Het is op de kop af tachtig jaar geleden dat de Amerikaanse schrijfster Edith Wharton in Saint-Brice-sous-Forêt is overleden.

Ze werd geboren als Edith Newbold Jones in een aristocratische familie in New York City. Zij werd vooral bekend met “The age of innocence”.
THE AGE OF INNOCENCE
New York 1870, de opera, in een loge zit Newland Archer; in de loge er tegenover zit, met haar familie, zijn bijna-verloofde May Welland. Dan komt in die loge binnen: gravin Ellen Olenska, nicht van May, het zwarte schaap van de familie, beeldschoon; zij verliet haar bruut van een echtgenoot ergens in buitenland dankzij (en met) diens secretaris die zij na een jaar eveneens verliet, en komt na de wereld rondgereisd te hebben naar haar familie Mingott in de US. Zo begint ‘De jaren van onschuld’ (1920).
Ellen en Newland kenden elkaar als kinderen. Haar plotse aanwezigheid veroorzaakt een schok bij iedereen. En is de aanleiding tot het feit dat May en Newland vroeger dan voorzien hun verloving bekend maken, als soort bliksemafleider. Het is duidelijk dat Ellen, gravin Olenska, een vrijgevochten vrouw is die geen blad voor de mond neemt. Wat op algemene afkeuring stoot bij de high society van New York. We zien hoe Newland haar reeds een eerste keer verdedigt wanneer hij poneert dat “vrouwen zouden vrij moeten zijn”. Het huwelijk lijkt hem zoals het nu is, in een dilemma te belanden: de vrouw blijft onwetend, de man hypocriet. Hijzelf werkt als jurist, een baan die weinig voorstelt, en woont met zijn zuster Janey bij zijn moeder (vader overleden).
Er wordt ter ere van Ellen een diner georganiseerd. Gezien haar reputatie weigert iedereen, uiteraard met een smoes, op de invitatie in te gaan. Het is de moeder van Newland die tracht de plooien glad te strijken voor de Ellen die tenslotte de nicht is van May: zij overhaalt het meest invloedrijke echtpaar om een souper te geven en Ellen daarbij uit te nodigen. Het plan slaagt. Al negeert Ellen ook hier de etiquette! En dwingt zij Newland vrijwel tot een latere afspraak bij haar thuis, in een bohemienbuurt waar zij een huisje huurt. Tijdens hun gesprek daar verruimt zij zijn blik op New York, de samenleving, de mensen… al was hij reeds een buitenbeentje met zijn interesse voor boeken, muziek, schilderkunst, reizen… “Niemand wil de waarheid horen, dat is pas echte eenzaamheid” kritiseert zij de hypocrisie van het leven rondom. Na dit bezoek stuurt Newland haar in een impuls een boeket rozen, anoniem. En verzwijgt zijn bezoek tegenover iedereen. Terwijl hij nu reeds May en zichzelf ziet als sjabloonfiguren, banale karakters in een leven van eentonigheid met inhoudsloze gesprekken. Met “de sleur van bezadigd comfort”.
Ellen uit de wens te scheiden. De familie is tegen omwille van het schandaal: haar echtgenoot dreigt met (al dan niet gegronde) onthullingen over haar gedrag. Newland krijgt als jurist de opdracht haar te overtuigen af te zien van haar plan. Hij slaagt in het opzet maar heeft medelijden met wat hij over haar verleden te weten kwam. En stuurt nogmaals, anoniem, rozen. Wanneer ze elkaar later in de opera ontmoeten maakt zij een allusie op de rozen – zij besefte dus dat deze van hem waren, hoewel zij vaak en veel bloemen van aanbidders ontving… Newland drukt de wens uit spoedig te huwen; May is wantrouwig: waarom die haast, vertrouwt hij zichzelf niet? Zij weet over hem van die ene vroegere ‘affaire’ met een vrouw van dubieus allooi…
