Het is al 135 jaar geleden dat de Amerikaanse schrijver Herman Melville is overleden.

Jean Cocteau beweerde ooit: “Vele schrijvers schrijven zoveel, dat ze geen tijd hebben om iets te beleven, waarover zij zouden kunnen schrijven”. Dat is zeker niet van toepassing op Herman Melville die erg realistisch schreef over het leven op zee. Hij had er dan ook verscheidene jaren op doorgebracht. In zijn werk reageerde hij op de culturele conflicten van zijn tijd met scherpzinnige, vurige en tegenstrijdige gevoelens. Rond zijn persoon en werk hangen nog steeds grote mysteries.
Herman Melville werd geboren in New York City op 1 augustus 1819 als derde kind in een gezin van acht. Vader was een bemiddeld invoerder wiens zaak echter grote schade was toegebracht door Amerika’s eerste vooroorlogse depressie. Zijn beide grootvaders, Thomas Melville en Peter Gansevoort, hadden een belangrijke rol gespeeld in de strijd voor de Amerikaanse onafhankelijkheid. In “Pierre: or the Ambiguities” (1852), een donkere allegorische zoektocht naar de natuur van het kwaad, zou Peter Gansevoort model gestaan hebben voor de oude Pierre, de wonderlijke voorouder wiens beeld de jonge Pierre achtervolgt.
Herman was een wat eenvoudig en lief kind. Een leerkracht op school verwoordde het als volgt: “Hij maakt vorderingen en haalt, zonder briljant te zijn, een aanvaardbaar niveau. Hij zou veel beter kunnen, indien hij meer studeerde. Maar het is zo’n beminnelijk en onschuldig kind dat ik het niet over mijn hart krijg er tegen in te gaan. Te meer daar hij schijnt gekozen te hebben om handelaar te worden.”
Toen de zaak van zijn vader over kop ging, vertrok de familie naar Albany. Amper twee jaar na hun aankomst overleed vader Melville. Herman en zijn oudere broer Gansevoort (de familienaam van moeder was de voornaam geworden van de oudste zoon) werden van school gehaald om de nieuwe kostwinners te worden.
Twaalf stielen
De wispelturigheid en het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel die de jonge Herman kenmerkten, kwamen in de jaren die volgden tot uiting. Eerst ging hij werken bij de bank van een oom. Vervolgens onderhield hij de boerderij van een andere oom, was onderwijzer in scholen zonder budget zodat hij meestal niet betaald werd, schreef af en toe een artikel voor een lokale krant, enz. Daarnaast volgde hij met tussenpozen vage studies.
Als twintigjarige werd hij het vergeefse zoeken naar degelijk werk beu. De oplossing die hij dacht gevonden te hebben om te kunnen ontsnappen uit de verveling en zijn onzekere bestaan, vergeleek hij met zelfmoord. De uitweg was volgens hem: gaan varen. Het was echter niet alleen de noodzaak die hem ertoe dreef de zeven zeeën te gaan bezeilen, het was ook een stuk de verwezenlijking van een kinderdroom die gevoed was door de reisverhalen en door de magische, exotische literatuur die hij als kind las.
De fantasie overtroffen
In 1839 werd Melville scheepsjongen op een koopvaardijschip dat naar Liverpool ging. Het was slechts als proefreis bedoeld want in gedachten dwaalde hij reeds over de hele wereld. De volgende zomer voer hij langs de oostkust van Amerika.
Voor een korte tijd had hij een slecht betaalde job als onderwijzer. Even probeerde hij nog werk te vinden als notarisklerk maar toen ook dat niet lukte, vertrok hij met de Acushnet op walvisjacht naar de Stille Zuidzee (1840). De walvisvaart was toen vaak de laatste toevlucht voor misdadigers en sociaal verstotenen. Al moet hij radeloos geweest zijn, toch trok ook het avontuur hem aan op deze reis van meerdere jaren zonder duidelijk doel.
De tocht leidde hem naar Rio de Janeiro, Kaap Hoorn en de kusten van Zuid-Amerika. Maar Herman was niet gelukkig. Hij vond de condities aan boord onverdraaglijk en toen het schip aanlegde op een van de Markiezeneilanden (juli 1842), deserteerde hij samen met een vriend, anderhalf jaar nadat ze voor het eerst aan boord gegaan waren.
