Vandaag is het 130 jaar geleden dat de Gentse auteur Raymond De Kremer, die wij vooral kennen als John Flanders (voor zijn Nederlandstalig werk) of als Jean Ray (als Franstalig auteur), werd geboren.

47 raymond de kremerBij de vijftigste verjaardag van zijn verjaardag had men gedacht dat dit aanleiding zou geven tot een boel feestelijke heruitgaven, maar dat was niet zo. De krant “Le Soir” betreurde dit en hierin kon ik dit grootste bastion van franskiljonisme nog volgen, maar dat veranderde natuurlijk als men zag dat zij er – zoals het past in hun visie – een communautaire draai aan gaven: “Les Flamands ont voulu faire de lui un écrivain flamand et non plus un écrivain belge. L’avocat (met de op de koop toe onheilspellende naam Frank Van Vlaenderen) étant flamand, sans doute adhère-t-il à cette vision.” Voor wie denkt: wat heeft die advocaat daar nu mee te maken? Wel, die beheert op dit moment de rechten van de familie De Kremer, zijnde de geadopteerde kleindochter Mariette De Langhe (nog tot de zeventigste verjaardag van het overlijden van de auteur, dan worden zijn werken “publiek domein”) en hij doet dat in navolging van de opzij geschoven Nadine Morrisset de Leener, een naam die veel beter past bij een instituut als “Le Soir” en die dan ook als bron wordt geciteerd. Nogmaals, ook ik betreur dat De Kremer aka Flanders aka Ray niet de aandacht krijgt die hij verdient, maar het is niet met dit soort artikels dat de zaak vooruit wordt geholpen natuurlijk!
ANTON STEVENS
Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de geboorte van Raymond De Kremer draaide een andere Gentenaar, Anton Stevens, een fraaie documentaire over het leven en werk van hem Ikzelf besprak het werkstuk in De Rode Vaan nr.21 van 1987.
Een programma als dat over Jean Ray (17/5/1987) is zo’n typisch product waarvan de geïnteresseerde kijker intens kan genieten, terwijl iemand anders zich afvraagt waarvoor het eigenlijk goed is.
“Zo kondigde een confrater (wellicht niet Lode De Pooter, want die had mij het onderscheid geleerd tussen een collega – op hetzelfde blad – en een confrater, iemand bij een ander blad, RDS) het eerste deel van de documentaire van Anton Stevens over de Gentse schrijver Raymond De Kremer aan. We vrezen dat er veel waarheid schuilt in dit gegeven en daarom zijn we er – als “geïnteresseerde” – niet helemaal van overtuigd of iedereen ons volgt in ons enthousiaste oordeel.
Toch heeft Stevens niets onverlet gelaten om ook een groter publiek te bereiken. Zijn voornaamste troef was wellicht het uitspelen van de mythomanie van Jean Ray. Zelf heeft deze immers allerlei geruchten verspreid over woeste avonturen, waarvan het merendeel even gefingeerd als zijn verhalen blijkt te zijn.
Juist op het moment dat je dan gaat denken dat het allemààl verzonnen is, plaatst Stevens daar een getuigenis tegenover die dan toch wee een hint geeft dat het wél eens zou kunnen waar zijn. Puike montage dus. Idem dito voor sfeervolle beelden uit Gent (natuurlijk) maar ook uit diverse plaatsen in het buitenland, b.v. the isle of dogs in Londen die we reeds kenden van de London Marathon (telkenjare de mooiste sportreportage).
En als je Jean Ray zo bezig hoort, dan kan je het samen met Stevens alleen maar betreuren dat Moeder Vlaanderen zich vroeger te weinig over haar Franse kinderen heeft bekommerd.”
Onderstaande tekst is me door Anton Stevens bezorgd en dateert ongeveer uit dezelfde periode als zijn documentaire.
Reeds op jonge leeftijd ontdekt Raymond De Kremer het belang van de fantasie in zijn leven. Zijn verbeelding wordt gevoed door de magische omgeving (de Sint-Jacobswijk in Gent) waarin hij opgroeit. Later trekt hij zich dikwijls in zijn fantasiewereld terug, vooral wanneer hij in moeilijke omstandigheden verkeert (vb. in de kostschool te Pecq, in de Gentse gevangenis). Via de literatuur ontwikkelt hij een eigen theorie over het bestaan van parallelle werelden (naast ‘de’ wereld) en vindt de bevestiging voor zijn opvattingen in het werk van Maurice Maeterlinck. Zijn hele bestaan is voor Raymond De Kremer (alias John Flanders/Jean Ray) uiteindelijk niets anders dan het leven in die andere wereld(en), in de vierde dimensie.
Met de publikatie “John Flanders – Raymond De Kremer – Jean Ray” streven we een dubbel doel na. Enerzijds willen we het grote publiek laten kennismaken met de literaire duizendpoot John Flanders-Jean Ray (als auteur van jeugd- en griezelverhalen, revues, gedichten, romans, sprookjes en kranteartikels) en de mens achter de schrijver. Anderzijds wensen we geïnteresseerden aan te moedigen om, via de omvangrijke nalatenschap van de auteur, nieuwe gegevens toe te voegen aan de studie van het leven en het werk van John Flanders – Raymond De Kremer – Jean Ray.
