“Sputnik Sweetheart” van Haruki Murakami

70 Sputnik SweetheartNa de twee mislukte pogingen om via het Toeval een goed boek uit mijn bibliotheek te kiezen heb ik nu maar resoluut op zekerheid gespeeld. Het Toeval speelde in zoverre nog een rol dat we vandaag achter een bus van De Lijn reden waarop in het groot publiciteit werd gemaakt voor het nieuwste boek van Haruki Murakami, toch iets uitzonderlijks als je weet dat het om een boek gaat en niet om een film of een cd! En dus ben ik maar eens gaan kijken of ik zelf ook nog iets had staan van deze auteur dat ik nog niet had gelezen en zo ben ik bij “Sputnik Sweetheart” terecht gekomen…

Op pagina 8 krijgen we reeds een verklaring van de titel. Op dat moment weten we ook al dat de roman (eerder een uitgesponnen novelle) gaat over een jonge vrouw, Sumire, die verliefd wordt op een zeventien jaar oudere vrouw Miu. Sumire is een would-be schrijfster, die op dat moment dweept met Jack Kerouac en Miu vraagt haar daarop: “Wasn’t he a Sputnik?” Sumire is even de kluts kwijt, tot Miu eraan toevoegt: “Isn’t that what they called the writers back then?” Waarop Sumire begrijpt dat ze “beatnik” bedoelt: “Ever since that day, Sumire’s private name for Miu was Sputnik Sweetheart.” Sputnik is overigens ook Russisch voor “reisgezel”. Dat zal eveneens een rol spelen in het werk. Net als het feit dat een Sputnik eigenlijk overeenkomt met een “gouden ei”, zoals Tim Krabbé dit in zijn gelijknamige novelle omschrijft…
Moeilijker had ik het met de verklaring van Sumire’s eigen naam (p.19): “According to her father, her mother had chosen the name Sumire. She loved the Mozart song of the same name and had decided long before that if she had a daughter that would be her name.” Dus ik maar zoeken naar een lied van Mozart dat “Sumire” heet. Niets te vinden uiteraard en aangezien het woord ook in het Engels niks betekende, viel eindelijk mijn nikkel dat ik het in het Japans zelf moest gaan zoeken. En dat bleek dus “violet” te zijn, of – zoals het bij Mozart heet – “Das Veilchen” (KV.476). In “Das Veilchen”, “a careless girl disregards and destroys a violet, metaphor for a young man.” (Wikipedia) Ik was wel verbaasd dat het een gedicht betrof van Goethe! Geen wonder dat sommigen Mozart al tot de romantiek rekenen!
TEN ZUIDEN VAN DE GRENS
De Japanse schrijver Haruki Murakami werd geboren in Kyoto op 12 januari 1949, maar zijn alterego dat als hoofdfiguur optreedt in “Ten zuiden van de grens” (1998) laat hij geboren worden op 4 januari 1951. Zo kan hij hem de naam Hajime geven, wat “begin” betekent in het Japans, hij wordt immers geboren in “de eerste week van de eerste maand van het eerste jaar van de tweede helft van de twintigste eeuw.” (p.5)
Nu ben ikzelf weliswaar geboren in oktober 1951, maar toch was het identificatieproces heel groot, ook al omdat het feit dat Hajime “enig kind” is een belangrijk gegeven blijkt te zijn. Bovendien verliest Murakami zich nergens in “couleur local”, zodat er merkwaardig genoeg haast geen verschil is tussen een opgroeiende tiener in Tokio of in Temse. De muziek is dezelfde (licht klassiek bij de ouders, terwijl men zelf in het geniep naar rock’n’roll luistert), maar ook het leven aan de universiteit, inclusief de conflicten met “de gevestigde orde”. (*)
Naast licht klassiek hebben de ouders ook een paar platen uit het populaire genre en met name een nummer van Nat King Cole heeft zijn naam gegeven aan dit boek. Ten behoeve van de Nederlandstalige lezers geeft vertaler Elbrich Fennema het oorspronkelijk (p.18) als titel “Ten zuiden van de grens” mee, maar de volgende keer noemt hij het ook gewoon “South of the border”, zoals het natuurlijk echt heet. Dit is ook nog het geval bij een andere roman van Murakami, “Dans, Dans, Dans” die is genoemd naar het lied van The Beach Boys met dezelfde titel. Het boek “Norwegian Wood” daarentegen, uiteraard genoemd naar het lied van The Beatles, krijgt in het Nederlands gelukkig déze titel mee en niet “Hout uit Noorwegen” of zoiets.
Zowel Hajime zelf als het vrouwelijke hoofdpersonage Shimamoto (niet toevallig ook een enig kind) vinden het ontgoochelend dat – wanneer zij later het Engels machtig zijn – erachter komen dat het hier enkel over Mexico gaat, in hun fantasie was het immers “iets heel bijzonders”, “het rijk van de vele misschiens”. Voor Shimamoto is “ten zuiden van de grens” immers ongeveer hetzelfde als “ten westen van de zon” (p.194).
