Vandaag is het al twintig jaar geleden dat “Never let me go”, de zesde roman van Kazuo Ishiguro werd uitgebracht. Bij de aanvang had ik vaag hetzelfde idee als bij “The unconsoled”, zij het dat dit boek zeker niet surrealistisch of absurd is. Integendeel, het leek allemaal heel realistisch tot ik – eigenlijk vrij toevallig – over een Wikipedia-stuk struikelde dat aangaf (zonder te waarschuwen voor spoilers) dat het hier eigenlijk om een SF-roman ging en dan wel over het bekende thema van organenhandel (denk b.v. aan Coma, een ziekenhuisthriller met Michael Douglas over illegale organensmokkel).
Jammer dat ik dit nu al weet, maar als het dan toch zo is, ga ik eens nagaan wanneer men als lezer voor het eerst zelf hiermee in aanraking komt, het woord “donor” niet meegeteld, dat overigens ook andere betekenissen kan hebben (*). Uiteindelijk zou het toch niet zo heel lang duren vooraleer de uitleg er komt (p.73).
Maar goed, ik had voor mezelf uitgemaakt dat de lectuur van dit boek beslissend zou zijn wat mijn mening over Ishiguro (en dus onrechtstreeks over het toekennen van de Nobelprijs) betreft. En voor meer dan negentig procent was dit negatief. Het was zelfs zo dat ik mijn vrouw had afgeraden het boek te lezen. Maar, zoals gezegd, dat was nog vóór het boek helemaal uit was. Ik had mezelf nog voorgehouden te wachten tot het helemaal uit was vooraleer dat leesadvies te geven, maar ik verwachtte niet dat er nog iets zou komen dat mij mijn mening zou doen herzien. En eigenlijk is dat ook zo, alleen heb ik nu uiteindelijk toch beslist om het boek alsnog op haar stapel lectuur te leggen (**). En aangezien er, zoals gezegd, geen onverwachte wending is gekomen, is het ook zeer moeilijk uit te leggen, waarom ik uiteindelijk toch van mening ben veranderd.
Het heeft wellicht meer met de omstandigheden te maken dan met het boek zelf. En die omstandigheden die zijn dan met name de verjaardag van de moord op James Bulger en datgene wat ik hierover heb geschreven op mijn blog, vlak voor ik het laatste hoofdstuk van “Never let me go” heb gelezen. Op het eerste gezicht heeft het ene niks met het andere te maken, maar het gaat natuurlijk om een zinloze dood en tegelijk om de vraag of niet elke dood zinloos is. En die vraag brengt dan weer onvermijdelijk de vraag over de zinloosheid van het leven met zich mee. En daarmee zal je het moeten doen, vrees ik.
Stilistisch gezien kan ik wel nog zeggen dat vooral naar het einde toe, de schriftuur van “Never let me go” gaat aanleunen bij het formidabele “The remains of the day”. Weliswaar enkel naar het einde toe dus, waardoor een vierde boek dan misschien toch nog uitkomst zou moeten brengen. Even sprong mijn hart op toen Gregory Ball zei dat hij ook een roman van Ishiguro had liggen, maar helaas bleek het eveneens “Never let me go” te zijn. Het zal dus voor een andere keer zijn…
Johan de Belie bekent eveneens: “Ik heb Let me go niet als een SF-roman gelezen. Dat zet op het verkeerde been en dreigt op een te eenzijdige benadering uit te lopen. Mij bleef steeds het beeld voor ogen van minder dan honderd jaar geleden medische experimenten op kinderen, maar vooral het feit dat er heden nog landen zijn waar mensen organen verkopen om hun gezin te laten overleven. Natuurlijk is het massaal clonen van zoveel individuen SF; hen samen opvoeden tot hun zestiende in een kostschool, hen daarna via een overgangsperiode van enkele jaren waarin ze zelfstandiger worden, tenslotte klaar te maken om donor te worden of begeleider, reëel klinkt het niet. Dit laatste (begeleider), tijdelijk, om donoren telkens moreel en psychisch bij te staan telkens ze een orgaan doneerden. Maar waar draait het dan vooral om in dit boek? Het opgroeien van de jongeren, hun vriendschappen, kleine en grote problemen, kleine en grote conflicten. En dit alles wordt teder, met voorzichtigheid, weemoed benaderd. Centraal daarin staan Kathy die het ganse verhaal vertelt, haar vriendin Ruth en de schuchtere Tommy die woedeaanvallen kan krijgen. Rond en tussen hen cirkelt een conglomeraat van gevoelens, versterkt door de gebeurtenissen, het donorschap, de argwaan veroorzaakt door diverse geruchten vermits de kinderen nooit of pas laat te weten komen wat er aan de hand is. Dit alles versterkt door vrij mysterieuze figuren als directrice ‘Madame’, leraressen juf Emily, juf Lucy, en het bestaan van een ‘galerie’ voor hun kunst- of knutselwerkjes. Pas op het einde wordt alles verduidelijkt en krijgt alles een plaats. Uiteindelijk is het de liefde, maar ook de onzekerheid van het bestaan, dit alles zet Ishiguro schitterend neer. En bezitten de clonen een ‘ziel’, een eigenheid, emoties, talenten en creativiteit… Hoe kunnen ze na maximaal vier donorbeurten als mens afgevoerd worden zonder scrupules… Uiteindelijk knaagt het boek aan je. Dit is bittere schoonheid.”
Ronny De Schepper
(*) En uiteraard heb ik het dan ook niet over de nadelen van roken waarover wordt gesproken op p.63. With hindsight weet je heel duidelijk dat er hier al knipogen naar wat later volgt instaan, maar als je dat niet zou weten, dan kan het natuurlijk ook gewoon als een waarschuwing tegen roken worden gelezen. Idem dito voor de verwijzing op p.66: “By then, of course, we all knew (…) that none of us could have babies”. In het licht van die verdomde voorkennis door Wikipedia is dit natuurlijk een onheilspellend omen, maar als men van niets weet, is het gewoon een feit. Een merkwaardig feit, jawel, maar toch doet het nog niet vermoeden waar het boek naartoe gaat.
(**) En ze heeft het boek uiteindelijk ook gelezen. Redelijk graag zelfs. Alleszins veel liever dan “De troostelozen”. Maar het had wel met een kortverhaal kunnen volstaan, vond ze. En daarbij kan ik me helemaal aansluiten.