Deze uitgave – in het typische formaat van een Vlaams Filmpje – is opgebouwd uit twee delen. In het eerste gedeelte geven we een biografie van de schrijver. Via deze levensbeschrijving trachten we de mythe rond John Flanders – Jean Ray te doorprikken door het spoor te volgen van de rakker uit de Sint-Jacobswijk en de heimwee hebbende kostleerling, via de toegewijde echtgenoot en vader, langs de spilzieke bourgeois en de geslepen zakenman, voorbij de berouwvolle gevangene en de broodschrijver, tot bij de mijmerende oude man. De catalogus vormt het tweede gedeelte van deze publikatie. Daarin worden elf thema’s uit het leven en het oeuvre van deze Belgische schrijver belicht: theaterwereld, de dolle jaren twintig, reporter en redacteur, van idee tot verhaal, fantastische literatuur, jeugdschrijver, literaire voorbeelden, fans en navolgers, late roem, testament van een schrijver en creatieve duizendpoot.
I.Jeugd tijdens de Belle Epoque (1887-1912)
Op 8 juli 1887 wordt Raymond Jean Marie De Kremer geboren te Gent. Hij is de zoon van Joseph Edmond, die als spoorbeambte werkzaam is in de Gentse haven, en Marie Thérèse Anseele, onderwijzeres en zus van de socialistische voorman Edward Anseele. Het gezin De Kremer bewoont een oud herenhuis in de Ham, een lange, donkere straat in de Sint-Jacobswijk. De opvoeding van Raymond en zijn drie jaar oudere zus Elvire wordt toevertrouwd aan het dienstmeisje Elodie Audenaerde. Hoewel de jonge vrouw niet mals is voor Raymond, wanneer hij kattekwaad uithaalt of zijn zus plaagt, is hij dol op haar. De bijgelovige Elodie vertelt hem immers spannende verhalen over de duivel, die hij niet alleen angstaanjagend maar ook heel erg fascinerend vindt.
De jonge De Kremer brengt zijn kleuterjaren door in een school aan de Sint-Machariusstraat en wordt in 1894 ingeschreven als leerling aan het E. Laurentinstituut in de Onderstraat. In de klas en op de speelplaats gedraagt Raymond zich als een echte belhamel en wordt de schrik van alle leerkrachten, tot hij in de klas van Michel Thiery (vader van Herman Thiery alias Johan Daisne) terechtkomt. Hij wordt er diep getroffen door de zachtmoedigheid en de eruditie van deze onderwijzer en besluit zijn schavuitenstreken achterwege te laten tijdens de lessen van ‘professor’ Thiery. Via zijn leerkrachten leert Raymond de bibliotheek van het Willemsfonds kennen. Zijn voorkeur gaat er uit naar het werk van Karl May en Hendrik Conscience.
Na schooltijd zwerft hij samen met zijn speelkameraden Frits van den Berghe, Charles René Callewaert, Edmond ‘Mondje’ Plas, Dees De Vynck, Edmond Schollaert, Eugène Lallemand en Edgard De Meyer door de donkere, sinistere stegen in hun wijk, die in hun verbeelding bevolkt worden door heksen en waterduivels. Ze verbergen echter hun angst en stellen zich stoer op tegenover elkaar. Ze behoren immers allen tot ‘de bende van Sint-Jacobs’, die geleid wordt door ‘Mondje’ Plas, en halen voortdurend kwajongensstreken uit: belletje trekken bij de buren, kraampjes omvergooien op de Vrijdagmarkt… Het jachtterrein van de bende strekt zich uit tot aan de dokken. Ze spelen er verstoppertje tussen de opgestapelde goederen of nemen een duik in het nog onbezoedelde water. Hun favoriete bezigheid is het tellen van de aangemeerde schepen en het raden naar de namen ervan.
Tijdens de warme zomeravonden gaan ze op bezoek bij Johanna ‘Wantje’ Dimez. Op de stoep van haar huis aan de Sint-Katelijnestraat luisteren de jongens gespannen naar de spookverhalen, die ze vertelt.
Hun verbeelding wordt echter ook gevoed door het marionettentheater van Tone Antroe. De avonturen van de houten poppen (bijv. in het stuk van De drij geesten) doen hen niet alleen griezelen maar ook schaterlachen. Wanneer de voorstelling hen niet bevalt, bekogelen ze de marionetten met oliekoeken en appels. Minder vrolijk maar wel heel spannend zijn voor hen de ‘zantjeswale’ (de voorlopers van de stripverhalen), die ze in de winkel van ‘Grote Mele’ (aan de Goudstraat) kopen en thuis in een hoekje verslinden.
Op 1 oktober 1901 wordt een punt gezet achter zijn onbezorgde kinderjaren in de Ham en de Sint-Jansdreef (waar het gezin De Kremer sedert 1895 woont). Raymond De Kremer wordt dan immers door zijn ouders naar de Rijksmiddelbare School in het Waalse Pecq gestuurd om er ondermeer zijn kennis van het Frans bij te spijkeren.
