Joost van den Vondel (1587-1679)

Joost van den Vondel (1587-1679)

Morgen zal het 340 jaar geleden zijn dat Joost van den Vondel is gestorven.

Dat ik biografische gegevens vaak overneem van Wikipedia is geen geheim. Ik kom daar ook altijd voor uit. Maar meestal bewerk ik die gegevens wel erg. Dat is bij de onderstaande tekst over Joost van den Vondel echter slechts minimaal het geval. Ik wil mij daar vooraf voor verontschuldigen. Ik heb echter enkele teksten over diverse toneelstukken van Vondel en om toch het overzicht een beetje te behouden, had ik deze biografie nodig als kapstok. Met andere woorden, in deze biografie heb ik verwerkt, wanneer een bepaald toneelstuk werd geschreven en daar kan men dan op klikken om mijn eigen tekst te lezen. Maar voor de rest wil ik zeker niet de indruk wekken dat ik ook maar enige verdienste heb aan deze biografie. Dus, dank u Wikipedia!
Joost Van den Vondel werd geboren in Keulen. Zijn ouders waren doopsgezind en waren in 1585 de stad Antwerpen ontvlucht. In 1597 vestigden zij zich in Amsterdam. In 1610 trouwde Joost van den Vondel met Mayke de Wolff, die eveneens in Keulen was geboren (in 1586). Hij verdiende zijn brood met zijn kousenhandel in de Warmoesstraat. Ze hadden vijf kinderen, maar drie ervan overleden jong.
Van den Vondel werd lid van de Brabantse rederijkerskamer “Het Wit Lavendel”. In 1613 begon hij Latijn te leren om Seneca te kunnen lezen, en later leerde hij Grieks om zijn toneelstuk Palamedes oft vermoorde onnooselheit te kunnen schrijven. Met de ‘vermoorde onnozelheid’ werd Johan van Oldenbarnevelt aangeduid, en in de figuur van koning Agamemnon kon prins Maurits worden herkend. Het stuk verscheen in oktober 1625, enkele maanden na het overlijden van Maurits. Palamedes is een scherpe kritiek op de stadhouder, en de auteur moest Amsterdam ontvluchten. Hij verbleef enige tijd in Beverwijk, maar moest toch voor het werk terechtstaan. De forse boete van 300 gulden is mogelijk door schepen Albert Coenraads Burgh betaald, die Van den Vondel het idee van zijn toneelstuk aan de hand had gedaan.
Palamedes was echter een populair toneelstuk, waarvan tot 1800 minstens vijftien drukken zijn verschenen. In de uitgave van 1652 heeft Van den Vondel een aantal woorden (zoals zonde) vervangen, en sommige politieke toespelingen werden verscherpt. Het werd pas in 1663, in Rotterdam, voor het eerst opgevoerd. Twee jaar later, toen de Amsterdamse schouwburg gesloten was vanwege een verbouwing, werd het stuk daar buiten de verantwoordelijkheid van de regenten opgevoerd.
Juist voor de opening van de Amsterdamse schouwburg schreef Vondel in 1637 Gijsbrecht van Aemstel.
In 1641 ging Van den Vondel over van de Remonstranten tot de Rooms-katholieke Kerk, wat hem niet in dank werd afgenomen in de hoofdstad van de Republiek, waar calvinistische predikanten veel invloed hadden. De schouwburg in Amsterdam was daarentegen een katholieke aangelegenheid: de schouwburgbestuurders Jan Vos (dichter) en Claes Cornelisz. Moeyaert (schilder) waren katholiek. In 1654 kwam deze bekering zeker aan bod in het stuk Lucifer.
Omdat zijn zoon Joost (1612-1660) door zorgeloosheid in moeilijkheden was gekomen, reisde Van den Vondel in 1657 naar Denemarken. Na het faillissement van de kousenzaak in de Warmoesstraat werd hij in 1658 suppoost bij de Bank van Lening, een zogenaamde sinecure, waar hij in 1668 gepensioneerd werd. Ondertussen had hij in 1664 Adam in ballingschap geschreven. In 1667 schrijft Joost van den Vondel het eerste westerse treurspel over de val van de Ming-dynastie: “Zungchin of Ondergang der Sineesche Heerschappije”. Dat Vondel hierover zo goed ingelicht was, is te danken aan zijn vriendschap met de drukker Johannes Willemszoon Blaeu (1596-1673), die niet alleen zijn “Gijsbrecht van Aemstel” uitgaf, maar ook (en vooral) allerlei atlassen. Om zijn concurrent Jocondus Hondius te vlug af te zijn, had hij de “exclusiviteitsrechten” gekocht op de missioneringsactiviteiten van de Mechelse jezuïet Philip Couplet. Dat Couplet zijn reis überhaupt kon starten vanuit het calvinistische Amsterdam was sowieso al te danken aan de bemiddeling van de verdraagzame Blaeu.
Van den Vondel woonde op het Singel, niet ver van de Torensluis. Zijn zoon overleed op de heenreis naar Indië, voor Kaap de Goede Hoop. Van den Vondel werd verzorgd door zijn enig overlevende dochter Anna (1613-1675). Hij overleed in Amsterdam op 5 februari 1679 op 91-jarige leeftijd. Als zijn laatste werk dichtte hij spottend zijn grafschrift:
Hier leit Vondel zonder rouw,
Hy is gestorven van de kouw