“Wat is daar, ten westen van de zon?” vraagt Hajime. “Ik weet het niet,” antwoordt Shimamoto. “Misschien is daar wel helemaal niets. Of misschien is er wel iets. In ieder geval is het een andere plek dan ten zuiden van de grens.” (p.196)
“Shimamoto keek me aan zonder iets te zeggen. De hele tijd zweefde dat vage glimlachje om haar mond. Een rustige, onverstoorbare glimlach. Maar ik kon er niets uit opmaken over haar gevoelens. Die glimlach vertelde mij helemaal niets over datgene wat er aan de overkant verborgen moest liggen.” (p.197)
“Uiteraard” kunnen de geliefden niet samen “aan de overkant” geraken. “Ik realiseerde me dat ik Shimamoto nooit meer zou zien. Zij bestond alleen nog in mijn herinnering. Ze was uit mijn leven verdwenen. Ze had voor mijn neus gestaan, maar nu was ze verdwenen. Een middenweg bestond niet. Op een plek waar geen neutrale dingen bestaan, bestaat ook geen middenweg. Wie weet bestaat er ten zuiden van de grens een ‘misschien’. Maar niet ten westen van de zon.” (p.217)
Hajime keert dan ook terug naar zijn vrouw Yukiko: “Ik heb altijd het gevoel dat ik mijn hele leven al probeer een ander mens te worden. Alsof ik altijd probeerde nieuwe plekken te vinden, een nieuw leven te bemachtigen en me een andere persoonlijkheid eigen te maken. Steeds weer opnieuw. In zekere zin is dat groei, anderzijds heeft het iets van een persoonsverwisseling. Ik dacht dat ik los kon komen van wie ik was door iemand anders te worden. Daar verlangde ik oprecht naar en ik dacht dat het ooit zou lukken als ik maar mijn best deed. Maar het is nooit zo uitgepakt.” (p.230-231)
En Yukiko antwoordt: “Ik had vroeger ook dromen en verwachtingen. Maar ergens onderweg ben ik ze kwijtgeraakt. Al voor ik jou ontmoette, hoor. Ik heb ze doodgemaakt (hierbij is het van belang te weten dat Yukiko in haar jeugd een zelfmoordpoging heeft gedaan, RDS). Ik heb ze uit eigen wil doodgemaakt en weggegooid, als een inwendig orgaan dat je dat je niet meer nodig hebt. Ik weet niet of ik daar goed aan heb gedaan. Maar ik kon op dat moment niet anders.” (p.233)
Precies omwille van deze sleutelscène kan ik de roman onmogelijk tot het magisch-realisme rekenen, ook al duiken er in het laatste hoofdstuk enkele elementen op (de enveloppe met geld, de plaat van Nat King Cole, zelfs het beeld van Izumi – een andere geliefde van Hajime – in de taxi) die in deze richting zouden kunnen wijzen. Op basis van deze dialoog zou men het zelfs al het tegenovergestelde van magisch-realisme kunnen beschouwen. Maar ik ben benieuwd wat Johan de Belie daarvan vindt.
NORWEGIAN WOOD
Hoewel Murakami dus werd geboren in Kyoto groeide hij op in Kobe. Zijn vader was de zoon van een boeddhistische priester. Zijn moeder was de dochter van een koopman uit Osaka. Beiden gaven les in Japanse literatuur. Murakami was echter altijd meer geïnteresseerd in de Amerikaanse literatuur, waardoor hij zich een westerse schrijfstijl eigen maakte, waarmee hij zich onderscheidde van zijn Japanse tijdgenoten.
Murakami kreeg een opleiding toneel aan de Waseda-universiteit in Tokio. Daar ontmoette hij zijn latere vrouw Yoko. Zijn eerste baan was in een platenzaak. Na zijn studie opende hij – net als Hajime – een jazzbar “Peter Cat” in Tokio. Deze zaak leidde hij van 1974 tot 1982.