Uit heimwee (naar zijn vrienden en familie uit de Sint-Jacobswijk), eenzaamheid en verveling (tijdens minder aangename lessen) vlucht hij weg in zijn eigen verbeelding. Dit escapisme zal een belangrijke rol spelen in zijn leven. Toch verwaarloost Raymond zijn studies niet. Integendeel. Twee jaar later behaalt hij het getuigschrift voor het derde jaar middelbaar onderwijs “avec grand fruit, conduite et application satisfaisantes”.
Bij het begin van het schooljaar van 1903 wordt hij leerling aan het Koninklijk Atheneum (aan de Ottogracht) te Gent, waar hij het derde jaar moderne humaniora aanvat. Hij behaalt er uiteindelijk een eerste prijs voor Nederlands en lichamelijke opvoeding, een tweede prijs voor de vakken Frans, geschiedenis en aardrijkskunde en een vermelding voor Engels.
Op zeventienjarige leeftijd publiceert Raymond De Kremer zijn eerste verhaal, Mijn vriend Jehan, in het Vlaamse studententijdschrift De Goedendag. Enkele maanden later, in oktober 1904, verschijnt in hetzelfde blad een volgende griezelige vertelling van zijn hand: De heks van het “Vieux Castel”. Op aandringen van zijn omgeving ziet hij echter tijdelijk af van zijn voornemen om een schrijversloopbaan uit te bouwen en gaat aan de rijksnormaalschool (Karel L. Ledeganckstraat) studeren. Hij zakt echter voor zijn eerste jaar en moet overzitten. De teleurstelling is groot voor zijn ouders, wanneer ook zijn ‘bisjaar’ een flop wordt: ze beseffen immers dat hij niet in de sporen zal treden van zijn moeder en van zijn zus Elvire, die regentes is.
Raymond De Kremer is niet erg aangeslagen door het feit dat er voor hem geen loopbaan in het onderwijs is weggelegd. Hij heeft nu immers voldoende tijd om te schrijven. In de almanak van de Gentse vrijzinnige studentenvereniging ’t Zal wel gaan publiceert hij de gedichten Heengaan en Postkaart uit de Panne, en het verhaal Pension Muffle-Fou. Omdat het verhoopte succes in België uitblijft, besluit hij – in een overmoedige bui – zijn geluk te gaan beproeven te Parijs. Samen met de auteur Paul Kenis reist hij naar de Franse hoofdstad. Beiden proberen er tevergeefs hun literaire teksten te publiceren in de Parijse tijdschriften. Uiteindelijk keren ze ontgoocheld terug naar hun geboortestad.
Wanneer Raymond De Kremer met het Gentse theatermilieu in contact komt, begint hij liedjes te componeren voor revues (in de Minardschouwburg, de Ancien Cirque des Trois Clefs en de Nouveau Cirque). In deze populaire zang-, dans- en toneelspektakels worden politieke gebeurtenissen, plaatselijke wantoestanden en maatschappelijke vernieuwingen gehekeld. De eerste chansons van Jean Ray (alias Raymond De Kremer) worden vertolkt in de revue Zijde nie wel dan?, die wordt opgevoerd in de Nouveau Cirque (aan de Sint-Pietersnieuwstraat). Tijdens de première (op 17 april 1909) leert hij de Brusselse revueactrice Nini Balta (alias Virginie Bal) kennen en ze worden verliefd op elkaar. Door hun liefdesrelatie wordt Raymond De Kremer gesterkt in de overtuiging dat hij artistieke wegen moet bewandelen.
Zijn ambities als schrijver worden echter niet au sérieux genomen door de familie Anseele. Onder zachte dwang van zijn oom Edward – die in de Gentse gemeenteraad zetelt – aanvaardt Raymond een baan bij het stadsbestuur van Gent. Op 15 juli 1910 wordt hij klerk bij de afdeling Onderwijs. Hij is echter nauwelijks geïnteresseerd in de administratieve taken die hij moet vervullen en vindt zijn theaterwerk belangrijker dan zijn job.
Telkens wanneer er een nieuwe revue in première gaat, houdt hij zich ziek en laat een doktersattest afleveren op kantoor, zodat hij zich volledig kan concentreren op het theatergebeuren. Jean Ray schrijft de Franse coupletten voor Ze zijn daar, die op 12 mei 1911 voor het eerst wordt opgevoerd in de Nouveau Cirque, en waarin ook een rol is weggelegd voor Nini Balta. Deze revue is tevens het begin van een nauwe samenwerking tussen Jean Ray en Henri Van Daele. In hetzelfde jaar creëren ze de operette De Familie Krinkelaere of slachtoffer der nieuwe legerwet.
Raymond De Kremer vindt echter ook nog de tijd voor het schrijven van proza en poëzie. In het maandblad Gent XXe eeuw-Gand XXe siècle, dat geleid wordt door de schrijver Gustaaf D’Hondt, publiceert hij het verhaal Le Voleur en het gedicht Le Noël de l’an 1000.
