Zogenaamde “courtroom dramas” of films waarvan een groot gedeelte zich afspeelt in een gerechtszaal verschillen in zoverre van andere films dat zij het dichtst van al bij de notie “verfilmd toneel” komen. Deze uitdrukking heeft een negatieve bijklank omdat dergelijke films zich vaak beperken tot het registreren van een (al dan niet gefingeerde) “toneelopvoering”. De actie is dus erg beperkt, de nadruk ligt volledig op het woord. Het gevaar van verveling loert dus om de hoek. Om dit tegen te gaan is timing het sleutelwoord. Een goed courtroom drama onderscheidt zich van de andere door een verrassende wending op het juiste moment. Daarbij mag die wending toch niet uit de lucht komen vallen en moet de kijker de indruk krijgen van “Natuurlijk! Waarom had ik daar niet eerder aan gedacht?”

Een goed voorbeeld hiervan is “Witness for the prosecution” van Billy Wilder uit 1957 naar het gelijknamige boek van Agatha Christie. De film wordt gestolen door Marlene Dietrich in een dubbelrol, maar eigenlijk draait het verhaal rond advocaat Sir Wilfrid Roberts (gespeeld door Charles Laughton) die de verdediging op zich neemt van de handelsreiziger Leonard Vole (Tyrone Power) die van moord wordt beschuldigd en enkel op een alibi verstrekt door zijn vrouw (Marlene Dietrich) kan rekenen.
Zo’n plotwending in de rechtzaal zelf zit ook in “Presumed innocent” van Alan J.Pakula uit 1990. Meerdere zelfs en dan nog puur om technische redenen (in onze rechtspraak zou men al rap van “procedurefouten” gewagen). De eigenlijke ontknoping van het whodunit-aspect komt pas nadien. Dus hier kan het bioscooppubliek alleen maar toekijken en het filmplot ondergaan. Bij “Jagged edge” van Richard Marquand uit 1985 daarentegen, neemt het plaats op de banken van de juryleden en mag op basis van al dan niet met de waarheid strokende gegevens uitmaken of Jack Forrester (Jeff Bridges) schuldig is aan moord op zijn rijke echtgenote. Deze charmante nouveau riche doet een beroep op de gereputeerde advocate Teddy Barnes (Glenn Close), die als openbare aanklager al haar processen heeft gewonnen en zich in feite al heeft teruggetrokken uit de rechtbank. Jack weet haar echter van zijn onschuld te overtuigen en omdat het uitzichtloze van zijn zaak een nieuwe uitdaging voor haar betekent, neemt Teddy zijn verdediging op.
Het erg compacte scenario van Joe Eszterhas (ook “Basic instinct” en “Sliver”) slaat scènes die teveel informatie zouden vrijgeven netjes over en laat iedereen gissen naar de afloop van het proces. De spanning wordt wel kunstmatig opgefokt door het makkelijke truukje met een anonieme briefschrijver die op het einde uit een kast komt gekropen en dat einde is dan ook, op zijn zachtst uitgedrukt, erg ongeloofwaardig. Al blijf je, net zoals in “Irresistible” van Ann Turner uit 2006, op het einde wel met je vragen zitten.
Of Richard Marquand voor de titel van zijn film leentjebuur is gaan spelen bij “The naked edge” van Michael Anderson uit 1961 is zeer twijfelachtig, want de film is grotendeels de mist ingegaan. Het was de laatste film van Gary Cooper, die op dat moment al terminale kanker had (al had men hem dat niet gezegd), en de film is dan ook uitgekomen toen hij net was overleden. In het huidige tijdsgewricht zou dit juist een enorme “boost” gegeven hebben aan de film, maar in die tijd werkte dat blijkbaar precies omgekeerd. Merkwaardig.
