Dat is vandaag al 55 jaar geleden dat de Amerikaanse dichteres Sylvia Plath door vergassing uit het leven is gestapt. Zelfmoord kwam trouwens nog wel meer voor in de familie…

Sylvia Plath is in bepaalde middens een echte cultfiguur geworden. Zonder afbreuk te doen aan haar onmiskenbaar talent, heeft dit veel te maken met haar tumultueus liefdesleven, dat zoals gezegd eindigde met haar zelfmoord op 11 februari 1963. Plath was gehuwd met de dichter Ted Hughes, maar toen ze ontdekte dat deze een verhouding had met de tien jaar oudere Duits-Joodse Assia, vrouw van alweer een andere dichter, David Wevill, stak ze haar hoofd in het gasfornuis en sliep voor eeuwig in.
Assia trok – met toestemming van Wevill – in bij Hughes, maar toen hij haar op haar beurt verliet in 1969 volgde zij het voorbeeld van Plath door zich op dezelfde manier van het leven benemen, met dit verschil dat zij hun twee jaar oude dochter Shura mee vergaste. Onnodig te zeggen dat Hughes sindsdien de hele vrouwenbeweging over zich heen heeft gekregen met op kop Elizabeth Wurtzel (“Bitch”, 1998). In 1998 bracht Hughes dan een dichtbundel uit, waarin hij (uiteraard) zijn versie bracht van zijn relatie met Plath. Hij zei ook dat zij hem nog driemaal na haar dood is “verschenen”. Kort daarop (28/10) stierf Hughes zelf en men kan zich dus afvragen of hij hier eigenlijk geen macabere grap heeft uitgehaald.
In 1998 zou comedy actrice Meg Ryan trouwens opnieuw street credibility proberen krijgen als “ernstige” actrice door de rol van Sylvia Plath te ambiëren in een bio-pic, maar die is er pas in 2003 gekomen en dan wel met de meer geloofwaardige Gwyneth Paltrow in de titelrol. Ik weet niet of deze film, die gewoon “Sylvia” heet en werd geregisseerd door Christine Jeffs naar een scenario van John Brownlow, ook de thesis verdedigt, waarbij Ted Hughes de schuld voor haar zelfmoord in de schoenen geschoven krijgt. Maar wellicht is dit wel het geval, als men vaststelt dat de film uiteindelijk pas nà de dood van Hughes werd gerealiseerd. Vijf jaar eerder kon hij immers op die basis reeds een verfilming met Molly Ringwald in de hoofdrol verhinderen, want schuldig of niet: Hughes had wel nog steeds het copyright van Plath’s werk in handen. Hij kreeg toen steun uit onverwachte hoek: Camille Paglia moest alvast kotsen bij de idee alleen al: “The cutesy role-model who set American women back 20 years wants to play a real woman who helped us forward? It’s too depressing.” (Sunday Times, 29/3/1998)
Op 16 maart 2009 heeft ook Nicholas Hughes op 47-jarige leeftijd een einde aan zijn leven gemaakt door verhanging. Hughes was een professor oceanografie, niet echt een beroep waarvan je denkt dat dit in aanmerking komt voor zulke drastische uitstapregeling (of zou het met de opwarming van de aarde dan toch zo erg gesteld zijn?). Het heeft er dus allicht veeleer mee te maken dat Hughes de zoon was van het dichtersechtpaar Ted Hughes en Sylvia Plath, waarbij zijn moeder uit het leven stapte toen hij pas één jaar was (hij lag in de kamer ernaast te slapen).
POËZIE
Sylvia Plath publiceerde vier dichtbundels, ‘Colossus’ (1960), ‘Crossing the water’ en ‘Winter Trees’ (beide in 1961, maar pas tien jaar later uitgegeven) en ‘Ariel’ (1965). Haar gedichten zijn sterk autobiografisch, ze vormen bijna een handleiding voor haar bewogen leven dat gedomineerd werd door haar psychische strijd, het gevecht tegen haar bipolaire stoornis. Zij gebruikt daartoe weliswaar vaak beelden, metaforen, maar blijft daarin zeer helder, eenvoudig.