II.Een schoon bestaan (1912-1926)
Op 17 februari 1912 huwt de vierentwintigjarige schrijver Raymond De Kremer met de vier jaar oudere revuester Virginie Bal te Brussel. Het jonge koppel betrekt een woning aan de Zondernaamstraat te Gent.
Na de publikatie van zijn cyclus Vers à Dolly in Gent XXe eeuw (periode januari-maart 1913) krijgt De Kremer enkele vaste rubrieken in het maandblad: een kroniek over de handel en de industrie te Gent en een kunstkroniek, waarin hij ondermeer Domien Inghels en Valerius de Saedeleer belicht. Zijn verhaal Sur la route wordt eveneens in het blad opgenomen.
In 1913 geniet Gent internationale belangstelling aangezien zij de organisatie van de wereldtentoonstelling op zich heeft genomen. Het hele gebeuren bezorgt het stadsbestuur echter een enorme financiële kater. Deze malaise wordt op de korrel genomen door Jean Ray en Fernand Servais in hun revue Gent…in nesten, opgevoerd in de Ancien Cirque des Trois Clefs (aan de Sint-Amandsstraat).
De aandacht van het gezin van Raymond De Kremer gaat echter volledig uit naar de geboorte van hun dochtertje Lulu (Lucienne) op 7 juli 1913. Het uitbreken van de eerste wereldoorlog werpt echter een donkere schaduw op het geluk van de familie De Kremer-Bal. Raymond wordt immers opgeroepen als korporaal bij de Burgerwacht en raakt gewond. Tijdens de Duitse bezetting wordt hij tewerkgesteld in het Expeditiebureau van de stad Gent. Daarna wordt hij overgeplaatst naar de Dienst Opeisingen, waar hij de opdracht krijgt om logies te zoeken voor Duitse officieren. Op 24 april 1915 overlijdt zijn vader Joseph Edmond, na een langdurige ziekte.
Gedurende de oorlog zijn de theateractiviteiten van Jean Ray eerder beperkt. Samen met Hector Van Seymortier schrijft hij twee revues: Psst…Ze zit binne! (1916) en Ten Tiene Toe (1917), die allebei worden opgevoerd in de Minardschouwburg.
Na de wapenstilstand heerst er een euforische stemming onder de bevolking. Iedereen gaat op zoek naar amusement in café’s, danszalen en theaters. De revue Pinnen af! van het duo Ray-Van Daele kent enorm veel bijval. Na verschillende vertoningen in de Minard, volgen nog meer dan 500 voorstellingen in diverse Belgische steden (Brussel, Brugge, Mechelen, Leuven etc.).
Het succesvolle tweetal zorgt in hetzelfde jaar voor nog meer vertier met Den Uilkenskoning en Den Bolchevist uit ’t Patershol in de Minard, en Gent Herleeft – met Nini Balta – in de Nouveau Cirque. Daarnaast schrijft Jean Ray De echtscheiding van Amedée, samen met Hector van Seymortier.
Door de groeiende belangstelling van het grote publiek voor het medium film (te Gent zijn er voor 1913 op zijn minst 11 zalen waar films vertoond worden, in 1919 is het aantal bioscopen al verdubbeld) meent Jean Ray dat de bioscoopbezoekers ook zouden kunnen geïnteresseerd zijn in een filmtijdschrift en gooit daarom op 20 april 1919 het tweetalige blad Ciné op de markt.
Het eerste nummer wordt meteen al op 10000 exemplaren verspreid. Zijn vertrouwen in het welslagen van zijn onderneming is zo groot dat hij zijn vaste baan als klerk bij het Gentse stadsbestuur opgeeft. Hij blijft echter ook actief als revue- en prozaschrijver en drukt zijn verhalen La Vengeance en Le Gardien du cimetière af in Ciné. De advertentieruimte van zijn filmblad gebruikt hij ondermeer om publiciteit te maken voor zijn eigen theaterstukken. De ambities van Jean Ray staan echter in schril contrast met de publieke belangstelling voor het blad en na amper 30 weken (op 30 november) wordt Ciné opgedoekt.
Voor de “Bekende Gentenaar” Jean Ray (en zijn gezin) breken echter geen slechte tijden aan. Integendeel. Hij wordt vrijwel onmiddellijk in dienst genomen door de Gentse wisselagent August Van den Bogaerde. In 1919 kan Jean Ray ook aan de slag als redacteur bij het liberale dagblad Journal de Gand – Echo des Flandres. Aanvankelijk verzorgt hij er een theaterrubriek en een “Chronique fantaisiste”. Daarna wordt hij literatuurrecensent voor de krant. Hij krijgt ook de kans om eigen proza in het dagblad te publiceren. Wanneer Florimond De Meyer, uitgever van Journal de Gand – Echo des Flandres, merkt dat de verkoop van zijn krant sterk daalt, begint hij op 1 mei 1923 met een tweemaandelijks tijdschrift dat gewijd is aan literatuur en kunst: L’Ami du Livre. De redactie bestaat ondermeer uit Pierre Benoit, José Germain, Lise Jélénik en Jean Ray. Anderhalve maand na het verschijnen van het eerste nummer van L’Ami du Livre beslist de uitgever om zijn krant Journal de Gand – Echo des Flandres van de markt te nemen en alle aandacht toe te spitsen op zijn tijdschrift.
