Van 6 december 1774 tot 7 maart 1775 ging Mozart naar München t.g.v. creatie van “La finta giardiniera” (KV.196) op 13 januari. Aangezien hij later op het jaar de tweedelige ouverture met een finale afrondt, wordt dit door Christopher Hogwood de symfonie in D KV.207a of 196 of 121 genoemd. Ze is “Italiaans” van aard (dus zonder menuet) en nogal opgewekt en galant.
Dat komt uiteraard omwille van de inhoud van deze opera: de markiezin Violante wordt verwaarloosd door de man die ze bemint, graaf Belfiore. Samen met haar bediende verkleedt ze zich daarom als tuinierster en verhuurt haar diensten aan de Podestà van Lagonero. Deze Podestà kan Violante wel pruimen (en zijn knecht haar kamermeisje). Ondertussen staat graaf Belfiore op het punt te huwen met het nichtje van de Podestà, terwijl deze op haar beurt wordt nagejaagd door Ramiro. Onnodig te zeggen dat op het einde de drie “juiste” koppels elkaar vinden, alleen de Podestà kan op zijn kin kloppen. “La finta giardiniera” is de enige opera met een komische castratenrol.
Van Mozarts « La Finta Giardiniera » gaf de Munt al heel wat voorstellingen. In het Brusselse Parktheater vorig jaar waren er dat niet minder dan een 14-tal. Daarna gasteerde de Munt met deze productie in Wenen. Een tussendoortje in de Singel te Antwerpen functioneerde als repetitie voor het optreden in het Landstheater te Salzburg einde januari. Ter gelegenheid van de première schreven wij reeds welk een vreugdevolle ervaring het was dit jeugdwerk van Mozart in dergelijke optimale omstandigheden bij te wonen. Nieuw in de bezetting zijn thans Marek Torzewski als Belfiore en Malvina Major als Arminda, maar die hebben zich probleemloos aangepast aan het perfect uitgebalanceerd ensemble van vorig jaar (Ugo Bevelli, Joanna Kozlowska, Lani Poulson, Elzbieta Szmytka en J. Patrick Raftery). Sylvain Cambreling dirigeerde met de toppen van zijn vingers, « en sourdine » zouden wij bijna durven zeggen. Dit leidde tot een uiterste verfijning die het Muntorkest met zijn gebruikelijke helderheid verklankte. De enscenering van Karl-Ernst en Ursel Herrmann was fris, pittig en geestig. Wat kan men voor deze jonge Mozart nog meer verlangen?
Referentie
Willy Maijeur in De Rode Vaan nr.39 van 1986