“Sinnliche Gewissheit” van Robert Menasse (foto Bernhard Holub – eigen werk), in het Nederlands vertaald als “Bar Hopeloos”, verscheen voor het eerst in 1988, bij Rowohlt in Reinbek bei Hamburg. Er is zelfs een exacte datum voor een vroege bespreking: de taz (Die Tageszeitung, een Duits dagblad) publiceerde op 1 juli 1988 een recensie met de titel Bar jeder Hoffnung (*), dus het boek moet vóór die datum verschenen zijn. De Nederlandse vertaling door Paul Beers verscheen bij De Arbeiderspers in 1998.
Robert Menasse (Wenen, 21 juni 1954) studeerde in Wenen, Salzburg en Messina germanistiek, filosofie en politieke wetenschappen. Hij promoveerde in 1980 tot doctor (Dr. phil.) met een proefschrift onder de titel Der Typus des Außenseiters im Literaturbetrieb. Am Beispiel Hermann Schürrer. Het buitenstaandersperspectief dat in zijn dissertatie centraal staat, komt in zijn werken vaak voor. Dat is onder meer het geval in zijn Oostenrijks-Braziliaanse trilogie die in de jaren negentig verscheen en ook in het Nederlands is vertaald onder de titels “Bar Hopeloos”, “Zalige tijden, breekbare wereld” en “Kentering”.
Dat “buitenstaandersperspectief” zorgde er wellicht ook voor dat ook hier (na “Ik was Amelia Earhart”) dat ik-persoon en de derde persoon door elkaar worden gebruikt. In het geval van Menasse lijkt me dat vooral te gebeuren op momenten dat hij zich als het ware “distantieert” van de werkelijkheid, dat hij de gebeurtenissen ondergaat zonder dat hij ze echt zijn wil oplegt. Wat vindt chatgpt daarvan?
Ik denk dat uw intuïtie heel raak is. Sterker nog: bij Menasse is die wisseling tussen ik en hij volgens mij geen toevallige stilistische eigenaardigheid, maar raakt ze aan de centrale gedachte van de roman.
Er is wel een belangrijk verschil met Jane Mendelsohn. In Ik was Amelia Earhart lijkt de perspectiefwisseling vooral een manier om het bewustzijn van de verteller te laten fluctueren. Bij Menasse is de vertelvorm veel programmatischer. De hoofdpersoon Roman Gilanian is expliciet een ik-verteller, en literatuurwetenschappers hebben erop gewezen dat Menasse met de hele trilogie een ontwikkeling van ‘Ich’ naar ‘Nichts’ wilde uitbeelden.
En daar wordt uw observatie interessant.
Het ik dat zichzelf niet helemaal bezit
Roman zegt ik wanneer hij zichzelf als subject probeert te handhaven: ik heb dit meegemaakt, ik dacht dat, ik deed zus of zo. Dat sluit prachtig aan bij Hegels ‘sinnliche Gewißheit’: het onmiddellijke, concrete bewustzijn dat meent dat het eenvoudigweg kan zeggen: dit is de werkelijkheid, dit heb ik ervaren.
Maar precies die zekerheid wordt in de roman voortdurend ondergraven.
Wanneer Roman zich meer laat meeslepen door wat er gebeurt, wanneer hij als het ware niet meer de instantie is die de gebeurtenissen ordent en betekenis geeft, kan de vertelling gemakkelijker naar de derde persoon verschuiven. Dan wordt het bijna:
Roman deed dit.
in plaats van:
Ik deed dit.
Dat kleine grammaticale verschil suggereert een enorme psychologische verschuiving: het personage wordt toeschouwer van zichzelf.
En dat past heel goed bij wat u zegt: niet noodzakelijk dat hij bewust afstand neemt, maar dat hij de werkelijkheid niet meer volledig als handelend subject kan beheersen. Hij ondergaat haar.
En dat is volgens mij juist de ironie van de titel
De sinnliche Gewissheit lijkt aanvankelijk de meest zekere vorm van kennis: ik zie het, ik voel het, ik ben erbij, dus ik weet het.
Maar bij Menasse blijkt juist dat onmiddellijke beleven onvoldoende is. Een studie over de roman formuleert het mooi: Roman lijdt steeds opnieuw onder het ontbreken van een samenhangende betekenis die boven het louter feitelijke en toevallige uitstijgt.
