n glorie…
De eerste ontmoeting daarentegen (nu wellicht al een tiental jaren geleden) vond plaats in… de Gentse Minardschouwburg. Uiterààrd, zou ik moeten schrijven. Want als Wim nog eens naar Vlaanderen kwam, dan was het “uiteraard” om naar theater te gaan kijken. Wim Van Gansbeke zal iedereen zich inderdaad in de eerste plaats herinneren als de gevreesde theatercriticus bij Omroep Brabant (“Happening” op vrijdagochtend) en daarna bij De Morgen. En alhoewel hij “er prat op ging menig theatermens onder de zoden te schoffelen met doodstrappen waarbij die van Yvan Desloover op Juan Lozano in het niets verzinkt” (An Nelissen en Peter Perceval in Humo van 22/4/97) dan bewijzen die “theatertripjes” van Wim juist dat hij toch heel erg aan dat medium verknocht was.
Ik bewonderde Wim ook vóór ik hem leerde kennen, juist omwille van die cassante kritieken. Hij en Johan Anthierens waren zeker mijn voorbeelden toen ik zelf in het vak van criticus stapte. Niet dat afkraken mijn (ons) ding was, nee, maar bij een negatieve kritiek kan je nu eenmaal literair veel beter uit de hoek komen. Wanneer je iets goed vindt, gaat dat eerder op slijmen lijken.
Ik kan dit ook illustreren aan de hand van twee voorbeelden uit mijn universitaire “loopbaan”. Voor de werkgroep Nederlandse Literatuur moesten we in de tweede kandidatuur “Menuet” van Louis Paul Boon bespreken. Niet dat ik “Menuet” niet goed vond, zeker niet, maar ik kon er met de nodige afstandelijkheid over spreken en dat leverde me dan ook mooie punten op van Mieke Musschoot (ik heb het stuk opgenomen in mijn verhaal over Boon, helemaal achteraan).
Het jaar nadien echter besloot prof.Van Elslander dat we een boek naar keuze mochten bespreken. Ik was in die tijd vol van “Black Venus” van Jef Geeraerts en koos dan ook voor die werk. We moesten dat vooraf in de les voorleggen en ikzelf deed dat door een tiental mogelijke titels voor mijn bespreking te suggereren. Van Elslander was verrukt. Hij keek er al naar uit, zei hij. Nu, verder dan die titels geraakte ik echter niet. En alhoewel ze allemaal een ander facet van “Black Venus” aansneden, stopte ik ze toch allemaal in een tekstje van amper twee en een halve bladzijde. En alhoewel ik één van de titels dan toch als de échte titel naar voren had geschoven (“Bach is niet goed genoeg voor Congo”), was een terechte “buis” mijn deel.
Ook Wim Van Gansbeke heeft één jaar Germaanse gestudeerd in Gent. Hij kon er echter niet aarden. Dat zou hij zelfs “in mijn tijd” nog niet gekund hebben. Als ik denk aan de lessen “theaterwetenschap” gegeven door prof.Schrickx bijvoorbeeld…
Wim dook dus liever zelf het theater in. Eerst speelde en regisseerde hij nog zelf bij een amateurtheater, waarbij ook Nora Tilley en Frank Jacobs actief waren. Het verhaal van Nora Tilley moet (en zàl) ik ook nog wel eens vertellen, over Frank Jacobs kan ik kort zijn door te zeggen dat dit mijn voorganger was op De Rode Vaan. En het moet dus ongetwijfeld via Frank geweest zijn dat ik Wim ook persoonlijk heb leren kennen. Omgekeerd was Wim elk jaar vast op post voor de jaarlijkse persconferentie voor het Feest van de Rode Vaan, waardoor we toch altijd zeker waren van een item op Omroep Brabant, naast een obligaat stukje in De Morgen zowat de enige niet-betaalde publiciteit waarop we konden rekenen…
Uiteraard heb ik Wim ooit ook eens geïnterviewd in die periode dat ik voor “De Rode Vaan” werkte. Het was in de rubriek “aan het lijntje” en ik legde hem toen (ergens in het begin van de jaren tachtig) de vraag voor of theater niet te duur was in tijden van crisis en of de toeschouwer wel steeds waar voor z’n geld kreeg?