Een sterk weerkerend thema is de afrekening met haar ouders. Eerst met haar vader, een liefde-haat verhouding omdat zij zich door hem in de steek gelaten voelde toen hij – zij was zeven jaar – overleed. Het gemis achtervolgde haar het ganse leven. Hoe herinnert zij zich hem: “I remember a blue eye,/A briefcase of tangerines./This was a man, then!/Death opened, like a black tree, blackly.” (Ik herinner me een blauwe oogopslag,/Een aktetas vol mandarijntjes./Dit was een man, toen!/De dood ging open, als een zwarte boom, in het zwart.*). En: “Such a dark funnel, my father!/I see your voice/Black and leafy, as in my childhood” en zij besluit wanhopig “I am guilty of nothing” (Zo’n donkere trechter, mijn vader!/Ik zie je stem/zwart en bebladerd als in mijn kindertijd/.. Ik heb nergens schuld aan). Hoe schrijnend, hoe diepgeworteld de pijn zat blijkt vooral uit het gedicht ‘Electra on Azalea Path’ dat verwijst naar het bezoek dat zij ooit bracht aan het graf van haar vader zoals beschreven in haar roman ‘The Bell Jar’: “I am the ghost of an infamous suicide,/My own blue razor rusting in my throat./O pardon the one who knocks for pardon at/Your gate, father – your hound-bitch, daughter, friend./It was my love that did us both to death.” (Ik ben het spook van een schandelijke zelfmoord,/mijn eigen blauwe scheermes roest in mijn strot./O vergeef degene die vergiffenis komt vragen/aan je grafsteen, vader – je teef, dochter, vriendin./Het was mijn liefde die ons beiden heeft omgebracht.). Met haar moeder had zij steeds een complexe relatie: “The mother of mouths didn’t love me./The old man shrank to a doll./O I am too big to go backward” (De moeder aller monden hield niet van mij./De oude man verschrompelde tot een pop./O, ik ben te groot om terug te keren.). Haar moeder wordt o.m. verweten dat de overleden vader, haar idool, geen plaats meer had in het gezin.
Veel verzen zijn ook realistisch, verhalend; zoals ‘In Plaster’ over haar beenbreuk bij het skiën. Of ‘Zoo Keeper’s Wife’, de klacht van de echtgenote van een dierenoppasser. Het zijn vrijere verzen uit de bundel ‘Crossing the water’ waar zij meer anekdotisch durft te zijn. Hoewel ook hier het zwaarmoedige om de hoek komt in het schitterende ‘Wuthering Heights’: “Of people the air only/Remembers a few odd syllables./It rehearses them moaningly:/Black stone, black stone./The sky leans on me, me, the one upright/Among all horizontals.” (Van mensen herinnert de lucht zich nog maar/enkele vreemde syllaben/die zij al kreunend blijft herhalen:/zwart gesteente, zwart gesteente./De hemel leunt op mij, op mij, als enige rechtop.).
Hoe dan ook slaat de depressie steeds toe, reeds in de eerste verzen van ‘Colossus’, het gedicht ‘Who’ waar zij zoekt naar haar identiteit, of deze voor zichzelf ontluisterend blootlegt o.m. in regels als deze: “Let me sit in a flowerpot,/The spiders won’t notice./My heart is a stopped geranium.” en “I am a root, a stone, an owl pellet,/Without dreams of any sort.” (Laat me in een bloempot zitten,/de spinnen zullen het niet merken./Mijn hart is een gefnuikte geranium.) (Ik ben een wortel, een steen, de braakbal van een uil,/zonder welke dromen dan ook.). Uit dezelfde cyclus (Poem for a Birthday) nog deze regels: “Lady, who are these others in the moon’s vat -/Tell me my name.” (Dame, wie zijn die anderen in de maankuip -/Zeg me mijn naam.). Tragisch weerklinkt de herinnering aan de elektroshocktherapie die zij zo dikwijls onderging, getuigen deze regels: “Heating the pincers, hoisting the delicate hammers./A current agitates the wires/Volt upon volt. Catgut stitches my fissures.” (Verhitten de tangen, nemen tere hamers ter hand./Stroom doet de draden trillen/volt na volt. Mijn scheuren worden met kattendarm gehecht.). In ‘The Moon and the Yew Tree’ vinden we deze zinnen: “This is the light of the mind, cold and planetary,/The trees of the mind are black. The light is blue.” en “I have fallen a long way.” (Dit is het licht van de geest, koud en planetair. De bomen van de geest zijn zwart. Het licht is blauw.) (Ik ben diep gevallen en al zo lang onderweg.).