De vertolking van Gary Cooper is nochtans uitstekend. Uiteraard kan men er niet naast kijken dat hij zijn fysieke beperkingen heeft, maar zijn vertolking balanceert wel voortdurend op de slappe koord van “heeft hij het nu gedaan of niet?” In het kader van dit artikel is echter vooral van belang dat de film start met een getuigenis in de rechtbank die al vlug vals blijkt te zijn en op die manier een onschuldige voor levenslang achter de tralies stuurt. Zo weet men meteen ook dat de ware moordenaar nog rondloopt en in die contekst is het vooral van belang te weten of de valse getuigenis opzettelijk of ter goeder trouw werd afgelegd…
Een dergelijke verrassende plotwending maakt ook deel uit van “Suspect” van Peter Yates uit 1987, zeker als men deze aanpak vergelijkt met het speelse karakter van “Legal eagles” van Ivan Reitman een jaar eerder. Hier leken de discussies tussen Robert Redford en Debra Winger (bovenstaande foto) wel geïnspireerd op die tussen Spencer Tracy en Katharine Hepburn in de screwball comedy “Adam’s rib” van George Cukor uit 1949. (De twee hadden 27 jaar lang een buitenechtelijke verhouding omdat Spencer Tracy “als goede katholiek” niet van zijn vrouw wilde scheiden. Maar hij wilde “als goede katholiek” wel naast het potje pissen blijkbaar!)
Een moderne screwball comedy die rond rechtzaken draait (in dit geval de “rip-off” van een – al dan niet – overspelige rijke echtgenoot) is “Intolerable cruelty” van Joel Coen uit 2003 met uitstekende vertolkingen van George Clooney en vooral Catherine Zeta-Jones.
DOUBLE JEOPARDY
Ook in “Midnight in the garden of good and evil” van Clint Eastwood uit 1997 zit een onverwachte “getuige”, maar Patrika Darbo die de nachtverpleegster speelt die komt getuigen dat de handen van het slachtoffer (Jude Law) nog niet “gebagd” waren (waardoor de ontbrekende kruitsporen alsnog verwijderd konden zijn) krijgt geen kans om van haar piepkleine optreden een show à la Dietrich te maken. Het belang van deze scène verschuift dan ook naar het feit dat de journalist (John Cusack) wéét dat de onschuldig verklaarde dader (Kevin Spacey) heeft gelogen en dat hij het wel in zijn aangekondigde boek zal kunnen schrijven, aangezien men in de VS niet twee keer kan worden veroordeeld voor hetzelfde misdrijf (double jeopardy). Maar uiteindelijk zal het plot dan toch nog een andere wending krijgen natuurlijk, want anders had ik dat hier allemaal niet “weggegeven”.
Uiteraard komt double jeopardy ook van pas in de gelijknamige film van Bruce Beresford uit 1999, al worden de rechtbankscènes hier werkelijk tot het minimum minimorum beperkt. In dit geval wordt een vrouw (Ashley Judd) ten onrechte veroordeeld voor de moord op haar man (Bruce Greenwood), zodat ze bij haar vrijlating ongehinderd wraak kan nemen, want ze kan niet twee keer veroordeeld worden voor dezelfde misdaad. Hoezo spoiler? Dat gegeven staat toch al bij voorbaat vast? De vraag is alleen hoe het uiteindelijk zal gebeuren, want dat ze hem niet zo maar in koelen bloede zou doden, dat maakt ook deel uit van de Hollywoodiaanse gedragscode.
Een variatie op double jeopardy is ook de wat flauwe deus ex machina voor “Fracture” van Gregory Hoblit uit 2007, een voor de rest uitstekende film waarin twee sterke persoonlijkheden (Anthony Hopkins en Ryan Gosling) een schaakspel op het allerhoogste niveau spelen. Ik heb me wel lopen af te vragen waarom de film “Fracture” heet, terwijl niemand zich daar op de Internet Movie Database schijnt druk over te maken. Ik veronderstel dan maar dat het over het volgende gaat: “My grandfather was an egg farmer. (…) I used to candle eggs at his farm. Do you know what that is? You hold an egg up to the light of a candle and you look for imperfections. The first time I did it he told me to put all the eggs that were cracked or flawed into a bucket for the bakery. And he came back an hour later, and there were 300 eggs in the bakery bucket. He asked me what the hell I was doing. I found a flaw in every single one of them – you know, thin places in the shell; fine, hairline cracks. You look closely enough, you’ll find that everything has a weak spot where it can break, sooner or later.”
Aldus het personage van Anthony Hopkins, waarop Ryan Gosling repliceert: “You’re looking for mine?”
Hopkins: “I’ve already found yours. (…) You’re a winner, Willy.”