Jean Ray schrijft verhalen en literaire recensies voor L’Ami du Livre, en gaat op bezoek bij bekende auteurs, zoals Maurice Renard en Francisque Parn, die hij allebei enorm bewondert.
In februari 1925 verschijnt zijn eerste verhalenbundel Les Contes du Whisky bij de Brusselse uitgeverij La Renaissance du Livre en wordt meteen enthousiast onthaald door de pers.
Door toedoen van Pierre Goemaere wordt het verhaal Le Fantôme dans la cale afgedrukt in La Revue Belge en vormt het begin van een jarenlange samenwerking tussen het tijdschrift en Jean Ray.
Niet alleen op literair maar ook op financieel gebied gaat het Raymond De Kremer voor de wind. Zijn baan bij het wisselkantoor Van den Bogaerde is immers erg lucratief. De Kremer is echter een enorme verkwister. Hij huurt bijna iedere week een automobiel met privéchauffeur. Vaak organiseert hij picknicks op het platteland voor zijn gezin en voor de familie Anseele. Tijdens het weekend verblijft hij het liefst aan zee. Samen met zijn vrouw en zijn dochtertje Lulu brengt hij vele uren door aan het strand van Blankenberge. Wanneer het weer tegenzit slentert hij langs de dijk en babbelt er met vissers. Uit hun stoere verhalen haalt hij inspiratie voor nieuwe verhalen. Af en toe organiseert hij zelfs jachtpartijen voor zijn vrienden.
III.Schuld en boete (1926-1929)
Drie jaar voor de beruchte beurscrach te Wall Street, die het begin inluidt van de algemene economische recessie, komt er een einde aan het luxueuze leventje van Raymond De Kremer, wanneer hij samen met de wisselagent Van den Bogaerde wordt aangehouden door de gerechtelijke politie, wegens misbruik van vertrouwen. Beiden worden ervan beschuldigd grote geldsommen van verschillende cliënten van het wisselkantoor te hebben achterover gedrukt. Tijdens de maand maart (van het jaar 1926) gonst het van de geruchten in de Arteveldestad over de omvang van de fraude en de wijze waarop ze het geld zouden hebben besteed. In de kranten wordt zelfs gewag gemaakt van een heuse alcoholsmokkel – door De Kremer georganiseerd – van Europa naar de Verenigde Staten (waar op dat ogenblik een alcoholverbod geldt). Het gerechtelijk onderzoek duurt 10 maanden. Intussen is het gezin De Kremer noodgedwongen verhuisd naar een kleine woning aan de Albertkaai. Om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen, moet de actrice Virginie Bal gaan werken als naaister. Op 10 januari 1927 komt het proces VdB versus JR (alias De Kremer) voor de correctionele rechtbank te Gent. Het openbaar ministerie haalt zwaar uit naar Raymond De Kremer: volgens het OM is hij een sluwe aftroggelaar en een ellendeling, die de naam van zijn oom, minister Anseele heeft misbruikt om het vertrouwen van goedgelovige, welgestelde burgers te winnen. Hun spaarcenten (meer dan 700000 frank) heeft hij (onder meer) verkwist aan de huur van een auto (met privéchauffeur), de aankoop van een jachtgoed en een paard (plus rijtuig), en aan frivole uitstapjes te Parijs.
M. Van Thorenburg (OM) spaart evenmin August Van den Bogaerde en laakt niet alleen zijn misbruik van vertrouwen tegenover zijn cliënten, maar ook zijn onkunde en naïeviteit (ten overstaan van De Kremer). Op donderdag 20 januari valt het doek over deze geruchtmakende zaak : Raymond De Kremer wordt veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van zes jaar en zes maanden , en een boete van 1350 frank, August Van den Bogaerde krijgt een celstraf van vijf jaar (plus een boete van 300 frank).
Raymond De Kremer is een gebroken man: hij voelt zich in de steek gelaten, maar beseft dat hij moet boeten voor zijn misstappen. Om het grauwe gevangenisleven te kunnen doorstaan, zoekt Raymond De Kremer een toevlucht in de fantasie en de literatuur. In de beslotenheid van zijn cel schrijft hij enkele van zijn beste verhalen: La Ruelle ténébreuse, Le Psautier de Mayence en Le Péril gris: Le Rat. Met Pierre Goemaere onderhoudt hij een drukke maar sombere briefwisseling. Goemaere is bereid om zijn werk in La Revue Belge op te nemen. Hij raadt hem echter aan om een nieuw pseudoniem te kiezen: Jean Ray wordt door het grote publiek immers geassocieerd met de oplichter De Kremer. Zijn keuze valt uiteindelijk op John Flanders, in navolging van Moll Flanders, het beroemde hoofdpersonage uit de gelijknamige roman van Daniel Defoe. Hoewel Goemaere al op 28 juni 1928 aan de auteur belooft om Le Péril gris: Le Rat te publiceren, zal dit pas negen maanden later gebeuren, nadat Raymond De Kremer vervroegd is vrijgelaten (op 1 februari 1929) wegens goed gedrag. Het weekblad Ons Land, daarentegen, dat niet op de hoogte is van de ware identiteit van de auteur, publiceert op 23 juni 1928 de eerste Nederlandstalige tekst van John Flanders: T.s.f.
