Het is vandaag al vijftien jaar geleden dat de Gentse theaterregisseur Jean-Pierre De Decker (op de foto in het midden, samen met Jo Decaluwe en Doris van Caneghem in “Dag Jan” in Arca) totaal onverwacht is overleden.

Reeds heel jong gaf Jean-Pierre blijk van acteertalent. Op het Jezuïetencollege in de Savaanstraat speelde hij de hoofdrol in “De gelaarsde kater”. Hierbij geassisteerd door… Gerard Mortier. Zijn regiedebuut maakte hij (net als uiteenlopende talenten als Bart Peeters of René Jacobs) door poppenkast te spelen. Alhoewel zijn vader-deurwaarder deze eigenhandig in elkaar had getimmerd, had hij toch geen hoge pet op van de ambities van zoonlief, zodat deze aanvankelijk het toch nog aan d’unief probeerde. Na twee jaar Germaanse gaf hij er de brui aan en ging aan het HRITCS studeren, terwijl hij actief bleef in het Gentse amateurtheater (Jhesus met de Balsemblomme).
In 1963 werd Jean-Pierre winnaar van een aflevering van “Eén tegen allen”! Nog tijdens opleiding was hij reeds werkzaam bij het MMT van Franz Marijnen en bij de cabaretgroep Brustukadorusch van… Bert Verhoye! (Als andere leden waren er ook nog Frans Redant en Miel Van Attenhoven op piano en Ludo Bex op gitaar.)
Voor het Centrum voor Nederlandse Dramaturgie deed Jean-Pierre de regie van “De zeven doeken der schepping” van Jef Geeraerts. “Dat kwam vlak na Claus’ schandaal in Knokke met de drie blote mannen op toneel. In het Paleis voor Schone Kunsten heb ik dat toen overgedaan, de eerste naakte man en vrouw op de scène, ze zijn aan ’t vrijen, en ik had dan ook een acteur in een politiekostuum gestoken, en die liet ik hen inrekenen. Schrijft Het Volk: Het blijkt dat men aan Knokke nog niet genoeg had, nu toont men ook in Brussel naakt op de scène. Gelukkig was er politie bij de hand om de acteurs meteen af te voeren.” (Humo)
Hij behaalde zijn diploma aan het HRITCS in 1967. Reeds enkele maanden later werd hij co-directeur Arcateater (naast Jo Decaluwe). Tot 1973 zou hij daar o.m. de regie doen of te zien zijn in: “Pil” (Israel Horovitch); “Anna Lusa” (David Mowat); “Kaspar”, “De rit over het Bodenmeer” en “Dag Jan” ofte “Publikumsbeschimpfung”, allemaal van Peter Handke; “La Turista” van Sam Shepard; “Kosmika” van de toen nog onbekende Jan Decorte en “Woorden en muziek” met Anton Cogen en met Mark De Smet op cello (première op 29/09/1970).
Tussendoor regisseerde hij ook “Interieur” van Hugo Claus in het NTG in het seizoen 1972-73.
In 1975 rijst er een eerste conflict met de raad van beheer van Arca. Dré Poppe en Jean-Pierre De Decker zijn ontevreden omdat Jo Decaluwe in hun ogen te veel cabaret brengt. Dré Poppe nam De Decker daarop mee naar de BRT. Daar verfilmde hij (Jean-Pierre dus) werk van Christopher Hampton (“Zonsverduistering” met Hugo Van den Berghe als Verlaine en Filip van Luchene als Rimbaud), Frank Wedekind (“Voorjaarsontwaken”), Franz Xaver Kroetz (“Paris, c’est mon amour” en “Een veilig nest” telkens met Hugo Van den Berghe), Anton Tsjechov (“De dame met het hondje”), Edward Bond (“Gered”) en August Strindberg. Ook iets van Vaclav Havel, maar aangezien de toenmalige Tsjechische regering de rechten niet wou vrijgeven is dit nog niet op het scherm gekomen.
Tijdens het seizoen 1976-77 krijgt Jean-Pierre De Decker de Oscar De Gruyterprijs voor beste regie (“Nacht der Tribaden” van Enquist in het NTG). Hij is ook verantwoordelijk voor de regies van “Midzomernachtsdroom”, “Maat voor Maat” en “Veel leven om niets” van Shakespeare, “De Meeuw” en “Oom Wanja” van Tsjechov, “Lieve Hemel” en “Noch Vis Noch Vlees” van Kroetz, “De laatsten” van Gorki, “De kunst van de komedie” van de Filippo, “Verkeerd” van Martin Sherman en “Antigone” van Sofokles (met het publiek volgens geslacht gescheiden).
Ondertussen werd in januari 1978 een beleidsgroep binnen het NTG opgericht met daarin regisseur Jean-Pierre De Decker, dramaturg Frans Redant en de acteurs Walter Moeremans, Herman Gilis en… Hugo van den Berghe. “Chez Nous” van Peter Nichols en daarna Claus’ bewerking van “De vossejacht” werd eveneens gespeeld een regie van Jean-Pierre De Decker.
In 1979 krijgt Jean-Pierre De Decker de prijs van de televisiekritiek voor “Er was eens in december” van Roger van Ransbeek.
In het seizoen 1981-82, toen de beleidsgroep werd opgeheven, verliet De Decker het NTG, wat echter niet wilde zeggen dat hij er geen regies meer deed. Integendeel. Zo regisseerde hij er in 1984 b.v. “Vrouwen van Troje” van Euripides, zij het in samenwerking met de Griek Stavros Doufexis. Die vrouwen waren dan Chris Boni, Blanka Heirman, Brie Leloup, Chris Thys, Loes van den Heuvel en Alida Neslo, die tevens bewegingsadvies gaf. De mannen waren Roger Bolders, Peter Marichael, Eddy Spruyt, Dirk Roofthooft, Guido van den Berghe en Cyriel van Gent. De muziek was van Johan Desmet.
In 1985 kwam dan de film “Springen” uit naar Fernand Auwera in een regie van Jean-Pierre De Decker.
“Peter Pan” van James Matthew Barrie “Peter Pan” in een decor van Michel Gerd Peter krijgt de publieksprijs van de Teaterklub Gent en ik heb het met mijn kinderen gezien op 14/12/1985.
Op 8 november 1986 gaat in het NTG “De reisgids” van Botho Strauss in première dat nog maar pas in het begin van dit jaar was gecreëerd door Luc Bondy in de Schaubühne am Lehniner Platz. In een vertaling van Raf Reymen speelt Chris Thys de titelrol naast afwisselend Hugo Van den Berghe en Herman Coessens. In de kleinere rollen zijn er Peter Rodrigues en Maud Verlinde. De regie is van Jean-Pierre De Decker, bijgestaan door Elsemieke Scholte. Decor en kostuums zijn van Marc Cnops en Jan Gheysens zit aan het licht. Toneelmeester is Maud Lanckrock, de zus van Wim, en souffleuse is Goedele Willockx, de zus van Renaat.
Pas de Deux” van Claus werd in een regie van Jean-Pierre De Decker, decor van Hans Goossens en Dirk Derre (licht) opgevoerd door Machteld Ramoudt (Katie Lammens), Jo De Meyere (Paul Lannoy) en Jan Steen als Guy De Smaele (Antwerpen, Arenberg, 11/09/1987). Jean-Pierre De Decker zei hierover: “Als ik aan zelfkritiek doe, zie ik dat ik in sommige voorstellingen de acteur een beetje verwaarloosd heb ten koste van het spektakel. Het was de jongste jaren ook niet makkelijk de acteurs echt te laten spelen. Ik vond het heel mooi dat er boven een bespreking van ‘Pas de Deux’ als titel stond: ‘Er mag weer gespeeld worden’. Ik geloof dat het in de Rode Vaan was (dat klopt, want dat artikel was van mij, RDS). Dat is het grootste compliment dat je mij kan geven.” (tegen Luc Rasquin in “De Rode Vaan” nr.3 van 1988)
In januari 1988 regisseerde hij “Nachtwake” van Lars Norén met Ingrid De Vos als Charlotte.