Lees verder “Joost van den Vondel (1587-1679)”

Oedipus (KVS, 30/9/1994)

In de KVS regisseerde directeur Franz Marijnen zelf de bewerking door Hugo Claus uit 1971 van Seneca’s “Oedipus” (“In wezen is het de ‘Kwik’ en de ‘Story’ van zijn tijd, maar met grotere thema’s” aldus Claus in de Schouwburgkrant). Een weliswaar indrukwekkend, maar toch ietwat megalomaan decor van Niek Kortekaas had de zaal tot minder dan de helft herleid, zodat we er op de avant-première op 30 september 1994, georganiseerd door Stepsmagazine (waarvan zijn broer de uitgever was), “knusjes” bijzaten. Nochtans was het helemaal geen “knus” stuk. Integendeel, Claus was de geest van Seneca zeer trouw gebleven (ondanks het feit dat het orakel via een dictafoon spreekt) en het bloed gulpte uit de tekst als uit een onstelpbare wonde. Dat anderzijds Sjarel Blanckaerts als de geest/het lijk van de gedode Laos na een geslaagd verrassingseffect voor de rest van de avond “in full view of the audience” moest blijven, was tegenover die door de make-up zwaar toegetakelde acteur toch louter sadisme. Ook de door de pest toegetakelde bevolking van Thebe (in volgorde van goede prestatie: Chris Thys, Bien De Moor, Bert André, Wim Danckaert en Jan Pauwels) werd door costumière Mechthild Schwienhorst niet gespaard.
Geen thanatos zonder eros en na een naamloos (want door stieren- en koeienkop verborgen) neukend paar in de verte, was het vooral sfinx Annabelle Van Nieuwenhuyse die daarvoor moest zorgen. De scène waarin ze (een overigens goed acterende) Wim van der Grijn als Oedipus het antwoord op het bekende raadsel ontlokte, was niet van enige erotiek ontbloot om het zo te zeggen. Sien Eggers als zijn moeder en minnares Jokaste had haar maniertjes thuisgelaten en ook Jef Demedts was stijlvol als een verontwaardigde Kreoon, die ten onrechte wordt beschuldigd de troon te willen usurperen. Maar vooral Senne Rouffaer was indrukwekkend als de blinde ziener Tiresias. Sofie Decleir als zijn dochter Manto trachtte hem wel bij te benen, maar Marijnen liet haar soms te ver gaan in haar “helderziende waanzin”. Slotsom, een voor het grootste deel geslaagde voorstelling, maar niet echt gepast als aanloop tot een “feestje”. We zijn er dan ook maar vlug vandoor gegaan. De enige aanwezige die ik kende (buiten de Stepsploeg) was overigens André Lefevre.