En dan komt tante Medora tevoorschijn. Met een brief van de echtgenoot van Ellen, graaf Olenska: hij wil Ellen terug. Hij heeft tenslotte ook het geld in handen. Zij weigert, ook om Newland en May niet te schaden. Ze bekennen vroeger verliefd geweest te zijn op elkaar; het resulteert in een kus. Op dat ogenblik arriveert de boodschap dat het huwelijk vroeger zal gesloten worden – de wens van Newland waartegen de familie zich oorspronkelijk verzette; de oma, de matriarch van de familie Mingott had zich voor deze wijziging van het plan ingezet… Het huwelijk wordt voltrokken. Ellen bevindt zich met Medora in Washington. Newland ziet alles gebeuren als een cliché. In de kerk denkt hij een glimp van Ellen op te vangen; nee het is een andere vrouw… zij spookt zelfs dan als een hallucinatie in hem! De huwelijksreis door Europa wordt een teleurstelling voor Newland: May is geïnteresseerd in kleding en sport, hij in cultuur. Terug in New York, is hij aangepast? De tijd gaat voorbij. Er is een tuinfeest; dit is “als kinderen die spelen op een begraafplaats” concludeert hij. Hij verneemt dat Ellen nu anderhalf jaar in Washington woont, hij blijft van haar dromen. Na het tuinfeest moet hij naar oma, net dan is Ellen bij haar op bezoek – zij is aan het wandelen en Newland moet haar gaan zoeken: hij ziet haar, spreekt haar niet aan; hij vertrouwt zichzelf duidelijk niet… Tot hij verneemt dat zij in Boston is en hij daar ook heen reist. Haar echtgenoot wenst nogmaals dat zij bij hem terugkomt. Zij weigert, maar wil niet op echte avances van Newland ingaan: afstandelijke vriendschap is de voorwaarde. “Mijn huwelijk is een schijnvertoning” poneert hij. Nu Ellen weigert haar huwelijk te hervatten besluit de familie haar toelage stop te zetten; en wat zij toegestopt kreeg van een rijke makelaar houdt eveneens op, deze is failliet. Zij en tante Medora zitten vrijwel zonder inkomsten.
Dan wordt oma, de matriarch, ziek. Zij, anders dan de bekrompen hypocriete familie, en veel meer gelijkend op haar rebelse kleindochter Ellen, besluit de toelage opnieuw toe te kennen en de jonge vrouw definitief bij haar te laten inwonen. Dan volgt onverwacht een gesprek tussen May en Ellen. Deze laatste besluit plots naar Parijs te emigreren, met de goedkeuring én de toelage van oma! Er wordt een groot opgezet afscheidsfeest ter ere van Ellen gegeven. Waarbij de bibliotheek tijdelijk gebruikt wordt als herenkamer, de bibliotheek, de enige ruimte in huis die Newland naar eigen smaak tegen de wil van May en familie had ingericht… De society neemt met de glimlach afscheid van hun doorn in het oog. Voor de relatie is dit “de dood zonder bloedvergieten” zegt Newland, opgeruimd staat netjes. Hij wordt een ‘goed burger’.
Dertig jaren later. New York is veranderd, de gemeenschap is opener, vrijer. May is gestorven. Het echtpaar had drie kinderen. Twee zijn aangepast, en zoon David is als Newland, artistiek, rebelser. Hij is het die zijn oudere vader meeneemt op reis naar Parijs. En daar een afspraak maakt met Ellen – hij kent de ganse geschiedenis, zijn moeder had hem alles verteld, ook dat zij in haar laatste gesprek met Ellen aan deze kenbaar gemaakt had dat zij zwanger was: vandaar dus de beslissing van Ellen haar schepen in de VS te verbranden. Vader en zoon gaan naar de afspraak met Ellen; Newland stuurt zijn zoon alvast naar binnen, hij mijmert… en keert op zijn schreden terug naar het hotel. Hij zal Ellen niet meer ontmoeten.
Wharton weet met enkele zinnen haar personages te tekenen, hun uiterlijk en hun karakter. Maar tussendoor suggereert zij ook. Zo leer je veel uit de beschrijving van hun woningen waarin de mensen weerspiegeld worden. Een scherp en gelijktijdig ironisch beeld van de society. Pijnlijk ook. Hoeveel belang wordt gehecht aan kleding, omgangsvormen, eten. En het geroddel. Wat een tekening van een maatschappij… En met welke liefde voor de hoofdpersonen die uit de band springen.
Edith Wharton won met deze roman in 1920 als eerste vrouw de Pulitzer Prize mee. Eerst was zij uiteraard terecht fier met deze bekroning, maar toen zij hoorde dat zij de prijs had gekregen omdat hij eigenlijk geweigerd werd aan “Main Street” van Sinclair Lewis, aangezien deze satire tegen te veel zere schenen had aangeschopt, was ze boos en verontwaardigd. Blijkbaar had men ook toen niet door dat de echte heldin van het boek de “outcast” Ellen Olenska is (rol van Michelle Pfeiffer in de verfilming door Martin Scorsese) in 1993. Haar eigen opvoeding draaide immers ook steeds om perfect gedrag en publieke presentatie, een soort dwang waartegen ze de rest van haar leven zou vechten.
