Ik had zin om het derde en laatste deel van Francis Ford Coppola’s “The Godfather” nog eens te zien (*). Ik had deze film destijds moeten recenseren voor Stepsmagazine, maar ik herinnerde mij enkel dat de opera “Cavalleria Rusticana” van Pietro Mascagni een belangrijke rol speelt in het verhaal. Ik moest daar uiteindelijk wel lang op wachten (het is de finale), maar ik vond het wel de moeite waard. Dit is wat ik destijds schreef in Steps:
Er wordt wel eens smalend gezegd dat “The Godfather Saga” beter “The Coppola Saga” zou heten. En dat niet alleen omdat buiten vader en zoon ook Francis’ zus Talia Shire, zijn dochter Sofia en zelfs het dochtertje van zijn overleden zoon Gio van de partij zijn. Nee, men zegt dat vooral omdat de drie Godfather-films heel nadrukkelijk verbonden zijn met het al dan niet floreren van Coppola’s filmmaatschappij Zoetrope. Gesticht in 1970 samen met George Lucas (de latere regisseur van “Star Wars”) kende dit bedrijf aanvankelijk veel succes o.a. met Lucas’ “American Graffiti”. Coppola’s films zelf deden het niet zo goed tot hij door Paramount bijna verplicht werd om de eerste “Godfather” te draaien. Het werd meteen de meest rendabele film in de geschiedenis (op dat moment). Nadien kende de firma ups and downs door de nogal eigenzinnige projecten van Coppola, maar o.a. via het al even grote kassucces van “The Godfather II” kon men het hoofd voorlopig toch nog boven water houden. In 1982 ging Zoetrope echter over kop door de flop van Coppola’s high tech musical “One from the heart”. Eigenlijk had Coppola dus al geen zin om de eerste “Godfather” te regisseren, laat staan een tweede en een derde. Maar het ziet er naar uit dat hij deze “Godfather” van stal haalt, telkens als het hem financieel niet erg voor de wind gaat. Dan koppelt hij zijn talent aan zijn instinct om geld binnen te rijven.
Dat was ook het geval in 1990 toen hij “The Godfather III” draaide. Tegenover Barry Norman (BBC) zei hij het heel eerlijk: zonder financiële druk was deze “Godfather III” er niet eens gekomen. Coppola maakt daar overigens geen problemen rond: reeds op de UCLA Film School werd hij door zijn medestudenten scheef bekeken omdat hij “exploitation movies” draaide. Zij wilden allemaal Grote Kunst brengen. Dat wilde hij ook wel, maar in afwachting bleef hij liever niet met zijn vingers draaien. Dat hij in eerste instantie alleen maar “nudies” (van porno kon men in die tijd nog niet spreken) kon draaien, deed er niet toe. (Voor de verzamelaars: zijn naaktfilms zijn later samengevoegd tot één film van een min of meer conventionele lengte en met als titel “Come on out”.) Dat hij ook vele B-films heeft gemaakt, meestal onder de hoede van Roger Corman, daarop zijn collega’s als Steven Spielberg of George Lucas nu zelfs jaloers.
“Ik heb inderdaad veel geld verdiend door films,” zegt Coppola verder nog tegen Barry Norman, “maar ik heb het altijd opnieuw in de filmbusiness geïnvesteerd. Soms heb ik er zelfs mijn broek aan gescheurd. Maar zo hoort het ook. Voor mij geen vijf cadillacs, drie zwembaden en een privé-jet. Dat laat ik liever aan anderen over.”
Over de casting van zijn 18-jarige dochter Sofia was heel wat te doen. Nog tijdens de opnames zei Al Pacino gekscherend tegen haar: “Als je de drang voelt om te acteren, ga dan liggen en wacht tot het overgaat.” Ook ik vond het een vreselijke miscast (een vader vindt zijn eigen dochter altijd een “beauty”), maar eigenlijk was ik wel blij dat Francis niet onder de druk van de studio is bezweken om Madonna voor de rol te engageren (oorspronkelijk was de rol voorzien voor Winona Ryder, deze arriveerde in Rome, twee dagen nadat ze de opnames voor
Mermaids had afgerond, maar viel direct na aankomst in haar hotelkamer flauw en werd uiteindelijk gediagnosticeerd met uitputting; Rebecca Schaeffer was nog eerder voorzien voor de rol van Mary Corleone, maar ze werd tragisch vermoord op de dag dat ze het script voor de film zou ontvangen: toen ze op de ochtend van 18 juli 1989 de deur opendeed, verwachtte ze een koerier met het script van de film, maar ze werd geconfronteerd met een geobsedeerde fan die ze wegstuurde, een uur later keerde hij terug en vermoordde haar). Daarbij, Sofia was a.h.w. voorbestemd om de rol te spelen: ze was immers ook reeds te zien in de eerste “Godfather”, namelijk als de boreling in de ietwat uit de hand gelopen doopplechtigheid.
