De originele Amerikaanse editie van Jane Mendelsohns I Was Amelia Earhart verscheen op 16 april 1996 bij Alfred A. Knopf in New York. Het was haar debuutroman, 145 pagina’s lang, ISBN 0-679-45054-8.

Als er één boek is dat in de ik-vorm zou mogen verschijnen, dan is het dit wel. Toch wisselt de auteur af met passages in de derde persoon. Vindt u dat geslaagd?

Ja, en ik denk dat juist daar een van de interessantste — maar ook meest riskante — keuzes van Mendelsohn zit.

Op het eerste gezicht hebt u volkomen gelijk: dit boek lijkt bijna gemaakt voor de ik-vorm. De titel I Was Amelia Earhart is immers al een identificatie: de verteller zegt niet zij was Amelia Earhart, maar ik was haar. Bovendien wil Mendelsohn niet zozeer de historische Earhart reconstrueren als in haar huid kruipen. Ze heeft zelf verteld dat ze een eerste versie volledig in de derde persoon schreef, maar daar ontevreden over was. Daarna herschreef ze het boek in de eerste persoon om het persoonlijker en directer te maken.

Maar dan komt die merkwaardige wisseling.

Mendelsohn heeft er zelfs een verklaring voor ingebouwd: soms ervaart Amelia haar gedachten als van binnenuit, in de eerste persoon; op andere momenten ziet ze zichzelf als het ware van buitenaf, en wordt het “zij”. Dat sluit dan aan bij het thema van het boek: de vrouw Amelia Earhart tegenover de mythe Amelia Earhart. De historische figuur is immers tegelijkertijd iemand die leeft én iemand naar wie anderen kijken. Een beroemde vrouw kan haar eigen leven nauwelijks nog uitsluitend als “ik” beleven.

En dáárom vind ik de derde persoon in principe geslaagd. Wanneer ze schrijft als “ik”, krijgen we de Amelia die zichzelf ervaart: haar verlangens, haar angst, haar herinneringen. Wanneer ze “zij” wordt, ontstaat er afstand: Amelia kijkt naar Amelia Earhart, het publieke personage. Dat is eigenlijk heel mooi gevonden.

Maar ik heb wel een voorbehoud: Mendelsohn voert die techniek soms niet consequent en te willekeurig door. Het kan gebeuren dat je als lezer juist helemaal in die intieme ik-stem zit en plotseling naar de derde persoon wordt geslingerd zonder dat daar een duidelijke emotionele of dramatische aanleiding voor is. Een recensent in The Nation vond precies dat probleem: de verklaring werkt aanvankelijk, maar volgens haar valt ze uiteen wanneer de derde persoon ook toegang krijgt tot Noonan’s gedachten.

Ik zou het daarom zo formuleren:

De wisseling tussen “ik” en “zij” is als principe uitstekend, maar Mendelsohn vertrouwt soms te weinig op haar eigen principe.

Het mooie is dat die techniek eigenlijk perfect past bij de titel. “I was Amelia Earhart” betekent uiteindelijk ook: ik ben niet meer degene die jullie denken dat ik ben. De eerste persoon staat voor de vrouw; de derde persoon voor de legende die van haar gemaakt is.

En er is nog iets aardigs aan: de eerste versie van de roman heette The After Life en was veel langer en geheel in de derde persoon. Pas door de herschrijving ontdekte Mendelsohn volgens haar eigen zeggen de stem van Amelia — én haar eigen stem. Dat maakt de uiteindelijke mengvorm eigenlijk minder een trucje dan het spoor van het schrijfproces zelf.

Mijn oordeel dus: geslaagd als idee, niet altijd geslaagd in de uitvoering. En juist omdat de ik-vorm hier zo vanzelfsprekend lijkt, vind ik het eigenlijk moedig dat Mendelsohn zichzelf die beperking niet heeft opgelegd.

Jane Mendelsohn is één van die auteurs die heel veel belang hecht aan haar openingszin (ze herhaalt het een paar keer in haar werk). Bij haar wordt dat dan: “Het luchtruim is een levend lichaam.” Wat vindt u van deze openingszin?

Ja — en ik zou zelfs zeggen dat „Het luchtruim is een levend lichaam” een buitengewoon goede openingszin is, juist omdat hij tegelijk vreemd en volkomen vanzelfsprekend klinkt.

Kleine correctie vooraf: in het Engelse origineel luidt de zin nog radicaler: “The sky is flesh.” Daarna wordt die hemel beschreven als een „great blue belly” die zich boven het water welft. De Nederlandse formulering „Het luchtruim is een levend lichaam” is dus een vertalende uitbreiding van het nogal schokkende origineel.

Wat mij vooral treft, is dat Mendelsohn met één grammaticaal uiterst eenvoudige vergelijking de hele wereld van de roman opent. Ze zegt niet: de hemel lijkt op een lichaam. Ze zegt: de hemel ís vlees. Daarmee wordt de lucht niet langer de lege ruimte waarin Amelia vliegt, maar iets lichamelijks, organisch, tastbaars.

