Frankie Miller wordt zeventig…

Frankie Miller wordt zeventig…

Toen we nog jong waren (alweer die jaren zestig dus) bespraken we geen elpees (maar beluisterden we ze, voegt een kwatong hier over onze schouder aan toe), maar als we toch iets wilden vasthouden op papier van een of andere zanger was dat welke groepen hij doorlopen had en welke platen hij had gemaakt.
Voor Frankie Miller is deze praktijk zeker op z’n plaats, niet alleen omdat Millers « roots » in die magische sixties thuishoren, maar ook omdat hij echt goed is, steengoed zelfs, maar dat je er eigenlijk weinig literatuur aan kwijt kunt.
Frankie Millers eerste groep is The Del Jacks, en dat op veertienjarige leeftijd. Nog voor de jaren zestig erop zitten heeft hij echter reeds een tweede versleten : The Stoics. Met 1970 komen ook de elpees : de eerste, « Once on a Bluemoon », werd geproduceerd door Brinsley Schwartz. « Hugh Life » wordt in Amerika gemaakt onder de leiding van de legendarische Allen Toussaint, « The Rock » wordt zijn beroemdste, « Full House » zijn beste formatie. Bij « Double Trouble » klinken zwak de eerste verwijten door dat hij zich te weinig vernieuwt en bij « Fallin’ in love » wordt hem ronduit verweten op de sentimentele toer te gaan.
Dat kunnen we van « Easy money » (opnieuw in de VS opgenomen) zeker niet zeggen, al wellen herhaaldelijk waterlanders op bij de prachtige trage nummers die op deze schijf staan. Maar net zoals zijn tweelingbroertjes Rod Stewart en Bob Seger is Frankie gevoelig zonder gevoelerig te zijn.
En daarnaast zijn er dus de rocknummers. Kijk, we willen de kritikasters die beweren dat Miller zich te weinig vernieuwt graag gelijk geven. Alleen voegen we eraan toe : « Asjeblief, makker, luister niet naar hun gezanik, ga door met die heerlijke muziek ». Waarmee we alle pogingen van Miller om reggae, disco, new wave of horlepijpen te brengen op voorhand naar de vuilnisbak verwijzen. “Give me love” gaat weliswaar in de disco-richting; samen met « Cheap thrills » is het dan ook het enige nummer dat wij het liefst uit deze ruwe diamant zouden geslepen zien. (Ongedateerde recensie uit De Rode Vaan)

Referentie
Frankie Miller, Easy money, Chrysalis 511 268

Stranger in town

Ik heb altijd een “soft spot” gehad voor de Amerikaanse rocker Bob Seger. Vooral om muzikale redenen, maar er is toch ook een anekdote die ik even kwijt moet, ook al omdat ik ze mondeling wel reeds tientallen keren heb moeten vertellen. Op mijn onafscheidelijk jeansjasje hingen meer dan drie decennia lang (wees gerust: het jasje zelf is al een keer vervangen) drie attributen: een gebroken geweer, een oorring en een “button”. Die oorring ben ik ondertussen kwijt (afgebroken) en vergt ook enige toelichting, al heeft dat niets met Bob Seger te maken. Die had ik namelijk gevonden na een nachtelijk bezoek en toen ik hem nadien aan het meisje in kwestie wou terugbezorgen, kreeg ik als antwoord dat hij niet van haar was. Man, dat moet ge meemaken! Enfin, ik besloot hem dus maar op te spelden in afwachting dat de rechtmatige eigenares hem zou herkennen. Ze heeft zich echter nooit gemeld…
Maar het gaat hier eigenlijk over die “button”. Daar staat namelijk op “Trying to live my life without you” en dat is een nummer van Otis Redding dat Bob Seger heeft gecovered op zijn dubbele live-elpee. En wat is het verhaal errond? Wel, toen de platenfirma mij deze elpee ter recensie had toegestuurd, ging ze vergezeld van een heleboel buttons, met daarop alle titels die op de elpee stonden. Ik was in die tijd pas gescheiden, maar ik onderhield toen nog contact met mijn ex-vrouw en daarom werd de verjaardag van mijn jongste zoon (en die van mijzelf, een dag later) nog bij haar gevierd. Naast zijn “echt” geschenk had ik die buttons ook meegebracht, omdat ik toch niet wist wat ik daarmee moest aanvangen. Er waren nog wat andere gasten op dat feestje (o.a. Roland en Rosie Hiel, meen ik me te herinneren) en John (mijn zoon dus) had er niet beter op gevonden dan die buttons uit te delen aan de aanwezigen. En ik kreeg dus van hem “Trying to live my life without you”…
Nu, John was toen nog zo jong dat hij niet kon lezen, laat staan dat hij Engels zou kunnen lezen (en verstaan), maar ik vond het toch een merkwaardig toeval. Marc De decker zou ongetwijfeld van magisch-realisme spreken!
Maar goed, vandaag hebben we het over de studio-elpee “Stranger in town”, die ik destijds in De Rode Vaan heb besproken onder de titel “Met de zegen van Bob Seger”…
Lees verder “Stranger in town”