Murakami schreef geen fictie tot na zijn dertigste. In 1987 kwam zijn echte doorbraak bij de publicatie van Norwegian Wood, een nostalgisch verhaal over verlies en seksueel opgroeien. En hij laat er geen gras over groeien. Meteen op de eerste pagina steekt hij al van wal: “Ik was zevenendertig (de exacte leeftijd van Murakami toen hij dit boek schreef, RDS) en zat vast in mijn stoel in een Boeing 747. Het enorme toestel was bezig door een dik wolkendek te landen op het vliegveld van Hamburg. (…) Toen het toestel geland was, gingen de no-smokinglampjes uit en klonk zacht achtergrondmuziek uit de speakers in het plafond. Het was ‘Norwegian Wood’ van de Beatles in een zoete uitvoering van een of ander orkest. Zoals altijd bracht die melodie me in verwarring. Sterker nog, ik werd er meer door geraakt dan anders. (…) Ik keek op, staarde naar de donkere wolken die boven de Noordzee dreven en dacht aan de dingen die ik in de loop van mijn leven was kwijtgeraakt – aan tijd die voorbij was gegaan, aan mensen die dood waren of uit mijn leven waren verdwenen, aan gevoelens die nooit meer terug zouden komen. Het toestel was inmiddels volledig tot stilstand gekomen, mensen maakten hun veiligheidsriemen los en begonnen hun jassen of bagage al uit de bagagerekken te halen, maar ik bevond me al die tijd midden op dat grasveld. Ik kon het gras ruiken, ik voelde de wind op mijn huid, ik hoorde het geluid van de vogels. Het was in de herfst van 1969 en ik was bijna twintig.”
“Norwegian Wood” was het lievelingsnummer van zijn vriendin Naoko, of beter gezegd: het vriendinnetje van zijn vriend Kizuki, die op 17-jarige leeftijd zelfmoord heeft gepleegd, zonder dat Naoko of Watanabe (zoals de hoofdfiguur heet) konden begrijpen waarom: “‘Ik kan toch zo verdrietig worden als ik dat nummer hoor,’ zei Naoko. ‘Ik weet zelf niet waarom, maar het geeft me het gevoel dat ik verdwaald ben in een diep bos. Ik ben helemaal alleen, het is koud en donker, en er is niemand om me te helpen.'” (p.126)
Het zal wel niet de bedoeling zijn geweest, maar ik onthou uit dit boek vooral dat wie veel leest en/of intensief naar muziek luistert, die is op z’n minst “speciaal” (lees: sociaal onaangepast) en in het slechtste geval heeft die neiging tot zelfmoord. Toch (of misschien juist daardóór) werden van dit boek miljoenen exemplaren gekocht door Japanse jongeren, waarmee hij een nationale beroemdheid werd. In 1986 verliet hij Japan en reisde door Europa, waarna hij zich vestigde in de Verenigde Staten. Hij gaf daar onderwijs aan de universiteit van Princeton (New Jersey) en daarna aan de William Howard Taft University in Santa Ana (Californië). In deze periode schreef hij Dans, Dans, Dans, De Opwindvogelkronieken en Ten zuiden van de grens.
DE KLEURLOZE TSUKURU TAZAKI EN ZIJN PELGRIMSJAREN
Toen hij in 2013 “De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren” schreef, neem ik aan dat hij opnieuw in Japan woonde. Het is alleszins een zeer “oosters” boek, een korte passage die zich afspeelt in Finland niet te na gesproken.
Wat de titel betreft, zal ik beginnen met het makkelijkste, namelijk die “pelgrimsjaren”. Die verwijzen naar de gelijknamige compositie van Franz Liszt en dan meer bepaald het fragment “Le mal du pays” en dat in een versie van Alfred Brendel en Lazar Berman. De verdere betekenis ervan laat ik je liever zelf ontdekken.
Maar dan dat “kleurloze”… Uiteraard zou een boek over een totaal kleurloze figuur snel gaan vervelen. Tsukuru Tazaki is dan ook helemaal niet “kleurloos”, ook al vindt hij dit van zichzelf. Zo zegt iemand (ik laat liever in het midden wie) op het einde van het boek: “Nog één ding, Tsukuru, en dat moet je goed onthouden: jij bent helemaal niet kleurloos. Dat zit ‘m alleen maar in je naam. O, ik weet dat we je daar vroeger vaak mee hebben geplaagd, maar dat waren maar grapjes, en die hadden niets te betekenen. Jij bent Tsukuru Tazaki, en niemand heeft mooiere kleuren dan jij! (…) Dus hou moed en heb vertrouwen in jezelf! Dat is het enige waar het je aan ontbreekt.” (p.320)
79 witje en zwartjeZoals dit personage zelf reeds zegt: het kleurloze moet men eerder letterlijk interpreteren. Tsukuru heeft een achternaam waarin geen kleur voorkomt en dat in tegenstelling tot zijn vier jeugdvrienden, twee jongens (de Rooie en de Blauwe) en twee meisjes (Witje en Zwartje), ja zelfs bijna de hele wereld die hij in dit verhaal ontmoet (**).