Ze doolden rond op het eiland en kwamen per vergissing terecht bij de Typees, een stam die gekend was voor hun kannibalisme. Een maand lang werden ze hier gevangen gehouden tot ze bevrijd werden door de bemanning van een Australisch walvisschip.
Of het allemaal met de werkelijkheid strookt is moeilijk te zeggen. Op het eerste zicht lijkt het nogal vreemd dat kannibalen hen zo lang in leven lieten. Volgens Melville was dit uitsluitend te danken aan het feit dat ze hen eerst wilden vetmesten. Er zijn natuurlijk de getuigenissen van de Australische bemanningsleden maar in hoeverre die betrouwbaar zijn is niet duidelijk.
Aan boord van het Australische schip waren de condities nog slechter: een ziekelijke kapitein, een voortdurend dronken stuurman en een muitende bemanning. Na het aanmeren in Papeete, weigerde Melville verdere dienst. Hij werd opgesloten in een primitieve gevangenis en voor de rechter gebracht. Uiteindelijk “liet men hem toe” te ontsnappen zodat hij aan boord kon gaan van een schip dat naar Amerika zeilde.
Samen met een scheepsmaat ging hij echter aan land op het eiland Moorea, waar ze als zwervende strandjutters hun dagen vulden, tot men Melville inhuurde als harpoenist tot aan de volgende haven.
Hij belandde op Hawaii waar hij een winkel in droge voeding uitbaatte. De belofte op een vlugge terugreis naar huis, overtuigde hem in te schepen op het fregat United States. Het duurde echter meer dan een jaar vooraleer het schip Boston bereikte.
Begenadigd verteller
Terug in Amerika, begon Melville aan het neerschrijven van zijn belevenissen. “Typee: a peep at Polynesian life” (1846) vertelde over zijn verblijf bij de kannibalen. Ook al had Melville nooit een stuk mensenvlees achter hun tanden zien verdwijnen, toch maakte hij gebruik van hun reputatie om meer suspense in zijn verhaal te brengen. Hij gaf pittoreske beschrijvingen en details, opgeslagen in zijn herinnering of overgenomen uit werken die hij raadpleegde.
De opvolger “Omoo, a narrative of adventures in the South Seas” (1847) en ook “Mardi” (1849) verhaalden over zijn lotgevallen in Tahiti.
Met zowat al zijn belevenissen te boek gesteld kwam Melville voor een probleem te staan. Als hij verder wilde blijven schrijven zou hij verhalen moeten verzinnen. En dat lukte niet al te best. Toch zette hij zich met geforceerde energie aan het schrijven.
Een bijkomende impuls was zijn relatie met Elisabeth Shaw, de dochter van de hoofdrechter van Massachusetts. Na hun huwelijk gingen ze in New York wonen waar Herman een huis kocht dat groot genoeg was om zijn uitgebreide familie in onder te brengen.
Moby Dick
Van dan af gaf Melville zich weer volledig aan het schrijven van romans, waaronder waarschijnlijk zijn bekendste, “Moby Dick” dat oorspronkelijk als “Moby-Dick” werd gepubliceerd in 1851. Het verhaal over het conflict tussen kapitein Ahab en Moby Dick, een grote witte walvis die ooit een van Ahab’s benen afrukte, is gekend: Ahab is uit op wraak en gaat wanhopig op zoek naar zijn vijand. De roman lijkt te beginnen met een valse start: Queequeg, de kannibaal die gekrompen hoofden uit de Zuidzee verkoopt, speelt een grote rol in de eerste hoofdstukken, geschreven in de eerste persoon door Ishmael (de openingszin: “Noem me Ishmael” is wereldberoemd). Queequeg is in het begin van de roman prominent aanwezig, maar verliest later aan betekenis, net als Ishmael.
In de eerste alinea van “Moby Dick” vertelt Ishmael de lezer dat hij zich tot de zee heeft gewend uit een gevoel van vervreemding van de menselijke samenleving. In de laatste zin van het boek verwijst Ishmael symbolisch naar zichzelf als een wees. Wat is er gebeurd?