Wim Van Gansbeke: Eerlijk gezegd, theater is niet zo duur. Je betaalt immers evenveel voor een film, die in talloze copieën over de hele wereld wordt verspreid. Dat is dus een spreiding die wel honderd of duizend keer hoger ligt dan die van het theater. Als dan een film maken vijftig miljoen kost en een theaterstuk slechts één miljoen, dan liggen de productiekosten van zo’n film eigenlijk toch lager en terwijl je er dus haast evenveel voor betaalt.
– Dat is natuurlijk het standpunt van de maker, maar voor de verbruiker kan men precies stellen dat hij over een heel aanbod van kwaliteitsfilms beschikt, waartegenover dan een wankelbaar aanbod van theater staat…
W.V.G.:
Dat is inderdaad het probleem. Zeker in de steden kan je haast wekelijks met gerust gemoed 180 frank aan een waardevolle film besteden, omdat het nu eenmaal een wereldproduct is en er altijd wel ergens een knap werkstuk wordt afgeleverd. Toch moeten we ons ook hierop niet verkijken. Het aanbod is immers ook veel groter dan het theateraanbod en als we dan een round-up maken aan het einde van een seizoen van wat er aan zeer goede films is geweest en wat er dan binnen een half land als Vlaanderen aan zeer goede theaterproductie is geweest, dan denk ik dat je ook daar weer min of meer op een gelijk niveau zou komen. Ik wil alleen maar stellen dat men de kostprijs om naar theater te gaan kijken overschat. Wie klakkeloos naar een film gaat die maakt evenveel kans om zich te vergissen. Het blijft een kwestie van kiezen en op zo’n moment is de recensent natuurlijk volkomen onmisbaar. Dat geldt zowel voor de film als voor het theater, al moet ik toegeven dat mensen makkelijker een bioscoop binnenlopen dan een theater. Met andere woorden, ze malen minder om de 180 frank die ze aan slechte film hebben besteed dan om de 200 frank voor een voorstelling die hun niet is bevallen. Er is dus ergens nog steeds een burgerlijke kant aan, ook al moet men er zich niet meer speciaal voor kleden. Ik ken dan ook heel weinig mensen die wekelijks naar theater gaan, al gaan ze wel twee keer per week naar de film.
– Misschien zijn de “uitwijkmogelijkheden” daar groter. Men kan indutten of het afstappen, niemand die zich daaraan stoort. Tijdens een voorstelling zou dit een rechtstreekse belediging zijn voor de acteurs, die daar toch lijfelijk aanwezig zijn…
W.V.G.:
Oh, maar als je een voorstelling niet pikt dan vind ik dat je dat protest mag laten blijken, hoor. Dat gebeurt naar mijn gevoel in Vlaanderen overigens veel te weinig. Het enige waar je moet op letten is de andere toeschouwers niet te veel te storen. Maar als er knoeiers op de scène staan – en dan heb ik het niet enkel over de acteurs maar over het totale concept – dan heb ik niet het gevoel dat jij hén beledigt door weg te gaan, maar dat zij jou aan het beledigen zijn.
– Ben je bij wijze van spreken die seizoen al vaak opgestaan? Je hebt daarnet tot mijn verrassing gesteld dat er procentueel evenveel goede toneelvoorstellingen als films zijn …
W.V.G.:
Je moet dat wat relativeren, natuurlijk. Ik heb bijvoorbeeld het gevoel dat het nu allemaal weer een beetje vastzit. Zo’n drie tot vijf jaar geleden waren de dingen meer aan het bewegen. Sinds een paar jaar heb ik echter het gevoel dat die opkomende theaters van toen nu stilaan – nou “gevestigd zijn” is het woord niet, maar ze zijn er. Soms maken ze nog heel goede dingen, maar soms maken ze ook voorstellingen die niet slecht zijn, maar toch ook geen kick geven, laten we maar zeggen. Dit seizoen vooral zit ik vaak met dat gevoelen: ik kan objectief onmogelijk stellen dat het slecht gemaakt is, maar ik kan op het einde van de voorstelling op geen enkele manier zeggen dat ik er door “gepakt” zou zijn.
– Zou je kunnen stellen dat men op zeker speelt en dat dit wat heeft te maken met het snoeien in de toelagen?
