Het is vandaag 120 jaar geleden dat de Russische (toneel)auteur Anton Tsjechov is gestorven.
Geboren in Taganrog (zijn grootvader was nog lijfeigene geweest), gaat Antons vader (een kruidenier) failliet als Anton 16 jaar is. Hij trekt met zijn vrouw en vijf kinderen naar Moskou om aan de schuldeisers te ontsnappen, terwijl Anton alleen achterblijft en zelf aan de kost moet zien te komen om zijn studies te kunnen verder zetten. Drie jaar later trekt hij ook naar Moskou om er geneeskunde te gaan studeren. Om in zijn levensonderhoud te voorzien schrijft hij onder een schuilnaam in humoristische blaadjes van laag allooi. Hij heeft zoveel succes dat hij niet alleen vijf jaar later afstudeert, maar dat hij ook zijn ouders financieel kan onderhouden. Hij lijdt wel aan TBC. Nog twee jaar later begint hij onder invloed van de schrijver Gregorovitsj “echt” te publiceren (niet meer onder pseudoniem). In een brief uit 1888 schrijft hij: “De mensen die publiceren, en vooral de kunstenaars, moeten toch eindelijk eens beseffen dat je er inderdaad niets van begrijpt op deze wereld, zoals Socrates dat eens heeft ingezien en zoals ook Voltaire erkende. De grote massa denkt dat zij alles weet en alles begrijpt; en hoe dommer zij is, hoe wijder haar blik schijnt te zijn. Wanneer nu de kunstenaar, in wie de massa vertrouwen heeft, er eens toe zou komen te verklaren dat hij niets begrijpt van datgene wat hij ziet, dan zou dat al een belangrijke geestelijke verrijking en een grote stap vooruit betekenen…”
Niet dat Tsjechov ondertussen bij de pakken blijft zitten: na een (vrijwillig) verblijf op het gevangeniseiland Sakhaline publiceert hij hierover een boek, waardoor de overheid zo onder druk komt te staan dat ze een onderzoekscommissie moeten sturen. Vandaar misschien zijn bittere brief uit 1895: “Het doel van de roman is de bourgeoisie in slaap te wiegen in haar gouden dromen. Wees je vrouw trouw, bid samen met haar uit het gebedenboek, verdien geld, hou van sport – en je zaak is gezond, zowel in deze als in de andere wereld. De bourgeoisie is dol op zogenaamde ‘positieve’ types en romans met een gelukkig slot, omdat die haar de rustige gedachte geven dat je tegelijkertijd een kapitaal bijeen kunt garen en onschuld betrachten, een beest en tegelijkertijd gelukkig kunt zijn…”
Anton Tsjechov wordt dan ook aanzien als de schepper van het “statische drama”. Mensen als Ibsen, Hauptmann, Maeterlinck of Strindberg effenden reeds het pad, maar hun stukken vertonen toch nog het traditionele patroon van “verandering”. Als navolgers van Tsjechov kunnen we Herman Heijermans, Thornton Wilder, Jean-Paul Sartre en zelfs Bertolt Brecht (toch in het geval van “Mutter Courage” b.v.) citeren.