Het lijkt erop dat Melville begon met het schrijven van een boek over walvissen en vervolgens van gedachten veranderde. Na zijn verhuizing naar Massachusetts kwam hij onder de invloed van Nathaniel Hawthorne (hij recenseerde “Mosses from an Old Manse” uit 1846) en Thomas Carlyle (vooral “Sartor resartus” uit 1831) en hij was onder de indruk van het idee dat alle zichtbare dingen symbolen zijn van de onzichtbare en spirituele werkelijkheid: “Alle zichtbare dingen zijn slechts kartonnen maskers.” (Melville)
De walvis, het grootste schepsel in de schepping, werd voor Melville (die geen praktiserend unitariër was) een symbool voor God. Goed en kwaad verenigd in één. (En waarom is de walvis “wit”? Dat lees je in hoofdstuk 42.)
Als gevolg hiervan droeg Melville zijn roman op aan Nathaniel Hawthorne (vergelijk het hoofdstuk “Candles” met Hawthornes “Young Goodman Brown”), veranderde hij zijn perspectief (derde persoon in plaats van eerste persoon) en nam hij verwijzingen op naar Bijbelse figuren. Bovendien is er een invloed van William Shakespeare (bepaalde passages zijn gedramatiseerd) en van Samuel Taylor Coleridge (het idee van organische kunst, hoofdstuk 63).
Het hoofdverhaal is voornamelijk gebaseerd op een verhaal over “Mocha Dick, de witte walvis” van een voormalig marineofficier, Jeremiah Reynolds, in een tijdschrift uit 1839. Andere bronnen waren “Miriam Coffin” (1835) van Joseph Hart, “Etchings of a whaling cruise” (1846) van Ross Brown en andere boeken over oetologie (de studie van walvissen). En natuurlijk zijn eigen avonturen op de Acushnet. Pequod is ontleend aan Owen Chase’s verhaal over “de meest buitengewone en aangrijpende schipbreuk van het walvisjachtschip Essex”: op 20 november 1820 kwam de Essex een potvis tegen, die het schip ramde en tot zinken bracht. Omdat het voedsel opraakte, namen de overlevenden hun toevlucht tot kannibalisme. Tegen de tijd dat de laatste van de acht overlevenden op 5 april 1821 werden gered, waren zeven matrozen opgegeten. In 2013 werd dit verhaal verfilmd als “The Whale” door Alrick Riley met Martin Sheen in de rol van degene die het verhaal vertelt aan Melville.
De dood en wat daarachter ligt
Melville overleed in de vroege ochtend van 28 september 1891 in zijn huis in New York City, op 72-jarige leeftijd. De dokter vermeldde “hartvergroting” als doodsoorzaak op de overlijdensakte. Hij werd begraven op Woodlawn Cemetery in The Bronx, New York. Een veelvoorkomend verhaal is dat zijn overlijdensbericht in de New York Times hem “Henry Melville” noemde, wat zou impliceren dat hij ten tijde van zijn dood onbekend en ondergewaardeerd was, maar dit verhaal klopt niet.
Het is echter wel waar dat Melville vanaf ongeveer zijn 33e levensjaar minder populair was bij een breed publiek vanwege zijn steeds filosofischere politiek en experimentele neigingen. Hij was een pessimist in een over het algemeen optimistische tijd (“The Guilded Age”) na de Burgeroorlog.
De publieke opinie veranderde echter toen zijn novelle “Billy Budd, Sailor”, die ten tijde van zijn dood nog niet was gepubliceerd, in 1924 verscheen. Later werd het bewerkt tot een opera door Benjamin Britten en nog later tot een toneelstuk en een film door Peter Ustinov. Rond dezelfde tijd (1926) zag de eerste filmversie van “Moby Dick” het licht, zij het onder de titel “The Sea Beast” met John Barrymore als Kapitein Ahab. Barrymore speelde ook de hoofdrol in de eerste geluidsfilm, die ditmaal werd uitgebracht als “Moby Dick”, net als alle versies die volgden. De versie uit 1956 met Gregory Peck als Kapitein Ahab stond op de eerste plaats en bleef de meest populaire versie, ondanks andere pogingen in 1978 (met Jack Aranson als Ahab en nog twaalf andere personages) en in 1998 (met Patrick Stewart als Kapitein Ahab).

Ronny De Schepper
(met dank aan Jozef Raffo en Wikipedia voor de biografische gegevens)

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.