275 jaar geleden vond er in Engeland een aardbeving plaats die met name Londen op z’n grondvesten deed daveren. Een verklaring voor het verschijnsel kon men in die tijd niet zo direct vinden. Niet zo echter voor Thomas Sherlock, de bisschop van Londen. Hij was ervan overtuigd dat de aardbevingen ‘direct gericht’ waren op de zondige stad Londen; de Heer die zijn woede uitte over de publicatie van ‘The Memoirs of Fanny Hill’ – “dit walgelijke boek, het meest ontuchtige dat ik ooit zag.”
Het moet zijn dat God dan wel een trage lezer is, want de roman Memoirs of a Woman of Pleasure, zoals het boek oorspronkelijk heette (zoals men op bovenstaande illustratie kan zien, werd de titel “Fanny Hill” pas bij de tweede editie gebruikt), was reeds meer dan een jaar eerder uitgegeven. Het eerste deel op 21 november 1748 en het tweede in februari 1749 door G. Fenton (eigenlijk Fenton Griffiths en zijn broer Ralph).
Het boek, vol met “onnatuurlijke ontucht”, volgens de bisschop, werd geschreven door John Cleland, een goed opgeleide man die gevangen had gezeten vanwege schulden en die hoopte zijn financiële fortuin te veranderen door het fantasierijke maar lugubere verhaal van Fanny Hill op papier te zetten. In het boek is ze een 15-jarig meisje dat in een bordeel in Londen terechtkomt, ontdekt dat het leven haar bevalt en openhartig over haar ervaringen schrijft in een reeks brieven.
Na publicatie kwam er van regeringswege niet direct een reactie. Pas in november van 1749, een jaar na het verschijnen van het eerste deel, werden Cleland en Ralph Griffiths gearresteerd op beschuldiging van het “corrumperen van ’s konings onderdanen”. Voor de rechtbank nam Cleland afstand van het boek, dat daarop officieel werd teruggetrokken.
Na zijn uiteindelijke vrijlating uit de gevangenis zei Cleland dat hij het boek had geschreven toen hij nog maar een jongeman was, en dat hij het vele jaren later, toen hij in de gevangenis zat, had voorbereid voor publicatie omdat hij wanhopig geld nodig had. Maar hij schaamde zich “diep ervoor”.
John “Fanny Hill” Cleland was de vertaler (in 1751) van de biografie van Catherine Vizzani, een promiscuë lesbienne in mannenkleren, een verschijnsel dat in de achttiende eeuw wel meer voorkwam. Als ze betrapt werden, kwamen ze er meestal met lichte straffen vanaf, daar waar mannelijke homoseksuelen vaak de doodstraf wachtte! De passage waarin wordt beschreven hoe Fanny door een spleet in de muur homoseksuele handelingen tussen mannen gadeslaat, is dan ook niet van zijn hand, maar is een latere interpollatie.
Ironisch genoeg slaagde het boek er niet in om de financiële onafhankelijkheid te bereiken die Cleland nastreefde. De uitgevers, die er duizenden ponden aan verdienden, betaalden de auteur slechts twintig pond voor het copyright. In 1789, op 79-jarige leeftijd, stierf hij in armoede, terwijl zijn creatie, Fanny Hill, een bloeiende toekomst tegemoet ging.
In de 19e eeuw werden de illegale uitgaven op de zwarte markt verkocht. Het boek vond ook zijn weg naar de Verenigde Staten waar het in 1821 wegens obsceniteit werd verboden. In 1963 publiceerde Putnam het boek onder de titel John Cleland’s Memoirs of a Woman of Pleasure maar ook deze uitgave werd onmiddellijk verboden. De uitgever vocht het verbod aan. In 1966 velde het Amerikaanse Hooggerechtshof in Memoirs versus Massachusetts het belangrijke vonnis dat de roman de Roth-standaard (een eerdere uitspraak in de VS over een “soortgelijke zaak”) van obsceniteit niet had overschreden.
Het boek was ook het grote voorbeeld voor de erotische underground-literatuur van het Victoriaanse Engeland (“Forbidden fruit”, “Sadopaideia”, “My secret life” en het tijdschrift “The pearl” b.v.), maar deze lezen eerder als curiosa dan als literair en/of erotisch hoogstaande werken, want ze zijn tevens de beste voorbeelden om aan te tonen waarom ik meestal niet van mannelijke auteurs in dit genre hou.
De grootste drijfveer van al die auteurs is immers voornamelijk aan te tonen hoe groot hun penis wel is en hoe onuitputtelijk hun potentie. Kwantiteit in plaats van kwaliteit.
Onnodig er bovendien aan toe te voegen dat het meestal, zo niet uitsluitend, projecties betreft en dat je je hoegenaamd niet gefrustreerd hoeft te voelen als je hun “score” niet haalt. Ik kan me zelfs best voorstellen dat het mannetje met het pietluttigste pikje de enormste verhalen verzint. In dit opzicht zijn deze Victorianen ook de voorlopers van de huidige seks- en pornoboekjes voor een exclusief mannenpubliek, waarin – inderdaad, lieve feministische vriendinnen – trouwens ook veel vrouwenhaat steekt. Het ligt in het verlengde van hun penis als het ware.
Pas in 1963 – nog na het mislukken van het Brits obsceniteitenproces tegen Lady Chatterley’s Lover in 1960 – besloot Mayflower Books, met Gareth Powell als algemeen directeur, een ongekuiste paperbackversie van Fanny Hill uit te geven. Enkele dagen voor de officiële verschijning kwam de Britse politie van het bestaan van het boek op de hoogte door een bordje in de etalage van de Magic Shop in Tottenham Court Road in Londen die gerund werd door Ralph Gold. Een agent kocht een exemplaar en bracht dit naar de rechtbank in Bow Street, waarna rechter Sir Robert Blundell een huiszoekingsbevel uitvaardigde. Op hetzelfde moment bezochten twee agenten van de zedenpolitie Mayflower Books aan de Vauxhall Bridge Road om te onderzoeken of daar misschien een voorraad zou zijn opgeslagen. Zij ondervroegen Powell en namen de enige vijf voorhanden zijnde exemplaren in beslag.
De politie keerde terug naar de Magic Shop en nam daar nog eens 171 exemplaren in beslag, waarop Gold werd gedagvaard onder sectie 3 van de wet tegen obsceniteiten. Inmiddels had Mayflower 82.000 exemplaren gedistribueerd maar het was Gold, in plaats van Mayflower Books of Fanny Hill, die werd vervolgd, hoewel Mayflower de proceskosten dekte. Het proces werd in februari 1964 gehouden. De verdediging voerde aan dat Fanny Hill een historische bron was van het vrijelijk beleven van normale niet-perverse seks, en zodoende geen rauwe pornografie. De openbare aanklager bestreed dit met een a-typische scène over flagellatie en won. Mayflower besloot niet in beroep te gaan. De zaak had echter de groeiende discrepantie aangetoond tussen de toenmalige zedelijkheidswetgeving en de sociale realiteit van het Verenigd Koninkrijk aan het eind van de jaren zestig en speelde een belangrijke rol bij het herzien van standpunten op dit terrein, waarna ten slotte in 1970 een ongekuiste versie van Fanny Hill kon verschijnen.
In 1973 werd de zogenaamde Millertest (een soort obsceniteitstest) van kracht, en als gevolg hiervan werd het verbod op de roman opgeheven. “Hoewel het boek op punten wellustigheid aanmoedigt, ontbreekt het in het werk niet aan literaire of artistieke kwaliteiten,” was de uitkomst van de “test”.
Ronny De Schepper (gebaseerd op Wikipedia en On this day)