En dat past natuurlijk schitterend bij Amelia Earhart. Zij is iemand die letterlijk haar lichaam aan het luchtruim toevertrouwt. De piloot en de lucht zijn niet meer netjes van elkaar gescheiden. Het vliegtuig is bijna een verlengstuk van het lichaam, en het lichaam beweegt door een ander lichaam.

Maar er zit nog een tweede laag in die ik misschien nog interessanter vind. De openingspassage gaat onmiddellijk over herinneren en dood zijn. Na die eerste zin volgt de beschrijving van de hemel en vervolgens: “More and more now, I remember things” — en de verteller zegt dat het leven dat zij sinds haar dood heeft geleid échter aanvoelt dan het leven dat zij vroeger leidde.

Dus die eerste zin is niet alleen een metafoor voor vliegen. Ze zet meteen het probleem van lichaam versus geest, leven versus dood neer.

En daar komt uw opmerking over die terugkeer naar de openingszin mooi bij. Als Mendelsohn die zin later opnieuw laat opduiken, krijgt hij een soort leitmotivfunctie. Een goede openingszin doet dan achteraf iets heel merkwaardigs: hij blijkt niet het begin van de gedachte te zijn, maar juist de formule waarnaar het hele boek voortdurend terugkeert.

Ik vind hem daarom sterker dan een mooie, „literaire” openingszin als „Het was een heldere ochtend…”. Hij geeft ons onmiddellijk een beeld én een ontologische uitspraak: de wereld is anders dan wij denken dat hij is.

En eerlijk gezegd vind ik het Engelse “The sky is flesh” nóg sterker dan de Nederlandse versie. „Het luchtruim is een levend lichaam” verklaart de metafoor een beetje. “The sky is flesh” laat ons eerst even met onze mond open zitten. Dat lijkt me precies wat Mendelsohn wilde.

Wat heeft de schrijfster verder nog gepresteerd?

Eigenlijk heeft Jane Mendelsohn een opvallend klein oeuvre. Als u I Was Amelia Earhart nu leest en zich afvraagt of er nog veel van haar te ontdekken valt: er zijn slechts vier romans verschenen. Haar officiële website noemt precies deze vier.

  1. I Was Amelia Earhart (1996)
    Haar debuut, en meteen haar grote doorbraak. Het boek werd een New York Times-bestseller en stond veertien weken op de bestsellerlijst. Het werd bovendien genomineerd voor de Orange Prize.
  2. Innocence (2000)
    Dit is volgens mij degene die u het meest zou moeten interesseren na Earhart. Het is een soort moderne, gotische coming-of-age-roman over de jonge Beckett, die na de dood van haar moeder op een nieuwe school terechtkomt. Daar gebeuren mysterieuze dingen en speelt Mendelsohn met motieven van jeugd, schoonheid, seksualiteit en dood. De roman wordt omschreven als een mengeling van gothic novel, tienerroman en thriller. Er zit ook iets van haar Earhart-techniek in: opnieuw gebruikt ze een mythische, bijna sprookjesachtige logica om psychologische ervaringen te beschrijven. Innocence is later bovendien voor film bewerkt.
  3. American Music (2010)
    Dit lijkt me misschien wel haar meest ambitieuze boek. Het is opgebouwd rond verschillende liefdesgeschiedenissen die zich over generaties uitstrekken, met muziek als verbindend element. De roman behandelt tegelijk een familiegeschiedenis én een stuk twintigste-eeuwse Amerikaanse geschiedenis. Het is dus opnieuw typisch Mendelsohn: niet gewoon een realistische familiegeschiedenis, maar geschiedenis die bijna een mythische aanwezigheid wordt.
  4. Burning Down the House (2016)
    Haar meest recente roman. Hier wordt het allemaal een stuk donkerder en maatschappelijker: een rijke New Yorkse familie, interne rivaliteiten, geld en macht, internationale misdaad en zelfs mensenhandel. Het verhaal voert de lezer van Manhattan naar onder meer Londen, Rome, Laos en Turkije.

Er is bovendien een interessante tweede carrière als essayist en recensent. Mendelsohn publiceerde al vanaf 1990 boekbesprekingen en essays in onder meer The New York Times, The Guardian, The New Republic, The Yale Review en London Review of Books.

Wat mij bij dit alles vooral opvalt, is dat I Was Amelia Earhart helemaal geen toevallige uitschieter lijkt. De vier boeken hebben een duidelijke gemeenschappelijke kern: Mendelsohn neemt iets wat eigenlijk al een mythe is — Amelia Earhart, jeugd en schoonheid, Amerikaanse muziek/geschiedenis, de machtige New Yorkse familie — en probeert daar vervolgens een persoonlijke, bijna droomachtige werkelijkheid van te maken.

En gezien uw opmerking over die openingszin zou ik Innocence zeker onthouden. Mendelsohn lijkt iemand bij wie de eerste zin en het eerste beeld geen versiering zijn, maar het zaad waaruit de hele roman groeit. Dat is bij Earhart heel duidelijk, en blijkbaar ook in haar latere werk.

Ronny De Schepper & chatgpt

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.