Wanneer John Flanders opnieuw een vrij man is, voert La Revue Belge een inhaalbeweging uit en publiceert na Le Péril gris zes verhalen van de auteur onder de rubriek Les Histoires étranges de John Flanders.
IV.Hard labeur (1929-1947)
Zijn losse bijdragen voor beide tijdschriften brengen echter te weinig geld in het laatje. Om uit zijn benarde financiële situatie te geraken, zoekt De Kremer contact met uitgeverijen die reeksen publiceren.
Zij hebben immers nood aan broodschrijvers, die regelmatig nieuw werk kunnen afleveren. De Goede Pers (Altiora) uit Averbode reageert positief op de vraag van Flanders en biedt hem in 1931 aan om mee te werken aan haar jeugdreeks Vlaamse Filmkens – spannende verhalen (32 blz.) voor een lage prijs. Flanders debuteert in deze serie met Het vervloekte land. In totaal zullen meer dan 150 Vlaamse Filmkens zijn naam dragen.
In dezelfde periode krijgt De Kremer van de Amsterdamse Roman-, Boek- en Kunsthandel het aanbod om de avonturen van Harry Dickson, de Amerikaanse Sherlock Holmes te vertalen in het Frans, à rato van 1 à 2 afleveringen per maand. Aangezien hij de verhalen niet erg boeiend vindt, brengt hij wijzigingen aan in de oorspronkelijke tekst. Zijn uitgever heeft er geen problemen mee dat De Kremer de verhalen omwerkt, op voorwaarde dat hij rekening houdt met de originele omslagtekeningen van Alfred Raloff. Bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog zal de publikatie van deze reeks – na 178 nummers – worden stopgezet.
Na lang aarzelen durft Raymond De Kremer opnieuw publiceren onder zijn pseudoniem Jean Ray: op het einde van 1931 verschijnt bij Les Editions de Belgique La Croisière des Ombres, verhalen die tijdens zijn verblijf in de gevangenis zijn ontstaan. Hoewel het boek enkele literaire parels bevat, wordt het door de pers en het publiek genegeerd.
Ondanks enkele vlot lopende reeksen (Harry Dickson, bijdragen voor de Vlaamse Filmkens) heeft Raymond De Kremer nog altijd financiële problemen. Om het hoofd boven water te kunnen houden, wordt hij vanaf 1933 opnieuw redacteur (naast auteur). Voor het Gentse katholieke dagblad Le Bien Public beschrijft hij het dagelijkse leven in de stad in Reportages dans un Rond. Later wordt deze serie vervangen door de kroniek Au relais du Passé, waarin hij zijn jeugdherinneringen aan bod laat komen. Daarnaast verslaat hij dramatische gebeurtenissen in ons land (ondermeer de dood van koning Albert I, een vliegramp te Ruisselede…). Tot in juni 1939 zal hij aan Le Bien Public verbonden blijven.
Via Clovis Baert, die hoofdredacteur is van De Dag – onpartijdig morgenblad in woord en beeld – kan hij in 1934 aan de slag als reporter voor de regio Gent. Hij richt zijn aandacht niet alleen op het brengen van sensationele berichtgeving (b.v. over de roof van twee panelen van Het Lam Gods uit de Sint-Baafskathedraal, enkele beruchte moordzaken…) ook op het schrijven van nostalgische artikels over het reilen en zeilen te Gent rond 1900 in de rubriek Wat Dulle Griet zegt. Gedurende meer dan negen jaar (tot 28 augustus 1943) zal John Flanders meewerken aan De Dag.
Naast enkele successen in het buitenland – de Amerikaanse tijdschriften Weird Tales en Terror Tales nemen een drietal vertaalde verhalen van John Flanders op – kent hij de grootste bijval in België. Vooral het jeugdige publiek draagt hem op handen. Altiora haakt vlug in op zijn groeiende populariteit en geeft Flanders de mogelijkheid om verhalen te leveren voor Presto-Films, de Franstalige tegenhanger van de Vlaamse Filmkens. Na Les Prisonniers de Morstanhill (1934) volgen nog 38 afleveringen van zijn hand (tot december 1939). De uitgeverij van Averbode verzorgt eveneens de publikatie van zijn eerste avonturenroman voor de jeugd: Spoken op de ruwe heide (1935). Le Secret de la roche-qui-gronde, de eerste Franstalige jeugdroman van Flanders verschijnt een jaar later.
