35 jaar geleden werd De Leguit geopend door de Zwarte Komedie

Op 22 november 1980 opende de Zwarte Komedie het nieuwe theaterzaaltje De Leguit in Antwerpen met “Omdat mensen belangrijk zijn”, een stuk van Bert Verhoye over “een ambitieus en later verbitterd Edegems politicus”, gespeeld door Max Schnur. Naast twee muzikanten (Chris Dries en Carl van Camp) is er slechts één andere acteur: Mia Grijp. In 1989 was Mia Grijp nog altijd actief bij de Zwarte Komedie. Zo regisseerde ze Inge van Olmen die de rol van Colette vertolkte in “Het verhaal van een vrouw” naar Julian Barnes (“Flaubert’s parrot”).

Tussendoor zag ik Mia vooral in het Speeltheater.
“De maanval”, in Vooruit in september 1989, was dan weer een productie met Ingrid de Vos, Mia Grijp, Elsemieke Scholte, Julia Henneman en Patty Pontier en met muziek van Fred Van Hove. Deze voorstelling was ontstaan uit een maandenlange briefwisseling tussen de vijf actrices. Daaruit distilleerde Erik De Volder een tekst, waarvan Mia Grijp zegt: “Ik liet de regie aan Erik omdat ikzelf zeer graag wou meedoen. Ik zing immers graag en dan vind ik het niet eerlijk om als kapitein tegelijk ook mee in het stuk te staan. Bovendien wilde ik er per se een man bij hebben. Alleen maar met vrouwen werken geeft me een oneerlijk gevoel. Als een man dat vanop afstand bekijkt, lijkt me dat beter dan wanneer alleen maar vrouwen daarmee omgaan.”
Maar het idee ging dus blijkbaar wel reeds van jou uit?
“Inderdaad. En de eerste die ik ervoor heb aangesproken is Ingrid De Vos.”
De vriendin van Erik De Volder…
“Zo zijn we inderdaad bij Erik verzeild geraakt. Want ikzelf wou eerst Anne Teresa De Keersmaeker vragen, omdat ik dacht: het moet alleen maar vorm hebben, de rest kunnen we zelf wel invullen. Maar een beetje later bleek dat zij met ‘Stella’ bezig was en dat was eigenlijk juist hetzelfde als datgene waarmee wij bezig waren (lacht).”
Op 14 februari 1990 speelde ze, samen met o.a. Daan Hugaert, in “Het Concert” van Hermann Bahr door Malpertuis in een regie van Dirk Buyse.
Daarna heeft Mia Grijp nog voor LOD gewerkt (“Chansons des rues”), maar op 11 januari 1991 bracht ze haar eigen productie “Schaduwduikers” in Kunstencentrum Vooruit met Karel De Meester, Dirk Buyse, Frank Dierens, Norbert Kaart, Jan Steen en Frans Van der Aa. De voorstelling is tot stand gekomen n.a.v. brieven die de acteurs naar elkaar hadden geschreven. De titel “Schaduwduikers” slaat op het geheim van de “ken-uzelf-bal” (een bol van opgespaarde menselijke excrementen). Het is namelijk zo dat je hem op een nacht met een deegrol moet uitrollen en er in het maanlicht je schaduw uitsnijden. Stap voor stap moet je terug naar je jeugd en “als je aangekomen bent in het gebied, waar niemand je wil of kan volgen, behalve je schaduw, aarzel dan niet, duik in hem onder, zwijg en vast en hoop op een wonder.”
Er wordt wel eens gezegd dat Mia Grijp eigenlijk liever acteert dan regisseert?
“Ik doe het wel graag, maar dan moet ik wel de mensen kunnen kiezen. Ik ben niet iemand die men kan opbellen en zeggen: we hebben hier een stuk liggen, wil je dat eens komen regisseren? Daar voel ik mij echt niet voor geroepen. Ik kan geen ‘klassieke’ acteurs begeleiden die in een stramien zitten, zeg maar KNS- of KVS-acteurs die al dertig jaar bezig zijn. Daar kan ik niets mee doen.”