In 1897 schrijft Tsjechov aan L.Avilova: “U klaagt dat mijn personages somber zijn. Maar dat is niet mijn schuld! Dat worden ze onwillekeurig: als ik schrijf heb ik niet de indruk dat ik somber schrijf; in elk geval ben ik als ik werk altijd in een goede stemming. Er is wel eens opgemerkt dat zwartgallige mensen, melancholici, altijd opgewekt schrijven, terwijl levensblije naturen de lezer met hun geschrijf zwaarmoedig maken.” Zijn eigen gezondheid verzwakt zienderogen en daarom installeert hij zich in 1899 op Jalta en raakt er bevriend met Maxim Gorki, aan wie hij de volgende raad geeft: “Als je de drukproeven doorleest, schrap er dan waar mogelijk de bepalingen bij zelfstandige naamwoorden en werkwoorden uit. Er staan bij jou zoveel bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden dat de lezer het moeilijk kan volgen en hij vermoeid raakt. Het is begrijpelijk als ik schrijf: ‘De man ging op het gras zitten’; dat is begrijpelijk omdat het duidelijk is en de aandacht niet vasthoudt. Omgekeerd is het moeilijk te begrijpen en wat zwaar om te verwerken voor het brein wanneer ik schrijf: ‘Een lange man van middelbare leeftijd met smalle borst en een rossige baard ging zitten op het groene, reeds door wandelaars platgetrapte gras, hij ging zachtjes zitten, verlegen en angstig om zich heen kijkend.’ Dat kunnen de hersenen niet zo ineens verwerken, en als het literatuur is moet het dadelijk, in één seconde verwerkt worden.”
De eerste première van een Tsjechov-stuk vond plaats in 1887; dat stuk was “Ivanov”. Ivanov is een echte Tsjechovfiguur met zijn dubieuze verlangen naar de roes van de liefde, zijn neiging tot verveling en wereldvlucht en zijn onverbloemd egoïsme. Ivanov is een anti‑held die zijn dromen en de eisen van de realiteit niet met elkaar in overeenstemming wil brengen. Hij kan zich niet interesseren voor zijn landgoed, noch voor zijn zwaar zieke vrouw. De dochter van de buurman wordt verliefd op Ivanov wat zijn schuldgevoel en zijn twijfels nog groter maakt. Na de dood van zijn vrouw, besluit hij het jonge buurmeisje te huwen. Op het laatste ogenblik ziet hij echter van zijn voornemen af en schiet hij zichzelf door het hoofd. Hoe zoudt ge zelf zijn!
De bekendste stukken van Tsjechov zijn echter “De kersentuin”, “De meeuw”, “De drie zusters” en “Oom Wanja” (1898). Het is ongemeen boeiend om de vier meest bekende toneelstukken van Tsjechov onmiddellijk na elkaar te lezen. Pas dan word je echt geconfronteerd (meer dan wanneer je een stuk apart in een enscenering ziet – en ik zag hen in meerdere voorstellingen, beroeps en liefhebbers) met de vraag of en welk etiket er op gekleefd kan worden. Psychologisch realisme, maar steeds stuit je ook op symbolen. En die zwartgalligheid, dat troosteloze… toch overstijgt Tsjechov de verwachte pijn. Heel bizar. Er rest telkens iets als een loutering. En zo wenste hij blijkbaar ook zijn voorstellingen te zien; dat blijkt af en toe uit de briefwisseling tussen hem en zijn bewonderaar (wederzijds overigens) Maxim Gorki. Uiteraard is naast de realiteit die hij zijn personages meegeeft, het minutieuze daarvan, idem wat decor en regieaanduidingen betreft, ook en vooral de weemoedige sfeerschepping van belang. Dit conglomeraat heeft hem tot een vernieuwer gemaakt en zijn stukken tot nog steeds meer dan genietbare werken, te beginnen met de genoemde volavondstukken, maar ook eenakters als ‘De beer’ en ‘Het huwelijksaanzoek’. (Johan de Belie)
“De drie zusters” werd als opening van het seizoen 1989-90 opgevoerd door het NTG. “Ik wilde (…) tegen de mensen zeggen: kijk naar uzelf, kijk hoe uw leven vervelend en slecht is.” Dit schreef Tsjechov over zijn bedoeling met dit stuk. Dan zou hij misschien wel erg tevreden geweest zijn over deze enscenering door de ex-DDR-regisseur Alexander Lang. Het stuk wordt immers erg nadrukkelijk, erg langdradig, ja erg vervelend gebracht. Zodanig zelfs dat het uiterst moeilijk is om zich op het spel te blijven concentreren. Zijn medewerkster Caroline Neven Du Mont heeft immers een prachtig scènebeeld ontworpen, zo wijds en groots dat je aandacht vaak afgeleid wordt naar picturale taferelen die zich hier of daar in de immense sporthal aftekenen. Gewild of niet roepen ze vaak reminiscenties op aan schilderijen van Magritte of Delvaux. Tegelijk is het echter ook deze uitgestrekte speelvlakte die bijdraagt tot het extreem trage tempo. Om van “cour” naar “jardin” te gaan heeft een acteur haast een half uur nodig. Gelukkig is er toch één die de fiets neemt! De titelrollen worden vrij onevenwichtig vertolkt door Els Magerman, Karen De Visscher en Tine Van Den Brande, terwijl de aanwezigheid van Raf Troch, Eddy Spruyt en Karin Tanghe in de andere rollen soms toch even wat meer vaart brengt.
