Laudatio voor Patrick Conrad, 5e Lifetime Achievement Award Knack Hercule Poirotprijs – Kortrijk, Boektopia, 26 oktober 2024 (foto VVMA-Vlaamsemisdaadauteurs).
De hel bestaat, en de poort ervan ligt in de Middenstatie van Antwerpen. Patrick Conrad is de Dante Alighieri die de gruwelen beschrijft. Altijd overweldigd door zijn eigen angsten, maar nooit te beroerd om de ware aard van la perduta gente, de verdoemden, in al hun verschrikkingen genadeloos uit te beelden.
In Luwte, het slotstuk van de L-trilogie in 1998, zegt een verlopen homo het de lezer voor: “Niemand weet het, maar god woont in het Centraal Station en waakt er over zijn gevallen engelen”. Het Statiekwartier van de metropool is het embleem van de hele aardbol. En Conrad is zijn boeteprofeet.
Zoals elke grote schrijver heeft Conrad maar één thema: de wanhoop van het mens zijn. Zijn wereld is die van Sin City, de film noir, in zwartwit gedraaid door Rodriguez en Tarantino in 2005. Een wereld van geweld, bedrog, afpersing, knevelarij en gevoelsarmoede.
Een wereld van dompelaars, schurken, hoertjes, schijnheiligaards en bedriegers. Waarin de duisternis alleen oplicht in bloed, mascara (zoals in zijn film uit 1987 met Charlotte Rampling), rode lippen en het stinkende gele monster, de kinderverkrachter. De mens is vermomming.
Zelf zegt Conrad over zijn acht thrillers en elf Romans Noirs: “Er bestaan geen vaste ingrediënten maar de held is een schlemiel, altijd in verval of aan lager wal. Een loser. Koppig, dat wel. Maar hij zit steevast in een fuik, hij kan zijn lot niet ontvluchten, hij moet slecht eindigen, in het leven is er geen happy end, alleen The End”.
Kun je voor dit soort uitzichtloosheid een prijs uitreiken ? Natuurlijk. Meer dan ooit zelfs, als we naar Oekraïne, Gaza, Libanon, Noord-Afrika, Afghanistan, Mexico of de VS kijken – voorbeelden strekken. Want de boodschapper dient niet met pek en veren de stad uitgejaagd. Hij verdient gehoord te worden.
Soms gebeurt dat wel. Wie zoals Conrad in hetzelfde jaar 1985 de Feminaprijs krijgt voor de dokumentaire Permeke en de Oekumenische Prijs in Nyon voor Parlez-moi d’Amour, én eksakt 30 jaar later de Knack Hercule Poirotprijs voor Moço, die kun je niet herleiden tot een eenzijdig beeld van vrijzinnigheid waarvoor hij in 1969 de Arkprijs van het Vrije Woord kreeg.
Patrick Conrad is wellicht de thrillerschrijver die het diepst gewroet heeft in de slechtheid van de mens, in zijn authentiek zondig bestaan, in de comédie humaine die drijft op ijdelheid, hebzucht, huichelarij, zelfvergoelijking en nijd.
Hij overtreft de vorige laureaten van deze bijzondere prijs: Aster Berkhof leerde in zijn ongedwongenheid eenvoudig het thrillergenre leven. Jef Geeraerts wou bewijzen dat grote en populaire cultuur in harmonie zijn en in elkaar kunnen overgaan. Pieter Aspe gaf het genre een brede aanhang. En Toni Coppers heeft innerlijke diepgang aangebracht in al zijn personages. Maar Patrick Conrad, die heeft uitgepakt met een onverbiddelijk canvas waartegen het menselijk leven zich afspeelt. En dat verdraagt weinig goedertieren.
Als de jury van de Knack Hercule Poirotprijs vandaag hulde brengt aan de man die ons de geschuwde wereld door de strot ramt, om te laten zien wat we moéten zien, dan is dat niet gratuït. Want Conrad ként zijn wereld: van moederszijde in keramische kunst, van vaderszijde uit de scheepswerf en de dokkerswereld; het ouderlijk huis lag destijds op de hoek van de Zirkstraat, naast de Zakstraat, tegenover een freel bordeel, aan de beruchte Burchtgracht. Conrad zag er hoog en laag, armoede en opgepotte rijkdom, schijn en waarachtigheid, boudoirs en verrotte muren. Dát is het weefsel van al zijn kunst, films, plastisch werk, dichtbundels, essays en misdaadromans.
