Zeventig jaar geleden: “Casablanca” grote oscarwinnaar

52 casablanca uit 1944Terwijl we vandaag met spanning uitkijken naar de oscaruitreiking die vannacht zal plaatsvinden, had precies zeventig jaar geleden uiteraard ook een oscarceremonie plaats. De film “Casablanca” was de grote winnaar met ook nog een extra-prijs voor regisseur Michael Curtiz.

Gisteren heb ik nog één van zijn eerste films “A tolonc” gezien. Het was een stomme film uit 1915 en hij werkte toen nog in zijn geboorteland Hongarije als Kertesz Mihaly. De titel werd in het Frans “vertaald” als “L’indésirable” (als het al een aangepaste titel zou zijn, dan is het in het Engels toch ook “The undesirable one”) en dat sloeg dan op de meid Angyel Liszka (de Hongaren zetten net als de West-Vlamingen de familienaam vóór de voornaam, wat dan meteen geen vóórnaam meer is natuurlijk), in het Frans was dat Betty geworden, en de rol werd gespeeld door Lily Berky. En die zàg er alleszins niet “indésirable” uit, dus dààrop kon de titel alvast niet slaan. Nee, het gaat over het feit dat ze als meid op een bepaald moment ervan verdacht wordt de familiejuwelen te hebben gestolen en daarom is ze “indésirable” geworden in het huishouden en wordt ze door de politie opnieuw naar haar geboortedorp geëscorteerd. Daar loopt ze niet enkel haar moeder (Mari Jaszai) tegen het lijf, die na vijftien jaar pas vrij is gekomen omdat ze haar echtgenoot en dus de vader van Liszka/Betty had vermoord omdat het een bruut was (lang zal het weerzien niet duren, want beiden drinken per ongeluk van een gifdrank die Betty had bereid om zelfmoord te plegen; zijzelf zal het overleven, haar moeder niet), maar ook de echte dief, zodat ze op de valreep nog in eer hersteld wordt en zelfs met de zoon des huizes mag huwen.
Daarna heb ik nog eens naar een video van “Casablanca” gekeken. Alhoewel het voor de zoveelste maal was (tiende? vijftiende?) leek het wel een film die ik nog nooit eerder had gezien. Het ging immers om de ingekleurde versie. Nu moeten we dat allemaal verwerpelijk vinden (het was trouwens geen band van mij, maar van mijn vader), maar om eerlijk te zijn: dat viel best mee. Het was uiteraard veel minder een “film noir” geworden, maar Casablanca ligt toch niet voor niets in Noord-Afrika, hé? En ook “Rick’s Café Américain” was toch eerst en vooral een plaats waar de mensen kwamen om zich te amuseren. Bovendien bleven de echt “donkere” fragmenten wel hun karakter behouden (“from all the ginjoints in the world, she walks into mine”, het ophalen van de visa, het vertrek op het vliegveld…). Er is me (wellicht mede door die kleurrijke versie) wel een fout opgevallen: het regent pijpestelen in de Gare de Lyon als Bogart en Bergman uit Parijs willen ontvluchten (“the Germans wore grey, you wore blue”), maar als hij uiteindelijk door Sam op de trein wordt geduwd, zijn z’n kleren en hoed plotseling kurkdroog. En wat me ook is opgevallen (maar dat heeft dan weer niets met die kleuren te maken): alhoewel de Hays Code ervoor zorgt dat er niets te zien valt, wordt er toch wel ontzettend veel gesuggereerd. Zo vraagt Viktor Laszlo aan Ilsa of zij hem iets moet vertellen over Parijs. “Nee,” antwoordt ze, maar dat gelooft toch geen kat. In de flashback zien we dat ze van ’s morgens tot ’s avonds samen zijn en dat de champagne voortdurend rijkelijk vloeit. Dan zal hij haar ’s avonds toch niet aan haar hotelletje hebben afgezet met een “see you tomorrow, darling”, zeker? Nog straffer is de scène waarbij Ilsa de visa in haar bezit wil krijgen. Daarbij zegt ze tegen Rick dat ze nog altijd van hem houdt. Ze kussen en dan wordt er uitgeblend. Bij het volgende beeld staat Rick voor het raam een sigaret te roken. Akkoord, zijn witte jasje zit nog altijd even keurig, maar het uitblenden suggereert toch wel duidelijk dat er na die kus wat méér is gevolgd, nietwaar?
Humphrey Bogart (New York, 25 december 1899) debuteerde in “Devil with women” in 1930, maar zelfs vijf jaar later was zijn talent nog altijd niet opgemerkt door de filmbonzen. Toen hij op Broadway de rol vertolkte van Duke Mantee in “Petrified forest” van Robert Sherwood, kon hoofdvertolker Leslie Howard Warner Brothers overhalen om Boogie ook de rol in de film (1935) te laten vertolken naast Bette Davis. Toch zouden WB onbegrijpelijkerwijze Bogart nog tot 1941 aan kant laten voor wat hoofdrollen aangaat. Boogie zou, terugkijkend op deze periode, dan ook vaak zeggen: “In 29 van mijn eerste 34 films word ik neergeschoten, opgehangen, geëlektrokuteerd of opgesloten. Ik had meer scènes waarin ik moest liggen kreperen op de grond dan scènes waarin ik moest rechtstaan!”