De Bert Leysenprijs was voor Jean-Pierre De Decker voor “Zonderlinge Zielen” (met Josse De Pauw en Els Olaerts, 1988). Ter gelegenheid van deze bekroning geeft hij in interviews toe dat hij het experiment schuwt. Zijn vormtaal is gebaseerd op alledaagse anekdotiek. “Als filmmaker heb je immers een meer dwingende visie t.o.v. het publiek,” zegt De Decker. “In het theater kan de toeschouwer nog altijd focussen op wie hij wil. Vandaar dat ik meer plezier beleef aan filmmaken. Dat theater veel vluchtiger is, is ook wel juist, maar tegelijk is dat creatiemoment ook fascinerender. Als je een zo groot mogelijk publiek wil bereiken, dan ga je voor televisie opteren. Een succesrijke toneelvoorstelling in Vlaanderen trekt misschien 5.000 toeschouwers, een populaire film 200.000 en een televisiefilm gemiddeld zo’n 600.000 kijkers. Dat is dus enorm, ook al moet je daar wel passieve kijkers meerekenen. Het scenario van René Verheezen voor ‘Zonderlinge zielen’ was eigenlijk niet af. Na zijn dood door BRT-dramaturg en mezelf verder uitgewerkt, maar de ultieme versie is toch op de set zelf tot stand gekomen. Er werd vrij veel met improvisatie gewerkt, ook al omdat we met autentieke clochards werkten. Hun inbreng was zo interessant dat we vrij veel van het skript zijn afgeweken, op het ogenblik zelf dat er werd gedraaid.”
“MIJN PAPA, MAMA” is een BRT-film van Jean-Pierre De Decker uit 1989 naar een scenario van Leen Wuyts. Met Hilde Van Mieghem (alleenstaande moeder), Arthur Semay (haar ex-man) en Jelle Van den Eeden (hun kind). Het drama speelt zich af in een stedelijk arbeidersmilieu (de Marollen). Als het kind door een ongeval in de coma belandt, groeit er opnieuw een toenadering tussen de man en de vrouw. Jean-Pierre De Decker: “Mijn papa, mama is een analoog verhaal. Het scenario was oorspronkelijk – onder een heel andere titel: ‘De beslissing’ – van Leen Wuyts. Uiteindelijk is daarvan alleen het basisgegeven overgebleven, namelijk de situatie van een kind dat met gescheiden ouders moet samenleven. Het was echter in een totaal ander milieu gesitueerd. Ik heb dan met Leen Wuyts zelf het scenario helemaal herwerkt aan de hand van gesprekken met de acteurs, aangezien het in dezelfde sfeer zat als ‘Zonderlinge zielen’. Ik vind dat de ideale manier van werken als de technische en artistieke ploeg dat aankan omdat dit een zekere authenticiteit schept. Vandaar ook de natuurlijkheid van de taal van de acteurs, zonder dat ze dialect spreken. Voor een bioscoopfilm kan dat echter niet, want daar moet je alles veel meer voor plannen.”
“Ik sta erop volledig de vrije hand te hebben in de keuze van de acteurs, ook al omdat ik vooraf niet veel repeteer, maar wel veel met hen praat. Ook voor het jongetje uit ‘Mijn papa, mama’ heb ik iemand gekozen die eigenlijk in dezelfde situatie leeft, zodanig dat hij veel van zijn eigen ervaringen in zijn rol heeft kunnen stoppen.”
“De onmogelijkheid tot communiceren tussen de beide ouders heb ik willen uitdrukken door in het begin van de film ook weinig dialogen te gebruiken. Dat is een beetje tegen de regels, want een film moet traditiegetrouw sterk beginnen. Na tien minuten moet je al een conflict hebben en dan ben je aan de afwikkeling toe. Dat zie je ook aan de kijkcijfers: velen hebben na een kwartier afgehaakt. In Nederland was dat minder het geval, maar daar werd dan weer massaal afgehaakt na het ongeval met het kind. (Met name de helft!) Dat toont duidelijk aan dat een groot gedeelte van het publiek dat soort dingen niet wil zien.”
“Ik probeer de tragiek altijd te laten botsen tegen een soort van cynische humor, omdat het dan alleen werkt. Marginale mensen zijn trouwens niet altijd ongelukkige mensen. Zij balanceren tussen extremen: soms zijn ze heel agressief, dan weer heel joviaal. Wat mij interesseert is, hoe iemand in zo’n situatie toch probeert zijn leven enige zin te geven.”
04/04/1991: tweede poging om “Lulu” van Frank Wedekind te ensceneren (vorig jaar afgevoerd omdat Hilde Van Mieghem haar voet brak). Vertaling Joël Hanssens. Decor: Michel Gerd Peter. Kostuums: Angelica Lenz. Regie: Jean-Pierre De Decker en met Hilde Van Mieghem (Lulu), Senne Rouffaer, Frans van der Aa (de portretschilder Edward Schwarz), Johannes Pauwels, Nand Buyl. Zeer ongelijke marathonvoorstelling van vier uur. Niet gezien.
Van Eduardo de Felipo is “Grande magia”. Regie: Jean-Pierre De Decker, decor Marc Cnops. Met Mieke Bouve (Marta Di Spelta), Ronny Waterschoot (Calogero di Spelta, de jaloerse echtgenoot), Vera Veroft, Senne Rouffaer (prof.Otto Marvuglia, de goochelaar), Gerda Marchand, Wim Danckaert (Mariano D’Albino, de minnaar), Griet De Backer, Sjarel Branckaerts, Paul-Emile Van Royen, Karlijn Sileghem, Johannes Pauwels, Sien Eggers, Rik Andries, Nand Buyl, Marc Bober, Alex Cassiers, Mark Van den Bos, Jules Van Hoeck, Stefan Claeys, Roland Briessinck, Guy Neirinck, Luce Huygens, Jo Nupie, Anna Heurckmans, Marc Van Wesemael (vertaling), Marnik Baert (kostuums), Jaak Van De Velde (belichting). Niet gezien (08/05/1992).
Op 21 juli 1992 werd Aristofanes’ “Lysistrata” door de leerlingen van het KMC opgevoerd in een regie van Jean-Pierre De Decker en een decor van Luc Peeters. Met Hilde Breda (Lysistrata, eerste deel), Filip Van Thuyne (Provolos, Kinesias), Saskia Debaere (Lysistrata, tweede deel), Kadèr Gürbüz (Myrrhine) en Mies Meulders (Kalonike). De vertaling en bewerking van Hugo Claus is weer eens fenomenaal. De zeer expliciete taal noodzaakte echter een aanpak in de vormgeving à la “nieuwe esthetiek”, opdat het niet regelrecht een gluurdersstuk zou worden. Toch was het eigenlijk ook wel jammer dat op die manier de erotiek werd gesmoord. Enkel Kadèr Gürbüz kon ondanks de groteske aankleding nog tot de verbeelding spreken. Deze Turkse zal het Vlaams Blok binnenkort allicht zware klappen toebrengen (de eerste slag is trouwens al gegeven: ze is uitverkoren als “Vlaamse” Scarlett O’Hara en mag als prijs o.m. in het gelijknamige Amerikaanse feuilleton figureren). Voor de rest leek me dit zeker geen “eindwerk” want bij sommigen is er duidelijk nog heel wat weg af te leggen.