In veel van de gedichten vinden we verwijzingen naar de mythologie en naar verhalen uit het testament. Een prachtig voorbeeld is de lange tekst ‘Lady Lazarus’ waarin Plath haar leven lijkt samen te vatten, de zelfmoordpogingen, opnamen in de ziekenhuizen, de ganse strijd met zichzelf, conflicten, de dokters, het moeizame bestaan… Hoe dan ook, de depressie blijkt steeds meer onafwendbaar. “I am terrified by this dark thing/That sleeps in me;/All day I feel its soft, feathery turnings, its malignity.” (Ik ben doodsbang voor dat donkere ding/dat in mij slaapt;/de hele dag voel ik zijn zachte, vederachtige kronkelingen, zijn boosaardigheid.).
Op 9 februari 1963 voltooit zij het gedicht ‘Edge’ (Grenspunt) waarin we o.m. lezen: “The woman is perfected./ Her dead/Body wears the smile of accomplishment,/The illusion of Greek necessity.” (De vrouw is vervolmaakt./Haar dode/Lichaam vertoont de glimlach van voltooiing,/de illusie van een Griekse noodwendigheid.). En dan: “Feet seem to be saying:/We have come so far, it is over.” (Voeten lijken te zeggen:/zo ver zijn we gekomen, het is afgelopen.). En voorbij was het… twee dagen later, op 11 februari werd haar zielloos lichaam gevonden.
Heldere poëzie, beeldrijk, aangrijpend; en zij bevat het pijnlijke leven van deze boeiende vrouw in ontroerende verzen.
THE BELL JAR
Sylvia Plath schreef dus hoofdzakelijk poëzie. Zij publiceerde vijf bundels (de vier hoger genoemde en één gebundeld werk). Verder waren er briefverzamelingen, een dagboek, haar scriptie en enkele kinderboeken. Maar vooral dus die ene roman waarmee zij zich beroemd maakte: ‘The bell jar’ die na haar dood in 1963 werd uitgegeven onder het pseudoniem Victoria Lucas. (**)
Hoofdpersoon is de 19-jarige Esther Greenwood die met haar moeder in een tuinstadje bij Boston woont. Zij heeft in een verhalenwedstrijd samen met elf andere meisjes een verblijf van een maand in New York gewonnen. Daaraan verbonden talloze etentjes, shows, danspartijen, ontmoetingen, fotosessies… het mondaine leven. En meteen een opleiding binnen de redactie van het organiserend modeblad. Is dit een coming of age-roman? Ten dele. Veeleer beschrijft dit semi-autobiografische werk de strijd van een meisje, een jonge vrouw, met haar psyche. En dat gevecht is niet mals. Het is duidelijk dat zij, Esther/Sylvia een bipolaire stoornis heeft. Jubelend soms, dan zwaar depressief. Soms met een bizarre voorliefde voor tragische gebeurtenissen. En zonder empathie. Zodat zij b.v. een dronken vriendin in de steek laat. Ook hoe zij vrij lacherig afstand neemt van haar jeugdliefde Buddy die aan tbc lijdt wanneer zij hem als huichelaar betitelt. Dan zijn er momenten van vriendschap, begrip, hypergevoeligheid. Maar zij wil ook steeds spanning, afwisseling; één kant van de medaille. Anderzijds kruipt zij vaak beschut weg in bed. Of zij voelt zich goed in een afgesloten ruimte, ver van de buitenwereld: “In het begin vroeg ik me af waarom de kamer me zo’n veilig gevoel gaf. Toen realiseerde ik me dat dat kwam doordat er geen vensters waren.” “Ik zat toch altijd onder diezelfde glazen stolp te smoren in mijn eigen zure lucht.” Opvallend is dat zij ook speelt met, of gebruik maakt van, een andere identiteit, als bescherming: geen schizofrenie maar louter afscherming van haar ware ik. De laatste dag van het verblijf in New York breekt aan, alle meisjes mogen apart voor het tijdschrift op de foto met een attribuut dat hun gewenste toekomst symboliseert. Esther, besluiteloos – zij heeft voor zichzelf wel tien vaak absurde opties – , opteert voor poëzie, een bloem als symbool. Maar zij barst in snikken uit; geen foto. En na een feest waarheen zij zich liet meeslepen en waar zij bijna werd aangerand, gooit zij al haar kleren over het balkon zodat zij wegvliegen over de stad; zij keert in geleende kleding naar huis, naar Boston terug… overspannen. Waar haar dé ontgoocheling wacht: zij is niet toegelaten tot een schrijfcursus waarop zij haar hoop gevestigd had. Een klap op haar broze gestel.