“The Godfather Saga” heeft in zijn totaliteit iets weg van de Shakespeariaanse koningsdrama’s, die via bepaalde personages ook allemaal met elkaar verweven zijn. Daarnaast verwijst met name “The Godfather III” ook wel naar “King Lear”, waarin de oude koning afstand doet van zijn rijk. Hier eindigt de parallel, want aangezien Michael Corleone zelf altijd naar respectabiliteit heeft gestreefd, worden zijn bezwaren tegen de keuze van zijn zoon Tony (Frank D’Ambrosio, hij zou later vooral bekend worden door zijn vertolking van de titelrol in de musical The Phantom of the Opera, die hij zo’n 2300 keer opvoerde), die een carrière als operazanger boven die van mafiabaas verkiest, snel van tafel geveegd. Idem voor het “conflict” (met kleine c en met heel grote aanhalingstekens) met zijn dochter Mary, die verliefd is op haar neef. Het is precies die neef die Corleone’s imperium zal erven, maar hij moet dan wel zijn “claim” op de dochter laten varen. Dat doet hij ook zonder veel morren en bovendien komen enkele dramatische omstandigheden alle verdere commotie dan nog in de kiem smoren.
Wat dit aspect van het scenario betreft, kan men dus ongetwijfeld stellen dat het duo Puzo-Coppola een aantal mogelijke conflictsituaties onvoldoende heeft uitgebuit. Helemaal ongelukkig ben ik daarmee niet, want daarnaast zijn al die familietoestanden niet helemaal duidelijk in deze film. Eigenlijk zou je vooraf de twee vorige Godfathers (toch al uit respectievelijk 1972 en 1974!) nog eens moeten gaan bekijken. Maar is dat niet wat veel gevraagd van de gemiddelde filmliefhebber?
Auteur (en nu ook scenarist) Mario Puzo heeft zich wel op erg glad ijs gewaagd door reële feiten in het verhaal te verweven (**). Dat de Corleones betrokken zijn in het schandaal van de Vaticaanse “Banco Ambrosiano” kan er eventueel nog in, maar dat ze tevergeefs hebben gepoogd om de moord op paus Johannes-Paulus I te verhinderen (september 1978), daarmee kan men alleen maar glimlachen, zoals ook deze “lachende” paus pleegde te doen. Het past wel allemaal in de middeleeuwse sfeer van de “onorévole società” zoals de mafia op Sicilië wordt genoemd. Hoezeer wij de gedragingen van de Corleones ook als gangsterpraktijken mogen beschouwen, voor de Sicilianen is de Don, de Godfather, de peetvader dus, een soort van middeleeuwse leenheer die zijn eigen erecode moet volgen en waaraan ook de vazallen dienstbaarheid zijn verschuldigd in ruil voor bescherming. Vandaar dat Michael Corleone (Al Pacino) als jongste zoon nog verder gaat dan zijn vader Vito (Marlon Brando). Diens strijd tegen de drugs betekende weliswaar zijn ondergang, maar zijn imperium was toch opgebouwd dankzij speelholen en ontucht. Voor Michael gaat ook dit nog te ver: om respectabel te worden, heeft hij ook die “business” van de hand gedaan en wil hij nu een immobiliënimperium opbouwen. Daarvoor heeft hij de steun van de kerk nodig en dankzij wat “goede werken” krijgt hij die ook… tot blijkt dat er ook in het Vaticaan vertakkingen van de “extreme” mafiosi zetelen. (Prachtige rol overigens van de oude Eli Wallach als Don Altobello, de man die achter de schermen alle touwtjes in handen heeft: zowel Corleone zelf als die “Vaticaanse” tak als de meer op straat opererende Joey Zasa, ook al een knappe vertolking van Joe Mantegna, tevens de stem van Fat Tony in The Simpsons.)
Vrouwen zijn overigens in dit soort producties bijna van geen tel. Dat geldt zelfs voor iemand als Diane Keaton als Michaels ex-vrouw Kay. Talia Shire als zijn zus Connie krijgt in een kleiner rolletje dan toch de kans zich nog iets meer te profileren. De voornaamste rollen zijn echter weggelegd voor de Mannen (met hoofdletter!).