W.V.G.:
Ik heb zelfs niet eens dat gevoel, maar ik denk dat theatermakers die beginnen op een bepaald moment toch aan een zekere stagnatie toe zijn. Als ze dan niet in een totaal nieuwe omgeving terecht kunnen, zoals Sam Bogaerts in Globe, dan kunnen ze er in het beste geval maar beter mee stoppen voor een tijdje.
Na verloop van tijd kwam er een tegenbeweging op gang. Eén van de woordvoerders hiervan was Tom Lanoye: “Neem nu het toneel. Daar heb je de complete esthetisering gekend: vormentoneel na het vormingstoneel. Op een bepaald moment beseften heel wat kunstenaars dat ze slechte kunst goed moesten vinden vanwege de boodschap die erin vervat zat. Als reactie zijn ze – begrijpelijk! – zwaar naar de andere kant doorgeslagen. Ik vind dat iemand een theater moet kunnen binnenkomen, terwijl hij de ballen afweet van theaterwetenschap of theatergeschiedenis, en toch gegrepen worden door wat er gebeurt. Of op zijn minst toch geboeid zijn.
Ik ben het dus zeker ook niet eens met een elitaire opvatting over kunst. Ik ben zelf totaal niet geïnteresseerd in ‘kunstenaar zijn’. Ik wil gewoon goede dingen maken. Ik heb een hekel aan iemand die me wil imponeren gewoon met het feit dat hij zo goed kan schrijven. Dat interesseert me niet. Ik wil iets lezen dat me ‘pakt’. Anders word ik ten hoogste technisch geboeid. Dat is b.v. het verschil tussen de schrijvers Hoste en Hertmans. Ik heb bepaalde opmerkingen over hoe Pol Hoste met de media omgaat, maar ik vind het wel een goede schrijver, terwijl Stefan Hertmans mij alleen maar interesseert omdat hij inderdaad zo ver gaat in zijn behandeling van de taal.
Ik hou niet van dat ‘soort’ schrijven. In de eerste plaats omdat het tekenend is voor ‘het soort theater’ waar Van Gansbeke, misschien tegen zijn wil, de ‘spreekbuis’ van is geworden. Daar is alles afstand, alles relativering. Neem nu Maatschappij Discordia. Als een acteur daar een rol speelt, geeft hij onveranderlijk in zijn manier van acteren aan dat hij zich zelf ook wel bewust is van het feit dat hij ‘speelt’. Hij zet zijn prestatie als het ware ‘tussen aanhalingstekens’. Dat levert misschien een mooi intellectualistisch gezelschapsspel op, maar bitter weinig theater. Omdat de risico’s van sentimentaliteit en vals pathos die elke acteur bedreigen, hier niet zozeer bezworen worden door talent en vakmanschap, maar door het veilige vangnet van de distantie.
Je krijgt als toeschouwer niet eens meer de kans het acteerspel in vraag te stellen, dat doen de regisseur en de spelers wel in jouw plaats, nog tijdens de voorstelling. Voor één keer is dat leuk, maar als het tot een gimmick verwordt krijg je een bij voorbaat steriele ‘commentaarkunst’, waar emotie wordt gereduceerd tot reflexie, waar het programmaboekje belangrijker is dan de brochure en waar de eruditie van de recensent voorrang krijgt op de emotie van de toeschouwer.
De tweede reden waarom ik niet ‘geporteerd’ ben voor ‘dit’ soort van schrijven, ligt bij Van Gansbeke zelf. Van iemand die zo genadeloos alle regisseurs op hun ‘voorspelbaarheid’ en alle acteur op hun ‘trukendoos’ wijst, neem ik het niet dat hij zich, op zijn eigen vakgebied, zo genadeloos voorspelbaar bedient van steeds weer dezelfde truuk. Maar de eertijds sympathiek anarchistische Oppertrol van het Flageyplein is een Heilige Koe geworden, die door zijn volgelingen kritiekloos wordt aanbeden. Van alle kanten hoor je zeggen dat ‘Wim’ het toch ‘verdomd mooi kan zeggen’, en het nog beter kan ‘schrijven’. Je kunt alleen maar hopen dat Van Gansbeke dat ‘soort’ devotie ook tussen aanhalingstekens weet te plaatsen. Want ze slaat nergens op.”