Op 12 mei 1993 zag ik “De discrete charme van de bourgeoisie” (1972) van Luis Bunuel en Jean-Claude Carrière (NTG) in een regie van Jean-Pierre De Decker. Deze mocht blijkbaar de resterende centen opsouperen (wat zou Weckx daarvan denken?), maar het sop was de kool niet waard, zeker niet als men ziet dat de beste vondst (citaten uit pas voorbije NTG-stukken zoals “Wachten op Godot” en “La répétition”) met een minimum aan middelen kon worden gerealiseerd. Marc Cnops heeft een reusachtig decor ontworpen met enerzijds een “catwalk” op ooghoogte van de toeschouwers (waarop de zes hoofdpersonages voortdurend rondstappen) en met in het midden een uitholling die als kamer en/of restaurant dienst doet en anderzijds een omslachtige constructie in de nok, waar de pianist over een weer schuift, telkens een bed dient te worden opgevoerd, want deze (moeilijk zichtbare) constructie dient vooral voor de bedscènes). Kostuums: Marnik Baert, licht: Jaak Van de Velde, muziek: Johan Desmet (zijn ironiserend aandeel vind ik alweer het beste), piano: Jaap Dieleman, zang: Chris Boni, zangadvies: Françoise Vanhecke, bewegingsadvies: Danny Rosseel, vertaling: Patrick Conrad, bewerking: Jean-Pierre De Decker en Frans Redant, regie-assistenten: Eric Van Herreweghe, Maud Lanckrock (dochter van Rik, zus van Wim) en Goedele Willockx (zus van Renaat), ballistisch advies: Lt.-Kol.SBH De Smet en Cmd.Vercauteren van de artillerie van Lombardsijde. Met Eddy Vereycken (Henri Sénéchal, cocaïnesnuiver), Magda Cnudde (zijn sexueel onverzadigbare vrouw Alice), Elise Bundervoet (hun meid Inès), Bob Van der Veken (monseigneur Dufour, die zo graag hun tuinman wil zijn), Jef Demedts (de boer, die op zijn sterfbed bekent dat hij de ouders van Dufour heeft vermoord), Herman Coessens (Don Raphaël Acosta, de ambassadeur van Miranda, die in zijn diplomatieke valies drugs smokkelt), Els Magerman (zijn minnares Simone Thévenot), Walter Moeremans (haar impotente echtgenoot François), Chris Thijs (haar zus Florence, alkohol- en drugverslaafde), Peter Marichael (de jonge luitenant waarop ze verliefd is), Jef Demedts (de kolonel die Acosta ontmaskert, maar het met de dood bekoopt), Blanka Heirman (zijn vrouw), Roger Bolders (de politiekommissaris die het hele zootje ontmaskert, maar hen toch moet laten gaan; ook gekend als de Bloedhond, omdat hij naakte meisjes electrocuteert door middel van pianospel) en Eddy Spruyt (de maître d’hôtel).
Lars Norén schreef “Een onderwereldse glimlach” in 1982. In de KVS werd het in februari 1993 gespeeld in een regie van Jean-Pierre De Decker en een decor van Marc Cnops. Licht: Jaak Van De Velde, vertaling: Karst Woudstra. Met Katelijne Verbeke (Helena), Johannes Pauwels (Edvard), Goele Derick (Eleen), Chris Lomme (Julia), Sien Eggers (Jenny).
“De wereld van Ludovic” was de BRTN-bijdrage voor de reeks “Melo Melo”. Scenario: Ger Beukenkamp, regie: Jean-Pierre De Decker, met Mathias Coppens (Ludovic Maris), Annick Christiaens (Brigitte Maris), Will van Kralingen (Chantal Pollaert), Peter Tuinman (Philippe), Hilde Van Mieghem (fotografe), Bella van Meel (Sophie), Didier Bezace (Marc Maris) en Nora Tilley (psychiater). De 12-jarige Ludovic Maris houdt van videospelletjes en sf-strips. De fantasiewereld en de realiteit zijn voor hem soms moeilijk te scheiden. Ludovic voelt zich wel verwaarloosd door zijn ouders, al menen ze het wel goed met hem. Op een dag ontmoet hij toevallig de 12-jarige Sophie… (02/02/1993).
Bij Feydeau’s “Tailleur pour dames” heeft Jean-Pierre De Decker vooral op snelheid en grand guignol willen spelen. Mark Cnops mocht daarvoor een ingenieus maar extreem duur decor bouwen met als uitgangspunt een hospitaalzaal, waarin de bedden op de manier van Pierre Etaix voortdurend door de klapdeuren zoeven. Cnops’ meesterschap wordt echter nog beter getoond in de kleine mansarde, dat als liefdesnest moet dienen, en waar de deur – waar ook geplaatst – telkens ook daadwerkelijk als deur kan functioneren. Totaal overbodig zijn echter een heuse hijskraan en een lift, die daar hopelijk ook voor andere doeleinden staan, want anders grenst deze geldverspilling in deze crisistijden toch wel aan smakeloosheid. Marnik Baert ontwierp de kostumes met veel vullingen, die naast het grand guignol effect ook nog nuttig zijn, want er wordt voortdurend geschopt en geslagen. Jaak Van de Velde stond aan het licht, de vlotte vertaling was van Frans Redant. Met in de hoofdrol Herman Coessens als Moulineaux, een geneesheer die stapelverliefd is op de operazangeres Suzanne Aubin, gespeeld door Chris Thys. Als je de naam luidop leest, dan zal je merken dat dit een woordspeling is op het bekende erotische schilderij van Jean-Jacques Henner uit 1865. Moulineaux haalt zich daardoor een boel moeilijkheden op de hals als de kleermaker Monsieur Patate. Magda Cnudde is zijn nogal onnozele echtgenote Yvonne Aigreville. Chris Boni is haar moeder, het type van de bazige schoonmoeder, die vooral kansen krijgt om te skoren als ze voor de koningin van Groenland wordt aanzien. Dat is dan door Jef Demedts als Aubin, een militair, hoorns gezet door Suzanne, maar die zelf een verhouding heeft met de cocotte Rosa Pichenette. Deze rol wordt gespeeld door Els Magerman. Op het eind blijkt ze ook de echtgenote te zijn van Walter Moeremans, alias Bassinet, een typische figuur die erbij loopt om de draak mee te steken, maar die anderzijds ook de motor is van de vergissingen, omdat hij de verhuurder is van het liefdesnestje. Daar duikt dan ook nog eens Blanka Heirman op als Madame D’Herblay, een totaal nutteloze rol (11/12/1993).
Daarna draaide De Decker een TV-film voor de Nederlandse en Franse televisie, nl. “De opvolger”, waarin Hans Dagelet zijn zoontje Roy Verhage wil kneden tot een grote, en vooral winstgevende, carrière. Maar wat vindt moeder Marianne Basler daarvan?
Ondertussen regisseerde hij bij het NTG “Grote kinderen”, zijnde “Les parents terribles”, het stuk dat Jean Cocteau in 1937 schreef voor Jean Marais, met wie hij een tijdje samenleefde. Het werd gebracht in een vertaling van Benno Barnard en een decor van Niek Kortekaas, dat werd hernomen in mei ’96 (met Magda Cnudde, Lieve Moorthamer, Mathias Sercu, Nolle Versyp en Fania Sorel die Hilde Heynen vervangt). Rond die tijd verklaarde De Decker dat het best mogelijk was dat dit zijn afscheid wordt van het theater (“De elitaristische aanpak van de dramaturgen, die potentiële toeschouwers afstoot, zint mij niet”, GVA 22/5/96) om zich toe te leggen op de film. Zijn volgende werd “Diamant” van Jef Geeraerts, maar daar bleef het dan ook bij. En zoals iedereen wilde hij natuurlijk ook een opera regisseren, maar ook dat zou hij nooit mogen beleven.
De terugloop in het NTG was ondertussen inderdaad niet mis: de gemiddelde bezetting is dit jaar 230 zetels per voorstelling, terwijl dit twee seizoenen geleden nog 375 was.
Op 4 oktober 1996 werd dan bekend gemaakt dat het NTG met Blauwe Maandag zou fusioneren en dat Luc Perceval artistiek leider zou worden. Een week later sprongen de besprekingen echter af, zodat op 20 november Jean-Pierre De Decker (de man die de vorige keer voor Hugo VDB de duimen moest leggen) als nieuwe directeur werd aangeduid. Een maand later kondigde hij reeds aan dat negen van de elf acteurs werden ontslagen en daarnaast ook Wim Van Gansbeke. Die negen waren: Herman Coessens, Lieve Moorthamer, Jef Demedts, Roger Bolders, Chris Boni, Blanka Heirman, Els Magerman, Walter Moeremans en Nolle Versyp. Het kwam erop neer dat enkel Magda Cnudde en Eddy Vereycken mochten blijven. Voor zeven acteurs werd een brugpensioen-regeling uitgedokterd. Het is veelzeggend dat enkel Magerman en Coessens daarvoor nog te jong waren. Even veelzeggend is het sociale drama dat dit met zich meebracht. het betreft hier immers niet minder dan drie koppels: Moeremans-Magerman; Coessens-Moorthamer en natuurlijk Blanka Heirman die nu Hugo Van den Berghe volgt!
