Het is vandaag al twintig jaar geleden dat in New York op 70-jarige leeftijd Allen Ginsberg is overleden aan leverkanker. Was de doodsoorzaak redelijk voorspelbaar (tien jaar eerder werd reeds levercirrose vastgesteld), dan heeft de kwieke baas het nog lang uitgezongen, als men rekent dat z’n ouwe maat Jack Kerouac reeds in 1969 aan een overbelaste lever ten onder is gegaan.

Allen Ginsberg was samen met Jack Kerouac (“On the road”, 1957), William S.Burroughs (“Naked Lunch”, 1959) en Lawrence Ferlinghetti (“A Coney Island of the Mind”, 1958) zowat dé vertegenwoordiger van de zogenaamde “Beat Generation”, die in de jaren vijftig reeds de geest aankondigde, die men in de jaren zestig eigenlijk ook met “The Beat Generation” zou kunnen omschrijven. Onnodig te zeggen dat Ginsberg dan ook de goeroe werd van de hippies. De term “flower power” wordt trouwens aan hem toegeschreven. Maar laten we wel wezen: de echte Beat Generation dateert dus eigenlijk van de jaren vijftig (Ginsberg zelf brak b.v. door met de dichtbundel “Howl” in 1956) en de muziek die erbij hoort is eigenlijk jazzmuziek, bebop om heel precies te zijn. De benaming Beat Generation heeft dus uiteraard ook niets te maken met The Beatles, die toen nog kinderen waren, maar is wel afgeleid van Beatniks. Deze term werd in 1957 uitgevonden door journalist Herb Caen van de San Francisco Chronicle, die de vrijheidsgeest van deze schrijvers vergeleek met de Spoetnik, die in die tijd door de Russen werd gelanceerd en voor de mensheid een nieuw tijdperk inluidde. De Amerikaanse kunstenaars waren tot dan toe immers teneergedrukt (beaten) door het naoorlogse materialisme en de koude-oorlogstokerij van het McCarthisme.
Men zegt vaak dat mei ’68 uiteindelijk een slag in het water was (in Amerika viel de studentenrevolte iets vroeger te situeren en dan vooral in Berkeley), maar het is toch opvallend dat Allen Ginsberg met zijn bundel “Fall of America” in 1972 zowaar de National Book Award kan winnen, terwijl hij voor “Howl” nog wegens obsceniteiten voor de rechter werd gesleept. Het is waar dat de revolutie er niet gekomen is, maar dat Ginsberg een notoir druggebruiker en homofiel was, kon die respectabele jury althans toch niet meer deren.

VERKLARING VAN DRIE

In januari 1982 waren Allen Ginsberg en de Sovjetrussische dichter Evgeny Evtoesjenko de gasten van Ernesto Cardenal, priester, Ginsberg-vertaler en minister van cultuur in Nicaragua. Samen gaven ze een manifest uit, dat de titel “Verklaring van drie” meekreeg:

“Wij zijn drie dichters van heel verschillende landen. Eén van ons is een katholiek dichter, zoon van een ontwikkelingsland. De twee anderen zijn zonen van landen die supermachten worden genoemd: de ene van een kapitalistische staat, de andere van een socialistische. Maar allen zijn we ervan overtuigd dat er slechts één supermacht kan bestaan en dat is de menselijke geest, evenzo dat er geen enkele staat groter is dan de menselijke ziel. De menselijke ziel moet de kerk zijn van iedereen, religieus of niet-gelovig, waar ook ter wereld.”

“Wij willen Nicaragua geen marionet zien worden in eender wiens handen. Op dit ogenblik zijn wij er getuige van dat hier in Nicaragua, dat zozeer heeft geleden onder tirannie, ellende en onwetendheid, dat hier bij de bevolking de wil aanwezig is om haar economische en intellectuele onafhankelijkheid te verdedigen. Nicaragua is een grote experimentele workshop voor nieuwe vormen van samen-leven, waarin kunst een primordiale rol vervult. Vele Nicaraguanen, niet alleen intellectuelen, maar ook arbeiders, boeren en soldaten schrijven vandaag verzen met handen die de wapens moe zijn. Laten wij hun de mogelijkheid geven poëzie te schrijven met inkt en niet met bloed.”