Toch heeft ook hier, zoals in andere contemporaine films (“Don Giovanni” in “The bonfire of the vanities”, “La Traviata” in “Pretty woman”, “La Bohème” in “Moonstruck”, “Madama Butterfly” in “Fatal attraction”, “Samson et Dalilah” in “Slam dance” enz.) de ontknoping wat te maken met een opera. Deze keer is het de prachtige “Cavalleria Rusticana” van Pietro Mascagni, waarin Michael Corleone’s zoon, Tony, de hoofdrol mag vertolken (***). De opera wordt zogezegd opgevoerd in Palermo (Sicilië), maar wordt met zo’n Amerikaanse tongval gezongen dat het echt niet mooi meer is. De enscenering loopt (ten behoeve van de film) ook enigszins uit de hand, maar toch slaagt men er niet in de prachtige muziek kapot te krijgen. Dat de moord in de opera zou samenvallen met een moord in het operagebouw stond natuurlijk reeds bij voorbaat vast, dat is a.h.w. een van de conventies als zo’n opera in een film wordt geïntegreerd. De film wordt dan echter méér opera dan de opera zelf omdat het niet één moord is, maar werkelijk een cavalcade, die alleen wordt overtroffen door de onwaarschijnlijke moordaanslag met een helikopter op het banket van de “commissie” (lees: de mafia).
Muziekliefhebbers zullen er zich allicht ook aan ergeren dat de muziek van Mascagni voortdurend wordt doorkruist door de filmmuziek van Carmine Coppola, de vader van de regisseur (ook te zien als orkestleider op het bal van de Corleones). Verder mogen ook de nazaten van Nino Rota nog een graantje meepikken, want het oeroude thema duikt hier en daar natuurlijk nog wel eens op (****).
Net als in King Lear zal de bastaard uiteindelijk recht trekken wat krom is. Op het einde van de film wordt hij als nieuwe Godfather gehuldigd, na Marlon Brando, Robert de Niro en Al Pacino, drie acteurs waarvoor Andy Garcia een grote bewondering koestert. Voor Garcia is een “part four” dus een grote betrachting, voor mij hoeft het echter niet meer. Voor Francis Ford Coppola al evenmin, voor hem is het Godfather-verhaal definitief afgelopen met de dood van Michael Corleone, maar als hij weer eens in geldnood zit, weet je nooit (*****).
De film ging in première in 1901 theaters en bracht in het openingsweekend 19,6 miljoen dollar op, waarmee hij op de tweede plaats eindigde, achter Home Alone. Op eerste kerstdag bracht de film in totaal 6 miljoen dollar op, wat destijds het hoogste bedrag was. Zeven jaar lang behield de film dat record, tot 1997, toen het werd overtroffen door Titanic.
Ronny De Schepper (aangevuld op basis van Wikipedia en the Internet Movie Database)
(*) Pas nu stel ik vast dat ik eigenlijk een herziene versie van de film, getiteld The Godfather Coda: The Death of Michael Corleone, uitgebracht ter gelegenheid van het 30-jarig jubileum van de originele versie in december 2020, heb gezien. Coppola noemde deze versie dichter bij zijn oorspronkelijke visie op de film en de film ontving positievere recensies van critici. Zowel Pacino als Keaton gaven hun goedkeuring aan de nieuwe versie en merkten op dat deze een verbetering is ten opzichte van de oorspronkelijke bioscoopversie. Een van de veranderingen die als cruciaal werden beschreven, was het verplaatsen van Michaels ontmoeting in het Vaticaan, die oorspronkelijk veertig minuten na het begin van de film plaatsvond, naar de opening, wat volgens Pacino de flow van de film verbeterde.