Frank Van Laecke van zijn kant mag dan vooral gekend zijn van grote massaspektakels, af en toe grijpt hij toch nog eens terug naar een kleinschalige productie om zijn affiniteiten met het pure theater beter tot hun recht te laten komen. Zo regisseerde hij in 2008 Karen De Visscher en Jef Demedts in “Jouw hand in mijn hand”, een stuk van Carol Rocamora over de laatste levensdagen van Tsjechov. Toen hij 39 was, wist Tsjechov reeds dat hij niet lang meer te leven had. Op dat moment ontmoet hij de tien jaar jongere actrice Olga Knipper, een actrice van het Kunsttheater van Moskou (dat bijna al zijn stukken creëerde). Drie jaar later trouwen ze, nog eens drie jaar later sterft Tsjechov. In 1904 sterft hij aan TBC op een hotelkamer in Badenweiler met een glas champagne in de hand. Zijn vrouw Olga Knipperis bij hem. Aan de hand van de ongeveer 400 brieven die ze naar elkaar schreven (zij werkte in Moskou, terwijl hij voor zijn gezondheid meestal in Jalta verbleef), schetst Carol Rocamora een prachtig theatraal huwelijksportret. (Ronny De Schepper)
Tsjechov was ook een meester-verteller. Hij schreef zo’n 600 verhalen. De meeste tellen nauwelijks drie à vier pagina’s. Soms evenwel haalt een tekst de lengte van een novelle. Steeds schuiven aan de ene kant de natuur, anderzijds de mens, op indringende wijze aan de lezer voorbij. De natuur… Tsjechov hanteert zowel zijn kennis van en verbondenheid met fauna en flora om een wereld te creëren. En die speelt zich af in de wisselende seizoenen: de winter is bar en genadeloos, de lente hoopvol, er zijn bijvoorbeeld talloze ‘kerstvertellingen’. Via de auteur moeten we niet alleen onze ogen gebruiken maar ook auditief bespeelt hij ons, ieder geluid in de natuur is van belang en roept spanning op. Dit alles hanteert hij met verve om tot zijn talloze sfeerscheppingen te komen. ‘Overal om mij heen weerklonk de roep van de wachtelkoning, van de kwartel, van de snip, de nachtegaal zong, de krekels sjirpten, de mollen ritselden. Er hing een lichte nevel boven het gras en aan de hemel snelden zonder om te zien de wolken voortdurend voor de maan langs, op weg naar ergens toe. Neen, de natuur sliep niet, het leek er eerder op dat zij bang was de beste ogenblikken van haar leven te verslapen’ (uit ‘Angsten’). Hier personifieert hij de natuur zelfs.