Want openbare aanklager Willy Beachum (rol van Gosling dus) staat op het punt de overstap te maken naar een erg lucratieve betrekking in de privé-sector en in het begin heeft het er de schijn van dat deze moordzaak een walk-over is. Maar in plaats van zich neer te leggen bij de onafwendbare nederlaag, als hij in de maling blijkt genomen te zijn, zet Gosling zijn toekomst op het spel en bijt zich als “winner” vast tot het de ondergang van Hopkins wordt. (Ik denk wel dat ik hier niks mee “weggeef”, want in een Hollywoodfilm moet het recht zegevieren natuurlijk.)
Een openbare aanklager die dan weer alles in het werk stelt om een zaak te verliezen, is Brad Pitt in “Sleepers” van Barry Levinson uit 1996. Pitt is namelijk de aanklager in een zaak tegen twee jeugdvrienden van hem die van moord worden beschuldigd op een bewaker in de jeugdgevangenis waarin ze alle drie hebben gezeten, die hen heeft misbruikt (rol van Kevin Bacon). Samen met een vierde slachtoffer, Lorenzo Carcaterra (rol van Jason Patric), tevens de auteur van het boek dat volgens hem levensecht is, al wordt dit door de autoriteiten ontkend, slaagt Pitt erin niet enkel de twee wraakengelen vrij te krijgen, maar ook nog de drie medeplichtigen van het slachtoffer achter de tralies te krijgen.
BIECHTGEHEIM
Een vergelijkbare problematiek krijg je als je in de rechtzaal te maken hebt met het biechtgeheim. Dat is b.v. het geval in “I Confess” van Alfred Hitchcock uit 1952. The film is based on the 1902 play “Nos deux consciences” by Paul Anthelme. In the book-length interview Hitchcock/Truffaut (Simon and Schuster, 1967), Hitchcock said he had hired Swedens most important actress Anita Björk (1923-2012) as the female lead after seeing her in Miss Julie. However, when Björk arrived in Hollywood with her lover Stig Dagerman and their baby. Jack Warner, the head of Warner Brothers insisted that Hitchcock should find another actress. Dat werd dan Anne Baxter, al is haar rol niet zo belangrijk in dit “mannenstuk”. Michael Logan (rol van Montgomery Clift) is priester in een parochie in Quebec. Wanneer hij op een avond laat zijn kerk binnenstapt, wordt hij aangeklampt door Otto Keller, zijn koster (Otto E.Hasse), die dringend wil biechten. Keller biecht op dat hij wilde inbreken bij advocaat Villette (gespeeld door Ovila Légaré, een plaatselijke acteur uit Quebec), maar dat deze hem op heterdaad betrapte en dat hij hem toen heeft vermoord. De volgende dag is het uitgerekend Keller die de moord “ontdekt”. Het onderzoek wordt geleid door inspecteur Larrue (Karl Malden). Getuigen verklaren dat ze iemand in priesterkleren hebben gezien op de plaats van de misdaad, zodat priester Logan de “obvious suspect” wordt. En aangezien hij gebonden is door het biechtgeheim kan hij zichzelf niet verdedigen… Vele jaren later, met name in 2016, werd dit principe nog eens overgedaan in de Franse TV-film “La loi de Simon: des hommes en noir” van Didier Le Pêcheur.
SIDNEY LUMET
Ook de psychologie is uiteraard van belang in een “courtroom drama” en dat wordt eveneens in 1957 onderlijnd door “Twelve angry men” van Sidney Lumet naar het toneelstuk van Reginald Rose, waarin één man (Henry Fonda) erin slaagt om elf andere juryleden van hun vooroordelen af te brengen om op die manier het leven van een jongeman te sparen. Niettegenstaande de beslotenheid van het kader, doet de film niet toneelmatig aan, want hoewel Lumet de dialogen van het toneel- en televisiestuk van Rose behield, beoogde hij niettemin een visuele filmstijl met soepele camera-bewegingen en contrastvolle montage-effecten. Deze kwaliteiten zijn eveneens kenschetsen voor het werk van andere jonge televisieregisseurs die rond dezelfde tijd in de filmstudio’s debuteerden, zoals Franklin Schaffner (1920-1989), Martin Ritt, Arthur Penn, Delbert Mann, Robert Mulligan of John Frankenheimer (1930-2002), die jarenlang Lumets televisie-assistent is geweest.