Toch is het ook meer dan gewoon een taalspelletje. In het eerste kwart van het boek wordt er een soort van parabel verteld over de jazzpianist Midorikawa (“Groenebeek”) en die vertelt daarover o.m. het volgende: “Elke mens heeft zijn eigen kleur, en die is heel vaag zichtbaar rond de contouren van zijn lichaam. Als een soort aureool. Of tegenlicht. En ik kan die kleuren heel duidelijk zien. (…) Op het moment dat je erin toestemt de dood van me over te nemen, (…) worden je kwaliteiten verleend die niet gewoon zijn. Ze mogen best een abnormale begaafdheid worden genoemd. Het vermogen om het licht te zien dat ieder mens uitstraalt is daar maar één aspect van. Wat eraan ten grondslag ligt is het feit dat je je hele waarnemingsvermogen kunt vergroten. Je kunt de ‘poorten der waarneming’ openduwen, waar Aldous Huxley over schrijft. Alles wat je waarneemt is van een ongelofelijke zuiverheid, alsof er een mist is opgetrokken en alles je nu duidelijk wordt. Je kijkt neer op een wereld die je normaal niet kunt zien.” (p.90-92)
Met die vier jongeren vormde Tsukuru een “perfecte vijfhoek”. Tot hij om een mysterieuze reden plotseling uit de groep wordt gestoten. Dat brengt hem op de rand van de zelfmoord en zelfs nadien besluit hij dus een “kleurloos” bestaan te leiden, tot er iemand in zijn leven komt die hem dwingt deze zaak “tot op het bot” uit te pluizen. En ook dan gaat het kleurenspel verder: “Toen ik haar na al die tijd weer eens zag, was ik met stomheid geslagen. Ze zag eruit alsof… alsof… hoe zal ik het zeggen… alsof haar kleuren fletser waren geworden. Alsof ze te lang aan fel zonlicht was blootgesteld en haar kleuren over haar hele lichaam waren vervaald. Qua uiterlijk was ze niets veranderd. Ze was nog even mooi en had nog steeds hetzelfde goede figuur… Ze zag er alleen fletser uit dan voorheen. Ik had bijna de afstandsbediening van mijn tv gepakt om haar kleuren bij te stellen. Het was een heel eigenaardige gewaarwording. Dat een mens in maar een paar jaar tijd zichtbaar zoveel kan vervagen.” (p.218-219)
Het is dus zeker geen “coming of age”-boek in flashback. Trouwens dat is het meest opmerkelijke verschil met traditionele “coming of age”-verhalen: dat het hier vijf personen betreft (en geen vier) en dat het een gemengde groep is (drie jongens en twee meisjes). En jawel, het is uiteraard het seksuele element dat voor problemen zal zorgen, maar je zal het me zeker niet kwalijk nemen als ik hierover verder het zwijgen toe doe. Laat ik enkel besluiten met criticus Theo Hakkert in “De Twentsche Courant Tubantia”: “Prachtig gedoseerd (…) Murakami slaagt er moeiteloos in de lezer tot ver na de laatste punt in zijn ban te houden. Geen magisch-realistische werkelijkheidsniveaus, geen pratende poezen. Murakami heeft de raadsels dit keer aan de oppervlakte verborgen.” Alhoewel… “Misschien heb ik zonder dat ik er zelf erg in had, op een andere plaats, in een ander tijdssysteem…” (p.226)
HARD-BOILED WONDERLAND EN HET EINDE VAN DE WERELD
Dat is echter nog niets vergeleken met de plot van “Hard-boiled wonderland en het einde van de wereld”! Geen wonder dat dit boek uit 1985 pas in 1994 in het Nederlands werd vertaald. De naam Murakami moest inderdaad reeds goed ingeburgerd zijn vooraleer men dit op het boekenkopende publiek kon loslaten. Als dit boek toevallig het eerste van Murakami is dat je in handen krijgt, dan is de kans groot dat je nooit nog iets van de man wil lezen (en dat zou uiteraard zeer jammer zijn).
Het enige what kept me going was dus inderdaad de parallelle werelden, waarop ik reeds alludeerde bij Sputnik Sweetheart en Tsukuru Tazaki. Alleen is het nu volledig uitgewerkt en drijft het boek daar uitsluitend op. Dat is dan ook de reden waarom ik ondanks alles heb doorgezet met mijn lectuur (***).
De titel geeft het eigenlijk zelf al weg: er is enerzijds het “hard-boiled wonderland” en anderzijds “het einde van de wereld”.