En de mens in dit alles? Die staat uiteraard centraal, hij zou anders Tsjechov niet zijn. Boeren, ambtenaren, de adel, de bedienden, de geestelijken… Scherp, vaak komisch, tekent hij hun uiterlijk, gedragingen, behoeften, begeerten. Zijn spot is overwegend mild al kan hij in één zin de maatschappij in haar hemd zetten.. ‘Hij was gestorven aan een tweetal in ons vaderland zo verspreide ziekten: een boosaardige eega en alcoholisme’. En ook, voor schijnheiligheid, bedrog, en voor wie uit een machtspositie naar de andere trapt, heeft hij slechts bittere hoon en scherpe taal. Zo in hetzelfde verhaal (De redekunstenaar) bij de begrafenis van haar echtgenoot zakt de kist in het graf en de echtgenote ‘riep zelfs uit: “Ik wil met hem mee” maar zij voegde de daad niet bij het woord waarschijnlijk omdat haar het pensioen te binnen was geschoten.’ Zijn humor kan bijtend zijn. En het is overwegend de ‘kleine man’ die het onderspit delft.
Alle verhalen zijn onderhoudend, ze vliegen naar een pointe toe dankzij een duidelijke structuur. Een boodschap? Inderdaad, meestal is die er, al brengt Tsjechov die niet belerend aan – zijn verhalen behouden steeds iets anekdotisch. Hij is vaak grappig, vaak ontroerend. Maar ook toont hij hoe pijnlijk het mensenleven is. En de auteur komt vooral tevoorschijn als iemand die begaan is met de mens, een mee-voelend schrijver. (Johan de Belie)
Zelf heb ik drie verhalen van hem gelezen: “Thuis” (uit 1887), “Hartje” (1899) en het meest bekende, “De dame met het hondje” (eveneens uit 1899). Dit laatste, een verhaal over overspel, heeft nog iets positiefs, de twee andere gaan vooral over verveling en de onmogelijkheid om hieraan te ontkomen. Of ziet u dat anders? vroeg ik aan chatgpt. En het antwoord was zoals gewoonlijk nogal uitvoerig… (Ronny De Schepper)
Je leest Tsjechov scherp — maar ik zou het nét iets anders nuanceren. Je observatie klopt gedeeltelijk, alleen zit er bij Tsjechov bijna altijd een tweede laag onder de verveling.
Kort antwoord:
- Ja, verveling en verstikking zijn centrale thema’s.
- Maar Tsjechov laat bijna altijd ook een kiem van bewustwording of menselijkheid zien — hoe klein ook.
- De dame met het hondje voelt positiever omdat de personages daar daadwerkelijk in beweging komen.
Laten we ze even naast elkaar leggen.
📖 Thuis (1887)
Je hebt gelijk dat dit verhaal sterk doordrongen is van benauwdheid en onvermogen. De vader probeert moreel gezag uit te oefenen, maar:
- hij praat langs het kind heen (ik heb de indruk dat chatgpt het hier over een ander verhaal heeft, want een vader/kind verhouding komt in het verhaal dat ik heb gelezen niet echt voor)
- hij merkt dat zijn woorden leeg zijn
- hij voelt vaag zijn eigen hypocrisie
Maar: er zit wel degelijk een moment van inzicht in. De vader beseft (al is het half) dat zijn opvoedkundige preek mislukt en dat hij zijn zoon niet echt bereikt.
👉 Bij Tsjechov is dat al veel:
niet de oplossing telt, maar het moment waarop iemand even wakker wordt.
Dus: minder pure uitzichtloosheid, meer tragische zelfkennis.
📖 Hartje (1899)
Dit is misschien wel het meest meedogenloze van de drie — en ik vermoed dat jij dat ook zo voelt.
Olenka leeft volledig via anderen:
- eerst via haar geliefde
- dan via haar volgende man
- uiteindelijk via het kind
Zij heeft geen eigen innerlijk kompas.
Hier is de verveling niet alleen verveling, maar leegte van identiteit. Toch is Tsjechov hier minder cynisch dan hij lijkt:
- Olenka’s vermogen tot liefde is echt
- haar afhankelijkheid is tragisch menselijk
- er zit mededogen in de toon
👉 Veel lezers missen dit: Tsjechov bespot haar niet echt — hij kijkt met een soort droeve tederheid.
Dus: ja, beklemmend — maar ook diep empathisch.