Zelfs in 1941 is het eerder aan een toeval te danken dat Bogart uit de schaduw kan stappen. Ster George Raft (één van diegenen die Bogart tot dan toe zowat het meeste had omvergeknald) weigerde de hoofdrol in een film van een debutant (John Huston was vóór “The Maltese Falcon” enkel als scenarist aan de slag; hij schreef overigens ook de dialogen voor “Falcon”) en daardoor kreeg Bogart de kans van zijn leven.
Als op 14 januari 1943 Churchill, Roosevelt en De Gaulle bij elkaar komen in Casablanca, besluit Warner Brothers dat het moment gekomen is om de film met dezelfde titel uit te brengen, waarmee ze eigenlijk niets als miserie hadden gehad. Zo hadden zowel de hoofdrolspeler als de oorspronkelijke Viktor Laszlo verstek gegeven. Deze laatste was overigens ene Ronald Reagan. Rick Blaine zou echter ook hier vertolkt worden door George Raft, maar net zoals bij “High Sierra” en “The Maltese Falcon” liet deze de film over aan Humphrey Bogart, die het stilaan beu werd steeds als vervanger van Raft op te draven.
Lauren BacallIn “To have and have not” (Howard Hawks) spreekt de 19-jarige Lauren Bacall tot Humphrey Bogart de onsterfelijke woorden: “If you want anything, just whistle. You know how to whistle, don’t you? Just put your lips together and blow.” Even later trouwen ze. For real, bedoel ik. Naar het schijnt heeft ze een fluitje met dit opschrift in zijn urne gelegd. Maar er is nog niets gehoord. Verstopt geraakt door de asse, denk ik. Eigenlijk overleefde deze zin de film, want in het algemeen wordt deze film uit 1944 als een half mislukte remake van “Casablanca” beschouwd.
Totaal terzijde een grap die ik ooit heb gehoord van Hans Liberg. Een juffrouw op school vraagt aan een leerling: “Als er drie mussen op een draad zitten en ik schiet er één van neer, hoeveel blijven er dan nog over?”
“Geen enkele,”
antwoordt het jongetje, “want de twee anderen zijn natuurlijk gaan vliegen door de klap.”
“Je antwoord is fout,”
zegt de lerares, “maar ik apprecieer wel je manier van denken.”
“Mag ik ook eens iets vragen?”
repliceert het jongetje. “Als er drie vrouwen een lolly vasthouden op de volgende manier: de eerste houdt hem gewoon in haar hand, de tweede likt eraan en de derde steekt hem in haar mond. Hoe kun je dan zien wie van de drie getrouwd is?” vraagt het pientere knaapje.
“Die welke de lolly volledig in haar mond steekt,” antwoordt de juffrouw.
“Fout,” zegt de jongen. “Je kan het zien aan haar trouwring. Maar ik apprecieer wel je manier van denken!”
Zoals gezegd dit totaal terzijde, maar als je het over “blowen” hebt, moet je daar wel aan denken, nietwaar? Vooral omdat Humphrey Bogart naar verluidt groot geschapen was. Dat was dus een mondvol om zo te zeggen…
“The Big Sleep” (1946) groeide dan weer uit tot zowat de meest invloedrijke film noir. Howard Hawks directs Raymond Chandler’s novel on the silver screen. None other than William Faulkner is primary screenplay writer. Bogart and Bacall star in this grand black and white thriller. Private eye Philip Marlowe (Bogart) is hired by a very wealthy family to protect a young woman (Martha Vickers) from her own indiscretions. Right smack in the middle of this complex case Marlowe finds time to fall in love with his client’s eldest daughter (Bacall). Vanaf de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende Koude Oorlog komen de Verenigde Staten in een periode van politieke instabiliteit terecht. Paranoia en een onderdrukt onveiligheidsgevoel zijn elementen die we terugvinden in o.a. het film noir genre. In “The Big Sleep” van Howard Hawks zien we hoe de maatschappelijke onzekerheid van die periode in beeld wordt gebracht. De ambiguïteit en de onduidelijkheid vinden we niet alleen terug in de visuele stijl, maar ook in de ambiguïteit van de personages zelf. Om het met Howard Hawks’ eigen woorden te zeggen: ‘Neither the author, the writer, nor myself knew who had killed whom.’ De complexiteit van de film wordt eveneens verklaard doordat bepaalde zaken uit het boek uit de film zijn weggelaten, waardoor het verhaal minder goed te begrijpen is. Zo wordt in de film geen gewag gemaakt van homoseksuele bendeleden en de clandestiene porno-industrie. De film zit dan ook vol “goofs”, missers die ikzelf trouwens meestal over het hoofd zie, maar déze had ik wel gezien. Hij gaat over the guns hidden in Marlowe’s car: first he chooses the one on the left and later when he shoots Canino he picks the same gun, but the other is missing. Komt daarbij: Philip Marlowe says at the beginning that he’s 38 and I’m sorry but Bogart looks pretty older (he was 45 or older when he shot this film)…
In 1947 speelde Humphrey Bogart de hoofdrol in “Dead Reckoning” van John Cromwell. Hij speelt daarin een oorlogsveteraan Rip Murdock die samen met zijn wapenbroeder Johnny op weg is naar Washington. Als Johnny dood wordt gevonden, wil Rip de naam van zijn maat zuiveren en gaat op zoek naar de moordenaar. Deze film is op twee manieren een typisch tijdsdocument. Enerzijds is er de maatschappelijke context van soldaten die uit oorlogsomstandigheden komen en zich weer aan een “alledaags” leven moeten aanpassen. Anderzijds stamt deze film overduidelijk uit de periode dat Hollywood zich inspireerde op het Franse voorbeeld van de “film noir”.