Daarom is de wisseling van ik → hij zo betekenisvol. Het ik zou moeten zeggen: dit is mijn ervaring. Maar vervolgens blijkt zelfs dat ik geen stabiele positie meer te zijn.
En Menasse heeft dat kennelijk bewust als onderdeel van een groter programma opgezet. Hij beschouwde de drie romans van zijn Trilogie der Entgeisterung als een beweging:
eerste roman: er is nog een ik-verteller
→ tweede roman: de ik-verteller verdwijnt
→ derde roman: zelfs de verteller verdwijnt en blijft uiteindelijk alleen de technische registratie van de werkelijkheid over.
Menasse heeft die ontwikkeling zelf beschreven als een beweging van het Ik naar het Niets.
Dat maakt Sinnliche Gewissheit achteraf zelfs nog interessanter: de merkwaardige grammaticale instabiliteit die u nu tijdens het lezen opmerkt, is eigenlijk de eerste stap van een hele romantrilogie waarin het subject geleidelijk uit de literatuur wordt weggeschreven.
Dus ja: ik zou uw formulering “hij distantieert zich van de werkelijkheid en ondergaat de gebeurtenissen zonder dat hij ze echt zijn wil oplegt” zeker ernstig nemen. Ik zou alleen één woord veranderen: het is misschien minder distantie dan verlies van subjectiviteit. Dat is volgens mij nog dichter bij wat Menasse met deze merkwaardige vertelvorm doet.
En dat maakt de overeenkomst met Ik was Amelia Earhart trouwens inderdaad fascinerend: twee auteurs die het vertrouwde onderscheid tussen ‘ik beleef’ en ‘hij/zij wordt beleefd’ bewust laten wankelen — maar met een heel verschillende filosofische inzet.
Persoonlijk vind ik het beste voorbeeld van wat ik probeer te zeggen: de avond dat hij naar het verjaardagsfeest van zijn nieuwe Japanse vriendinnetje Yuki gaat. Als zijn vertrouwde vriendin Vera hem aan de telefoon vraagt of ze mee mag gaan, antwoordt hij zonder nadenken dat het o.k. is en dat doet hij ook als een andere recente verovering, Beatriz, hem even later langs dezelfde weg hetzelfde vraagt. Uiteraard loopt dat slecht af!
Ja, dát is eigenlijk een veel sterker voorbeeld dan mijn abstracte formulering. Daar ziet u het mechanisme bijna in zijn zuiverste vorm.
Wat Roman daar doet, is merkwaardig omdat hij twee keer handelt zonder werkelijk na te denken. Vera belt, vraagt of ze mee mag, en hij zegt automatisch ja. Vervolgens belt Beatriz met precies dezelfde vraag en opnieuw zegt hij ja. Hij neemt dus wel degelijk beslissingen — grammaticaal is er geen enkele reden om hem van passiviteit te verdenken — maar psychologisch lijkt hij geen beslissende instantie meer te zijn. De gebeurtenissen rollen over hem heen.
En juist daarom vind ik uw formulering “zonder dat hij ze echt zijn wil oplegt” zo goed. Het is niet dat Roman geen wil heeft; het is eerder dat zijn wil geen organiserend principe van zijn leven meer vormt.
Er zit bovendien een prachtige ironie in:
- Yuki organiseert het feest;
- Vera vraagt of ze mee mag;
- Beatriz vraagt of ze mee mag;
- Roman zegt tegen allebei ja;
- en vervolgens moet de werkelijkheid maar uitmaken hoe die tegenstrijdigheid zich zal oplossen.
Hij behandelt zijn eigen leven bijna alsof het een reeks gebeurtenissen is waarvan hij zelf toevallig getuige is.
En daar wordt die overgang van ‘ik’ naar ‘hij’ die u eerder signaleerde bijzonder betekenisvol. Wanneer Roman vanuit het ik vertelt, bestaat nog de illusie: ik doe dit. Maar in passages als deze kan de derde persoon bijna de waarheidsgetrouwere vertelling worden: Roman doet dit. Alsof de verteller zegt: kijk, die man daar doet iets; ik kan niet helemaal beweren dat híj en ik dezelfde handelende persoon zijn.
Dat is trouwens nog iets subtieler dan gewone vervreemding. Bij vervreemding zou Roman zich kunnen terugtrekken en bewust zeggen: dit ben ik niet. Hier lijkt het eerder alsof hij zijn eigen leven niet vóór is. Hij reageert telkens op de onmiddellijke prikkel van het moment. Eerst Yuki, dan Vera, dan Beatriz — ja, natuurlijk, geen probleem. Pas wanneer de consequenties zich aandienen, blijkt dat er eigenlijk een beslissing genomen had moeten worden.