ETHAN FROME
Haar tweede meest bekende boek is wellicht ‘Ethan Frome’ (1911). Hoewel de personages boeiend zijn, het verhaal best spannend en de emoties intrigerend, blijft het accent in de roman toch liggen op de natuur en op het isolement van het (fictieve) stadje Starkfield in New England en de daaruit voortvloeiende eenzelvigheid van zijn bewoners. Een vrouw belandt, voor een wetenschappelijk onderzoek, in het stadje en wordt er geconfronteerd met de mensen, de grillige natuur en vooral met de figuur van Ethan Frome die zij door een toeval beter leert kennen. En van wie zij het verhaal van zijn leven achterhaalt en hier vertelt. Hij is gehuwd met Zeena die ziekelijk is, een oorspronkelijk gelukkig huwelijk. Ze bezitten een boerderij en een houtzagerij. Tot een verweesd, verarmd en jonger nichtje, Mattie Silver, onder hun hoede komt en als onbezoldigd dienstmeisje fungeert. Ethan wordt verliefd op Mattie, Zeena wordt ‘zieker’ maar vooral jaloers, en het culmineert in het fatale: de vrouw des huizes engageert – hoewel daarvoor geen geld is – een echte dienstbode en stuurt Mattie weg. Deze laatste bekent aan Ethan dat zij ook van hem houdt. Zonder enig perspectief moet zij vertrekken, Ethan is gedwongen haar naar de trein te brengen maar onderweg besluiten ze tot een poging tot dubbelzelfmoord. Die mislukt. We ontmoeten, via de vertelster, de drie verbitterde hoofdpersonen twintig jaren later. Zeena heeft de door het ongeval gehandicapte Mattie in huis genomen en verzorgt haar. Ethan is nog een schim die nauwelijks tot werken in staat is. Zeena is nog best, haar kwaaltjes lijken verdwenen. Maar het is een gezin dat verbitterd en kil met en naast elkaar leeft.
Een boeiende, korte roman. En als gezegd is er rond het verhaal vooral de sfeer van kilte, afstandelijkheid, de barre natuur, een stadje dat maandenlang van de buitenwereld afgesloten is in de wintermaanden. Grimmig.
‘Ethan Frome’ werd in 1993 verfilmd door John Madden met Liam Neeson (Ethan), Patricia Arquette (Mattie) en Joan Allen (Zeena).
ROMEINSE KOORTS
In de bundel ‘Romeinse koorts’ werden twaalf verhalen van Wharton vertaald die zij schreef tussen 1899 en 1937 en hoofdzakelijk geplukt werden uit de bundel ‘Souls belated and other stories’ (1993), een selectie van de beste teksten. In de meeste van deze verhalen is een vrouw de spil van het gebeuren.
Het titelverhaal ‘Romeinse koorts’ speelt uiteraard in Rome waar twee Amerikaanse dames, vriendinnen, weduwen, op het terras van hun hotel uitkijken over het Forum. Wij leren hen langzaam kennen via hun ideeën over elkaar; een mooi procedé. Al zien ze elkaar tienmaal vergroot, of soms: “door de verkeerde kant van de verrekijker”. Ooit waren ze, jong, samen, reeds in Rome. Wat speelde zich toen af? Ze besluiten dat iedere generatie Rome anders beleeft. Ooit was er het gevaar van malaria, de Romeinse koorts. Dan de angst voor de mannen – meisjes dienden beschermd te worden. En nu lijkt er geen gevaar meer te dreigen, hun beider dochters gaan en staan waar ze willen. Gaandeweg wordt duidelijk dat de ene vrouw jaloers is op haar ‘vriendin’ om meerdere redenen, o.m. omdat haar dochter knapper en begaafder is. En gedurende hun eerste reis, zo blijkt, was er een incident: haar verloofde had een eenmalige afspraak met haar vriendin gemaakt. Maar goed, spons er over: zij trok aan het langste eind en huwde even later met haar verloofde. Helaas: zoveel jaren later blijkt dat haar vriendin, ondanks een eigen huwelijk, steeds verliefd gebleven is op de inmiddels overleden echtgenoot. En tot mysterieus besluit… haar knappe dochter, wie is in werkelijkheid de vader, had dat ene afspraakje dan onvoorziene gevolgen? Wharton schetst de twee vrouwen, eerst als twee hartsvriendinnen, langzaam tot elkaar bestrijdende en zelfs hatende duivelinnen. De conventies vallen weg. De opbouw van het gebeuren is grandioos.
