Fons Mariën las Wetenschap & Religie van Patrick Loobuyck.

‘Wetenschap en religie’ is het jongste boek van moraalfilosoof Patrick Loobuyck. In de ondertitel luidt het dat het ‘een spannend duo’ is.
In grote lijnen bestaan er drie verhoudingen tussen beide : de battlefield-verhouding (de twee zijn met elkaar in strijd), de nothing-in-common-hypothese (wetenschap en religie zijn twee totaal gescheiden benaderingen die elkaar helemaal niet raken) en het harmoniemodel (de togetherness-positie die wetenschap en religie in een globale visie samenbrengt).

De auteur bespreekt deze drie verhoudingen in de eerste plaats in een historisch kader. Daarbij gaat hij terug tot het ontstaan van de Griekse filosofie: van wetenschap in de eigenlijke zin van het woord was toen nog lang geen sprake, maar hij gaat wel de verhouding tussen mythisch denken en het gebruik van de rede die met het mythisch denken breekt , na. Vervolgens komen de Middeleeuwen met christelijke denkers als Augustinus en Thomas van Aquino. De auteur besteedt ook enige aandacht aan de moslimwereld en de houding van intellectuelen over geloof versus rede.

De eerste ‘clash’ die hij uitgebreid bespreekt, is het incident tussen Galilei en de katholieke kerk over het geocentrisch wereldbeeld versus het heliocentrisch wereldbeeld. Volgens Loobyck was nog dat geen echte strijd tussen religie en wetenschap: Galilei verliet het geloof niet, alles draaide in wezen rond de vraag of bepaalde bijbelpassages ofwel letterlijk ofwel metaforisch mogen/moeten gelezen worden.
Nog lange tijd daarna is er sprake van natuurfilosofie. God openbaart zich in teksten maar ook in de natuur; de studie van die natuur en haar wetmatigheden zou de mens ook dichter bij god kunnen brengen, zo luidde een overtuiging die wijd verspreid was en lang heeft stand gehouden. Ook bij Newton is er nog een religieus wereldbeeld. Maar vanaf de zeventiende eeuw ontstaat (in het Westen) toch de wetenschappelijke benadering van natuurverschijnselen.
Een belangrijk moment in deze ontwikkeling vormt de evolutietheorie van Charles Darwin (1859). Hier is voor het eerst duidelijk dat de jonge aarde-gedachte (de aarde zou zo’n 6000 jaar oud zijn) niet klopt en is er een verklaringsmodel voor het verschijnen van mens en dier waarvoor een schepper een overbodige hypothese wordt. Het komt al vlug tot een echte botsing tussen het geloof en de wetenschap (hier de biologie). Patrick Loobuyck bespreekt deze strijd nauwgezet, met inbegrip van (ook hedendaagse) theorieën van creationisme en intelligent design die vooral leven in kringen van Amerikaanse evangelische christenen en ook binnen de islam. De moeilijke verhouding met Rome bespreekt hij eveneens: uiteindelijk heeft de katholieke kerk de evolutietheorie aanvaard met deze aanvulling dat de kerk nog altijd een goddelijke ingreep behoudt waar het de ‘ziel’ van de mens betreft.
In een apart hoofdstuk gaat de auteur dieper in op de drie attitudes en de moeilijkheden die elk van hen met zich brengen. In een slothoofdstuk gaat hij vervolgens dieper in op de wetenschappelijke studie van religie, vertrekkend van de vaststelling dat alle culturen op aarde een vorm van religie kennen. De wetenschap vraagt zich dan af hoe dat komt en poogt in een evolutionair kader daarvoor een verklaring te vinden.

Dit boek is bijzonder verhelderend en is geschreven in een taal die iedereen kan begrijpen. Filosofie hoeft niet hermetisch te zijn, zo, blijkt eens te meer.

Fons Mariën

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.