Blondes have more fun

Blondes have more fun

In december 1978 volgde “Blondes have more fun”, waarvoor reeds een kleine personeelswissel werd doorgevoerd. John Jarvis werd vervangen door Duane Hitching (vermoedelijk omdat deze als typische studiomuzikant een afkeer heeft van het vermoeiende toeren) en de saxofonist Phil Kenzie kwam de hoop nog vergroten.
Ondanks het feit dat “Blondes” maar één zijde heeft (de B-zijde is vervangen door “Side A continued”) vinden we er toch de typische Stewart-indeling keiharde rock versus gevoelige soft-rock in terug, zij het beter gemixed dan gewoonlijk.
Qua afwisseling situeert “Blondes” zich dan ook op het niveau van “Gasoline Alley”. Sluitstuk “Scarred and scared” roept zelfs de eenvoud uit die tijd op door het feit dat Rod hier opnieuw als een “poor lonesome cowboy” de mondharmonika hanteert. Tegelijk vinden we in dit lied echter het grootste feil van de plaat: de zoeterige vioolarrangementen. Ik behoor niet tot het koor van huilende wolven dat Hans Van Hemert met de vinger wijst voor het “verknoeien” van RVHG’s “Ik doe niet mee” (koor waartoe Raymond van het Groenewoud zélf behoort, al verdedigde hij oorspronkelijk Van Hemert gevat door in Tliedboek erop te wijzen dat men hier “nooit spreekt van eerste of tweede viool maar van overbodige viool”), maar op deze elpee is Del Newman toch een beetje ver gegaan. Hij heeft Stewart enigszins “gevioleerd”. “Ain’t love a bitch”, dat nogmaals het (naar het schijnt waar gebeurde) verhaal van “Maggie May” oprakelt, betokkelt bijvoorbeeld dezelfde gevoelerige snaar.
Dat een viool in se echter geen moordwapen is, bewijst dan weer het mooie “Best days of my life”. En alhoewel “Last summer” helemaal binnen het easy listening genre valt, maakt fluitist Gary Herbig er toch iets moois van (als je ervan houdt natuurlijk, want Herbig klinkt hier ongeveer zoals Tim Weisberg op Dan Fogelbergs “Twin sons of different mothers” en buiten mezelf heeft bijna iedereen deze plaat gekraakt).
Zoals gewoonlijk klinkt Rod echter het best in slow-rocks. Deze keer is dat “Is that the thanks I get” en “Attractive female wanted”, toevallig twee nummers die verwijzen naar zijn avonturen met Britt Ekland. In “Thanks” zegt hij o.m.: “Your lawyers, detectives and private-eyes could never win me back”. En in “Female”: “She doesn’t have to be a movie star on the cover of a magazine”.
Lees verder “Blondes have more fun”