Tegen de critici die hem theatraliteit verwijten (hij verfilmde ook nog een ander toneelstuk met vele plotwendingen, al is het geen courtroom drama, namelijk “Deathtrap” van Ira Levin – en natuurlijk heeft hij ook “Equus” van Peter Shaffer verfilmd) zegt Lumet: “Veel critici verwarren film met decor. Als je een film draait tegen de achtergrond van een berglandschap, dan is iedereen het erover eens dat dit een echte film is. Als dezelfde feiten zich echter voor een muur afspelen, dan is het plotseling verfilmd theater!”
Op het einde van zijn leven keerde de oude Sidney Lumet terug naar zijn allereerste liefde van het courtroom drama. De film “Find me guilty” uit 2006 gaat namelijk over de kleine gangster Jackie DiNorscio die besluit in een monsterproces tegen de maffia zichzelf te verdedigen en zowaar een soort van lokale held wordt. Aanleiding voor een prachtrol van Vin Diesel overigens. Maar dat is het juist. Lumet verfilmt dit als een ware hagiografie (de echte DiNorscio is gestorven tijdens de opnames van de film) en van een man van zijn kaliber had je nu toch wel iets anders verwacht. Zijn verering van “the man who wouldn’t snitch” staat volledig haaks op het feit dat zonder “snitchers” het nooit tot een echte veroordeling van de georganiseerde misdaad kan komen.
Over georganiseerde misdaad gesproken, in 1996 herneemt Brian Gibson in “The juror” het thema van “Twelve angry men” (één jurylid dat al de anderen van het tegendeel overtuigt), maar met een “twitch”: the juror (het jurylid, met name Demi Moore) doet het deze keer niet uit eigen overtuiging, maar omdat ze door de maffia (vooral dan in de persoon van Alec Baldwin) wordt bedreigd als ze het niét zou doen…
Een heerlijke variante op “the man who wouldn’t snitch” zit in “The Caine mutiny” van Edward Dmytryk uit 1954. Het proces over het afzetten van de getormenteerde kapitein Queeg (Humphrey Bogart) op de mijnenveger Caine door zijn manschappen omdat hij unreliable is (een fictief verhaal overigens, de film opent met de duidelijke boodschap dat er in de Amerikaanse marine nog nooit een geval van muiterij is geweest) steunt voornamelijk op de getuigenis van Fred MacMurray die als de would-be auteur Lt.Tom Keefer uiteindelijk niet durft opkomen voor zijn collega’s, omdat hij vreest zelf in hun val te worden meegesleurd. Het interessante is dat door van hem een would-be auteur te maken schrijver Herman Wouk de boodschap lijkt te willen meegeven dat het precies dààrdoor is dat hij uit de bocht is gegaan. Sterke vertolking van José Ferrer als advocaat Greenwald trouwens.
JOHN GRISHAM
Het spreekt vanzelf dat verfilmingen van het werk van advocaat John Grisham niet mogen ontbreken in dit overzicht van “courtroom dramas”. Wat de conspiratieve thriller voor de jaren zeventig was, zijn de verfilmingen van de legal‑thrillers van John Grisham voor de jaren negentig.
Toch wel merkwaardig ‑ én veelzeggend voor de huidige filmconjunctuur in Amerika ‑ dat drie regisseurs die tijdens de seventies topfilms maakten in de voornoemde paranoïde cyclus (Sydney Pollack met “Three Days of the Condor”, Alan Pakula met “Klute” en “The Parallax View”, Francis Coppola met “The Conversation”), nu bestsellers van de literaire superster John Grisham moeten inblikken om hun carrière in het spoor te houden: Pollack met “The Firm”, Pakula met “The Pelican Brief” en Coppola met “The Rainmaker”.
Keer op keer gaat het om een variatie van dezelfde (succes)formule: de held is een idealistische jonge advocaat die het kwaad bestrijdt; dit kwaad is niet zoals een kwarteeuw geleden de CIA of de overheid, maar de Big Business; de onervaren jurist ontmaskert een cover‑up; en op het eind triomfeert het goede ondubbelzinnig over het kwade. Sprookjes dus.