Onder het motto “theater voor een publiek, publiek voor een theater” stelde Jean-Pierre De Decker op zaterdag 1/2/1997 het NTG-seizoen 1997-98 voor, dat helemaal van zijn hand is, want hij wilde geen overgangsseizoen, “dat blijft immers soms langer dan een jaar duren”. Nadat studenten van de afdeling dramatische kunst van de Gentse hogeschool een aantal liederen had gebracht, begon De Decker met een bloemlezing van kritieken die hem in een ongunstig daglicht stelden. Zijn uiteenzetting zou trouwens ook eindigen met een sneer in de richting van de pers, die “een bepaald criticus” zou naäpen en de mensen weghouden uit het theater. De pers moest vriendelijker schrijven over theater, aapte De Decker zelf de ouwe Briers na en hij voegde de daad bij het woord door geen mogelijkheid tot vragen stellen te geven. Na deze inleiding volgden nog een paar provocatorische stellingen in “Schalkse Ruiters”-stijl (waar of niet waar?), waarna De Decker nogmaals zijn elfpuntenprogramma verduidelijkte, die de basis vormen van zijn “machtsovername”.
1.Een verjonging en een uitbreiding van het gezelschap. Contracten worden voortaan maximum voor twee jaar getekend. “Het zal niet meer zijn zoals voorheen,” aldus De Decker, “een grote mobiliteit blijft mogelijk.” Anderzijds: “Het NTG wil een gezelschap zijn waar de acteur, de actrice en zijn/haar spelplezier centraal staan.”
2.De nieuwe dramaturgen worden Martine De Gos en Alain Pringels. Tom Nevejan, reeds in dienst, krijgt ook verantwoordelijkheden op dit vlak.
3.Er komt opnieuw een soort van beleidsgroep zoals in de jaren zeventig met daarin de vaste regisseurs Guy Van Sande en Eddy Vereycken, de drie dramaturgen, scenograaf Niek Kortekaas en theaterpedagoge Yvonne Peiren. En natuurlijk De Decker zelf.
4.De schouwburg op het Sint-Baafsplein moet weer vol lopen en krijgt daarom een “modern maar niet-elitair” programma. In NT2 daarentegen “is alles mogelijk”. De coördinatie hiervoor berust bij Eddy Vereycken.
5.Op de eerste plaats wil De Decker daar de jongeren een kans geven. Daarom zal er samengewerkt worden met alle Vlaamse theaterscholen, onder de vorm van stages, maar ook coproducties met àlle laatstejaarsstudenten en een festival met alle laatstejaarsproducties (in de toekomst ook uit het buitenland).
6.In samenwerking met het Filmfestival van Vlaanderen zullen op maandagavond films vertoond worden die aansluiten bij de programmatie.
7.Er zal een grotere uitwisseling komen met de andere repertoiregezelschappen, zowel wat acteurs als producties betreft.
8.Er wordt gedacht aan een systeem om succesvolle producties op het repertoire te kunnen houden. Zo komt “Het oneindige verhaal” volgend jaar alleszins terug en het jaar nadien zal Tom Van Landuyt de hoofdrol vertolken in een herneming van “Peter Pan”.
9.Er komen wekelijks open directievergaderingen om interne spanningen op te vangen.
10.Het contact met het publiek wordt vergroot door het openstellen van interne recepties, het afschaffen daarentegen van de “verplichte” receptie na een première, die zal worden vervangen door een “groots feest” met orkesten allerhande: “Theater moet een feest zijn.” Jaak Van de Velde, zelf ook kandidaat maar nu toch opnieuw belichter voor bijna alle producties: “Stel je daar maar niet te veel van voor.” Er komt een jaarlijks nieuwjaarsconcert om 17 uur in samenwerking met de muziekafdeling van de Gentse hogeschool dat gratis toegankelijk zal zijn.
11.Er wordt met vaste regisseurs gewerkt (Guy Van Sande, Niek Kortekaas, Eddy Vereycken en De Decker zelf), maar gasten zijn natuurlijk nog altijd mogelijk (volgend seizoen b.v. Stany Crets met “Drama’s uit het courante leven” van Pierre Cami in de Minard). Al deze regisseurs huldigen natuurlijk de opvattingen van De Decker zelf, namelijk het centraal stellen van de acteurs, van het spel, in plaats van het fameuze regisseurstheater. Reeds in een interview met Herman De Coninck (Humo) van 18/03/1976 (!) zegt De Decker: “Een regisseur heeft iets pervers, als hij wil is hij een despoot. Je zegt tegen een acteur: ga op je kop staan, draai zeven keer rond en zeg intussen die monoloog. En negen keer op tien doet ie dat dan ook. Als je die macht hebt, is dat een beetje gevaarlijk, vind ik.”
Dan stelde De Decker zijn repertoire voor. Er wordt begonnen met “Midzomernachtsdroom” van Niek Kortekaas met Nolle Versyp in een hoofdrol, waarmee De Decker wil bewijzen dat de ontslagen acteurs niet definitief opzij werden gezet. In “Masterclass” van Terrence McNally zal Chris Lomme de rol van Maria Callas vertolken. Naast “Kunst” door KVS, zal nadien KNS aan de beurt zijn met “Torch Song Trilogy” van Harvey Fierstein. Dat wilde hij reeds lang regisseren voor het Nieuw Ringteater met Herman Gilis en Nora Tilley, maar het werd afgevoerd. Nu zal hij het begin ’97 regisseren bij de KNS, maar niet met Nora helaas. Maar er is nog hoop: daarna komt het naar het NTG met een nieuwe cast. En het seizoen in de schouwburg wordt afgesloten met “Voorjaarsontwaken”. Ondertussen hebben we in NT2 “Strelingen” kunnen zien van Sergi Belbel, de Almodovar van het Spaanse theater, aldus De Decker. Een gebeurtenis is alvast ook “Het onderzoek” van Peter Weiss dat zo maar eventjes twaalf uur zal duren (van 12 tot 12, enkel in het weekend), maar – wees gerust – het publiek kan naar hartelust binnen en buiten lopen. Uitkijken wordt het ook naar een theaterbewerking van “A clockwork orange”.
De Decker deed ook een oproep naar de aanwezige burgemeester Frank Beke om het verlies bij te passen dat het gezelschap leed omwille van de inkrimping van de subsidies. Beke deed dit niet, al volgde hij net als gouverneur Balthazar evenmin de inkrimping die de minister voorstelde (normaal geven stad en provincie hetzelfde bedrag als de Vlaamse regering, nu zou dat dus 50 miljoen geweest zijn, maar voor hen bleef het 54 miljoen). Later zou Beke zelfs verklaren dat hij de subsidies voor het gezelschap wil inkrimpen!
Dan ging De Decker helemaal uit de bocht door de aanwezige jonge recensenten op te roepen om niet het voorbeeld te volgen van “iemand die het theater veel schade heeft berokkend”. Achteraf zou ik hem zeggen dat – alhoewel ik me niet geviseerd voelde als “jonge” recensent – deze poging om de pen van de critici vast te houden onbetamelijk was. Hij leek de oude Briers wel! En was het daarom dat er geen kritische vragen mochten worden gesteld?
Want inderdaad, als een volleerd theaterman eindigde De Decker onmiddellijk daarop nogal pathetisch: “Ik sta hier helemaal alleen op het podium. Zal ik dit dan ook op mijn eentje moeten realiseren? Ik hoop dat er mensen in de zaal zijn die dit samen met mij willen waarmaken.” En op muziek van Nino Rota kwam dan de leden van het kersverse gezelschap één voor één naast hem staan. Naast de “oudjes” Eddy Vereycken (afwezig) en Magda Cnudde waren dat dan: Guy Van Sande, Mathias Sercu, Hilde Heijnen, Fabrice Delecluse, Brecht Callewaert, Luk D’Heu, Mark Peeters, Mieke De Groote, Daan Hugaert, Tom Van Landuyt, Miek Van Bocxstaele en Elise Bundervoet.