Jeugdvriend Buddy die zij in het sanatorium bezoekt, vraagt haar ten huwelijk; zij weigert. Onder zijn stimulans gaat zij een eerste maal skiën en, zij lijkt weer in een hoog-bui, zij stort zich blindelings met overmoed naar beneden: gebroken been! Sindsdien gaat het steeds slechter: zij lijdt aan slapeloosheid, eet nauwelijks, wast zich niet, draagt gedurende weken dezelfde ongewassen kleren. Zij speelt met zelfmoordgedachten die ze telkens weer om bizarre redenen afwijst. De psychiater bij wie zij terechtkomt laat haar een elektroshockbehandeling ondergaan, tot haar afgrijzen (en dit van de lezer!). Alles lijkt haar zinloos, zij is bang. “De lucht onder de stolp zwachtelde zich als een wattendeken om me heen en ik kon me niet meer verroeren.”
Tenslotte onderneemt zij met medicatie een echte zelfmoordpoging, belandt in een psychiatrische afdeling. Waar zij bovendien paranoïde stemmingen heeft. Onder de hoede van een rijke schrijfster belandt zij uiteindelijk in een privékliniek waar de behandeling beter is. Zij evolueert dan ook en wordt telkens weer verplaatst naar een afdeling met vrijer regime hoewel zij ook hier elektroshocks, driemaal per week, te verduren krijgt – deze gebeuren wel moderner en ‘humaner’. In dit ziekenhuis wordt overigens ook lobotomie toegepast, gelukkig niet op haar. Wel ziet zij zich er geconfronteerd met alle ziektebeelden, alle patiënten – wat haar nu eens aangrijpt, dan afstoot. Tenslotte zal zij opnieuw college gaan lopen terwijl zij nog tijdelijk in de kliniek verblijft: de vrijheid. Maar zij eist ook haar seksuele vrijheid op: een pessarium. Een huwelijk, kinderen, zo’n toekomst acht zij uitgesloten, haar maagdelijkheid wil zij nu uiteindelijk kwijt en zij geeft zich aan een professor die haar te brutaal neemt: een zware bloeding doet haar dankzij de hulp van haar medepatiënte tevens jeugdvriendin Joan in een ziekenhuis belanden. Tenslotte lijkt zij haar leven op de rails gekregen te hebben… het bericht bereikt haar dat deze Joan zelfmoord gepleegd heeft. Wie vindt ooit de definitieve uitweg? Is die haar voorbestemd?
‘The bell jar’ is een aangrijpend relaas van een psychologische strijd die tenslotte, jaren later, fataal zou eindigen. Niet verwonderlijk wanneer je leest: “Voor degene onder de stolp, wezenloos en gestuikt als een dode baby, is de wereld zelf de boze droom.”
KINDERBOEKEN
Weinig mensen weten dat Sylvia Plath ook nog drie kinderboekjes heeft geschreven, die allen in boekvorm postuum gepubliceerd werden hoewel in ieder geval ‘Mrs.Cherry’s Kitchen Stories’ nog tijdens haar leven in een tijdschrift verscheen. Jonathan De decker wist dat wél en dus moest papa Johan nogmaals aan de slag…
‘The It-Doesn’t-Matter-Suit’ (1996) verhaalt over Max Nix, negen jaar, die met zijn zes broers, en ouders Nix in Winkelburg woont. Helaas draagt de jonge Max niet zoals iedereen een mooi kostuum maar een trui, wollen sokken, een groen vilthoedje en tot overmaat van ramp een Lederhose met benen knopen. Hij droomt van een fraai pak waarmee hij zou kunnen paraderen. Een kostuum voor het hele jaar, een het-doet-er-niet-toe kostuum. Een dag: de postbode bezorgt een groot pak. Bestemmeling Nix, voornaam onleesbaar. Het is geen kerstmis, niemand is jarig, voor wie, en wat? Openmaken! Een wollig, pluizig, mosterdgeel kostuum… Voor Max? Te groot. Papa past het. Maar te opvallend voor kantoor. Dus vermaakt mama het voor oudste broer, perfect. Maar die gaat skiën, en zo’n kleur op de piste, nee. Dus volgende broer. Moeder verstelt opnieuw. Deze broer gaat vissen, de vissen zullen hem zien met die glimmende knopen, afgewezen. Op naar de volgende die dan weer op vossenjacht wil, de vos die dat geel van ver zal merken… Het rijtje broers wordt afgegaan. Iedereen heeft wel een bezwaar. Tot kleine Max in een klein geworden mosterdgeel kostuum naar school en door de straten paradeert, bewonderend nagestaard door alle bewoners van het dorp en zelfs door alle honden en katten. Zoals hij verwachtte. Je mag je niet door kleine bezwaren laten beïnvloeden maar voor je dromen gaan om hen waar te maken; zoiets is wellicht de boodschap voor zover Plath een idee wenste mee te geven. Fraaie tekeningen van Rotraut Susanne Berner begeleiden de tekst.