De vraag is natuurlijk hoeveel ruimte er nog rest voor enige persoonlijke expressie binnen zulk een vastomlijnd concept, dat zowel moreel, dramatisch als psychologisch bijzonder simplistisch is. Coppola brengt het er nog zo slecht niet vanaf, rekening houdend met de beperkingen van het Grisham‑systeempje. Dit is mede te danken aan de knappe vertolking van aankomende ster Matt Damon, die iets heel moeilijk doet: op een overtuigende manier een naïeveling spelen zonder dat we hem een idioot vinden. Damon speelt Rudy Baylor, een net afgestudeerde jurist uit het zuiden die het gevecht aangaat met een team gehaaide advocaten van een corrupte verzekeringsmaatschappij, aangevoerd door een aalgladde superadvocaat (glansrol voor Jon Voight).
“The Rainmaker” is in alle opzichten een populistische fabel over de strijd van de underdog tegen het oppermachtige systeem: de benadeelde partij is een arme familie met een zoon die leukemie heeft en stervende is.
Je voelt dat Coppola oprecht meeleeft met de kruistocht van Rudy Baylor, wiens vaak ontroerende voice‑over commentaar werd geschreven door Michael Herr (die hetzelfde deed voor “Apocalypse Now”) ‑ beslist een verbetering op het proza van Grisham. “The Rainmaker” is een David‑en‑Goliath‑verhaal voor het Amerika van de grote bedrijven, een thematiek die de regisseur van de “Godfather”‑trilogie zeker bekend klinkt ‑ zijn hele carrière staat in het teken van de ongelijke strijd tussen de enkeling‑kunstenaar en de kooplieden uit Hollywood. De sfeer in het Memphis van de lagere klassen is zeer goed getroffen en de film blijft boeien dankzij de opmerkelijke vertolkingen tot in de geringste bijrollen (onder wie Teresa Wright, Virginia Madsen en Roy Scheider).
In “The rainmaker” verwerkt Grisham ontegensprekelijk ook zijn eigen twijfels over de rol van de advocatuur. Uiteindelijk kan hij zich toch identificeren met de jonge Rudy Baylor (Matt Damon), die als hij dan toch een “rainmaker” (een zaak die veel geld opbrengt) moet binnen halen zich richt op een corrupte verzekeringsfirma die vooral arme mensen dupeert. Toch moet ook Rudy zich een beetje “verbranden”, zoals uit zijn samenwerking met de niet-afgestudeerde eeuwige rechtenstudent Deck Shifflet (glansrol voor Danny DeVito) blijkt. Alhoewel deze dus niet gekwalificeerd is, kent hij veel beter de achterpoortjes en justitiële kneepjes aan de rand of er juist over. In een sideline ontfermt Rudy zich ook over een vrouw (Claire Danes) die door haar man geterroriseerd wordt en die uiteindelijk terecht maar gerechtelijk gezien evenzeer “fout” wraak neemt…
RUNAWAY JURY
“Runaway jury” van Gary Fleder uit 2003, eveneens gebaseerd op een boek van Grisham, gaat nog verder. Ook hier handelt het over een proces tegen een financieel erg krachtige lobby (in het boek de tabakslobby, in de film werd dit veranderd in de wapenlobby, omdat ook het pas verschenen “The insider” van Michael Mann over de tabaksindustrie ging), waardoor deze een profiler inschakelen (rol van Gene Hackman) die ervoor moet zorgen dat de jury uit goed beïnvloedbare mensen bestaat. Eén van de juryleden (John Cusack) speelt echter dubbel spel…
Die jurybeïnvloeding heeft al heel wat inkt doen vloeien, zodanig zelfs dat het hele jurysysteem op dit moment ter discussie staat. Dat is ook niet te verwonderen als men ziet dat in de Verenigde Staten er acteurs zijn die opleiding geven aan advocaten om precies zo over te komen als acteurs die advocaten spelen op het scherm. Hier bootst de fictie dus niet de werkelijkheid na, maar precies het omgekeerde gebeurt!
In hoeverre dat ook het geval is met advocaten die zich specialiseren in schadeclaims is niet echt duidelijk, ook niet na “A civil action” van Steven Zaillian uit 1998, dat nochtans beweert op reële feiten gebaseerd te zijn. Toch vind ik John Travolta als advocaat Jan Schlichtmann ongeloofwaardig als zijn personage van een geldhaai verandert in een altruïstische gek, die zelfs zichzelf en zijn partners (die nochtans niet meestappen in zijn verhaal) ten gronde richt ten bate van “de goede zaak”. Te meer omdat die ommekeer eigenlijk bewerkt wordt, niet zozeer door de omvang van het drama (een achttal kinderen die gestorven zijn door het drinken van bevuild drinkwater), maar door het feit dat “reguliere” advocaten neerkijken op “claim sharks” (advocaten die werken op een percentage van de schadeclaim die ze kunnen bekomen).
