Het is al 65 jaar geleden dat Bob Dylan zijn grote voorbeeld Woody Guthrie ging opzoeken in New York. Een foto bestaat er uiteraard niet van deze ontmoeting, dus u moet het stellen met een fotomontage van de twee folklegendes.
In september 1960 leende Bob Dylan een exemplaar van Woody Guthrie’s autobiografie “Bound for Glory” van een studiegenoot en raakte erdoor geobsedeerd. Het boek, geschreven met de aanmoediging van Alan Lomax en gepubliceerd in 1943, maakte van de hoofdpersoon een bijna mythische figuur. Dylan begon de spreekstijl van zijn held na te bootsen en vertelde zelfs aan het publiek in Café Wha? toen hij de volgende januari voor het eerst in New York aankwam: “Ik heb door het land gereisd, in de voetsporen van Woody Guthrie.”
Bob Dylan zou zijn rimpelloze jeugdjaren later inderdaad heruitvinden: hij spelde journalisten allerlei sterke verhalen op de mouw over een rondtrekkend zwerversbestaan als wees en circusartiest. Die hersenspinsels zouden hem later zuur opbreken. Een journalist van Newsweek zou er in 1963 achter komen dat Dylan helemaal geen wees was zoals hij eerder tegenover de pers had laten uitschijnen. Het novembernummer van Newsweek dreef hiermee de spot. Dylan zou ziedend van woede voortaan niets meer over zijn privé‑leven loslaten en zijn entourage een omerta tegenover de media opleggen. Vanaf nu zou Bob ook een team van mensen om zich heen verzamelen om hem te verzorgen en zijn privacy te beschermen. Victor Maymudes werd Bobs eerste lijfwacht en roadmanager.
Bob Dylan mocht dan nog aan het begin van zijn carrière staan, Woody Guthrie zelf was echter bijna aan het einde van zijn leven: hij verbleef al vier jaar in het psychiatrisch ziekenhuis Greystone Park in New Jersey, lijdend aan de ziekte van Huntington, waaraan hij uiteindelijk in 1967 overleed. Maar Dylan spoorde hem daar op en de twee mannen ontmoetten elkaar – Guthrie gaf Dylan na hun eerste ontmoeting naar verluidt een kaartje met de tekst: “Ik leef nog.” Dylan schreef een nieuw nummer, “Song to Woody”, en speelde het voor zijn idool. Het werd door de oudere man goedgekeurd en was een van de slechts twee originele composities die op Dylans debuutalbum uit 1962 stonden.
Alhoewel ik het natuurlijk eigenlijk niet echt kan weten (ik heb het tenslotte niet zelf meegemaakt), denk ik dat men een “mooi” beeld krijgt van hoe het er in het begin van de jaren zestig aan toe ging in Greenwich Village dankzij de film “Inside Llewyn Davis” (2013) van de Coen-broertjes. Niet dat het een “mooie” film is (eerder integendeel), maar het lijkt me een juist (maar weinig fraai) beeld van enerzijds de roekeloze compromisloosheid van de folksingers (in dit geval dus Llewyn Davis, gespeeld door Oscar Isaac) en anderzijds de op geld beluste gehaaidheid van managers als Bud Grossman (wellicht niet toevallig gespeeld door F.Murray Abraham, alias Salieri in “Amadeus“). Het personage Bud Grossman is gebaseerd op Albert Grossman, die de Gate of Horn-club in Chicago runde en artiesten als Bob Dylan, Peter Paul & Mary en Janis Joplin managede. Llewyn Davis daarentegen is een fictief personage, niet gebaseerd op het leven van Dave Van Ronk. De inspiratie voor deze film kwam echter van Van Ronks memoires “The Mayor of MacDougal Street” en zijn album “Inside Dave Van Ronk” uit 1963. De film belicht de muziekscene van Greenwich Village in en rond de bestaande clubs Gaslight Cafe en Gerde’s Folk City. In de slotscène in Gaslight Cafe ziet Llewyn een man een liedje beginnen terwijl hij naar achteren loopt. Deze man is een representatie van Bob Dylan, die begin jaren zestig voor het eerst naar New York reisde. De personages Jim en Jean (gespeeld door Justin Timberlake en Carey Mulligan) waren in werkelijkheid een Amerikaans folkduo (Jim Glover en Jean Ray) dat in de jaren zestig optrad en opnames maakte in Greenwich Village. Als kamergenoot van Phil Ochs op de Ohio State University introduceerde Jim Glover hem voor het eerst in de folkmuziek; in het begin vormden ze ook kort een duo. Jean Ray stond bekend als de inspiratiebron voor Neil Youngs nummer “Cinnamon Girl”. De zangstem van Mike Timlin, Llewyns overleden muzikale partner (zelfmoord), is van Marcus Mumford van de band Mumford & Sons, en de echtgenoot van actrice Carey Mulligan. Visueel gezien is het echter Chris Eldridge, gitarist van de Punch Brothers, die te zien is op de albumhoes van het Timlin & Davis-album “If I Had Wings”. Het personage Troy Nelson is gebaseerd op singer-songwriter Tom Paxton, die in het leger diende voordat hij zijn carrière in Greenwich Village begon. Paxtons nummer “The Last Thing On My Mind” is te horen in de film, en het personage Nelson verwijst impliciet naar een ander nummer van Paxton, “Buy a Gun For Your Son”, beide nummers zijn in Vlaanderen vooral bekend in de vertaling van Miel Appelmans en uitgevoerd door Miek & Roel. Op de foto uit 1963 hieronder herkent men uiterst rechts Dave Van Ronk.
Ronny De Schepper