Dat is ook nog het geval voor de daaropvolgende “Dark Passage” van Delmer Daves, although between the film’s unorthodox “first person perspective” and Humphrey Bogart’s negative press from his support of the Committee for the First Amendment established in the face of the hearings being done by the House Un-American Activities Committee led to the film having a poor performance at the box office.
Een beter voorbeeld is dan wat wellicht de belangrijkste Hollywoodfilm van 1948 is: “Key Largo” van John Huston. Lauren Bacall en Humphrey Bogart vinden elkaar hier terug in een gijzelingsactie tijdens een orkaan.
En nog van dattum in 1950 in “In a lonely place” van Nicholas Ray. Volgens Humo is dit niet enkel één van de beste films over de filmindustrie (Bogart speelt een scenarist die verdacht wordt van moord), maar tevens dé beste rol van Bogey himself: sinister en sympathiek tegelijk.
‘African Queen’ (1951) is opnieuw een film van John Huston, deze keer met Humphrey Bogart en Katharine Hepburn in de hoofdrollen. De Canadese avonturier Charlie Allnut (Humphrey Bogart) gebruikt zijn oude stoomboot ‘African Queen’ om in Kongo, bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, afgelegen dorpen in Oost‑Afrika te bevoorraden. Wanneer Duitse troepen een missionaris doden, aanvaardt Bogart om Rose (Katharine Hepburn), de zeer preutse zuster van de missionaris, terug te brengen naar de ‘beschaafde’ wereld. Bogart en Hepburn moeten het niet alleen opnemen tegen de natuur en de Duitsers, maar ook en vooral tegen elkaar. Het resultaat is een onverwoestbare avonturenfilm, met snedige dialogen en ijzersterke vertolkingen.
Daarna speelt Audrey Hepburn de titelrol in “Sabrina” (1954), waarin ze als dochter van de chauffeur van de schatrijke Larrabees verliefd is op de jongste zoon David (William Holden). Die behandelt haar echter als een klein kind. Wanneer ze hem tijdens een feest ziet flirten met andere meisjes, wil ze dan ook zelfmoord plegen, maar ze wordt gered door niemand minder dan Humphrey Bogart. Deze was niet opgezet met het feit dat scenarist en regisseur Billy Wilder hem niet wilde zeggen wie uiteindelijk het meisje zou krijgen. Hij deed daar zo vervelend over (ook omdat hij niet hield van zijn personage) dat Wilder zei: “Prima acteur, Bogart, maar een stomvervelende vent.” Hij haalde overigens uiteindelijk wel de buit binnen, maar toen de kritiek vond dat dit eigenlijk ten onrechte was, dat Holden er “more glamourous” uitzag, beschouwde Bogart dit als een belediging.
In 1954 kreeg hij van Edward Dmytryk een rol voorgeschoteld waarin hij echt z’n tanden kon zetten. Het betrof namelijk het personage van de getormenteerde kapitein Queeg op de mijnenveger Caine, die door zijn manschappen aan kant wordt geschoven omdat hij unreliable is (een fictief verhaal overigens, de film opent met de duidelijke boodschap dat er in de Amerikaanse marine nog nooit een geval van muiterij is geweest). Toegegeven, hij komt wel in de schaduw te staan van Fred MacMurray die als de would-be auteur Lt.Tom Keefer uiteindelijk de échte centrale figuur blijkt te zijn. (Door van hem een would-be auteur te maken lijkt schrijver Herman Wouk trouwens de boodschap te willen meegeven dat het precies dààrdoor is dat hij uit de bocht is gegaan.)
Daarna volgden nog o.a. “The barefoot contessa” (Joseph L.Mankiewicz, 1954) en “We’re no angels” (Michael Curtiz, 1956). Humphrey Bogart stierf op 14 januari 1957.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s