“We roepen alle schrijvers ter wereld op om naar Nicaragua te komen om met hun eigen ogen de realiteit van Nicaragua te aanschouwen, en hun stem te verheffen ter verdediging van dit kleine maar geïnspireerde land. Ze zullen welkom zijn en kunnen zich door het directe contact de ware aard van deze revolutie eigen maken, kunnen kennis maken met de inspanningen van de bevolking om een rechtvaardige maatschappij te creëren zonder enige vorm van geweld, kennis maken met een revolutie waarvan het beeld bewust vervormd wordt door hen die er voordeel bij hebben het alternatief dat deze mensen voorstaan te vernietigen.”

“Het zwaard van Damokles hangt boven het hoofd van deze mensen in de vorm van een agressie. Wij vertrouwen erop dat indien alle schrijvers ter wereld de handel in elkaar slaan, hun pennen machtiger zullen zijn dan eender welk zwaard.”

“GEEN ENKELE AMERIKAAN GELOOFT IN GOD”

Ondertussen is het Nicaraguaanse experiment ook alweer verleden tijd, maar in 1984, toen ik Ginsberg ontmoette na een optreden in de Zwarte Zaal in Gent, was het vuur nog brandend. Na afloop had ik met hem een gesprek in het restaurant Camelia in het Patershol.

Een gek! Een anti-communist! Een gevaarlijk individu! Ik moet zeggen dat “de moraal”, zoals Eddy Merckx zou zeggen, niet erg hoog stond toen ik Allen Ginsberg in 1984 zou gaan interviewen. De man mocht dan al Amerika’s bekendste, populairste en/of beste levende dichter zijn (schrappen wat volgens jou niet past), erg vertrouwd met z’n werk was ik niet, zodat ik mij de assistentie had verzekerd van Marijke De Wilde, die in 1971 haar licentiaatsdiploma had binnengerijfd met een thesis over Jack Kerouac, samen met Ginsberg en Lawrence Ferlinghetti zowat dé vertegenwoordiger van de zogenaamde “Beat Generation” (zelf had ik over de auteur van “Winnie de Poeh” gewerkt, zo zie je maar weer…). Dat bleek een goede gok te zijn, Ginsberg kon uitstekend over de baan met onze medewerkster en wilde zelfs van geen ophouden weten toen we de cassetterecorder (voor de gelegenheid geleend van blueszanger Roland Van Campenhout, ook als “fan” aanwezig) reeds lang hadden opgeborgen. Neen, lieve feministische vriendinnen, dit is alweer geen sexistische opmerking, want u zou reeds lang moeten weten dat Ginsberg een notoir homofiel is. Zijn vriend was trouwens aanwezig bij het eetmaal en, zoals het bij een goed eetmaal past, begonnen we met een aperitief…

– Laten we als aperitief het eerst eens hebben over de invloed van het boeddhisme op de vertegenwoordigers van de Beat Generation …

Ginsberg: Oh ja, die invloed is zeer groot en wordt nog steeds groter. In die tijd van Kerouac, in 1958, waren er nog geen boeddhistische leraars in de Verenigde Staten. De ideeën waren er wel, de boeken, maar geen levende Zen-leraar, geen mensen die onderlegd waren in de eigenlijke praktijk van het mediteren. In 1958 vestigde de eerste Zen-leraar zich in San Francisco en een aantal dichters van de zogenaamde San Francisco Renaissance, die heel dicht bij de Beat Generation stonden, werden door hem onderwezen. Philip Whalen is ondertussen zelfs zélf een boeddhistisch priester geworden. In het totaal zijn er in de Verenigde Staten nu een tiental Zen-leraars, die allen poëzie schrijven. Daarnaast zijn er ook nog Tibetaanse lama’s, die mysterieus, interessant en onderlegd zijn. Zij houden zich bezig met calligrafie, poëzie, krijgskunde, toneel en zijn thuis zowel op het terrein van de schone kunsten als de filosofie als de praktijk van het mediteren. Bij één ervan heb ik zelf lessen gevolg. Hij legde vooral de nadruk op spontaneïteit, op openhartigheid, op improvisatie, net zoals Kerouac.