Op 14/6/97 heeft de laatste opvoering door het “oude” NTG plaats. In “Professor Bernhardi” hebben de vertrouwde gezichten, met aan het hoofd een schitterende Nolle Versyp in de titelrol, nog eens het beste van zichzelf gegeven. Op de voorstelling van het nieuwe seizoen eergisteren, riep de nieuwe directeur Jean-Pierre De Decker op om deze opvoering niet onopgemerkt te laten voorbijgaan. Zoals bekend heeft De Decker zelf al deze mensen aan de deur gezet. Dat klinkt dus zo’n beetje als Schweitzer die oproept allen massaal naar Renault-Vilvoorde te trekken! Sans rancune. Niet iedere acteur of actrice “turned gracefully old” trouwens, zodat Jean-Pierre niet helemaal ongelijk had om zijn “stal” te vernieuwen. Ook zijn programmatie doet ons reeds watertanden. Nu nog die supporterende pubers weren op persconferenties (studenten die nog examen moeten afleggen bij hem?) en we zijn er, J.P.!
Wie zei er ook weer: “Pornografie geeft de mensen wat ze verwachten, kunst geeft de mensen NOOIT wat ze verwachten”? Alleszins wordt dit gegeven door Niek Kortekaas in de praktijk gebracht bij de opening van het eerste De Decker-seizoen in het NTG. Kortekaas, die als scenograaf meer nadruk legt op de aankleding (al is het in dit geval “uitkleding”) van de acteurs dan op een invulling van hun personages (daarnaast hebben we op de openingsfuif Kortekaas ook leren kennen als een uitstekende saxofonist, maar dit geheel terzijde), stopt de elfen van Titania in SM-pakjes, maar om het prikkelende effect totaal te niet te doen, krijgen deze leerlingen van het conservatorium tevens vreselijke maskers over hun gezicht. Tiet-tania (Mieke De Groot) maakt overigens haar naam volledig waar door steeds met één ontblote tiet rond te lopen. Maar niet getreurd, deze aanpak kreeg een zaal opgeschoten jongelui, die bij de aanvang erg rumoerig waren, niet alleen stil, ze verleidde hen ook nog tot een uitbundig applaus. Als men de “jeugd van heden” Shakespeare niet met de paplepel maar met de borst wil doen slikken, voor ons niet gelaten!
In het NTG kregen we nadien in het kader van de feestdagen een herneming te zien van “Het Oneindige Verhaal” van Michael Ende. Aangezien dit “familiespektakel” vorig jaar een ontzettend succes was, is er niet zo heel veel gewijzigd, tenzij dan wat de muziek en de choreografie aangaat, die vorig jaar door sommigen (vooral diegenen die steeds maar met “Peter Pan” willen vergelijken) inderdaad als het zwakste onderdeel werden beschouwd. En natuurlijk is er ook de aanwezigheid van “kotmadam” Katrien Devos als Oergl, de vrouw van de professor. Katrien is, oneerbiedig gezegd, een oude vos in het jeugdtoneel, want haar eerste stappen zette zij in de jaren zeventig bij Stekelbees, naast o.m. Daan Hugaert en Herwig De Weerdt. Uit deze namen moge nog eens blijken hoe degelijk dit gezelschap wel was, al werkte dat toen met een klein budget in de marge. Op dat vlak is er helemaal geen vergelijking mogelijk met “Het Oneindige Verhaal” dat vooral uitblinkt door theatrale spitstechnologie.
“Het Oneindige Verhaal” is natuurlijk vooral als film bekend en dat is ook het geval voor o.a. “A clockwork orange”, “La strada” en “Le bal” die ook op het programma staan van het NTG. Dat is volgens Jean-Pierre De Decker in De Standaard van 15/4/1998 geen toeval: “Ik stel (…) vast dat het theater en de film telkens voor de grote verhalen kiezen. Daar wil ik met ons theater terug naar toe. Zoals ik ook terug wil naar de grote beelden. Ik wil proberen om onze producties een maximum aan expressie en theatraliteit te geven. Het publiek is daar stilaan aan toe.”
“Wat Ward Beysen in Antwerpen kan, moet ik ook in Gent kunnen,” dacht Vlaams Blok-provincieraadslid Monique De Gryze en ruim een jaar na de première van “Midzomernachtsdroom” in het NTG kloeg ze in de provincieraad dat “de spektakels die het NTG opvoert, in vulgariteit niet moeten onderdoen voor de Jerry Springer-show”. En waarom dan wel? “Omdat er op het podium actrices met ontblote borst rondliepen” en ze vroeg zich af “of het nog wel verantwoord is om zestienjarigen naar dergelijk decadent theater te sturen.” En natuurlijk werd ook in vraag gesteld of het provinciebestuur nog wel het NTG zou subsidiëren. Helaas, buiten een ijverige persmedewerker van “De Gazet van Antwerpen” (29/10/1998) vond niemand het nodig acht te slaan op haar woorden. Daarom deze rechtzetting, want als er iemand is, die de demagogische pogingen van het Vlaams Blok het vermelden waard vindt, dan zijn wij het wel!
Anderzijds heeft Beysen natuurlijk niet helemaal ongelijk. Het gaat er hem niet om wat al dan niet door de beugel kan, maar wel of dit met geld van de gemeenschap moet gebeuren. Wansmaak is nu immers al een tijdje “in” in het theater. Natuurlijk zullen theatermakers beweren dat ze het publiek een spiegel voorhouden, maar ik vraag me toch soms af of het niet eerder andersom is (al moet ik natuurlijk wel toegeven dat film en televisie op dat vlak veel meer invloed uitoefenen). Maar als ik het dan toch over televisie heb, de grofheid van, zeg maar, “Raf & Ronny” vind je nu in het NTG terug bij “Dahlia’s & Gladiolen” van acteur en gelegenheidsauteur Guy Van Sande. Wellicht geïnspireerd door ex-NTG-huisregisseur Dirk Tanghe, die in “Burgermansbruiloft” de burger letterlijk in zijn onderbroek zette, doet Van Sande dit nog eens na in een stuk dat eigenlijk over niets gaat. En natuurlijk in het dialect. Of beter: in het “verkavelingsvlaams”, want terwijl echte dialecten uitsterven, is dit onbestaande taaltje, waaraan Willy Courteaux zich zo kon ergeren, sedert de opkomst van VTM de voertaal geworden in het theater. Zelfs als ze worden verondersteld Algemeen Nederlands te spreken, doen acteurs geen moeite meer om de klanken die ze met hun afkomst hebben meegekregen te onderdrukken. Of het nu klinkers betreft (bij de Antwerpenaars) of medeklinkers (West-Vlamingen). Ik hoop dus dat Van Sande inderdaad een “gelegenheidsauteur” zal blijven en dat hij zich eerder zal blijven toeleggen op wat hij echt goed kan, namelijk acteren (denk aan “Closer” enkele maanden eerder, waaruit de auteur Van Sande blijkbaar niet heeft geleerd hoe je écht relatieproblemen op toneel zet). Of misschien kan hij regisseren, want Mimi De Wilde, die eigenlijk uit de dans komt, maakte er maar een potje van. Alhoewel, misschien regisseerde hij hier ook al zichzelf, want Mimi De Wilde, dat is gewoon zijn vriendin.
Zowel Van Sande (als Valmont) als het NTG in zijn geheel konden zich daarna revancheren met de uitstekende voorstelling van “Dangerous liaisons”. Maar in Arca deed “Blauwe dozen” voor mij de deur dicht. Ik maakte mij verschrikkelijk boos op Hugo Van Laere die ik een “bedrijfsspion voor het NTG” noemde, omdat hij moedwillig Arca in de dieperik hielp om de “overname” te vergemakkelijken. “Maar wat valt er nog over te nemen? Zelfs geen blauwe, maar een lége doos!”