De uitgeverij zegt op de flap van zijn roman noir die we vandaag boven de doopvont houden, Anders, dat het zijn 20e thriller is. Ik tel er maar 19. Tenzij de bewerking van zijn film Slachtvee wordt meegeteld. Hij wees me terecht: hij rekent de roman Leven en Werk van Marcel Van Acker ook mee als roman noir. Het oeuvre ligt hoedanook gespreid over intussen 30 jaar.
En ja, de wereld van Conrad is anders. Het is een wereld van trollen, kobolden, mismaakten, travestieten, verslaafden, gedrochten van Jeroen Bosch en bonkige primitieven van Permeke en Kienholz die, dood, zich rechtop achter het stuur van zijn wagen de kuil liet inrijden. Conrad schreef voor hem de dichtbundel 11 Sad Songs.
In dit Ensorjaar is het ook gepast het mombakkes te vieren. Het is de wereld van de ruien: de duistere ondergrondse, die nochtans open en bloot ligt maar die wij niet willen zien. Het is de wereld van Kubricks Eyes Wide Shut.
De wereld gaat niet aan vuur ten onder, vurige mensen wekken hooguit aandacht. Onze wereld vriest zichzelf dood, zoals Satan in de diepste, negende kring van Dantes Inferno vastgevroren ligt. In volle duisternis, zoals de zwarte romantiek van Conrad.
Daarom speelt één van Conrads beste romans noirs, Diep in December, zich ’s nachts af, midden in de winter. Politie-inspekteur Theo Wolf (Deus homini lupus) is net vrijgelaten – hij had de vermeende maar verkeerde moordenaar van zijn dochter doodgeschoten en is aan lager wal geraakt. Dat hij het lijk van een vrouw schendt is ondraaglijk.
Tot we inzien dat hij het lijk Lucy noemt, naar de rechtoplopende mens-apin die in 1974 werd opgegraven in Ethiopië, 3,5 miljoen jaren oud – die vrouw staat voor de mensheid zelf, met mestkevers in “haar voor de helft weggerotte gezicht met een sluier van witte tule”, met een bril op de oogkassen die haar “de allure van een filmster uit de jaren vijftig geeft”. Luguber, zeker, maar de dood bezweren blijft onmogelijk.
Conrad toont dat het matriarchaat, ook half verteerd, altijd de macht houdt over de man, net als in Perdida’s Droom. Daarin koppelt Perdida – letterlijk “de verlorene” – de hoer van Babylon aan de maagd, in één woord: zij is de ongenaakbare, onvruchtbare zwarte engel. Ik kan alleen hopen dat Conrad de onwillige mens die spiegel blijft voorhouden. Dan ziet de mens wat hij is: het portret van Dorian Gray.
(Ik besluit: Wannes van de Velde zei ooit, “Ne zanger is een groep”. Daarom wil ik ook anderen betrekken in het standvastig sukses van Conrad. Zijn overleden vrienden en dandy’s van weleer uit de Vécu, Henri-Floris Jespers, Nic Van Bruggen en Hugues Pernath, onsterfelijk geworden door Luk Appermont die hen de Pink Poets (met uitgesproken oe) noemde; zijn geliefden en bewonderaars; maar zeker ook zijn uitgevers, ene Walter Soethoudt, maar ook Leo De Haes, Harold Polis en vooral Rudy Van Schoonbeek en Ronald Grossey. Dat duo is net samen op rust gegaan, maar ze blijven zich engageren voor Conrad, ook nu Thom Pelckmans uitgeverij Vrijdag voortzet. Respekt! Het is niet Anders. Patrick, mijn diepe dank en bewondering voor al je meanders – M.E. zijn namelijk de voornamen van hoofdpersoon Anders.)
Lukas De Vos
amaai wat een blok zwartgallige lovende commentaar door iemand die wel doorgelezen heeft in zo’n oeuvre.
LikeGeliked door 2 people