– Zoiets als de bewustzijnsstroom dus?

Ginsberg: Zoiets ja. De overeenkomst is dat je onmiddellijk opschrijft wat in je opkomt, maar het verschil is dat het gedaan wordt als een resultaat van het mediteren over de ruimte om ons heen.

– Maar is dat boeddhisme geen modeverschijnsel? Kerouac heeft het alleszins niet veel geholpen …

Ginsberg: Nee, hij is weer katholiek geworden. En ik denk dat dit vooral kwam omdat hij geen leraar had, hij heeft dus nooit écht leren mediteren. Het is enkel door zijn eigen diepe geest dat hij de essentie van het boeddhisme heeft kunnen vatten, zoals het idee van het lijden en het idee dat er geen god is. Boeddhisme is atheïsme. En dat kon hij eigenlijk niet verwerken. Hij wilde iets waarin hij kon blijven geloven. Zijn moeder wellicht. En dat was waarschijnlijk zijn probleem.

– Valt dat boeddhisme dan wel te rijmen met de Amerikaanse maatschappij?

Ginsberg: Zeer zeker. Er is geen enkele Amerikaan die in god gelooft. Reagan gelooft niet in god. Hij prààt er wel steeds over, net zoals hij steeds over “het gezin” praat, terwijl zijn eigen zoon een balletdanser is waarvan men veronderstelt dat hij homo is en zijn dochter de democratische campagne tégen hem ondersteunt.

“ALS JE DE KEUZE HEBT TUSSEN TWEE, NEEM BEIDE”

– Is de Beat Generation eigenlijk nog wel relevant?

Ginsberg: Vast en zeker! Kerouac zal zelfs steeds relevanter worden naarmate de tijd verder schrijdt, omdat in al zijn werk slechts één toon is weer te vinden: tederheid. En er mag nog zoveel intellectualisme of hardheid of hyperrationalisme te vinden zijn aan beide kanten van het ijzeren gordijn, het enige wat men overal mist is tederheid. En door Kerouac te lezen kunnen mensen getransformeerd worden in die zin. Men krijgt er een soort van sacramenteel bewustzijn van dat dit leven maar van korte duur is. Méér dan ideeën zijn we gevoelens. Of beter: we zijn zowel idee als gevoelen, zowel lichaam als verbeelding of rede. Iedereen heeft dromen, iedereen heeft wel eens hartepijn, iedereen lijdt, iedereen heeft een lichaam dat geboren wordt en sterft. Indien eender welk van deze mogelijkheden de bovenhand tracht te nemen op de andere, dan heb je chaos. Zowel in de Verenigde Staten als in de Sovjet-Unie heeft nu het hyperrationalisme de macht. Onder Mao Tse Tung had het hyperrationalisme de macht. Pershings en SS-20’s zijn voorbeelden van hyperrationalisme, want ze bedreigen het lichaam, de gevoelens, de verbeelding.

– Is dat dan de voornaamste boodschap in je poëzie?

Ginsberg: Boodschap is het verkeerde woord. Boodschap is óók intellect. Er zit wel een boodschap in, maar er zitten ook gevoelens in, ik tracht die twee in evenwicht te houden. Of beter: die vier, hart, geest, gevoelens en verbeelding. Vandaar ook dat ik bij voorkeur mijn gedichten voorlees. Mijn poëzie bestaat uit woorden, beelden, symbolen. Maar als ze luidop wordt voorgelezen, dan krijgt ze ook een “lichaam”.

– En gebruik je daarom dan muziek, om dat te versterken?

Ginsberg: Neen, ik gebruik muziek omdat ik een traditionalist ben (geniet van de verbazing van de toehoorders). De oudste traditie van klassieke poëzie was gezongen poëzie. Denken we maar aan Homeros of Sappho, de eerste grote dichteres in het westen omdat ze de eerste individualistische dichteres was, net zoals Rimbaud dat was bijvoorbeeld.