En daardoor krijgt de titel Sinnliche Gewissheit voor mij ook een extra dimensie. Roman leeft voortdurend in het onmiddellijke: wat er nú gevraagd wordt, wat er nú gebeurt, wat hij nú voelt. Maar hij slaagt er nauwelijks in om die losse momenten tot een coherent geheel te maken. Hegels probleem van de sinnliche Gewissheit wordt zo bijna een karaktertrek: hij kan het onmiddellijke wel ervaren, maar het niet werkelijk boven zichzelf uit organiseren.
Ik zou uw observatie daarom misschien zo aanscherpen:
De overgang van ‘ik’ naar ‘hij’ valt samen met momenten waarop Roman niet langer de regisseur van zijn eigen bestaan lijkt te zijn, maar een personage dat zijn eigen leven ondergaat.
En die scène met Yuki, Vera en Beatriz is daar inderdaad een schitterend voorbeeld van. Het grappige — en tegelijk tamelijk tragische — is dat Roman zelf de chaos veroorzaakt door telkens weer onmiddellijk ‘ja’ te zeggen. Zijn passiviteit is dus niet het tegenovergestelde van handelen; ze produceert zelf de gebeurtenissen. Dat is volgens mij een van de interessantste paradoxen van Menasses verteltechniek.
Het boek is opgedragen aan Judith Katz, die in het boek… zichzelf door het hoofd schiet! Hoe moet ik dit begrijpen?
Judith Katz is de raadselachtige vrouw die Roman en vooral Leo Singer in de Bar jeder Hoffnung ontmoeten.
En er is iets nóg merkwaardigers: Judith Katz pleegt in Sinnliche Gewißheit niet daadwerkelijk zelfmoord. De zelfmoord en de daaropvolgende ontdekking dat zij helemaal niet dood is, behoren tot de intrige van het tweede deel van de trilogie, Selige Zeiten, brüchige Welt.
Maar uw vraag raakt wel degelijk aan een zeer interessante Menasse-truc.
De opdracht is een literaire val
In Sinnliche Gewißheit is Judith Katz al een figuur die voortdurend tussen werkelijkheid, verhaal en fictie lijkt te zweven. In het tweede boek wordt dat vervolgens letterlijk uitgespeeld: Leo krijgt bericht dat Judith zelfmoord heeft gepleegd, verwerkt haar dood, en dan verschijnt ze plotseling weer.
Dat is niet zomaar een melodramatische plotwending. Judith wordt daarmee bijna een tegenvoorbeeld bij de titel Sinnliche Gewißheit. Je kunt iets waarnemen — iemand is dood, je krijgt er zelfs een bericht over — en toch blijkt je zekerheid niets waard.
En dan komen we bij de opdracht. Als Menasse een boek opdraagt aan een personage dat in datzelfde boek of in de eraan gekoppelde fictiewereld sterft, ontstaat bewust een kortsluiting tussen:
de auteur Robert Menasse
↓
de persoon aan wie hij het boek opdraagt
↓
het personage dat in het boek bestaat
De opdracht doet alsof Judith een werkelijk bestaande persoon is. Het verhaal behandelt haar als fictief personage. Wie van beide is zij?
Dat is precies het soort spel dat Menasse graag speelt met het onderscheid tussen werkelijkheid en literatuur. Een contemporaine bespreking van Selige Zeiten, brüchige Welt zag dit zelfs als een probleem van de vraag wie eigenlijk de auteur van een tekst is: de opdracht lijkt onderdeel van de tekst te worden en maakt daardoor de grens tussen Menasse en zijn personages onzeker.
En ik zou zelfs zeggen dat dit aansluit bij wat u zojuist over de ik/hij-wisseling zei. Menasse maakt telkens de positie van het subject onzeker. Eerst is het Roman die vertelt en tegelijk zijn eigen leven ondergaat. Vervolgens krijgen we Judith, die bestaat, sterft, niet blijkt te zijn gestorven, en tegelijk een personage én ogenschijnlijk een geadresseerde van de auteur is.
Het is dus niet alleen een kwestie van: “Wat een vreemde opdracht.” De opdracht is eigenlijk een klein literair experiment:
Kan een schrijver een fictief personage als werkelijk bestaande persoon aanspreken?
