“Le journal d’une femme de chambre” is een Frans-Italiaanse film, geregisseerd door Luis Buñuel en uitgebracht op 4 maart 1964. Het is een bewerking van de gelijknamige roman van Octave Mirbeau. De film volgt een jonge Parijse vrouw die een baan als dienstmeisje aanneemt in de provincie, waar ze werkt voor vooraanstaande figuren (Michel Piccoli als meneer Monteil, de heer des huizes, een seksverslaafde; Françoise Lugagne als mevrouw Monteil, de vrouw des huizes en Jean Ozenne als meneer Rabour, de vader van mevrouw Monteil, een fetisjist) wier obsessies en wreedheid hun verborgen frustraties en perversies aan het licht brengen.
Hiervoor heeft Bunuel zoals gewoonlijk samen met Jean-Claude Carrière het scenario geschreven, maar deze keer is dit toch wel merkwaardig, want het slot werd nogal drastisch gewijzigd. Célestine trouwt immers niet met de fascistische knecht Joseph, maar met de al niet veel betere maar wel rijkere buurman (Daniel Ivernel), terwijl ze Joseph door middel van een vervalst bewijs uiteindelijk toch nog voor de moord op de kleine Claire tracht te laten inrekenen. Dat mislukt juist omdat het bewijs vervalst is. Joseph opent zijn café in Cherbourg dan maar met iemand anders.
Vergeleken met de roman van Octave Mirbeau zijn er veel verschillen te noemen in de bewerking van Jean-Claude Carrière. Zo speelt de actie zich in de jaren dertig af, waardoor we aan het einde de demonstranten van het Croix-de-feu “Leve Chiappe!” (*) horen roepen, terwijl ze langs Josephs cafeetje in Cherbourg lopen;
Echt aangrijpend kan je de Franse schrijver Octave Mirbeau (1850-1917) niet noemen, maar hij is alvast niet iemand die zichzelf (en/of zijn personages) aan het fatum onderwerpt. Integendeel. Zelf was hij steeds consequent « anti », al bracht hem dat — minder consequent — van uiterst rechtse naar uiterst linkse standpunten. Conservatief monarchist ten tijde van de Derde Republiek evolueerde hij naar het anarchisme toen de republiek zich begon te « settelen » en zijn sterkste aanhang precies bij de rechtse milieus ging vinden.
Le journal d’une femme de chambre schreef hij in 1900 en het zal voor iedereen wel duidelijk zijn dat hij toen reeds eerder in het linkse kamp zat (opvallend is dat er in 1946 een Russische vertaling van verschijnt en pas in 1965 een Amerikaanse en dan nog een gecensureerde). Toch heeft hij aan zijn verleden een schitterende tekening overgehouden, namelijk die van de knecht Joseph (Georges Géret), jodenhater, dief en — wellicht ook — kinderverkrachter en -moordenaar (Dominique Sauvage). Al heeft ze hem van meet af aan door, toch is het precies door het met deze Joseph aan te leggen dat het kamermeisje Célestine (Jeanne Moreau) uit haar knechtenrol kan geraken. Meteen komt hier de voornaamste verdienste van Mirbeau aan de oppervlakte: de kritiek die Célestine de hele tijd door heeft op haar meesters, is evenzeer op haar toepasselijk eens ze de gewenste status heeft bereikt.
De film trok 1.389.101 kijkers in Frankrijk en eindigde daarmee op de 33e plaats in de box office van 1964. Dat jaar was Le Gendarme de Saint-Tropez echter de absolute koploper met bijna acht miljoen bezoekers.
Ronny De Schepper (op basis van Wikipedia)
(*) Jean Chiappe werd geboren op 3 mei 1878 in Ajaccio (Corsica). In het Middellandse Zeegebied was hij een hooggeplaatste Franse ambtenaar en politicus. Hij bekleedde daarna achtereenvolgens de functies van prefect van politie van Parijs (1927-1934), voorzitter van de gemeenteraad van Parijs (1935-1936) en afgevaardigde voor de Seine (1936-1940). Op 25 november 1940 werd hij door Philippe Pétain benoemd tot Hoge Commissaris van Frankrijk voor de Levant. Hij verdween op zee nadat het vliegtuig waarmee hij naar zijn post in Beiroet vloog, was beschoten.