– Poëzie is toch ook “vorm”? Of vind je het lézen van poëzie door een individu niet belangrijk?

Ginsberg: Dat zou ik niet zeggen, maar het is toch maar één aspect. Ik zou zeker niet zeggen dat dit “het belangrijkste” is, evenmin als ik zou zeggen dat luidop lezen “het belangrijkste” is. Zoals Gregory Corso heeft gezegd: als je de keuze hebt tussen twee zaken, neem ze dan allebei.

– In de realiteit is dat toch haast ondoenbaar? Neem nu de politiek. Je kan toch niet links zijn én voor Reagan?

Ginsberg: Neen, maar ik ben niet voor Reagan en niet voor de Russen en toch neem ik ze allebei. Ik ben blij dat geen van beide aan de winnende hand is. Dat zou vreselijk zijn. Als Castro het voor het zeggen had bijvoorbeeld, dan zou ik omgebracht worden omdat ik homofiel ben. Terwijl ik in Cuba was voor een reeks lezingen had Castro een aantal theaters doen sluiten wegens al dan niet vermeende homofilie en de acteurs naar werkkampen gestuurd. Ik zei: waarom? Dat kan toch nooit de bedoeling van de revolutie geweest zijn? Zelfs zijn broer Raoul heeft de reputatie van een homofiel te zijn, waarover hebben we het dus? Schijnheiligheid met andere woorden. Ik had dit enkel in privé-conversaties gezegd, maar toch was het de politie ter ore gekomen, want het is een politiestaat, hoe ongaarne mensen dit ook toegeven. En zo werd ik in mijn kamer opgesloten, “incommunicado”, door vier politie-ambtenaren. Daarna werd ik op het vliegtuig gezet zonder dat de dichters die me hadden uitgenodigd daarvan op de hoogte waren. Waarom, vroeg ik nogmaals. Omdat je de wetten van Cuba hebt overtreden was het antwoord. Wélke wetten, vroeg ik. Dat moet je jezelf afvragen, zeiden ze. En toen besefte ik dat ik midden in 1984 was terechtgekomen, ook al was het toen pas 1965. Toch besloot ik het hele geval niet op te blazen. Ik ben dus niet naar The New York Times gerend om een interview toe te staan. Ik wilde geen koren op de molen van de koude oorlog. In dat geval heb ik ze dus beide genomen, of niet soms? Ik ben een communist met een kleine c. Ik geloof in de gemeenschap, in gemeenschappelijk bezit, in de verdeling van het geld. Ik ben een anarchistisch-syndicalistisch-trotzkistisch-kroetsjevistisch communist.

“THE NEW LEFT HEEFT DE OORLOG GEROKKEN”

– Denk je niet dat je met die denkbeelden én met je seksuele geaardheid ook in de Verenigde Staten heel wat problemen zou hebben, als je geen beroemd dichter was?

Ginsberg: Nee, men zou gewoon geen acht op me slaan. In de jaren zestig, dan heb ik nogal wat last gehad, ja. Ik stond toen op de lijst van “gevaarlijke personen voor de veiligheid van het land”. Dit hield onder meer in dat telkens ik na een buitenlandse reis weer het land inkwam, ik door de douane tot op het lichaam werd onderzocht. Men zocht zelfs in mijn aars naar marihuana. Omgekeerd ben ik me dan wel gaan interesseren voor bijvoorbeeld FBI-activiteiten. En zo heb ik meegewerkt aan een boek van de PEN-club, waarin ik exclusieve documenten publiceer waaruit blijkt hoe de FBI heeft meegeholpen aan de sabotage van de New Left in de jaren zestig. Dat is natuurlijk een verschijnsel dat je overal terugvindt. De Westduitse politie was de eerste om de RAF wapens te verschaffen. En ken je het geval Giacomo Feltrinelli? De Italiaanse anarchist die om het leven kwam, zogezegd terwijl hij een bom aan het plaatsen was? Ik heb die man persoonlijk gekend en wat er echt is gebeurd, is dit. Hij moest in opdracht van de PCI met een terroristische groep onderhandelen met de bedoeling hen te kalmeren. Toen hij echter met hen in contact kwam, hebben ze hem gedood. De communisten gaven hieraan echter geen ruchtbaarheid omdat zij niet verondersteld werden contacten te hebben met terroristen. Maar ook de regering wilde geen onderzoek, want deze radicale bommengooiers waren in werkelijkheid vermomde geheime agenten.