Bij ‘Mrs.Cherry’s Kitchen Stories’ (2001) zijn de tekeningen van David Roberts, en even fraai en essentieel. Uiteraard speelt alles zich af in de keuken van het echtpaar Cherry. De toestellen die zich daar bevinden zijn hun eentonig leven hartsgrondig beu, steeds weer machinaal dezelfde handelingen verrichten, wat een leven. Kan het niet anders? Geen slecht idee, dat zou best kunnen, ook voor Mrs.Cherry. Dus zullen ze elkaars taken overnemen, de toaster zou best eventjes ijsmachine kunnen worden, en de wasmachine kan als oven fungeren. Gecontroleerd. Maar dan komt de tweeling, buurtjes van Mrs.Cherry, haar halen: hun poes heeft kleintjes gekregen, die moet zij nu toch dadelijk komen bewonderen! De keuken blijft onbeheerd achter. En in totale anarchie. Gelukkig dagen dan de twee feeën op, Salt en Pepper. Zij weten de orde te herstellen en de gecreëerde janboel op te ruimen. Zodat de heer en mevrouw Cherry in een nette keuken arriveren, met toestellen die eventjes konden ademhalen. Zo’n chaos kan best maar tenslotte mag er best orde herschapen worden – ook in het hoofd?
En dan is er ‘The Bed Book’ (1996), geen verhaal deze keer maar een ode aan het bed aan de hand van vierregelige versjes. Nu ja ode… een terechtwijzing over het gebruik van het bed, over de multifunctionaliteit. Want “There are beds and Beds” geeft Plath het boekje als opdracht mee. “De meeste daarvan/zijn bedoeld om te slapen,/maar in de beste/zal je veeleer waken” en “een bruikbaar bed (althans volgens mij) is een dat stiekem van alles kan zijn.” Inderdaad, een duikboot, een ruimteveerbed, een snackbarbed, een vlekkenbed waarin je mag knoeien, een warm olifantsbed of een koud Eskimobed. Of heel stil een bed om alleen maar naar de vogels te kijken… Dit is een poëtisch mijmerboekje dat tot veel overpeinzingen aanleiding kan geven. Los daarvan: het thema zal onverbrekelijk met Plath verbonden zijn. Vond zij in het bed niet steeds een toevlucht, veiligheid, een haven; beschutting tegen de boze buitenwereld en tegen de eigen depressies voor zover mogelijk. Ook in haar kinderboeken vinden we de complexe psyche van Sylvia Plath, genuanceerd en gefilterd, terug. De poëtische tekeningen in ‘The Bed Book’ zijn van Quentin Blake die veel werken van Roald Dahl illustreerde.

Johan & Jan de Belie-Segers

(*) De Nederlandse vertaling van de gedichten is van Lucienne Stassaert: ‘Sylvia Plath. Zie, de duisternis lekt uit de scheuren’ (Wagner & Van Santen, Sliedrecht, 2003)
(**) Plath had voor een pseudoniem gekozen om de mensen die ze in de roman portretteerde te beschermen, en ook omdat ze onzeker was over de literaire verdienste van de roman. “The Bell Jar” verscheen dan in 1966 onder haar eigen naam in Engeland, en ondanks de tegenwerpingen van haar moeder ook in 1971 in de Verenigde Staten. (Wikipedia)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.