Dergelijke opbouw vinden we ook terug in ‘De tragiek van de muze’, hoe stap voor stap duidelijk wordt dat de aanbedene niet is wie zij werkelijk is; wat tot definitieve eenzaamheid leidt.
Ook in een soort spookverhalen munt de schrijfster uit. ‘Granaatappelpitjes’ heeft het over een echtpaar, een jaar gehuwd. De man is weduwnaar. Er komen regelmatig aan hem geadresseerde brieven, niet per post, die hem telkens overstuur maken; en waarover hij niks kwijt wil. De spanning binnen het echtpaar loopt op, de vrouw roept haar schoonmoeder ter hulp en samen zullen ze een laatste brief openen. Te laat, de man is verdwenen. De brieven, de roep vanuit het graf bleek te sterk. Het lijkt een tamelijk banale plot maar de wijze waarop hij uitgewerkt is zorgt voor zoveel spanning en legt het accent op de psychologische achtergrond van de vrouw en van haar relatie! Ongeveer hetzelfde gebeurt in ‘Allerzielen’, waar een vrouw geconfronteerd wordt met hekserij, sabbat. Ook hier primeert haar reactie op de gebeurtenissen, veel meer dan het verhaal zelf. Haar gemoedstoestand is essentiëler dan de vraag of het bovennatuurlijke reëel was.
Een aantal teksten behandelen de echtscheiding en meteen de hypocrisie van de high society van New York, het kleinburgerlijke. ‘Autres temps…’ laat zien hoe een dochter na een echtscheiding en een tweede huwelijk onmiddellijk aanvaard wordt in de beste kringen. Een behandeling die haar moeder geweigerd werd toen zij zich, een generatie vroeger, in dezelfde situatie bevond zodat zij zich zelfs genoodzaakt zag naar het buitenland te verhuizen. De opvattingen blijken dus geëvolueerd? Zodoende keert de moeder terug, met hoop. Helaas, voor haar gelden de oude spelregels: de traditie zegeviert net als de hypocrisie, eens verstoten, steeds een paria. Ook in ‘De rekening’ waar een echtpaar een pleidooi houdt voor de echtscheiding, het huwelijk beschouwt als een conventionele verbintenis en daarover zelfs lezingen houdt: tot het in de praktijk voor henzelf niet blijkt te werken en ze door de mand vallen. Idem in ‘Gestrande zielen’, na echtscheiding en huwelijk zullen de echtelieden zich conformeren. Het kan ook komisch zoals in ‘De andere twee’. Hier is de vrouw aan haar derde huwelijk toe en het verhaal besluit met een onderonsje van haar met de drie mannen die haar leven bepaalden. Maar geen vergissing: een grappig einde maar ook hier zeer sterk psychologisch gegrondvest, in dit geval komt vooral de man aan bod.
Twee verhalen gaan een andere richting uit. ‘De kiem van het geloof’ speelt in Eloued, Marokko. Het toont op pijnlijke wijze het failliet van de zendelingen, hun opdracht tot bekeren faalt jammerlijk. Deze mislukking en de nefaste invloed van het klimaat brengen de oudste zendeling er toe de koran en de islam publiekelijk te bespotten, wat hem fataal wordt. Met ‘Een fles Perrier’ bevinden we ons in een oude burcht, een woestijnfort in Egypte. Een verhaal vol mysterie, een thriller met huiveringwekkende ontknoping – ook hierin toont Wharton zich bekwaam. Wat de twee teksten bindt: de sfeer van het oosten, bij het eerste de stad, de soeks, de drukte met alle kleuren en geuren. In het tweede de stille geheimzinnigheid van de woestijn die als een dreiging boven de mensen hangt, de weidsheid waarin ze dreigen ten onder te gaan, de natuur die hen verzwelgt. Unieke sfeerscheppingen domineren de plot die desondanks spannend blijft.
Zeer ontroerend is ‘Atrofie’ waar een vrouw haar stervende minnaar een laatste maal wil bezoeken. Zij stuit evenwel op diens verzuurde zuster en dit ontaardt in een banale dialoog; zij krijgt haar geliefde niet te zien. En durft zich niet uit te spreken: is de zuster al dan niet op de hoogte? Hier is Wharton op haar best, de opbouw van de onderhuidse spanning; hoeveel gesuggereerd wordt onder de nietszeggende woorden van de twee vrouwen. Zeer dubbel gelaagd.