V.Jean Ray: wachten op de doorbraak
Aangezien zijn publikatiedrift (Altiora-uitgaven, Harry Dickson, journalistieke bijdragen etc.) grenzeloos is en hij ervan overtuigd is dat de markt van de jongerenliteratuur nog niet verzadigd is, start John Flanders samen met uitgever Meuwissen in 1936 het Vlaamse jeugdtijdschrift Bravo!. Amerikaanse strips (bijv. Felix de kat, Stormer Gordon…) en bijdragen van Flanders – die hij anoniem of met een waaier van schuilnamen laat verschijnen – vormen de pijlers van het blad. Hij creëert voor Bravo! ondermeer De avonturen van Edmund Bell, de zestienjarige detectief. Uit financiële noodzaak tekent Frits Van den Berghe, één van de belangrijke Vlaamse expressionisten, stripverhalen. De beide jeugdvrienden slaan de handen in elkaar en verzorgen vanaf juni 1937 een stripversie van Edmund Bell voor Bravo!, tot Van den Berghe (in september 1938) ernstig ziek wordt en amper een jaar later overlijdt. Het verlies van zijn kameraad Frits is de derde zware emotionele klap in enkele jaren tijd voor Raymond De Kremer, na de dood van zijn moeder Marie-Thérèse (1936) en van zijn zus Elvire (1939). Het enige belangrijke lichtpunt voor Raymond De Kremer in deze periode is de hereniging met zijn gezin (na zijn arrestatie in 1926 heeft hij enkel nog sporadisch contact gehad met zijn echtgenote en Lulu).
46 orson welles in malpertuisDoor het uitbreken van de tweede wereldoorlog en de daaropvolgende Duitse bezetting van België verdwijnt het ruime aanbod van kranten en tijdschriften. Maar ook heel wat literaire uitgeverijen leggen hun produktie stil. Raymond De Kremer ziet bijgevolg zijn belangrijkste bron van inkomsten verdwijnen. Om uit deze penibele situatie te geraken, richt hij samen met ondermeer Thomas Owen, Evelyne Pollet, Jules Stéphane, Stanislas-André Steeman, Jean Léger en Marguerite Inghels het Brusselse schrijverscollectief (annex uitgeverij) Les Auteurs Associés op. Tijdens de oorlogsjaren komen ze éénmaal per maand samen bij Jules Stéphane en bespreken er hun verhalenbundels en romans, die worden gepubliceerd in verschillende reeksen: Les Romans Policiers, Littérature de ce Temps, Les Romans Policiers Illustrés. De Kremer beslist om opnieuw zijn pseudoniem Jean Ray te hanteren en brengt via het collectief de verhalenbundels Le Grand nocturne (1942), Les Cercles de l’épouvante (1943) en Les Derniers contes de Canterbury (1944) uit, afgewisseld met de romans La Cité de l’indicible peur en Malpertuis (beide in 1943). Hoewel dit werk een hoogtepunt vormt in de literaire carrière van Jean Ray en in de fantastische literatuur, blijft de algemene erkenning uit.
John Flanders, daarentegen, blijkt nog altijd even populair wanneer Altiora, na de oorlog, haar activiteiten hervat. Naast een nieuwe reeks Vlaamse Filmkens introduceert Averbode de kindertijdschriften Zonneland en Petits Belges. John Flanders wordt nauw betrokken bij al deze projecten en levert tal van korte verhalen, feuilletons en stripscenario’s (b.v. voor Renaat Demoen en Anton Herckenrath) af. Daarnaast verschijnen bij dezelfde uitgeverij zijn jeugdromans La Bataille d’Angleterre (1947), Geheimen van het noorden en Het zwarte eiland (beide uit 1948).
Maar niet enkel Averbode is geïnteresseerd in zijn werk: vanaf 1946 worden (ondermeer) de jeugdbladen Kuifje (Tintin), Mickey Magazine, ’t Kapoentje, Ons Volkske en Pat gretige afnemers van zijn verhalen en artikels, net zoals de kranten Het Volk en De Nieuwe Gids.
In “Het Volk” schrijft hij ook scenario’s voor het stripverhaal “Thomas Pips”, getekend door Leo De Budt (Buth), die vóór de oorlog nog voor “Vooruit” had gewerkt, maar zich tijdens de oorlog had verbrand. Op 7 februari 1946 verscheen de eerste strip, waarvoor Buth nog zelf het scenario had geschreven. Later nam Flanders dus over (want Buth was niet echt een goede scenarist) en hij maakte er een detectivestrip van. Het is dan ook niet zeker dat Flanders ook instond voor de strip “Thomas Pips in de Tour de France”, die vanaf 1947 begon te verschijnen. Hier was het Michel Casteels die voorstelde om een muis, een blikje sardienen en een hemdscol te verbergen in de tekening. Hoofdredacteur Bart Lotigiers (dezelfde als die van de opera) vond het eerst maar niks, maar gaf uiteindelijk toch zijn zegen. Het werd een groot succes.
VI.De grote doorbraak (1947-1964)
Raymond De Kremer blijft intussen inspanningen leveren om waardering te krijgen voor het werk dat hij publiceert onder het pseudoniem Jean Ray. Via Johan Daisne worden zijn gedichten opgenomen in het poëzietijdschrift Klaverdrie. Tijdens dezelfde periode verschijnt bij de uitgeverij La sixaine zijn verhalenbundel Le Livre des fantômes (1947) en La Gerbe noire, een bloemlezing uit de fantastische literatuur (met onder meer werk van Francisque Parn, Maurice Renard en Jean Ray).