“Let wel, ik heb het niet over een soort sciencefictionachtig parallel universum dat geen deel van onze wereld uitmaakt. Het is allemaal een kwestie van cognitie. Van de manier waarop de wereld wordt waargenomen.” (p.286)
“Het is je kernbewustzijn. Het visioen dat zich in je bewustzijn afspeelt is het Einde van de Wereld. Waarom je daar zoiets hebt zitten mag Joost weten. Maar het zit er, om wat voor reden dan ook. Intussen komt er in je geest een einde aan deze wereld hier (wonderland, RDS). Of anders geformuleerd, je geest zal daar gaan leven, in het oord dat het Einde van de Wereld heet. Alles wat er in de huidige wereld is, ontbreekt in die wereld. Er is geen tijd, geen leven, geen dood. Geen waarden in de strikte zin van het woord. Geen eigen ik.” (p.273)
“Maar het ontbreken van ruzie of haat of begeerte houdt tegelijk in dat het tegendeel ook niet bestaat. Geen vreugde, geen saamhorigheid, geen liefde. Alleen waar er desillusie en moedeloosheid en verdriet is, kan geluk ontstaan; zonder de wanhoop om wat verloren ging is er geen hoop.” (p.336)
“Toen ik jonger was, had ik wel eens gedacht dat ik iemand anders kon zijn. (…) Maar als een boot met een krom roer kwam ik steeds weer op hetzelfde punt terug. Ik kwam niet verder. Ik was mezelf, op de over wachtend op mijn terugkeer. (…) Misschien was dat ‘wanhoop’. Wat Toergenjev ‘desillusie’ noemt. En Dostojevski ‘de hel’. En Somerset Maugham ‘werkelijkheid’.” (p.343)
De verhalen in het wonderland zijn in de verleden tijd geschreven en die in het einde van de wereld in de tegenwoordige tijd en dat is ook logisch in het kader van de plot van het boek, maar meer kan ik daar niet over vertellen, want dat zou anders een spoiler zijn. Voor zover er aan dit boek iets valt te spoilen natuurlijk…
KAFKA OP HET STRAND
In het vorige boek zaten al veel Kafkaiaanse elementen (de Poortwachter b.v.), dus zou men verwachten dat dit nog veel meer het geval is in “Kafka op het strand” uit 2002 (in het Nederlands vertaald in 2006), maar dat valt uiteindelijk wel mee (de soldaten in het woud misschien?). “Kafka Tamura” is namelijk enkel maar de naam die het 15-jarige hoofdpersonage zichzelf geeft nadat hij van huis is weggelopen.
Fons Mariën besprak het boek op de website van Iedereen leest als volgt: “Kafka Tamura loopt op zijn vijftiende verjaardag weg van huis, concreet is dat van zijn vader weg. Zijn moeder verliet het gezin samen met zijn zus toen Kafka vier jaar oud was. Kafka’s vader viel hem lastig met de (oud-Griekse) voorspelling dat hij zijn vader zou vermoorden en met zijn moeder en zus zou slapen. Kafka zoekt zijn toevlucht op een zuidelijker eiland van Japan. Ondertussen is er in Tokio ook de oude man Nakata, die kan praten met katten (****). Op een avond vermoordt hij (Nakata dus, RDS) een man (die zich Johnnie Walker noemt en zich kleedt zoals de figuur op de whiskyfles) in diens huis in zeer vreemde omstandigheden. De politie gelooft hem niet en op zijn beurt vlucht hij naar hetzelfde zuidelijk eiland. Daar heeft Kafka zijn intrek kunnen nemen in de Komura-bibliotheek, gerund door mevrouw Saeki en haar assistent Oshima. Kafka wordt verliefd op deze vrouw, die in haar jeugd een plaatje heeft opgenomen dat ‘Kafka op het strand’ heet… Via de pers vernemen ze dat ondertussen Kafka’s vader in Tokio vermoord is. De politie zoekt ondertussen zowel Kafka als de oude Nakata, die een bijzondere opdracht heeft met een mysterieuze sluitsteen. Dit boek begint erg normaal en geloofwaardig maar wordt steeds vreemder door de vele surrealistische of magische elementen: Nakata die met katten spreekt, die het vissen kan doen regenen, het optreden van de vijftienjarige Saeki als spook, een magische sluitsteen, een dorp midden in een labyrintisch woud… Magische zaken zijn normaal mijn ding niet, zo houd ik niet van fantasylectuur. Maar in dit boek blijf je doorlezen omdat je hoopt achter de betekenis te komen en omdat het verhaal nu eenmaal goed geschreven is. Sommige zaken zijn wellicht symbolisch (zoals het woud), aan andere kan ik uiteindelijk geen knoop vastbinden. Toch boeien de thema’s van dit boek (tijd, herinneringen, liefde en vriendschap, familierelaties). Bovendien toont Murakami ook zijn erudiete kanten met verwijzingen naar (populaire) cultuur, Griekse mythologie, filosofie e.d. Een rijk boek dat misschien een tweede lectuur vergt om helemaal te begrijpen.”