Tenslotte rest nog ‘Xingu’. We zitten tussen een zevental vrouwen die een elitair leesclubje vormen. Eén van hen is een buitenbeentje; zij is niet bepaald belezen, heeft misschien minder gestudeerd, maakt geen deel uit van de society. Deze namiddag is een beroemde schrijfster uitgenodigd. Uitgerekend de paria van de groep maakt alle vrouwen, inclusief de schrijfster, op subtiele wijze belachelijk – wat ze pas na haar vertrek (nota bene samen met de schrijfster) beseffen. Ironie, sarcasme. De would-be in het hemd gezet, de high society neergesabeld op hilarische wijze. Het nuchtere verstand zegeviert. Al wordt het met algemene stemmen uit de club gezet! Het zou me verwonderen mocht Wharton na publicatie van dit verhaal nog ooit uitgenodigd zijn door dergelijke leesclubjes… Hoewel, de vraag is of ze zichzelf konden of durfden herkennen in het clubje dat hier zo genadeloos geschilderd werd!
THE REEF
Als kind reeds was Wharton een ‘boekenverslindster’ en bedacht ook zelf verhalen die ze aan haar kindermeisje voorspeelde. In 1885 huwde ze de twaalf jaar oudere bankier ‘Teddy’ Wharton, zonder het geluk te vinden. Nadat ze erachter kwam dat hij geld uitgaf aan jonge vrouwen ‘vluchtte’ ze in 1908 naar Parijs, waar ze een verhouding had met journalist Morton Fullerton, de liefde van haar leven. Na drie jaar liep de relatie echter stuk. In 1913 scheidde ze uiteindelijk ook van Wharton. Vanaf die tijd reisde ze veel, werkte tijdens de Eerste Wereldoorlog als journaliste en hield in de jaren daarna veelvuldig ‘salon’ in Parijs, waar ze vriendschap sloot met literaire grootheden als F.Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway en Henry James.
Julian Barnes vertelt in zijn boek “Iets aan te geven?” (Atlas, 2001) over een “Tour” met de auto van Edith Wharton met Henry James als passagier uit de tijd dat met de auto rijden nog een avontuur was. Met een mooie anekdote over het verschil in populariteit tussen beide schrijvers: “Percy Lubbock doet een verhaal over de twee schrijvers die een ritje maken in Edith Whartons gloednieuwe auto – gekocht, vertelt ze tussen neus en lippen, van de opbrengst van haar laatste roman. ‘Van de de opbrengst van MIJN laatste roman,’ antwoordt James peinzend, ‘heb ik een karretje gekocht, een handkar, waarop de bagage van mijn gasten van het station naar mijn huis wordt gebracht. Met de opbrengst van mijn volgende roman kan ik het laten verven.’ “ (p.101-102)
Toch wil dit bij Wharton niet doordringen. Ze brengt James, die voor zijn eigen uitgaven instaat, dan ook in moeilijkheden door steeds in dure hotels te logeren.
Ontroerend mooi is de beschrijving van een andere reis van het duo (het waren géén minnaars, vaak was Whartons man er b.v. ook nog bij) in Engeland. Henry James wil de oude en stokdove dichter George Meredith gaan bezoeken en tegen haar zin gaat Wharton mee. Meredith verwacht zich uiteraard niet aan een vrouw en wil weten wie die dame dan wel is. Ze moet verscheidene malen haar naam roepen en dan nog verstaat hij haar niet. Tot hem eindelijk een licht opgaat. Hij geeft haar het boek dat hij aan het lezen is en, jawel, het is een boek van haarzelf, met name dat reisverhaal door Frankrijk (vandaar het vertellen van de anekdote waarschijnlijk). Onmiddellijk slaat haar humeur om uiteraard!
Tegen het einde van haar leven was Whartons literaire reputatie, die in de eerste decennia van de twintigste eeuw erg hoog was, sterk getaand. In 1937 stierf ze aan een beroerte en werd begraven op het kerkhof van Versailles. Pas aan het einde van de twintigste eeuw kende haar populariteit weer een zekere opleving, mede onder invloed van het feminisme.

Johan & Jan de Belie-Segers

Referentie
Julian Barnes, The Reef van Edith Wharton, in “Uit het raam”, Amsterdam/Antwerpen, Uitgeverij Contact Atlas, 2012

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.