Hiermee maakte ik een allusie op de plannen die Jean-Pierre De Decker op dat moment ontwikkelde. Hij wou alle Gentse theaters verenigen in één groot “Publiekstheater” (denk aan zijn slogan: “Een theater voor een publiek, publiek voor een theater”) met dan “professioneel volkstheater” in de Minard, jeugdtheater in de Kopergietery, klassiek repertoiretheater in het NTG, hedendaags repertoiretheater in de Minnemeers en experimenteel theater in Arca. Aangezien het hedendaagse theater echter juist het schurft heeft aan die publieksvriendelijke aanpak, werden deze plannen openlijk gedwarsboomd. Johan De Hollander, Arne Sierens en Stef Ampe van het Nieuwpoorttheater probeerden Arca voor zijn neus weg te kapen, maar op dat vlak was De Decker hen toch te vlug af (al stapte Paul De Broe wel op als voorzitter van de RvB om te worden vervangen door Lieven De Caluwe). DAS, zoals ze zich nu laten noemen, wendde zich dan maar tot Eva Bal en Dirk Pauwels en vormde daarmee een alliantie om de “machtsgreep” van De Decker tegen te gaan. Ergens hebben ze natuurlijk allicht wel gelijk. Zou De Decker ook nog zo’n grote voorstander van een supergroot Publiekstheater zijn als hijzelf niet aan het hoofd ervan stond? Of zou m.a.w. de lont al niet gedeeltelijk uit het kruitvat worden gehaald indien De Decker net als Eva Bal in de adelstand zou worden verheven? Baron De Decker, dat moet toch kunnen?
Toch heeft De Decker nauwelijks redenen om te treuren. Na afloop van zijn tweede seizoen, maakte zijn perschef Tom De Clercq (de zoon van Jeannot De Weirdt, jawel) bekend dat het toeschouwersaantal net niet de honderd duizend had bereikt: 99.339 om precies te zijn (73.118 in de KNS en 26.221 in het NT2). Alhoewel ik altijd wat sceptisch sta tegenover dergelijke cijfers (de uitnodigingen en de – vaak exuberante – kortingen worden daarin ook meegeteld), is dit hoe dan ook toch wel een indrukwekkend aantal. 90% van deze “omzet” werd gerealiseerd met eigen producties (het zal inderdaad niet door de Hollandse Claus-productie zijn, waarvoor amper volk kwam opdagen en dan meestal nog genodigden): het NTG bracht immers 350 manifestaties, terwijl ze decretair slechts verplicht zijn er 140 te brengen. De stijging is des te opmerkelijker als men weet dat de vorige directie hun werkjaar afsloot met 39.261 bezoekers. Dat aantal werd vorig jaar reeds opgetrokken tot 74.991 (bijna een verdubbeling dus) en daar kwam nu nog eens 32% bij.
Toch is het nog de vraag of we zo verheugd moeten zijn over deze cijfers. De manier waarop De Decker meent volk (en dan nog vooral de jeugd!) te moeten lokken is soms zeer dubieus. Zo werd het uiterst bloederige stuk “Het bloed” van Sergi Belbel (november 1999) gespeeld als een komedie. Sommige toeschouwers vonden dit blijkbaar erg grappig. Anderen verlieten vol walging dit wansmakelijke gedoe (als ze dit al konden: Jean-Pierre De Decker zou achteraf fier melden dat er per voorstelling gemiddeld vijf mensen flauwvielen). De lezer kan zelf oordelen tot welke kategorie hij of zij behoort. Het is alvast typisch dat het VTI zijn vertalingsprijs aan Isabelle Goethals, de vertaalster van “Het Bloed”, gaf.
De Raad van Advies was blijkbaar dezelfde mening toegedaan. Zij hadden niet zoveel waardering voor het “supermarktmodel” dat Jean-Pierre De Decker meende te moeten aanbieden, omdat dit te dicht aanleunde bij het commerciële circuit. Op 21 januari 2000 maakten zij bekend dat zij voor het Publiekstheater slechts 59 miljoen veil hadden. Dat is bijna 20 miljoen minder als wat NTG en Arca (resp.51 en 27 miljoen) tot dan toe toegeschoven kregen, laat staan dat de fusie (toch een beleidsoptie, zij het nog daterend van onder minister Martens) hen méér zou hebben opgebracht. Tel daar ook nog de put van 30 miljoen bij die De Decker met zijn “publieksvriendelijk” (lees: vrijkaarten) beleid had gegraven en het was duidelijk dat donkere wolken samen trokken boven het Sint-Baafsplein. RVB-voorzitter Van Ongevalle liet al verstaan dat het aantal voorstellingen misschien toch wat kon worden teruggeschroefd. De Decker beloofde zich in deze materie “soepel” op te stellen, maar als men onder de 200 voorstellingen zou moeten zakken, zou hij “zijn verantwoordelijkheid nemen”…
De zakelijke leider, Maurice Vercauteren, stapte enkele dagen later, na dertien jaar dienst, wél op. Dat had echter slechts onrechtstreeks met het voorgaande te maken. Maurice heeft een “slepende ziekte” en in dat kader acht hij het recht trekken van een dergelijke moeilijke situatie onmogelijk. Daarvoor moet je inderdaad kerngezond voor zijn!
Bij de herneming van “Closer” in januari 2000 vond ik Van Sande helemaal niet meer zo’n goede acteur. Het was duidelijk dat hij met zijn geest al veel meer bij zijn nieuwe productie “De reis naar Lourdes” zat. Zowel Dirk Dauw als ikzelf vonden dit wel een grappige voorstelling, maar eerder geschikt als “vrije productie” en zeker geen opdracht voor een repertoiretheater. Overigens vatte Dirk Dauw deze productie in zijn rubriek “Wabliefteru” samen als “de ene pakt de andere zijn lief af”. Waarbij hij erop wees dat dit schering en inslag is bij acteurs. Juist, maar gemakshalve vergeet hij dat het personage waarmee het allemaal begint (dat van Guy Van Sande) van beroep… journalist is! Helemààl uit de bocht ging hij toen er op een nacht in Gent tal van autobanden werden kapotgestoken en hij een link legde met de laatste opvoering van “De reis naar Lourdes”.
Van Sande zelf kwam enkele weken later in conflict met “sommige acteurs” van het NTG. Jean-Pierre De Decker, die Van Sande al impliciet als zijn dauphin had aangeduid, koos uiteindelijk de kant van de acteurs (omdat Hilde Heynen erbij betrokken was?) en verbrak het contract van Van Sande. Hij nam samen met dramaturg Alain Pringels ook de regie van “Kat op een heet zinken dak” over.
DE BOMMEN ZIJN AL ONTPLOFT
Directeur Jean-Pierre De Decker begon de voorstelling van het vierde seizoen onder zijn leiding van het NTG met een anekdote. Bij het bezoek van prinses Mathilde aan het Sint-Baafsplein werd hij grondig gefouilleerd. “Mijn bommen zijn al lang ontploft,” moet hij tot de verbouwereerde agent gezegd hebben. En het is waar, de eens zo strijdlustige directeur maakte een eerder gelaten indruk.
Om in de oorlogsterminologie te blijven zouden we kunnen zeggen: van het westelijk front geen nieuws. Of toch bijna geen. Zo zal voor het laatste seizoen van het NTG uiteindelijk toch een zakelijk directeur worden aangesteld, namelijk Dirk De Corte (39), een germanist die zijn liefde voor het theater (De WAANzin met name) koppelde aan zijn werkzaamheden in de financiële sector. Crisismanager Dirk De Mey kan zijn taak dus als beëindigd beschouwen.
Van de spelers was reeds eerder bekend dat Tom Van Landuyt het gezelschap zou verlaten. Nu blijkt dat ook Mieke De Groote en Fabrice Delecluse zijn voorbeeld volgen, terwijl Elise Bundervoet verdwijnt wegens zwangerschap (niet voor niets is het thema voor volgend seizoen: “familie”). Eveneens in afwachting van het Publiekstheater worden deze vrijgekomen plaatsen enkel opgevuld door gastrollen. Dat dit tevens een besparing betekent zal wel meegenomen zijn, want het NTG wacht nog altijd in spanning af welke subsidie minister Anciaux voor hen in petto heeft. In een brief aan de minister heeft De Decker dan ook gevraagd om in de toekomst de drie grote stadstheaters buiten het decreet te houden. Een terugkeer naar het omstreden nominatimsysteem van de oude politieke cultuur, wat dus allicht geen kans maakt. Nochtans maakte De Decker zijn directiezetel hiervan afhankelijk…
Een artistiek verantwoordelijke voor het Arca-platform werd wel reeds aangetrokken. Het betreft de nieuwkomer Domien Van der Meiren, die volgend seizoen alvast “Leonce & Lena” van Büchner en “Celibaat” van Tom Lanoye regisseert. Het is echter vooral voor Brecht Callewaert (°1971) dat de rode loper wordt uitgerold. Niet alleen mocht hij tijdens de volgende Gentse Feesten een tweede eigen liedjesprogramma brengen, volgend seizoen is ook “God van Morgen” van zijn hand, een muziektheaterproductie naar het werk van de markies de Sade. De muziek is van Tom Van der Schueren, die ook de muzikale leiding van de “Rocky Horror Show” in handen heeft, waarmee het NTG definitief de boeken zal sluiten. (Belichter Jaak Van de Velde heeft deze cultmusical reeds tweemaal in Arena geregisseerd, met name in 1983 en 1989.)