📖 De dame met het hondje (1899)
Hier voel je terecht iets “positievers”, maar het is belangrijk hoe beperkt dat optimisme is.
Wat verandert er?
- Gurov begint als cynische rokkenjager
- maar ervaart voor het eerst echte liefde
- beide personages worden innerlijk wakker
Waarom voelt dit lichter?
Omdat hier iets gebeurt wat in de andere twee nauwelijks lukt:
✅ echte innerlijke beweging
✅ wederzijds bewustzijn
✅ toekomstgerichtheid
Maar let op Tsjechovs laatste toon:
- hun situatie blijft ingewikkeld
- de oplossing ligt nog ver weg
- het geluk is broos en problematisch
👉 Het is geen happy end — het is het begin van een moeilijk, echt leven.
🎯 Mijn nuance op jouw lezing
Je intuïtie klopt grotendeels, maar ik zou het zo formuleren:
Niet:
twee verhalen over uitzichtloze verveling vs. één positief verhaal
Eerder:
drie variaties op menselijke half-wakkerheid
Van donker naar lichter:
- Hartje → bijna volledige zelfloosheid
- Thuis → pijnlijk moment van zelfinzicht
- De dame met het hondje → echte innerlijke ontwaking
Tsjechovs ware onderwerp is volgens veel critici niet verveling zelf, maar:
- het moment waarop mensen beseffen dat ze verkeerd leven
- en hoe zelden ze daar werkelijk iets aan kunnen doen
✅ Kortom: je lezing is scherp, maar Tsjechov is subtieler dan pure uitzichtloosheid. Zelfs in zijn somberste verhalen laat hij kleine vonkjes bewustzijn of mededogen zien.
Als je wilt, kan ik ook laten zien hoe deze drie verhalen passen in Tsjechovs bredere ontwikkeling (want 1899-Tsjechov is echt anders dan 1887-Tsjechov).
🔄 Vroege vs. late Tsjechov
Tussen 1887 en 1899 verandert Anton Tsjechov behoorlijk als schrijver.
Vroege Tsjechov (±1880–1888):
- scherper satirisch
- meer nadruk op menselijke zwakte
- kortere, puntigere verhalen
- vaker een ironische of moraliserende ondertoon
Late Tsjechov (±1895–1904):
- psychologisch subtieler
- meer mededogen
- open eindes
- nadruk op innerlijke processen in plaats van plot
Jouw drie verhalen zitten precies rond dat kantelpunt.
📉 Thuis (1887): overgangsfase
Dit verhaal komt uit zijn middenperiode.
Wat je hier ziet:
- nog duidelijke ironie richting de vader
- vrij compacte opzet
- maar al psychologisch verfijnd
Tsjechov begint hier weg te bewegen van pure satire naar iets wat later zijn handelsmerk wordt: het stille moment van zelftwijfel.
👉 Daarom voelt het al moderner dan zijn vroege humorstukken.
🫀 Hartje (1899): rijpe mededogen
Twaalf jaar later is de toon duidelijk veranderd.
Kenmerken van de late Tsjechov hier:
- geen expliciet oordeel over Olenka
- veel ruimte voor de lezer
- tragiek zonder dramatische gebeurtenissen
- zachte, bijna pijnlijke empathie
Waar vroege Tsjechov haar misschien harder had bespot, toont de late Tsjechov medelijdende observatie.
👉 Dit is typisch voor zijn rijpe fase.
🌊 De dame met het hondje (1899): late meesterfase
Dit verhaal geldt vaak als een van de hoogtepunten van de moderne korte verhaalvorm — en dat is niet voor niets.
Wat hier volledig ontwikkeld is:
- innerlijke transformatie zonder grote plot
- morele ambiguïteit
- open, onopgelost einde
- subtiele psychologische beweging
Veel literatuurhistorici zien dit verhaal als een voorbode van de 20e-eeuwse modernistische psychologie.