1q84
Al op de allereerste bladzijde van zijn magnum opus “1q84” (spreek uit: “Qutienvierentachtig”; eerste deel juni 2010; einde van de trilogie februari 2011) valt ook meteen de naam van Franz Kafka, maar het is gewoon als een soort van tijdsaanduiding en het is natuurlijk alleszins véél te vroeg om daaruit ook al conclusies te trekken. Wat we wél al kunnen vaststellen is dat net als in “Hard-boiled wonderland en het einde van de wereld” de hoofdstukken met de twee hoofdfiguren (Aomame en Tengo, allebei dertig jaar) elkaar afwisselen. Alhoewel op de kaft ook al “parallelle werelden” in het vooruitzicht worden gesteld (en op p.158 is het al zo ver), geeft men tegelijk aan dat zij “op het eerste gezicht weliswaar niets met elkaar te maken hebben, maar gaandeweg wordt duidelijk dat hun paden elkaar heel vroeger ooit gekruist moeten hebben en het zit er even duidelijk in dat dit weer gaat gebeuren.” En dit dus (voorlopig?) binnen een realistische context, met name in 1984, al is een verwijzing naar George Orwell in dat geval ook nooit echt weg natuurlijk (p.179, p.332, p.359, p.538). Hoe de “q” daarin dan verzeild is geraakt, komen we al op p.163 te weten.
Verder heb ik niet veel zin om veel van de inhoud te verklappen. Ik kan er echter niet onderuit om te vermelden dat het o.m. over een jonge schrijfster gaat die door een bepaalde criticus als “een Françoise Sagan die de lucht van het magisch realisme heeft ingeademd” wordt bestempeld (p.525).
Toch nog dit: toen ik bij het begin van mijn lectuur mijn enthousiasme via mail wilde delen met mijn vrienden, kreeg ik van één van hen de korte, maar veelzeggende reactie “It’s shite” (met een “e” achteraan, inderdaad). Ik was razend, want ik wist dat dit mijn leesplezier voor een groot deel zou vergallen (en dat heeft het ook gedààn). Maar ondertussen begrijp ik die reactie al wat beter. Die persoon in kwestie is een grote fan van George Orwell en die heeft dat boek natuurlijk vooral in het licht van “1984” gelezen. In dat geval kan ik me wel voorstellen dat die verhalen over “the little people” (in tegenstelling tot “big brother”, heeft u ‘m?) op de zenuwen beginnen werken. Op dit moment (na twee boeken van de drie) kan je het boek echter nog altijd net zo goed lezen alsof dit allemaal nutteloos verzinsel is en dan blijft het verhaal nog altijd perfect overeind. Misschien kan dit later nog veranderen, maar voorlopig denk ik er zo over. Omgekeerd geldt dit echter ook voor de benaming “magnum opus” die ik aan dit werk heb gegeven. Dat is dan uiteindelijk toch meer voor de enorme omvang van toepassing gebleken en niet zozeer omwille van de envergure die een “Ontdekking van de hemel” b.v. wél heeft…
DE OPWINDVOGELKRONIEKEN
En dan, na al de hoger vermelde boeken, las ik pas “De opwindvogelkronieken”, wat uiteindelijk voor mij “het boek teveel” zal blijken te zijn. Op zich is dat niet verwonderlijk, want al deze boeken heb ik op iets meer dan een jaar gelezen. Het is dus bij wijze van spreken “logisch” dat er zich op een bepaald moment zoiets zou voordoen. Dat het evenwel precies met dit boek moest gebeuren, is echter wél eigenaardig. Want voor Murakami zelf was het een erg belangrijk boek: “In die zin was De opwindvogelkronieken een keerpunt in mijn loopbaan als schrijver (…) Wat ik wil zeggen is: er is een groot verschil tussen de manier waarop ik schreef vóór ik aan De opwindvogelkronieken begon en de manier waarop ik dat deed toen ik ermee klaar was. Ongetwijfeld zullen er niet weinig lezers zijn die de voorkeur geven aan mijn vroegere werk. Als ik terugkijk, moet ik toegeven dat in de werken die ik na De opwindvogelkronieken heb geschreven de urbane sophistication en lichtheid van toon geleidelijk aan verdwijnen. Maar daar staat tegenover dat de personen in mijn romans en verhalen langzaam maar zeker de bereidheid lijken te hebben ontwikkeld om ‘ergens bij betrokken te zijn’.” (“Nawoord van de auteur op delen een en twee”, p.861)
Laten we hem zelf ook nog eens vertellen wààr we dan precies die “Opwindvogelkronieken” moeten situeren: “Na drie jaar in Europa te hebben doorgebracht keerde ik terug naar Japan, maar ik kon daar nog steeds niet aarden, en nu was ik in Amerika. Ik was tweeënveertig jaar, en drieënhalf jaar eerder had ik de bestseller Norwegian Wood geschreven.” (idem, p.855)
Op het eerste gezicht behoor ik dus tot de lezers “die de voorkeur geven aan mijn vroegere werk”, maar dat is zeker niet waar, want ook “Hard-boiled Wonderland en het einde van de wereld” hoort daartoe. Straffer nog: uit het “Nawoord van de auteur op deel drie” leren we: “Daarna schrapte ik een aantal hoofdstukken uit deel een en twee die me overbodig leken, en die werden de basis voor een volledig andere, op zichzelf staande roman – Ten zuiden van de grens. Hajime, de hoofdpersoon in dat boek, was oorspronkelijk dezelfde als Töru Okada in De opwindvogelkronieken. Maar door het splitsen van die twee verhalen, kregen beide figuren een volledig andere bestemming. Denk maar aan tweelingbroers die op jonge leeftijd van elkaar zijn gescheiden en in een volledig verschillende omgeving zijn opgegroeid, dan is het misschien iets makkelijker te begrijpen. Omdat Ten zuiden van de grens niet zo’n lange roman was (en verschrikkelijk leuk om te schrijven), had ik het manuscript al na ongeveer drie maanden geconcentreerd doorwerken af.” (p.867) En dat vond ik nu juist wél een knappe roman!
