De vroegere cabaretdanseres Vivien Grey (echte naam Ella Rees Williams) schreef als Jean Rhys met “Wide Sargasso Sea” het verhaal van de eerste mevrouw Rochester, met andere woorden de krankzinnige vrouw die verborgen gehouden wordt in “Jane Eyre” van Charlotte Brontë.
Alhoewel gepubliceerd in 1966 was dit het eerste boek van Jean Rhys sedert 1939, toen ze gestopt was met schrijven omdat de erkenning uitbleef (toen de BBC in 1957 “Goodnight midnight” wou aanpassen als luisterspel, ging men ervan uit dat ze al overleden was!). Het spreekt dus als het ware vanzelf dat dit een “moeilijk” boek is geworden. Het gegeven zelf is alleszins een schitterende vondst. Bovendien is het ook goed ingepast in het verhaal van Brontë. Het is dan ook geen wonder dat John Duigan in 1992 op het gedacht is gekomen om nu eens in plaats van de zoveelste remake van “Jane Eyre”, dit boek te verfilmen, jammer genoeg niet met het vervolg van Charlotte Brontë erbij. Want alleen het vrouwelijke hoofdpersonage zou veranderen. Jane Eyre zou de mistige figuur worden, die Antoinette Cosway in Brontë’s boek is.
Maar wie is Antoinette Cosway? Zij is een Creoolse erfgename van een door inteelt decadent geworden ras, waarin de krankzinnigheid inderdaad welig tiert. Ook dit heeft Rhys dus van Brontë overgenomen. Alleen wordt haar ziekte, aangezien de sympathie van de schrijfster duidelijk naar het vrouwelijke personage uitgaat, veel genuanceerder benaderd. Enerzijds is er het feit dat de haat van Rochester, als hij ontdekt dat hij er door haar én door zijn eigen familie ingelazerd is, het krankzinnigheidsproces in hevige mate versnelt. Het is een beetje het verhaal van de kip en het ei: wat kwam eerst? De haat of de krankzinnigheid? Als Rochester in een brief naar zijn vader schrijft dat hij doorheeft wat men met hem heeft uitgehaald, dan kraait de haan op het erf (p.134). Ook in het korte derde deel dat zich in Thornfield Hall afspeelt, beklemtoont Rhys hoe harteloos hij wel is in de opsluiting die zijn echtgenote ten deel valt, zelfs al zou ze totaal krankzinnig zijn.
Anderzijds is er ook de rol van de lokale “obeah”-cultus op Jamaica (wat op Haiti voodoo wordt genoemd). Er is vooral de invloed van een zekere Christophine, waarvan gesuggereerd wordt dat ze een (uiteraard onwettige) halfzuster is van Antoinette, die van de ene kant Antoinette totaal in haar macht heeft en van de andere kant ook een vloek legt op Rochester. Of eigenlijk doet hij dat zelf: “Ik zou het licht uit mijn ogen geven om dit eiland nooit te hebben moeten zien” zegt hij op p.132 en dat is natuurlijk precies de losprijs die hij zal moeten betalen om uiteindelijk toch met Jane Eyre het geluk te kunnen vinden.
In Antoinette Cosway zit ongetwijfeld ook veel van Jean Rhys zelf, die opgroeide op het Caribische eiland Dominica, en zich daar “niet als de anderen” (de inboorlingen) voelde. Maar als ze als jong meisje naar Engeland wordt overgebracht (sommigen zeggen omdat ze, net als haar broer, met een inboorling vrijde, wat van haar broer wél, maar van een meisje niet werd getolereerd), dan voelt ze zich in dat mistige land waar het eten flets smaakt, nog minder “als de anderen”.
Ronny De Schepper