Met meer dan 100.000 bezoekers heeft het NTG een nieuw record gevestigd. De politiek om minder repertoire en meer jongerentoneel te brengen rendeert dus en zal daarom worden voortgezet. Dat is net hetzelfde als het beleid van een krant dat rendeert en dan helpt het ook niet om ieder jaar te herhalen dat er opnieuw meer plaats voor cultuur zou moeten worden ingeruimd…
NTG OPENT LAATSTE SEIZOEN MET KOMEDIES DIE PIJN DOEN
Officieel wordt pas volgend seizoen het Nederlands Toneel Gent opgeheven om samen met het Arcatheater op te gaan in het Publiekstheater. Maar eigenlijk is het NTG al ter ziele sinds het aantreden van Jean-Pierre De Decker. De grote kuis die hij toen bij het acteursbestand heeft doorgevoerd, werd door velen zo reeds aangevoeld, maar meer dan dat was het de wijziging in de keuze van de stukken die het voormalige repertoiretheater de das omdeed. Een jaarlijkse Shakespeare bleef wel een verplicht nummertje en heel uitzonderlijk mochten ook Tennessee Williams of Frank Wedekind nog eens aantreden, maar grotendeels werd resoluut op het grote (en liefst jonge) publiek gemikt: een echt Publiekstheater, inderdaad.
Het seizoen werd ingezet met “Peepshow in de Alpen” van de Zwitser Markus Köbeli (°1956). We weten al langer dat het NTG het woord “repertoire” zeer ruim definieert, zeker als het stukken in het NT2-Minnemeers betreft. De regie is in handen van Frans Van der Aa en de hoofdrol wordt gespeeld door vertaler Daan Hugaert. Op de affiche heeft hij de borsten van zijn toneelechtgenote Greet Van Langendonck in handen (en sedert “La Strada” weten we dat hij daarmee de handen vol heeft), want alhoewel deze “peepshow” handelt over een boerengezin dat midden de toeristische industrie als kijkattractie tracht te overleven, is de seksuele referentie natuurlijk niet ver weg.
Het laatste NTG-seizoen staat trouwens in het teken van de familie. Zo was er na “Peepshow in de Alpen”: “Schone familie”, de naam zegt het zelf al. En verder:
“Kat op een heet zinken dak”: terechte herneming;
“God van morgen”: de Sade en familie?
“Leonce en Lena”: ein Lustspiel;
“Othello”: de jaloezie uiteraard;
“Celibaat”: Tom Lanoye bewerkt Walschap.
En tot slot: “The Rocky Horror Show”, de krankzinnigste “familie” allertijden met Guido Belcanto in de titelrol!
JONGE HONDEN KWISPELSTAARTEN IN HET NTG
Net als de vorige jaren krijgen de laatstejaarsstudenten toneel de kans om hun kunnen te tonen in een professionele productie van het NTG.
In het seizoen 1997‑98 speelden zij “Het onderzoek” van Peter Weiss, het werd een beklijvende voorstelling in een regie van Eddy Vereycken. (Dit lijkt mij eerder een wervende tekst dan één van mijn hand.)
“Titanic” (1998‑99), een tekst van Alain Pringels, waarin de ingrediënten dans, muziek en woord een musicalgehalte aan de voorstelling gaven, zal door zowel het publiek als de ganse cast van deze voorstelling niet snel vergeten worden. Dit geldt zeker ook voor de studenten van het KASK, die samen met NTG scenograaf Luc Goedertier een speels maar niettemin indrukwekkend decor uitwerkten.
Ook in 1999‑2000 werd de traditie in ere gehouden en zetten twee studenten in “Fun” van James Bosley de hoofdrollen neer.
In dit laatste NTG seizoen is er nu “K”, een NTG creatie, waarin opnieuw alle rollen voor de studenten voorbehouden zijn.
HILDE IS TE MOOI
Actrice Hilde Heijnen kon daarna, naar aanleiding van een onverwachte ziekenhuisopname, het personage van Maggie in “Kat op een heet zinken dak” voor een onbepaalde periode niet vertolken. De rol van Maggie werd gedurende deze tijd door Paula Bangels overgenomen. Paula Bangels maakt sinds het begin van dit seizoen deel uit van het vaste NTG‑gezelschap. Dominique Collet, recent nog te zien in de productie “K”, kroop in de huid van Mia.
Zoals vroeger reeds gezegd is het systeem van de maandelijkse filmvertoning in het NTG veranderd. De voorbije jaren waren de films aangepast aan de toneelprogrammatie, dit seizoen mogen een aantal acteurs een eigen keuze naar voren schuiven. Toen het de beurt was aan Hilde Heijnen en had ze blijkbaar voor een onderwerp gekozen dat haar na aan het hart ligt. In de film “Trop belle pour toi” van Bertrand Blier krijgen we immers de klassieke driehoeksverhouding op zijn kop. Gérard Depardieu is gehuwd met de prachtige Carole Bouquet, maar kiest als minnares de slonzige en lichtelijk corpulente Josiane Balasko. Het lijkt uitzonderlijk, en in de bioscoop die vooral afgestemd is op lichamelijk schoon is het dat ook, maar in het werkelijke leven is dit helemaal niet zo vreemd. De meeste van die mooie vrouwen dienen immers uitsluitend om naar te kijken (“pour le plaisir des yeux seulement”, zoals er soms in advertenties staat), maar in bed lijken ze meer aandacht te hebben voor hun make-up en hun coiffure dan voor het geven en nemen van lichamelijk genot. Het bekendste voorbeeld is ongetwijfeld dat van Hugh Grant, die zich laat pijpen door een gewone straathoer, terwijl hij gehuwd is met Liz Hurley, zowat het rolmodel van alle vrouwen bij het begin van de 21ste eeuw! Ongetwijfeld werpt Hilde Heijnen in haar inleiding nog wat meer licht op deze zaak. Waarom ze deze film gekozen heeft bijvoorbeeld.
Op 1 januari 2001 kon men in het NTG terecht voor wat aangekondigd wordt als een “extra voorstelling” van “Kat op een heet zinken dak”, al stond die voorstelling wel reeds vermeld in de jaarbrochure. Maar goed, het geeft ons de kans even terug te blikken op het nieuwjaarsconcert, dat opnieuw een enorm succes kende. Met als gevolg weer hectische toestanden wat het zoeken naar plaatsen betreft, terwijl men toch op voorhand moest reserveren. Waarom kan men dan niet meteen GENUMMERDE plaatsen reserveren?
We stellen jammer genoeg ook vast dat het Swingpaleis-gehalte ieder jaar daalt ten voordele van zogenaamd artistieke egotripperij, maar gelukkig zijn er toch nog altijd een paar moedigen die de zaal proberen mee te krijgen. Al zijn dat dan elk jaar minder bekende namen, de leerlingen van het conservatorium krijgen steeds meer opdrachten toegewezen.