(**) Journalist David Yallop beweert in zijn boek “In God’s name”, dat voor het eerst verscheen in 1984, dat Albino Luciani, de latere paus Johannes-Paulus I, een hervorming van de Vaticaanse financiën plande en dat hij daarom door vergiftiging om het leven is gekomen; deze beweringen worden in de film weerspiegeld. Yallop noemt ook aartsbisschop Paul Marcinkus als verdachte, die aan het hoofd stond van de Vaticaanse Bank, net als het personage aartsbisschop Gilday in de film. Marcinkus stond echter bekend om zijn gespierde gestalte en afkomst uit Chicago, terwijl Gilday een zachtaardige Ier is (rol van Donal Donnelly). Het personage wordt ook vergeleken met kardinaal Giuseppe Caprio, omdat hij de leiding had over de Vaticaanse financiën in de periode waarop de film zich afspeelt. Het personage Frederick Keinszig (Helmut Berger), de Zwitserse bankier die wordt vermoord en onder een brug wordt opgehangen, weerspiegelt het lot (en het uiterlijk) van Roberto Calvi , de Italiaanse directeur van Banco Ambrosiano die in 1982 hangend onder de Blackfriars Bridge in Londen werd gevonden (hoewel het aanvankelijk onduidelijk was of het zelfmoord of moord betrof, oordeelden rechtbanken in Londen in 2002 dat het om moord ging). De naam “Keinszig” is ontleend aan Manuela Kleinszig, de vriendin van Flavio Carbone, die in 2005 werd aangeklaagd als een van Calvi’s moordenaars. Don Lucchesi (Enzo Robutti) wordt algemeen beschouwd als deels geïnspireerd door de zevenvoudig Italiaanse premier Giulio Andreotti, die een soortgelijke bril met dikke monturen droeg. De zin die Calò (Franco Zitti) vlak voor de steekpartij tegen Lucchesi sprak, “Il potere logora chi non ce l’ha” (“Macht put degenen uit die haar niet hebben”), is een citaat dat aan Andreotti wordt toegeschreven als reactie op de bewering dat hij en zijn partij uitgeput waren geraakt door jarenlang aan de macht te zijn. Toevallig was de grond waarop Paramount Pictures gevestigd was ooit eigendom van de Vaticaanse Bank. Paramount huurde de grond – die eigendom was van het Vaticaan – van de Hollywood Forever Cemetery, die grenst aan het terrein van Paramount.
(***) Anton Coppola, de oom van Francis Ford, is overigens de dirigent van ‘Cavalleria Rusticana’, al wordt dit niet vermeld op de aftiteling.
(****) En de film begint zowaar met een Italiaanse versie van “onze” Lampiste, in het Italiaans “Eh Cumpari”, een grote hit in de VS in 1953 door Julius La Rosa. Het wordt gevolgd door een optreden van Al Martino als Johnny Fontane, een rol die hij ook al vertolkte in de oorspronkelijke Godfather. Hij zingt “To Each His Own“. Door de populariteit van de twee eerdere Godfather-films had Frank Sinatra zijn anti-Godfather-standpunt nochtans herzien en toonde hij interesse in de rol van Don Altobello. Hij vroeg echter een te hoge salaris, waarna de rol naar Eli Wallach ging. Toevallig kreeg Sinatra zijn rol in From here to eternity (1953) toen Wallach zich terugtrok vanwege een conflict met zijn agenda vanwege een Broadway-voorstelling. Volgens de overlevering gebruikte Sinatra zijn connecties met de maffia om Wallachs rol te bemachtigen, wat de inspiratie vormde voor de Johnny Fontane-subplot in
The Godfather.
(*****) Na de reactie op het derde deel verklaarde Coppola dat het idee voor een vierde film was besproken, maar dat Mario Puzo overleed voordat hij het script kon schrijven. Een potentieel script, met een vergelijkbaar verhaal als deel II, zou De Niro in de rol van een jonge Vito Corleone in de jaren dertig hebben laten terugkeren; Leonardo DiCaprio zou een jonge Sonny Corleone spelen die de politieke macht van de Corleone-familie verwerft; Andy García zou Vincent Corleone spelen in de jaren tachtig, die het familiebedrijf door tien jaar verwoestende oorlog leidt, geteisterd door de dood van zijn nicht Mary, en uiteindelijk het respect en de macht van de familie verliest. García heeft sindsdien beweerd dat het script van de film bijna was geproduceerd. Puzo’s deel van het potentiële vervolg, dat handelt over de familie Corleone in de vroege jaren dertig, werd uiteindelijk door Edward Falco uitgebreid tot een roman en in 2012 gepubliceerd onder de titel The Family Corleone. Paramount had de erfgenamen van Puzo nochtans aangeklaagd om publicatie van de roman te voorkomen, wat leidde tot een tegenaanklacht van de erfgenamen wegens contractbreuk. De studio en de erfgenamen schikten vervolgens de rechtszaken, waardoor publicatie van het boek mogelijk werd, maar de studio behield de rechten op mogelijke toekomstige films.