BLINDE WILG, SLAPENDE VROUW
In zijn bundel ‘Blinde wilg, slapende vrouw’ bundelde hij 24 verhalen, geschreven tussen 1983 en 2005. Ze tonen Murakami op zijn best, stuk voor stuk pareltjes. En niet alleen dat: ze bewijzen ook zijn enorme veelzijdigheid. Geen enkele tekst is identiek of lijkt zelfs naar een andere te verwijzen. Noch inhoudelijk (qua verhaallijn, personages, locatie… en sfeer), noch stilistisch – bizar. Het start al bij het titelverhaal dat een schijnbaar nuchtere, afstandelijke beschrijving geeft van hoe een jongen zijn neefje vergezelt naar een oorarts, daaraan de herinnering koppelt van een ziekenhuisbezoek aan een vriendin die een tekening en gedicht maakt over een ‘blinde wilg’; deze zit vol vliegen die het oor van een vrouw binnendringen en haar opvreten. Een bizarre, bevreemdende tekst maar koel, nuchter benaderd. Vaak laat hij het denkwerk aan de lezer over; hij trekt geen conclusies. In een andere tekst dwingt hij de lezer schijnbaar niet bij elkaar horende scènes die behoorlijk surreëel zijn, met elkaar te verbinden (New York Mining Disaster). Een verhaal kan hallucinant, bevreemdend zijn; een ander is ontroerend, meelevend terwijl een andere tekst via het anekdotische gebeuren heel banaal een relatie schetst. Hij blijft ook een meester in het creëren van een sfeer: “Een tijdlang zwegen ze allebei. De koffie op tafel werd almaar troebeler en kouder. De aarde draaide om zijn as, de maan beïnvloedde subtiel de zwaartekracht en creëerde getijden. In de stilte stroomde de tijd en op het spoor gingen treinen voorbij.” (uit ‘Vliegtuig, of hoe hij in zichzelf praatte als hij een gedicht voordroeg’). Soms is hij zo surrealistisch dat het (opzettelijk) komisch wordt (‘Dodaars’). Dan weer ontmoeten we een fascinerend liefdesverhaal waarin katten de leidraad vormen om ontreddering en paniek weer te geven. In details weet Murakami de lezer telkens weer te verrassen, te verbazen en mee te slepen. Ook wanneer hij meer theoretiseert in een tekst en fascinerend aanduidt hoe een idee, een gedachte uitgroeit tot een concept, tot een mysterieuze werkelijkheid (de schrijver die aan een onbestaande arme tante denkt over wie hij wil schrijven, blijkt plots zo’n tante op zijn rug te moeten meeslepen, zij zit er op vastgegroeid – aanleiding tot gedachten over schrijven, concept…). Vaak zijn het schrijnende verhalen, de eenzaamheid van de mens is nooit ver weg. Zo laat hij in een verhaal spaghetti tot het symbool van vereenzaming worden. Intriest ook het verhaal waarin een man zijn echtgenote verliest, eerst haar (buitenissige hoeveelheid) kleding de deur uitgooit, dan afstand doet van zijn geliefde platencollectie, om pas dan echt alleen achter te blijven – een meesterwerkje van droefheid. Net als een tekst die eindigt met een vuurvliegje (ach die trouvailles van Murakami!): diepe weemoed, tristesse, afwezigheid… Dan weer laat hij een hallucinatie het leven ingrijpend veranderen.
Vaak spelen ‘toeval’, samenloop der omstandigheden een rol in zijn verhalen. En opvallend is ook dat dikwijls het zoeken zelf, of de zingeving van het zoeken an sich centraal wordt gesteld. Een moraal spreekt hij nooit uit. We worden geconfronteerd met portretten van mensen, in hun dagelijkse bezigheden, in hun eenzaamheid, of geconfronteerd met de hallucinante beelden en gebeurtenissen die Murakami hen opdringt. Met deze bundel bewijst hij zijn kunnen in vele genres.
UITSMIJTER
Tussen het schrijven door doet (of wellicht stilaan: deed) Murakami veel aan hardlopen. Hij liep verscheidene marathons en nam zelfs deel aan enkele triatlons. Zwemmen komt trouwens vaak aan bod in zijn boeken (als een soort Zen-beleving), maar fietsen wordt enkel maar als verplaatsing gedaan, een wedstrijd als zodanig ben ik tot nu toe nog nooit tegengekomen.