We konden ook op een ludieke manier kennismaken met de nieuwe administratieve directeur, Dirk De Corte, die dankzij het débâcle van Lernout & Hauspie de eigen problemen van het zieltogende NTG kon minimaliseren. Tot slot probeerde Hans Van Cauwenberghe Jean-Pierre De Decker te overhalen om het nummer “’t Is gedaan” mee te zingen, maar de directeur van het Publiekstheater hield wijselijk de lippen op elkaar. ’t Was alsof hij wist dat het inderdaad ver gedaan was: minder dan een half jaar later zou hij schielijk overlijden aan een hartaderbreuk. Over Jean-Pierre De Decker gesproken, collega Frans Redant van de KNS geeft hem alvast een schouderklopje mee om aan zijn nieuwe loopbaan bij het NTG te beginnen. Hij baseert zich daarvoor op de film, meer bepaald op de Italiaanse regisseur Franco Zeffirelli: “Zeffirelli doet in film wat wij in theater meer moeten gaan doen. Hij doorbreekt het aureool van zwaarwichtigheid en ondoorgrondelijkheid dat boven onze klassiekers hangt. Dat deed hij al decennia geleden, met zijn magnifieke interpretatie van Romeo and Juliet. Onvergetelijk. Alleen al het gebruik van bijna kind-acteurs, dat maakte Shakespeare ineens zo fris en herkenbaar, van alle tijden, van ons. Dat was een revelatie toen. Gasten als Zeffirelli geven onze klassiekers aan een groot publiek door, en da’s nu precies waaraan we volgens mij in theater ook zo’n grote behoefte hebben. Ik sta niet alleen met die visie. Het is duidelijk dat bijvoorbeeld ook Jean-Pierre De Decker in het NTG weer intelligent publiekstheater in de maak heeft. Ik ben blij dat die tendens eindelijk voet aan de grond krijgt. Dat we begrijpen én toejuichen dat het publiek wel eens een verhaal wil horen, ontroerd wil worden, aangegrepen, aangesproken. Voor wie denk je dat Shakespeare zijn stukken schreef? En zovele andere grote auteurs? Toch niet alleen voor een of andere happy few? Dat theater is vaak zo universeel in ideeën en symboliek dat het ronduit zonde is om het naar een artificiële hogere orde op te trekken. Het publiek mag zich weer thuis gaan voelen in theater. En televisie kan daar een nuttige schakel in zijn.” (DS Magazine, 7/3/97)
Jean-Pierre De Decker legt in zijn programmatie inderdaad veel de nadruk op het medium film. “Het Oneindige Verhaal” is vooral als film bekend en dat is ook het geval voor o.a. “A clockwork orange”, “La strada” en “Le bal” die ook op het programma staan van het NTG. Dat is volgens Jean-Pierre De Decker in De Standaard van 15/4/1998 geen toeval: “Ik stel (…) vast dat het theater en de film telkens voor de grote verhalen kiezen. Daar wil ik met ons theater terug naar toe. Zoals ik ook terug wil naar de grote beelden. Ik wil proberen om onze producties een maximum aan expressie en theatraliteit te geven. Het publiek is daar stilaan aan toe.”
Een andere doelstelling van Jean-Pierre De Decker was “professioneel volkstheater” brengen. Waarmee hij uiteraard zowel Arne Sierens en C° als de amateurs van het Gentse volkstoneel tegen zich in het harnas joeg. Op basis van “Dahlia’s en gladiolen” in 1999 in de Minardschouwburg kon ik daar zeker inkomen.
PUBLIEKSTHEATER GAAT UIT ZIJN DAK
Terwijl het vroor dat het kraakte, werd in de Neerscheldestraat rond de milleniumwende de foto genomen voor de start van het Publiekstheater. Naar een idee van de pas afgestudeerde fotograaf Lieven Van Assche, werden drie scènes uitgebeeld op de drie verdiepingen van een huis dat voor afbraak was bestemd en waarvan de voorgevel was “afgepeld”.
De drie verdiepingen staan symbool voor de drie zalen van het Publiekstheater: KNS, Minnemeers, Arca. Maar volgens directeur Jean-Pierre De Decker zijn de drie taferelen niet symbolisch voor de taakverdeling. Het zou inderdaad moeilijk zijn om ze te laten beantwoorden aan het grote repertoire (KNS), het alternatieve circuit (Arca) en het hedendaagse theater (Minnemeers). Op het gelijkvloers staat immers een pompier een brandje te blussen, terwijl een vrouw staat te strijken. Op de eerste verdieping zit een vrouw in bad, terwijl haar man zich afbeult op de hometrainer. Op de tweede verdieping tenslotte speelt een saxofonist, begeleid door een contrabassist terwijl het bekende tango-duo Recuerdo danst, niet op hun muziek echter, maar op die van NTG-componist Joris Schoenmaekers.
Nochtans waren oorspronkelijk twee echte beroepsmuzikanten voorzien: bassist Karel Algoet en saxofonist Rik Bossuyt. Deze laatste zakte echter door de vloer en diende te worden vervangen door één van de vele vrienden van de fotograaf, die aan deze sessie eveneens hun medewerking verleenden. Hopelijk is dit niet een symbolisch voorteken dat het Publiekstheater om door de grond te zinken is van schaamte.
In diezelfde gedachtengang zou men ook kunnen beweren dat het allemaal niet veel om het lijf zal hebben, want dat was alvast het geval met Maaike Cafmeyer, de enige beroepsactrice die haar medewerking aan deze opname verleende en die bij vriestemperatuur naakt en rillend in het bad diende plaats te nemen. Zij is binnenkort te zien in “God van Morgen”, een stuk gebaseerd op het werk van de Markies de Sade, en kon zo alvast eens ondervinden hoe sadistisch een regisseur kan zijn.
“Wat moet ik doen?” roept ze op een bepaald moment ontredderd naar de fotograaf. “U recht stellen,” klinkt het prompt vanuit het groepje voorbijgangers die belangstellend stil zijn blijven staan.
Op een zolderkamertje naast de ontmantelde woning heeft men het legendarische Gentse model Minouche geïnstalleerd. Tegen dat de eigenlijke opnames beginnen, blijkt het echter te zeer in het donker te liggen en er worden Minouche een aantal afzonderlijke takes beloofd.
Buurtbewoner Marcel Verlot, voorzitter van wielerclub de Bellevue Trappers, staat het tafereel dampend gade te slaan. “Dertig, veertig jaar geleden zat ik ook een beetje in ’t vak,” zegt hij met een knipoog. “Niet als acteur, hé, maar als variété-artiest.”
Deze seizoensfoto zal gebruikt worden als affiche, op de repertoirebrochure, op de website en in een bioscooptrailer van Barend Weyens. Het Publiekstheater zelf gaat eind september van start met een “Big Bang”, een spetterend openingsweekend in de drie zalen. “Er zullen tal van nieuwe namen bij zijn,” zegt Jean-Pierre De Decker, “wat logisch is, aangezien slechts drie acteurs van het eerste uur de overstap zullen maken: Daan Hugaert, Hilde Heijnen en Matthias Sercu. Al de anderen gaan hun eigen weg, al zullen zij af en toe ook wel voor het Publiekstheater werken. Dit valt overigens totaal niet te vergelijken met de ‘grote schoonmaak’ van bij mijn ambtsaanvaarding. Deze jonge mensen hebben een heel andere mentaliteit. Zij zijn niet meer van de generatie die denkt ergens te kunnen blijven tot men met pensioen gaat.”
Wie er echter uiteindelijk niet bij zou zijn, is De Decker zelf, aangezien hij totaal onverwacht op 3 juni 2001 overleed ten gevolge van een hartaderbreuk.

Een gedachte over “Jean-Pierre De Decker (1945-2001)

  1. Beste heer De Schepper,

    Ik las op uw site (dd.3.6.2016) de wel heel uitvoerige biografie van de Vlaamse regisseur Jean-Pierre De Decker.
    Destijds (1975) werd ik enorm aangegrepen door diens TV-film “De dame met het hondje” naar het werk van Anton Tsjechov.
    Het is sindsdien mijn all time favoriete verhaal gebleven.
    Om een kopie van deze film in mijn bezit te krijgen,stuurde ik gisteren een mail naar de archiefdienst van de vrt daartoe.
    Antwoord:
    Helaas is deze uitzending niet in ons archief bewaard gebleven. Bijgevolg kunnen wij u hiervan geen kopie aanbieden

    Vermoedelijk hebben een aantal van deze tv-films hetzelfde lot ondergaan, wat toch een uiterst jammer verlies is.
    Toch zou ik willen uitzoeken of er toch nog een kopie van voornoemde TV-film ergens te vinden zou kunnen zijn.
    Daarom richt ik mij hierbij tot u in de hoop dat u mij op de goede weg kunt zetten met uw goede raad.

    Met dank en vriendelijke groeten,

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s