– Nu heb je geen last meer, zeg je. Is het er dan in dat opzicht op verbeterd in de Verenigde Staten?

Ginsberg: Na Watergate eventjes wel, ja. Maar nu onder Reagan is het weer prijs. Zo heeft de CIA voor het eerst ook de bevoegdheid om binnenlands te ageren. De FBI daarentegen is in relatief goede handen, namelijk die van William Webster, die onder Carter werd aangesteld om de stal uit te mesten. En hij is onaantastbaar want hij heeft dossiers van iedereen. Wat echter wel gebeurde, dat is dat corrupte FBI-leden na hun ontslag werden ingehuurd door privé-organisaties, vooral in de atoomindustrie. En hierover bestaat natuurlijk geen enkele controle. Vandaar dat de strijd tegen kernwapens en bij uitgebreiding tegen de hele atoomlobby zo belangrijk is. En dan mogen we zeker niet dezelfde fouten maken als in de jaren zestig toen wij in volle culturele revolutie, dus toen intellectuelen de boer op moesten en boeken werden verbrand, rondliepen met foto’s van Mao Tse Tung als ideale held …

– Dat deden sommigen hier ook…

Ginsberg: Maar de zogenaamde theoretici van het maoïsme in de Verenigde Staten, zoals Weatherman, waren eerder intellectualisten dan intellectuelen. Of hyperrationalisten als je wil. En zo kan men zelfs stellen dat door de schuld van New Left de oorlog in Vietnam nodeloos werd gerokken (*). Door extreme stellingnamen zoals “breng de oorlog naar hier” of “dood uw ouders”.

– Draaf je nu niet wat door?

Ginsberg: Nee, Jerry Rubin lanceerde die slogan.

– Is dat niet de studentenleider die in Woodstock door The Who van het podium werd geklopt?

Ginsberg: Nee, dat was Abie Hoffman, die was wat bezadigder. Maar doorgaans was men erg extreem met de bedoeling van de burgerij op stang te jagen.

– “Epater le bourgeois”?

Ginsberg: Ja, maar het was niet nodig ze te “epateren”, maar met hen te werken. Want in 1968 waren er verkiezingen en de oorlogsstoker Lyndon B. Johnson kwam uit tegen Nixon, maar Johnsons running-mate was Humphrey. En deze wilde de oorlog beëindigen door onderhandelingen met de Vietcong. Hij zond dan ook boodschappen in die zin naar generaal Thieu. Toen kwam er in de Verenigde Staten vanuit de burgerij een beweging op gang die Thieu bijstand beloofde op voorwaarde dat hij niet aan Humphrey tegemoet zou komen. En zo kon het gebeuren dat Nixon in feite door een handvol stemmen werd verkozen. Heel Nieuw Links had immers geweigerd voor Humphrey te stemmen. Het is eigenlijk nogal vergelijkbaar met Duitsland in de jaren dertig, waarbij de stommiteiten van links in feite ook Hitler aan de macht hebben geholpen. Want Nixon was nog tien of twintig keer erger dan Johnson. De ontbladeringsacties, het platbranden van dorpen… En dat heeft zo nog zes jaar geduurd! En dat alles omdat links er niet in geslaagd is de brug de leggen naar de middenklasse. Je kan dus gerust stellen dat er bloed kleeft aan de handen van de New Left, dus ook aan die van mij…

Referentie
Ronny De Schepper, Allen Ginsberg: “Er kleeft bloed aan de handen van de New Left”, De Rode Vaan nr.23 van 1984

(*) Precies dezelfde stelling wordt verdedigd door John Irving, zij het verwoord door zijn alter-ego John Wheelwright in “Owen Meany” (p.540).

Een gedachte over “Allen Ginsberg (1926-1997)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s