Is het daarom dat steeds dezelfde namen terugkeren in jouw producties? Ik denk aan Dirk Buyse, Jan Steen, Daan Hugaert, Frans Van der Aa, Marleen Merckx…
“Marleen dat is toevallig en Daan eigenlijk ook een beetje. Dirk Buysse is voor mij de frequentste en ook wel Jan Steen en Franske Van der Aa, ja.
Maar zo’n ‘vaste’ medewerkers hebben is wellicht van belang als je, zoals bij ‘Schaduwduikers’, eigenlijk te weinig tijd krijgt om het stuk op z’n poten te zetten.
“Zeker. Maar ik vind toch dat je, zeker voor zo’n dingen, in optimale omstandigheden zou moeten kunnen werken. In zo’n machine moet je kunnen renderen. Voor kleine zaaltjes zoals De Korrekelder ligt dat dan weer anders. Dan pak je dat helemaal anders aan. Maar als je een grote scène moet vullen met vijf mensen dan moet je machinerie goed draaien of het gaat niet. Tenzij je het brandscherm laat zakken en daarvoor op een rij gaat staan. Anders moet de technische molen goed draaien. En in Vlaanderen is het nog altijd zo dat technici altijd het laatste worden ingepast. Dat zijn dan meestal mensen die met nepstatuten werken en geen opleiding hebben, noch qua belichting, noch qua klank. En nochtans, dat is een vak, hoor. In het buitenland hebben ze daar echte vakmensen voor die zich uitsluitend dààrmee bezighouden. En daar lijden vele producties onder. Ook bij de KNS. Daar heb je b.v. een technische ploeg die om de drie voorstellingen verandert, want dat zijn mensen in stadsdienst. Dat betekent dus dat je drie generale repetities nodig hebt, wat dan weer van je eigen tijd wordt afgesnoept, want zelf krijg je ook maar zes weken repetitietijd. Daarvan gaat uiteindelijk een volledige week naar de techniek. Dat zijn toch dingen die eigenlijk niet kùnnen?”
Op 23 april 1991 zag ik dan “Elektra” van Sofokles in een regie van Pierre Laroche en een decor van Karina Lambert. Het stuk werd opgevoerd door Mia Grijp, Peter Bulckaen, Katrien Meganck, Eddy Brugman, Mieke Verheyden, Franck Van Erven, Martine Werbrouck en Patrick Rozé, samen Theater Antigone.
Mia Grijp: “Naar het einde toe werd dat in lamentabele omstandigheden gespeeld. Dat is het nadeel van kleine gezelschappen die moeten reizen. Dat decor hangt in flarden vaneen, de acteurs zitten met drie stukken door elkaar, er zitten gaten van wéken tussen… De producties lijden daaronder.”
De voorstelling dateert eigenlijk al van oktober ’90, maar ik heb een schoolvoorstelling gezien in het Cultureel Centrum van Lokeren.
Op 28 oktober 1991 zag ik in Arca “De Alibicentrale”, een stuk van H.J.A.Hofland (onder pseudoniem S.Montag) in een regie van Dirk Buyse (theater Malpertuis).
In 1993 volgde dan “Malina” in het Arcatheater, waaruit ook de foto afkomstig is.
Als kerststuk regisseerde Mia in 1995 naast beroepsacteurs ook daklozen in “Sering en Vlag” naar het boek van John Berger. Van dan af slaat ze immers een andere richting in. Ze werkt met verslaafden, met gevangenen… als het maar niet met acteurs is zou men kunnen zeggen (een paar uitzonderingen zoals haar dochter Rebecca Huys niet te na gesproken): “Dat kleine theaterwereldje was ik na een tijdje zo beu als koude pap. Weet je, kunstenaars mogen van mijn part doen wat ze willen. Maar hun producten moeten wel toegankelijk zijn voor iedereen. Ik hou niet van dat elitaire sfeertje. En tegenwoordig ben ik gelukkig al lang de enige niet meer. Heel wat schrijvers en acteurs voelen veel sympathie voor onze ideeën. Want geef toe, culturele centra trekken maar al te vaak een bepaald soort publiek aan. Ze zijn geïsoleerd geraakt, staan te ver van het volk.” (Gazet Van Antwerpen, 7/2/1998)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.