Kwam daarbij nog het postmodernisme. Hoe raar het ook mag lijken, maar de strontstukken (letterlijk en figuurlijk) van Werner Schwab buiten beschouwing gelaten, lijkt de korte periode dat Wim Van Gansbeke in het NTG als dramaturg de lakens uitdeelde, nog het meest te situeren binnen deze stroming. Inhoudelijk is dat misschien niet zo verwonderlijk (Wim is zeker niet de wereldvreemde despoot zoals men het karikaturaal heeft willen voorstellen), maar dat deze inhoud zich vormelijk vertaalt in vrij traditioneel theater, dàt is verrassend.
“Het dispuut van Valladolid” van de Waal Julien Binot, naar het TV-script van Jean-Claude Carrière, was daarvan een voorbeeld (het voornoemde dispuut is overigens ook te zien in de film “The Mission” en gaat erom of indianen nu al dan niet een ziel hebben, het werd zeer oubollig geregisseerd door Wim Meuwissen, een pionier van het vormingstheater van het eerste – en het laatste! – uur, met op het einde een zeer doorzichtige transpositie naar de huidige periode door twee zwarten “met de grove borstel” het toneel te laten ontruimen) en het ging ook die kant uit voor “Professor Bernhardi” van Schnitzler.
Zelfs de karikaturale aanpak, die de Franse regisseur Jean-Claude Berutti (in 1995 reeds te gast in het NTG met “Gisteren”) langzaam liet doorsijpelen was niet van aard om het spel deze keer wat meer pit te geven. “Professor Bernhardi”, een stuk uit 1912 van Arthur Schnitzler, is nochtans (zoals de meeste stukken van Schnitzler) nog altijd erg actueel. “Als je op een ochtend, zonder er verder bij na te denken, begint het juiste te doen en zo de hele dag door niets anders dan het juiste doet, dan zit je beslist nog vóór donker in de cel,” is de kernzin eruit.
Je begon je op de duur af te vragen waarom de ruzies tussen Van Gansbeke en Tillemans eigenljk zo legendarisch waren. Anderzijds dient te worden toegegeven dat Van Gansbeke omwille van zijn nieuwe job uit de RAT was gestapt, omdat hij dit onverenigbaar vond, terwijl anderen daaromtrent duidelijk een andere mening op nahielden. Van Gansbeke wees er in een interview met zijn vorige werkgever (“De Morgen”) ook op dat de vraag van het NTG zelf, meer bepaald van Hugo Van den Berghe, afkomstig was.
Begin januari 1996 verscheen er in “Het Volk” een artikel waarin stond dat een aantal acteurs, w.o. Jef Demedts, Nolle Versyp en Roger Bolders, een ultimatum voor het ontslag van Wim Van Gansbeke zouden hebben gesteld. Uiteraard werden deze geruchten door directeur Hugo Van den Berghe formeel ontkend, maar hij gaf wel toe dat de drie zware kritiek hadden geuit op Van Gansbeke.
Niet lang daarna werden zowel Hugo Van den Berghe als Wim Van Gansbeke ontslagen, maar ook een hele rist acteurs, waaronder ook de drie genoemden.
Wim ging zelf aan de slag als dramaturg bij de Blauwe Maandag Compagnie, waar hij zijn draai leek gevonden te hebben, tot hij uiteindelijk ook dit gezelschap verliet om zich dus in Frankrijk te gaan vestigen. Waar ik hem zou gaan opzoeken… Misschien doe ik het tóch nog eens. Als een soort van bedevaart.

Referentie
Jan Draad, Wim Van Gansbeke aan het lijntje, De Rode Vaan nr.50 van 1984

Een gedachte over “Wim Van Gansbeke (1938-2008)

  1. Ik leerde Wim kennen dankzij het NTG en wat een fijne mens was hij, maar hij liep wel verloren in het NTG toen hij er werkte en dat is ook een beetje logisch, want wat was juist zijn functie en vele vergeten natuurlijk ook niet, toen hij voor de radio werkte en soms hard kon zijn. Wie hem kende wist dat hij dit vooral deed uit liefde voor het theater, waar soms in theatergezelschappen als het NTG het soms belangrijker was wie uw vader of familie was dan uw talent.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.