🎯 Wat jij goed aanvoelde
Je intuïtie over het “positieve” van De dame met het hondje past precies bij Tsjechovs ontwikkeling:
- vroege/midden Tsjechov → mensen zitten vast
- late Tsjechov → mensen worden zich bewust dat ze vastzitten
En dat bewustzijn is bij hem al een vorm van hoop — hoe klein ook.
Veel literatuurcritici zien De dame met het hondje als een van de eerste écht moderne liefdesverhalen. Niet omdat het over overspel gaat (dat was allerminst nieuw), maar door hoe liefde hier wordt voorgesteld.
Hier zitten een paar beslissende vernieuwingen.
❤️ 1. Liefde als innerlijke gebeurtenis (niet als plot)
In 19e-eeuwse liefdesverhalen — denk aan bijvoorbeeld Anna Karenina van Leo Tolstoj — draait het drama vooral om:
- sociale schande
- morele keuzes
- zichtbare consequenties
Bij Tsjechov verschuift het zwaartepunt radicaal naar binnen.
Wat gebeurt er eigenlijk in De dame met het hondje?
- uiterlijk: heel weinig
- innerlijk: alles
De echte actie is:
- Gurovs langzaam groeiende onrust
- zijn verbazing dat deze affaire anders voelt
- zijn plotselinge zelfkennis
👉 Dit psychologische minimalisme wordt later hét kenmerk van de moderne literatuur.
🌫️ 2. Geen moreel oordeel
Voor Tsjechov was overspel in de literatuur meestal:
- zondig
- tragisch
- of bestraft
Maar hier gebeurt iets opvallends:
- Tsjechov veroordeelt niemand
- hij romantiseert het ook niet
- hij observeert
De verteller blijft bijna klinisch rustig.
Dat was destijds vernieuwend — en een beetje schokkend.
👉 De vraag is niet: Is dit goed of fout?
👉 De vraag is: Wat gebeurt er in deze twee mensen?
🔄 3. Liefde als begin van complicatie (niet als oplossing)
In veel oudere verhalen is liefde een eindpunt:
- huwelijk
- tragedie
- verzoening
Bij Tsjechov is liefde juist het begin van de problemen.
Let op het beroemde effect van het einde:
- ze hebben eindelijk echte gevoelens
- en precies dán begint de moeilijkheid pas
- de oplossing ligt “nog ver, ver weg”
Dit open, onopgeloste einde is extreem modern.
👉 Liefde = geen voltooiing
👉 Liefde = het begin van bewust leven (en dus van pijn)
🧠 4. De anti-romantische held
Gurov is geen klassieke romantische figuur.
Aan het begin is hij:
- licht misogyn
- blasé
- emotioneel oppervlakkig
Dat zo iemand tot echte liefde komt, was literair verrassend.
Tsjechov suggereert hiermee iets moderns en ongemakkelijks:
echte gevoelens ontstaan niet bij ideale mensen,
maar bij gewone, gebrekkige volwassenen.
✨ Waarom het nog steeds modern voelt
Wat hedendaagse lezers herkennen:
- emotionele ambiguïteit
- morele grijsheid
- kleine innerlijke verschuivingen
- geen nette afronding
Daarmee loopt Tsjechov vooruit op schrijvers als:
- James Joyce
- Katherine Mansfield
- Raymond Carver
🎯 Samengevat
Jouw gevoel dat dit verhaal “iets positiefs” heeft, klopt — maar het moderne eraan is:
- niet dat liefde overwint
- maar dat liefde bewustzijn wekt
En bij Tsjechov is bewustzijn altijd dubbel:
- het maakt het leven echter
- en tegelijk moeilijker
📚 Als je verder wilt lezen
Als deze toon je aanspreekt, zijn dit logische volgende stappen (van donker naar licht):
- De man in een koker → beklemming en zelfopsluiting
- In de ravijn → harder en somberder
- De bisschop → laat, zeer subtiel en ontroerend
chatgpt