Het is vandaag al negentig jaar geleden dat de Londense auteur Gilbert Keith Chesterton, de geestelijke vader van de “Father Brown mystery stories”, is overleden (foto Wikipedia).

Hoewel Gilbert Keith Chesterton zichzelf slechts als een “uitbundige journalist” beschouwde, was hij in werkelijkheid een productief en begaafd schrijver op vrijwel elk literair gebied. Hij was een man met sterke meningen (zo was hij een notoir racist maar dat vertelde Anton van Wilderode er niet bij) en enorm getalenteerd in het verdedigen ervan. Zijn uitbundige persoonlijkheid stelde hem desondanks in staat om warme vriendschappen te onderhouden met mensen als George Bernard Shaw en H.G.Wells, met wie hij het hartgrondig oneens was.
Chesterton had er geen moeite mee om op te komen voor waar hij in geloofde. Hij was een van de weinige journalisten die zich tegen de Boerenoorlog verzette. Zijn boek Eugenics and Other Evils uit 1922 viel wat destijds het meest “progressieve” idee was aan: het idee dat het menselijk ras een superieure versie van zichzelf kon en moest voortbrengen. De nazi-ervaring bewees de wijsheid van zijn ooit “reactionaire” opvattingen. Tijdens de sombere dagen van 1940 werden deze regels uit zijn Ballade van het Witte Paard uit 1911 vaak geciteerd:
Ik vertel u niets ter troost,
ja, niets voor uw verlangen,
behalve dat de hemel steeds donkerder wordt
en de zee hoger stijgt.

Zijn politieke opvattingen sloten aan bij zijn diepe wantrouwen jegens geconcentreerde rijkdom en macht van welke aard dan ook. Samen met zijn vriend Hilaire Belloc en in boeken zoals ‘ Wat is er mis met de wereld’ uit 1910 bepleitte hij een visie die hij ‘distributisme’ noemde, die het best wordt samengevat door zijn uitspraak dat elke man het recht zou moeten hebben om ‘drie acres en een koe’ te bezitten’. Hoewel hij niet bekend staat als politiek denker, reikt zijn politieke invloed tot ver over de hele wereld. Sommigen zien in hem de grondlegger van de ‘klein is mooi’- beweging.
Hij was een levenslustige en gezellige man, maar werd desondanks in zijn adolescentie geplaagd door zelfmoordgedachten. In het christendom vond hij de antwoorden op de dilemma’s en paradoxen die hij in het leven zag (paradoxen zijn een geliefd thema in zijn werk). Hoewel zijn biografieën van auteurs en historische figuren zoals Charles Dickens en Sint Franciscus van Assisi niet voor een academisch publiek zijn geschreven, bevatten ze vaak briljante inzichten in hun onderwerpen.
In 1932 werd de Detection Club opgericht met als eerste voorzitter Gilbert Keith Chesterton, de geestelijke vader van the “Father Brown mystery stories”, geschreven tussen 1911 en 1936. Het verhaal gaat dat Chesterton zijn personage van Father Brown gebaseerd heeft op een kennis van hem, ene Father O’Connor, die hem tijdens een zware ziekte in 1913 terzijde stond, maar het eerste boek met Father Brown (“De zonderlinge voetstappen”) verscheen reeds in 1911. Misschien kende hij de man reeds vroeger, maar toch zou hij zich pas in 1922 tot het katholicisme bekeren en zich laten dopen. De voornaamste verdienste van Chesterton binnen het detectivegenre is dat hij de ontrafeling van de misdaad weer tot de juiste proporties heeft teruggebracht. In hun ijver om Arthur Conan Doyle te overtreffen, waren sommige schrijvers immers buitensporig ver gegaan in het bedenken van bizarre en verwarrende plots. William Le Queux geldt daarvan als voorbeeld par excellence. Chesterton veroordeelde vooral het ten tonele voeren van “beroepsmisdadigers” omdat het strijdig was met de “sportieve ethiek”.

Chesterton overleed op 14 juni 1936 in Beaconsfield, Buckinghamshire. Tijdens zijn leven publiceerde hij 69 boeken en na zijn dood zijn er tenminste nog tien verschenen.
Wat weinig bekend is, dat is dat ook Chesterton een “fantasy”-verhaal heeft geschreven dat zich in 1984 afspeelt, namelijk “The Napoleon of Notting Hill” uit 1904. Alhoewel zeker niet zo somber als het gelijknamige werk van George Orwell, heeft ook dit boek een donker kantje. Eigenlijk zou men hier reeds van de Kafkaiaanse kwaliteiten kunnen spreken, die C.S.Lewis toedichtte aan een andere fantasmagorische farce van enkele jaren later, namelijk “The man who was Thursday” uit 1908. Dit wordt over het algemeen als zijn beste werk beschouwd.

Ronny De Schepper (gebaseerd op een korte biografie geschreven door Mike Piff en de lessen van Anton van Wilderode)

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.