De Ninoofse stadsdichter Willie Verhegghe, vooral bekend van zijn wielergedichten, viert vandaag zijn zeventigste verjaardag.

« Een geschenkje, » zei de cultuurredacteur. « En of ik er ook eens iets wou over schrijven ? » Nou, als hij me dan toch een pleziertje wou gunnen, dan had hij me beter de uitnodiging voor de persvoorstelling gegeven, want daar waren tenminste een aantal wielrenners in levende lijve aanwezig. De literatuur schijnt er evenwel niet in te slagen sportlui tot leven te wekken. De vroegere euforische sportjournalistiek à la Karel van Wijnendaele mocht ze dan nog « bigger than life » afschilderen, wie écht literaire ambities heeft, zit er — alle goede bedoelingen ten spijt — meestal onder. Tim Krabbé is een uitzondering (in alle betekenissen van het woord, want hij is zelf ook een verdienstelijk amateur geweest) en eigenaardig genoeg slaagt ook Tom Lanoye, die nochtans de zo begeerde rennersbillen wellicht nog nooit binnen handbereik heeft gezien, erin om in zijn lange gedicht « Gent-Wevelgem » de anekdotiek te overstijgen en via de rennersziel het tragische universum van iedere homo sapiens te ontbloten.
Zo dus ook deze bundel wielergedichten van Willie Verhegghe (°Denderleeuw, 1947), die voor het grootste gedeelte dan nog als « gelegenheidspoëzie » kunnen worden geduid. Consumptieliteratuur dus, zoals kan worden afgeleid door de wel zeer actuele referenties (incluis een toespeling op een sponsorende verffirma). Daar zitten dan soms wel aardige « bons mots » tussen (« Freddy I, II en III. Regeringen die vallen en (soms) opstaan ») maar men mag redelijkerwijze veronderstellen dat deze de « tand des tijds » niet zullen doorstaan. Deze oubollige uitdrukking brengt me trouwens bij de overweging dat ze daarom trouwens niet noodzakelijk slechter zijn dan sommige « meer tijdeloze » gedichten, want ook daar stapelen de clichés zich vaak op (« Pontiac-tic-tac », « de niet misse Miss » — tweemaal zelfs!, « ‘k groet al mijn supporters » enz.).
Vooral in het eerste gedeelte (« Topkoersen ») zijn deze voorspelbare beelden prominent aanwezig. Beter zijn dan de portretten uit het laatste deel, « Grote namen, kleine feiten » (Vanspringel als « broeder Isidoor op wielen » en vooral de jeugdherinnering aan Fiorenzo Magni in 1951). Jammer is hier dan weer de puur alfabetische volgorde die wordt gehanteerd. Zo volgt louter toevallig de elegie voor Joaquim Agostinho op bovenstaand ontroerend treurdicht, geschreven voor Verhegghes overleden zoontje Miguel (aangezien het in deze wielerbundel werd opgenomen hebben we maar spontaan verondersteld dat hij werd genoemd naar de razendsnelle Spaanse spurter Miguel Poblet), dat het tweede deel, « In de wielermarge », afsluit. Hier weet Verhegghe met sobere woordenschat een immens leed te verwoorden dat ons alle lust ontnam om met deze bundel ietwat de spot te drijven. Spijtig toch weer dat hij hier niet z’n toevlucht heeft genomen tot het hem beter liggende vrije vers, want zijn rijm komt vaak de rijmelarij nabij (« Sponsors komen en gaan (…) maar onze liefde voor koersen blijft eeuwig bestaan »). Een van de beste gedichten (« Milaan-San Remo ») bestaat trouwens bijna uitsluitend uit een « nieuw-realistische » opsomming van Italiaanse voornamen. Toch ook hier weer een « maar » : drie bladzijden verder doet hij hetzelfde nog eens over voor de « Giro »! En tot slot zijn er natuurlijk nog de « onvermijdelijke » fouten: « Godet » (3x) en « on l’apelle le Blaireau ».
Willie Verhegghe is dus het beste bekend van zijn wielergedichten. “Tourmalet” maakte dan ook deel uit van zijn programma op de poëziehappening in de Gentse Groenzaal zo’n tien jaar later, waarin hij weer mikte naar de “boeren en bakkers” waarover hij het vroeger reeds heeft gehad. Een gedicht over de dood van John Lennon, precies twintig jaar eerder neergeschoten, zal het wel doen, moet Verhegghe gedacht hebben. Hij schroomde zich zelfs geen huldedicht voor Willy Tibergien. Deze formuleerde deze publieksgeilheid dan ook als: “Verhegghe schrijft onverstoorbaar en wars van alle nieuwe trends poëzie waarin zijn engagement luid doorklinkt. Of het nu gaat om gedichten over mentaal‑gehandicapten, over de mijnramp van Marcinelle of over de oorlog, het resultaat is tegelijk krachtig en opstandig, hard en ontroerend, en onverbloemd eerlijk.” Het gedicht “Grafsteen” is opgenomen in de Poëzieroute en is te bekijken aan het Gravensteen in Gent.

Referenties
Willie Verhegghe, Peyresourde, wielergedichten, Gent, Poëziecentrum, 1987, 74 blz.
Ronny De Schepper in De Rode Vaan december 1987
Herwig Leus, Afzien, een poëtische wielermarathon, Knack december 1987

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s