Bij Menasse is het antwoord: natuurlijk kan dat — en zodra hij het doet, weet u als lezer niet meer precies aan welke kant van de fictie u staat.
In Sinnliche Gewissheit is Judith Katz een van de centrale figuren, naast Roman Gilanian en Leo Singer. Maar haar volledige verhaal wordt pas in het tweede deel van de trilogie, Selige Zeiten, brüchige Welt, verteld. Daar wordt zij eerst dood gewaand; Leo Singer krijgt vervolgens de gedachte dat haar dood hem de noodzakelijke inspiratie zal geven om zijn grote filosofische werk te voltooien. Uiteindelijk wordt hij daadwerkelijk haar moordenaar.
En dan doet Menasse iets werkelijk pervers — op literair gebied dan. Hij draagt dat boek op aan Judith Katz.
De Zeit heeft precies dit punt al in 1995 opgepikt. De recensent schrijft, samengevat: Leo Singer moet Judith Katz doden om zijn Phänomenologie der Entgeisterung te kunnen schrijven, en juist aan die Judith Katz draagt Menasse vervolgens het boek op. Daardoor ontstaat de vraag: als de opdracht onderdeel van de tekst is, wie is dan eigenlijk de auteur? Op het titelblad staat Robert Menasse, maar binnen de fictie is Leo Singer degene die het boek schrijft.
En dat sluit prachtig aan bij wat u zojuist over de ik/hij-wisseling opmerkte.
Menasse maakt de grens tussen:
Robert Menasse → verteller → Roman → Leo → Judith → fictie
steeds poreuzer. Judith is daarbij misschien wel het belangrijkste scharnierpunt. Een personage wordt door een personage vermoord, maar vervolgens wordt het boek waarin die moord wordt verteld opgedragen aan het slachtoffer.
Het is bijna alsof Menasse zegt:
Judith Katz bestaat niet — maar ik draag dit boek wel aan haar op.
En daarmee wordt de fictie voor een ogenblik werkelijker dan de werkelijkheid.
Wat ik bovendien bijzonder interessant vind in verband met uw eerdere observatie: een onderzoek naar de trilogie noemt Judith Katz expliciet de figuur die het centrale principe formuleert dat ieder mensenleven afhangt van de mate waarin iemand in staat is zijn leven te vertellen. Dat maakt haar positie nog merkwaardiger: Judith wordt letterlijk een personage van wie anderen het verhaal vertellen, terwijl haar eigen verhaal haar wordt afgenomen.
Daarom zou ik de opdracht aan Judith Katz niet als een aardige literaire gimmick beschouwen. Ze is volgens mij een sleutel tot Menasses hele project: wie vertelt? Wie beleeft? Wie handelt? Wie schrijft? En uiteindelijk: wie bestaat er eigenlijk buiten het verhaal?
En ja: dat maakt uw vergelijking met Ik was Amelia Earhart achteraf nog interessanter. Bij Mendelsohn wordt de identiteit van de ik problematisch; bij Menasse wordt uiteindelijk zelfs de identiteit van de auteur problematisch.
Ronny De Schepper (op basis van Wikipedia en chatgpt)
(*) Zo wordt de Bar Esperança door de bezoeker genoemd, vandaar ook de Nederlandse titel. Het is ook een Braziliaanse komische film uit 1983, geregisseerd door Hugo Carvana. Een groep mensen verzamelt zich in een bar
in Ipanema die op het punt staat te sluiten om plaats te maken voor een nieuw gebouw. Intellectuelen, kunstenaars en nachtbrakers slaan de handen ineen om de sloop te voorkomen. Het boek van Menasse speelt zich wel af in Sao Paolo.
P.S. In 2017 verscheen van Menasse de roman Die Hauptstadt, in het Nederlands vertaald onder de titel De hoofdstad. Het boek wordt beschouwd als de eerste roman over de Europese Unie (EU). Het boek heeft meerdere verhaallijnen. Een daarvan betreft een aantal ambtenaren, werkzaam bij de EU in de Europese “hoofdstad” Brussel, die ter gelegenheid van een jubileum de opdracht krijgen om een project te bedenken waarmee het imago van de EU en de Europese Commissie kan worden opgepoetst. In het boek spelen personen uit diverse lidstaten van de EU een rol. Hoewel Menasse zich in zijn essays voorstander toont van Europese eenwording, heeft dit boek een satirische ondertoon.