Johan & Jan de Belie-Segers
(Met dank aan Wikipedia voor de biografische gegevens)

(*) Hajime “groeit er wel uit”, uit deze fase, terwijl dit bij mezelf toch nooit echt gelukt is. En ook zijn muziekkeuze helt later over naar jazz, zodanig zelfs dat het deel gaat uitmaken van zijn professionele carrière, wat bij mij nooit is gelukt, alle inspanningen van Philippe Venneman ten spijt. Muziekfragmenten worden in Murakami’s boeken overigens altijd zeer specifiek gedefinieerd, of het nu rock (zelfs pop), jazz of klassiek is. Daarom dat ik verbaasd opkeek toen in de verhalenbundel “Blinde wilg, slapende vrouw” er op een bepaald moment (p.97) sprake was van “de vijfde symfonie voor klarinet van Mozart”. Wat is dàt nu in godsnaam: een symfonie voor klarinet??? En de vijfde dan nog wel! Daarom denk ik dat het hier over het klarinetkwintet gaat en dat vertaalster Elbrich Fennema hier in de fout is gegaan. Wellicht is in het Japanse woord voor kwintet de “vijf” nog prominent aanwezig en werd het op die manier “de vijfde symfonie voor klarinet”, want ik kan me niet voorstellen dat Murakami zelf ooit zo’n draak van een fout zou maken!
(**) Dit komt ook reeds heel even ter sprake in “Norwegian wood” (Nederlandse editie, p.63).
(***) Alhoewel àlle lectuur me helpt om een slapeloze nacht door te komen, is dit boek toch wel érg heilzaam op dit vlak. Alleen krijg je er de nachtmerries gratis en voor niks bovenop. Het zijn gelukkig geen angstaanjagende nachtmerries, maar ze maken – net als het boek – de gekste sprongen.
(****) Ik hoef mij natuurlijk niet met Fons zijn samenvatting te moeien, maar persoonlijk zou ik toch vermelden dat hij de enige was uit een klas schoolkinderen, die na een confrontatie met een UFO daarvan de gevolgen bleef dragen (p.45): “Ze hebben hem verteld dat hij aan een onverklaarbare koorts leed en drie weken lang bewusteloos is geweest. Al die tijd heeft hij in bed gelegen, aan iets dat ‘in-fuus’ heet. Toen hij eindelijk weer bij bewustzijn kwam, was hij alles vergeten wat er voor die tijd in zijn leven was gebeurd. Zijn vaders gezicht, zijn moeders gezicht, lezen, rekenen, het huis waar hij woonde, zijn eigen naam zelfs – alles. Zijn hoofd was zo leeg alsof iemand de stop uit een bad had getrokken. Vóór het ongeluk had Nakata heel goede cijfers op school. Ze zeiden dat hij een ‘zjenie’ was. Toen zakte hij op een dag zomaar in elkaar, en toen hij weer wakker werd, was hij dom geworden.” (p.73) Nakata spreekt over zichzelf in de derde persoon, een beetje zoals Eddy Wally of Johan Museeuw. Anderzijds wil ik hier ook even lof toewuiven aan vertaler Jacques Westerhoven die als enige – t.o.v. de andere vertalers – voetnoten toevoegt aan zijn vertaling. Ik geef toe dat ik bij het lezen van zijn inleidende “noot van de vertaler” nog dacht: is dit nu wel echt nodig? Zal dit het leesgenot niet in de weg staan? Maar nee hoor, integendeel het is een verrijking!

2 gedachtes over ““Sputnik Sweetheart” van Haruki Murakami

  1. Wanneer je het zo stelt denk ik dat die woorden inderdaad voldoende zijn om het boek niet te classificeren onder het M-R. Maar zo vlot wil ik me toch niet uitspreken. Dus: ik zet het boek op mijn leeslijst. Zo vlug mogelijk; en dan volgt grondiger commentaar.
    Johan de Belie

    Like

  2. Eindelijk heb ik het boek dan gelezen. En nee, tot het M-R reken ik het niet. En dan niet alleen omwille van wat Ronny de sleutelscène noemt. Het werk baadt weliswaar in een (knappe) mysterieuze sfeer. Maar uiteindelijk laat de auteur de magie die tussen de twee hoofdpersonages zo treffend uitgebouwd is, uitsterven. Zij verdwijnt, hij keert terug naar zijn burgerlijk bestaan. Het oplossen van het raadselachtig verleden van Shimamoto hoefde niet eens voor mij. Maar de magie had zich in de realiteit moeten voortplanten. Dat doet trouwens geen afbreuk aan de roman zelf, die vind ik prachtig. Maar M-R, nee.
    Johan de Belie

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.