Op 6 juli 1996 haalde het Vlaams Blok het in hun domme kop om in Gent hulde te brengen aan Emiel Moyson. Niet dat “mijnheer Emiel”, zoals hij werd genoemd, dat niet zou verdienen, maar de lof kwam toch wel uit de verkeerde hoek.
Het was niet de eerste keer dat Emiel Moyson, de man waarnaar sommige socialistische ziekenfondsen zich later zouden noemen, door extreem-rechts wordt binnengehaald. Dat gebeurde ook reeds door de collaborerende pers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarbij baseerde men zich op het flamingantisme van Moyson. Van huize uit Franstalig (zoals men nog aan de overvloed van gallicismen in zijn werk kan merken), was hij flamingant geworden onder de invloed van zijn leraar Jan Frans Heremans. Van hem had hij ook de Groot-Nederlandse gedachte geërfd, die hem tot tegenstander maakte van het West-Vlaamse particularisme van Gezelle. (Al dient gezegd dat onderzoek van Michel van der Plas heeft uitgewezen dat Gezelle zijn taal – een mengeling van oude West-Vlaamse woorden met neologismen voor uit het Romaans afkomstige woorden, zoals “berd” voor “tafel” – als een eenheidstaal voor het héle Nederlandse taalgebied zag. En dat hij anderzijds niet tégen het gebruik van het Frans in Vlaanderen was. Albrecht Rodenbach daarentegen kwam op het einde van zijn leven tot de conclusie dat de Vlaamse zaak in zijn katholieke biotoop nooit een kans zou krijgen, omdat dit tot een sociaal conflict zou leiden dat de op eenheid hamerende kerk nooit zou dulden.)
Gemakshalve vergeet “rechts” dan wel het sociale engagement dat daar voor Moyson mee samenhing. Toegegeven, de fout ligt hiervoor ook bij de progressieven die Vlaamsgezindheid zelf ook altijd in de rechtse hoek duwen en bij mensen als Moyson dus precies de omgekeerde beweging maken: zij beklemtonen het sociale karakter en dringen het taalaspect naar de achtergrond. Naar aanleiding van de Paul van Ostayen-herdenking kon men op een rechttrekken van die situatie hopen (met naast van Ostayen zelf ook een herwaardering van linkse flaminganten als Jef van Extergem, Herman Vos en Herman van de Reeck), maar sommige reacties op het “eenzijdig Vlaamse karakter” van “Het Sienjaal” van De Batselier-Coppieters hebben deze hoop alweer de kop ingedrukt.
Even teruggaan in de geschiedenis zal dus niemand kwaad doen… (Al werkt dat, toegegeven, niet altijd verhelderend: zo is een jeugdvriend van Paul van Ostayen, Robert van Genechten, wel degelijk uitgegroeid tot een volbloed fascist, wat o.m. uit zijn “variant” op het Reinaert-verhaal mag blijken.)
Ronny De Schepper