“Conviction” van Tony Goldwyn uit 2010 behandelt dan weer een totaal ander onderwerp. Iemand die onschuldig achter de tralies gaat proberen vrij krijgen, is nu niet bepaald een origineel gegeven, maar dat dit vooral op basis van DNA-onderzoek gebeurt, is dat wel. Dat werpt namelijk een licht op het feit wanneer DNA-onderzoek eigenlijk een courant gegeven werd. De veroordeling van Kenny Waters (rol van Sam Rockwell) dateert immers uit 1983 en het is pas zo’n vijftien jaar later dat DNA-onderzoek zijn onschuld zal bewijzen. Dat gebeurt dan door zijn zus, die speciaal daarvoor rechten is gaan studeren (rol van Hilary Swank). Dat Waters een etterbak eerste klas is en zijn zus nauwelijks beter maakt het niet makkelijk voor de empathie van de toeschouwers, maar het is naar het schijnt gebaseerd op reële feiten en dan heeft hij uiteindelijk toch zo’n kleine twintig jaar achter de tralies gezeten voor zijn eikelgedrag.
De militaire rechtspraak is dan weer heel verschillend van de burgerlijke wetgeving en dat levert bijgevolg ook totaal andere films op. Het beste voorbeeld is hier allicht “A few good men” van Rob Reiner uit 1992. Als er ook nog racisme mee gemoeid is, kan “A soldier’s story” van Norman Jewison uit 1984 als beste voorbeeld gelden, al gaan dergelijke films eigenlijk allemaal terug op “In the heat of the night” van Jewison zelf uit 1967. Toch kan ik me niet herinneren dat hier echt scènes uit de gerechtszaal in voorkomen. Volgens mij blijft de film beperkt naar de zoektocht naar de dader door het unlikely duo van Sidney Poitiers en Rod Steiger.
HISTORISCHE RECHTZAKEN
Een speciaal geval is “Sommersby” van Jon Amiel uit 1993. Uiteraard gebaseerd op “Le retour de Martin Guerre” van Daniel Vigne uit 1982, moet hier een rechtspraak tevens een oordeel vellen of John Sommersby (Richard Gere) wel degelijk diegene is voor wie hij zich uitgeeft. Het paradoxale is dat een positieve uitspraak wat dit identiteitsprobleem betreft, meteen ook de doodstraf (**) betekent voor de persoon die terecht staat. En zo komt het dat Richard Gere met opgeheven hoofd het schavot mag beklimmen…
Met “Sommersby” zitten we meteen ook bij een ander typisch genre, dat ik “historische” courtroom dramas zou willen noemen. En historisch dan in twee betekenissen. Enerzijds teruggaande in de tijd en anderzijds ook in de betekenis van “baanbrekend”. We hebben het dus over rechtzaken (meestal op realiteit gebaseerd) die van historisch belang zijn geweest. Zoals in het geval van “The mutiny of the Bounty”, “Amistad” of “The scandalous Lady W.”.
UITSMIJTER
Het beste courtroom drama dat ik echter ooit heb gezien, is “The Lincoln Lawyer” van Brad Furman uit 2011. Het scenario van John Romano, gebaseerd op het boek van Michael Connelly, zit echter zo goed in elkaar dat ik er eigenlijk niets kan over vertellen zonder een deel van de plot weg te geven. Helaas pindakaas.

Ronny De Schepper

(*) Op dit vlak is “Het vonnis”, de film van Jan Verheyen uit 2013, een absolute must!
(**) Over de doodstraf heeft ook John Grisham met “The chamber” een boek geschreven dat zijn standpunt duidelijk maakt aan de hand van een abject personage (lid van de Ku Klux Klan). In de verfilming door James Foley in 1996 speelt Gene Hackman (weer hij) z’n rol zo goed dat je op het einde zelfs gaat meevoelen met hem.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s