Een eerste stap op weg naar internationale erkenning voor zijn werk, komt er door toedoen van de Franse cineast Roland Stragliati, die – na zijn onfortuinlijke plannen om La Cité de l’indicible peur te verfilmen – Jean Ray in contact brengt met Maurice Renault. Hij plaatst enkele van de beste verhalen van Jean Ray in de Franse tijdschriften Mystère Magazine en Fiction. Renault wil het oeuvre van de onvolprezen Belgische schrijver nog meer bekendheid verlenen en speelt zijn roman Malpertuis door aan de Parijse uitgever Robert Kanters, die dit meesterwerk heruitbrengt in de reeks Présence du futur (Denoël, 1955). Opnieuw echter wordt zijn literair succes overschaduwd door een persoonlijk verlies: zijn echtgenote Virginie Bal overlijdt op 15 april van hetzelfde jaar.
Het Franstalige blad Audace biedt “de rijzende ster” Jean Ray aan om bijdragen te leveren voor het tijdschrift. De lezers van Audace reageren zo enthousiast op zijn werk dat ze Dents d’or van Jean Ray bekronen als beste verhaal voor 1956. Door deze bekroning neemt de belangstelling voor de auteur nog toe: terwijl de interviews op radio en televisie elkaar opvolgen, verschijnt bij de uitgeverij Gérard Les 25 meilleures histoires noires et fantastiques (1961) van Jean Ray. Daarna brengt Gérard (ondermeer) ook Malpertuis opnieuw op de markt. Door toedoen van Jean Ray krijgt de auteur Michel de Ghelderode – met wie hij nauw bevriend is – literair eerherstel en worden diens Sortilèges et autres contes crépusculaires uitgegeven.
13 sylvie vartan in malpertuisEen van de hoogtepunten uit zijn schrijversloopbaan beleeft Jean Ray in 1963. Op 24 april wordt hem namelijk le prix des Bouquinistes toegekend te Parijs. Hij is ervan overtuigd dat zijn werken eindelijk de aandacht zullen krijgen, die ze verdienen. Enige tijd later verschijnt bij de Parijse uitgever Robert Laffont het eerste deel van zijn Oeuvres complètes.
De Gentse schrijver wordt echter niet alleen in Frankrijk gehuldigd, maar wordt ook in eigen land door diverse verenigingen gevierd. Tijdens de winter van 1963 wordt hij ernstig ziek. De laatste belangrijke gebeurtenissen uit de carrière van Jean Ray glijden bijgevolg bijna onopgemerkt voorbij langs het ziekbed van Raymond De Kremer. In de Koninklijke Muntschouwburg is er de opvoering door het Ballet der XXste eeuw van La Bague, dat gebaseerd is op het verhaal Josuah Güllick, prêteur sur gages, van Jean Ray. Bij de uitgeverij Gérard verschijnt zijn bundel Le Carrousel des maléfices, met verhalen die eerder (onder meer) in het tijdschrift Audace opgenomen zijn. Op 17 september 1964 overlijdt Raymond De Kremer te Gent.
Het omvangrijke oeuvre van John Flanders – Jean Ray – Raymond De Kremer wordt na zijn dood door verschillende uitgeverijen heruitgebracht. Zijn onafgewerkte roman Saint-Judas-de-la-nuit wordt in 1966 opgenomen in Le Livre des fantômes (Gérard).
Striptekenaars doen Harry Dickson en Edmund Bell herleven, maar ook filmregisseurs laten zich door zijn boeken inspireren: Jean-Pierre Mocky baseert zich op La Cité de l’indicible peur voor zijn film La Grande Frousse (1964) en Harry Kümel gooit hoge ogen met Malpertuis (1972)…

Anton Stevens
(met dank aan Johnny Bekaert voor het ter beschikking stellen van de foto van de auteur)

Referenties
Ronny De Schepper, De schrijver als mythomaan, De Rode Vaan nr.21 van 1987
Flavie Gauthier, “L’héritage de Jean Ray assassiné”, Le Soir van 27 mei 2014

Een gedachte over “Raymond De Kremer (1887-1964)

  1. Jean Ray / John Flanders of de bekende onbekende, ten minste in eigen land waar men nostalgische lezers hem (enkel…) kennen als schrijver van tal van Vlaamse Filmkens.
    Deze grootmeester van de fantastische literatuur (ruim 1.500 romans en kortverhalen, waarvan 2/3 oorspronkelijk in het Nederlands geschreven, zij het meestal anoniem of onder tal van schuilnamen) (en meer dan 4.800 andere teksten : reportages, kronieken, boekbesprekingen, folklorepraatjes, poézie, enz) is vooral in het buitenland gekend en gewaardeerd (men telt op vandaag vertalingen in 17 talen). De Vriendenkring Jean Ray stelt zich tot doel om het patrimonium voor de toekomst veilig te stellen en geeft regelmatig onbekend of zeldzaam werk uit.
    Geïnteresseerden worden uitgenodigd om kennis te nemen van de http://www.jeanray.be en kunnen contact opnemen met André Verbrugghen, voorzitter van de internationale Vriendenkring/Amicale Jean Ray: verbrugghen@telenet.be

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s